Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW4008

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01988
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW4008
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2010:BO0155, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure; art. 477a Rv. Procesrecht. Incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde. Gehoudenheid tot voorafgaande behandeling en beslissing? Maatstaf art. 209 lid 1 Rv. (HR 2 maart 2012, LJN BU8176, NJ 2012/158). Uitleg processtuk; appelgrieven aangevoerd?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 209
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/959
NJB 2012/1694
NJ 2012/482
JWB 2012/358
JBPR 2012/67 met annotatie van mr. H.W. Wiersma en prof. mr. G.J. Meijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2012

Eerste Kamer

11/01988

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. ATHANTO B.V.,

3. FORTUNA B.V.,

4. LAMAXAN B.V.,

5. RIVER CRUISE MANAGEMENT B.V.,

6. [Eiseres 6],

alle gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIVIERENLAND,

kantoorhoudende te Nijmegen,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s. en de Ontvanger.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 174095 / HA ZA 08-1416 van de rechtbank Arnhem van 7 januari 2009 en 8 juli 2009;

b. de arresten in de zaak 200.043.958 van het Gerechtshof te Arnhem van 12 oktober 2010, 19 oktober 2010 en 11 januari 2011.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld.

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiseres] c.s. schriftelijk toegelicht door mrs. R.L.M. van Opstal en J.W.A. Biemans, advocaten te Amsterdam. Voor de Ontvanger is de zaak schriftelijk toegelicht door zijn advocaat en mr. C.M. Bergman, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 tot en met 1.18. Voor zover in cassatie van belang gaat het om het volgende.

(i) De Ontvanger heeft uit kracht van dwangbevelen, uitgevaardigd tegen de vennootschap naar Engels recht Masterflex Ltd. (hierna: Masterflex), gevestigd te Limmen, executoriaal derdenbeslag gelegd onder [eiseres] c.s.

(ii) Nadat [eiseres] c.s. verklaard hadden dat zij niets aan Masterflex verschuldigd waren, heeft de Ontvanger een procedure als bedoeld in art. 477a Rv. (verklaringsprocedure) tegen [eiseres] c.s. aanhangig gemaakt.

(iii) In die procedure heeft de rechtbank Arnhem bij vonnis van 8 juli 2009, kort gezegd, de vorderingen van de Ontvanger toegewezen.

(iv) Nadat [eiseres] c.s. hoger beroep hadden ingesteld, heeft de Ontvanger [eiseres] c.s. voor het nemen van een memorie van grieven tegen de roldatum van 27 juli 2010 "peremptoir en akte niet dienen" aangezegd, als bedoeld in art. 2.14 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

(v) Op de rolzitting van het hof van 27 juli 2010 hebben [eiseres] c.s. een "memorie tot incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde" genomen, waarin zij vorderden dat het hof a) zal toestaan dat Masterflex tegen een nader te bepalen roldatum wordt opgeroepen in dit geding en b) de Ontvanger in de kosten van dit incident zal veroordelen.

(vi) De Ontvanger heeft vervolgens het hof verzocht akte niet-dienen te verlenen en [eiseres] c.s. zowel in de hoofdzaak als in het incident niet-ontvankelijk te verklaren.

(vii) Bij arrest in het incident van 12 oktober 2010 heeft het hof in het incident iedere verdere beslissing aangehouden en in de hoofdzaak de zaak naar de rol van 19 oktober 2010 verwezen voor het nemen van een beslissing op het verzoek van de Ontvanger om akte van niet-dienen van grieven te verlenen.

(viii) Op de rolzitting van 19 oktober 2010 heeft de rolraadsheer aan de Ontvanger akte van niet-dienen verleend.

(ix) Bij eindarrest van 11 januari 2011 heeft het hof [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.

3.2 De klachten van onderdeel 1 zijn gericht tegen rov. 2.2 van het arrest in het incident waarin het hof overweegt dat de incidentele vordering niet meebrengt dat hierop eerst en vooraf zou moeten worden beslist. Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Indien een bijzondere wettelijke regel op grond waarvan een incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist, ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv., die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist "indien de zaak dat medebrengt". Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding (HR 2 maart 2012, LJN BU8176, NJ 2012/158, rov. 3.5.2).

3.3 Het onderdeel betoogt allereerst dat het hof heeft miskend dat volgens art. 209 Rv. op incidentele vorderingen, indien de zaak dat medebrengt, eerst en vooraf wordt beslist en dat de behandeling van de hoofdzaak daardoor is geschorst. Deze klacht is ongegrond, omdat het hof de regel van art. 209 Rv. niet heeft miskend. Het heeft immers onderzocht of de zaak meebrengt dat op de incidentele vordering van [eiseres] c.s. eerst en vooraf zou worden beslist. Die vordering strekte ertoe dat het hof zou toestaan dat Masterflex tegen een nader te bepalen datum zou worden opgeroepen als partij in de verklaringsprocedure. De slotzinsnede van art. 477b lid 3 Rv. impliceert evenwel dat de derde-beslagene zonder meer bevoegd is de geëxecuteerde op te roepen als partij in de verklaringsprocedure. Voor deze oproeping, die dient te geschieden met inachtneming van art. 118 Rv., behoeft de derde-beslagene derhalve geen verlof van de rechter. De aard van een incidentele vordering als door [eiseres] c.s. ingesteld brengt dan ook, zoals het hof terecht heeft beslist, niet mee dat daarop eerst en vooraf moet worden beslist.

Op het vorenstaande stuit ook de motiveringsklacht van het onderdeel af.

3.4 Onderdeel 2 is gericht tegen de beschikking van de rolraadsheer van 19 oktober 2010 en het oordeel van het hof in rov. 2.1 van het eindarrest dat [eiseres] c.s. geen grieven tegen het bestreden vonnis hebben aangevoerd. Dat oordeel is volgens het onderdeel rechtens onjuist, omdat het hof heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of en zo ja, welke grieven [eiseres] c.s. tegen het vonnis van de rechtbank hebben opgeworpen.

Het onderdeel gaat ervan uit dat [eiseres] c.s. hun appelgrieven in de op de rolzitting van 27 juli 2010 genomen "memorie tot incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde" hebben aangevoerd. De strekking van dat processtuk is echter kennelijk, en begrijpelijk, door de rolraadsheer en het hof anders opgevat. De kritiek op de beslissing van de rechtbank in de in het onderdeel geciteerde passages uit de bedoelde memorie behoefde de rolraadsheer en het hof niet te brengen tot een uitleg van de memorie in die zin dat [eiseres] c.s. daarin niet slechts hun incidentele vordering om Masterflex in het geding te mogen roepen onderbouwden, maar ook alvast in de hoofdzaak hun appelgrieven aanvoerden. Het onderdeel faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep

veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 5.965,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 juli 2012.