Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9877

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2012
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
11/05122
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9877
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Herroeping wegens bedrog. Art. 383 Rv; aanvangstijdstip herroepingstermijn; “bekend worden” met bedrog; maatstaf. Art. 387 Rv; heropening geding; maatstaf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 383
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 387
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1373
NJB 2012/2310
NJ 2012/629
JWB 2012/515
JBPR 2013/12 met annotatie van mr. T.Q. de Booys
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2012

Eerste Kamer

11/05122

DV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

1. [De zuster],

2. [De moeder],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. L. van den Eshof.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw, de zuster en de moeder.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 180704/FA RK 11-92 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 augustus 2011.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De zuster en de moeder hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening door de Hoge Raad als in de conclusie onder 2.25 vermeld.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 3 juli 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw heeft een affectieve relatie gehad met [de man] (hierna: de man).

(ii) De vrouw is op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] bevallen van een zoon, genaamd [de miderjarige] (hierna: de minderjarige).

(iii) De man is op 6 mei 2006 te Utrecht overleden.

(iv) Bij beschikking van 27 oktober 2006 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad op verzoek van de vrouw vastgesteld dat de man de vader is van de minderjarige. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

3.2 In de onderhavige procedure hebben de moeder van de man en de zuster van de man bij verzoekschrift van 20 december 2010 de rechtbank verzocht haar beschikking van 27 oktober 2006 te herroepen. Daartoe voerden zij aan dat er een verdenking is gerezen dat de vrouw bedrog heeft gepleegd. Zij brachten daartoe een drietal schriftelijke verklaringen in het geding, waarvan de inhoud kort is weergegeven in de nrs. 2.11-2.13 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De vrouw heeft daartegen aangevoerd, onder meer, dat de moeder en de zuster van de man in hun verzoek niet kunnen worden ontvangen, omdat de termijn om herroeping te vragen is verstreken, nu de moeder en de zuster al in 2009 beschikten over de verklaringen op basis waarvan zij menen dat de vrouw bedrog heeft gepleegd.

3.3 De rechtbank heeft het beroep van de vrouw op niet-ontvankelijkheid van de moeder en de zuster verworpen. Zij oordeelde dat de termijn van drie maanden van art. 383 lid 1 Rv aanvangt vanaf de ontdekking van het bedrog, en vervolgde:

"In beginsel is het bedrog eerst ontdekt, nadat de partij die is bedrogen, beschikt over het bewijs dat bedrog is gepleegd. Voordien zal in het algemeen nog slechts sprake zijn van een gerezen verdenking. In zaken betreffende afstammingskwesties dient het begrip bewijs van bedrog voor het aanvangen van de termijn zeer beperkt uitgelegd te worden. De verklaringen die zijn overgelegd kunnen hoogstens worden beschouwd als een gerezen verdenking. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van het verzoek tot herroeping nog niet is aangevangen en dat de moeder en de zus in hun verzoek kunnen worden ontvangen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het geding dat heeft geleid tot de beschikking waarin het vaderschap van de man over de minderjarige is vastgesteld, zal worden heropend."

3.4 Onderdeel 1 klaagt onder meer dat de rechtbank hiermee van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft ten aanzien van het tijdstip waarop de herroepingstermijn van drie maanden van art. 383 lid 1 Rv aanvangt en wijst erop dat de vrouw in haar verweerschrift gesteld heeft dat de moeder en de zuster van de man omstreeks oktober 2009 beschikten over en bekend waren met de verklaringen waarop zij hun herroepingsverzoek baseren. De klacht stelt de vraag aan de orde wanneer de partij die herroeping verlangt wegens in het geding gepleegd bedrog met dat bedrog "bekend is geworden" als bedoeld in art. 383 lid 1 Rv.

3.5 In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp voor art. 383 Rv is uiteengezet dat het bedrog in beginsel eerst is ontdekt, nadat de partij die bedrogen is "beschikt over het bewijs dat het is gepleegd" en dat voordien in het algemeen nog slechts sprake zal zijn van een gerezen verdenking (Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, blz. 173). Dit betekent enerzijds niet dat, zoals de rechtbank wellicht uit deze uiteenzetting heeft afgeleid, de termijn van art. 383 lid 1 pas gaat lopen als de partij die zich bedrogen acht in staat is het bedrog overtuigend aan te tonen, maar anderzijds ook niet dat iedere verdenking van bedrog al voldoende grond is voor heropening van het geding en daarmee voor het gaan lopen van de termijn. Het komt erop aan dat na afloop van het voorgaande geding feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, die tezamen de kwalificatie van het gedrag van de wederpartij als bedrieglijk wettigen (vgl. HR 20 april 2001, LJN AB1253, NJ 2002/392).

Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die zozeer de verdenking rechtvaardigen van bedrog dat de partij die zich bedrogen acht, langs de weg van heropening van het geding de gelegenheid behoort te krijgen de zaak nogmaals aan de rechter voor te leggen opdat die met inachtneming van deze feiten en omstandigheden de zaak opnieuw beoordeelt. De partij die van deze feiten en omstandigheden kennis neemt wordt daardoor, in de zin van art. 383 lid 1 Rv, bekend met de grond voor herroeping en zal het daarop gebaseerde rechtsmiddel dus binnen de termijn van drie maanden moeten aanwenden.

3.6 Nu de rechtbank de juistheid van de stelling van de vrouw in het midden heeft gelaten dat de moeder en de zuster van de man al in 2009 beschikten over de hiervoor in 3.2 bedoelde schriftelijke verklaringen, moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat zij reeds toen bekend zijn geworden met de door hen aangevoerde grond voor herroeping. Zij hebben dan het op 20 december 2010 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift tot herroeping van de beschikking van 27 oktober 2006 ingediend nadat de termijn van drie maanden van art. 383 lid 1 was verstreken. De klacht slaagt derhalve. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling. De verwijzingsrechter zal alsnog moeten beoordelen of de moeder en de zuster van de man reeds voor 20 september 2010 bekend zijn geworden met de hiervoor in 3.2 bedoelde verklaringen.

3.7 Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 387 Rv, nu de rechtbank het geding heeft heropend zonder dat het bedrog dat aan de heropening ten grondslag ligt, bewezen is. Deze klacht is ongegrond, nu zij kennelijk steunt op de onjuiste opvatting dat heropening van het geding op grond van bedrog in het geding gepleegd, slechts kan plaatsvinden indien bewezen is dat in het voorgaande geding bedrog is gepleegd. Volgens art. 387 Rv heropent de rechter het geding als hij de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt. Daarvoor is in het licht van het hiervoor in 3.5 overwogene voldoende dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die zozeer de verdenking rechtvaardigen van bedrog, dat de partij die zich bedrogen acht langs de weg van heropening van het geding de gelegenheid behoort te krijgen de zaak nogmaals aan de rechter voor te leggen opdat die met inachtneming van die feiten en omstandigheden de zaak opnieuw beoordeelt. De rechter zal pas in het heropende geding ten gronde behoeven te onderzoeken of werkelijk bedrog in het voorgaande geding is gepleegd.

3.8 Onderdeel 3 is voorgesteld voor het geval dat de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de minderjarige verplicht is mee te werken aan een DNA-onderzoek. Nu uit de bestreden beschikking niet kan worden opgemaakt dat de rechtbank van een zodanige verplichting van de minderjarige is uitgegaan, kan het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 augustus 2011;

verwijst het geding ter verdere behandeling en afdoening en beslissing naar die rechtbank.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 2 november 2012.