Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BV9435

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11/03060
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vaststelling Nederlandse nationaliteit. Gezinshereniging kinderen met oudere halfbroer in Nederland; delen zij in diens naturalisatie? Gelijkstelling met adoptie? Art. 11 lid 2 (oud) Rijkswet op het Nederlanderschap; art. 8 EVRM. Geen naturalisatiebesluit met valse of fictieve persoonsgegevens als bedoeld in HR 11 november 2005, LJN AT7542, NJ 2006/149).

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/337
NJB 2012/1320
RvdW 2012/768
RFR 2012/91
AB 2012/277 met annotatie van P.R. Rodrigues
Module Nationaliteitsrecht 2013/797
JV 2012/308
PFR-Updates.nl 2012-0121
RV20120094 met annotatie van Groot de G.R. Gerard-René
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 mei 2012

Eerste Kamer

11/03060

EE/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verzoeker 3],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaken 324450/HA RK 08-1196, 324446/HA RK 08-1195 en 324455/HA RK 08-1197 van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2011.

De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verzoekers] zijn allen geboren in Somalië. In het kader van gezinshereniging zijn zij, toen zij nog minderjarig waren, door hun halfbroer, [betrokkene 1], naar Nederland gehaald. [Betrokkene 1] heeft daarbij aangegeven dat [verzoekers] zijn kinderen zijn.

(ii) Bij koninklijk besluit van 14 november 1997 is het Nederlanderschap verleend aan [betrokkene 1]. Destijds is ervan uitgegaan dat [verzoekers] tegelijkertijd het Nederlanderschap hebben verkregen omdat zij, als zonen van [betrokkene 1], in deze naturalisatie hebben gedeeld, zulks op grond van art. 11 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), dat toen luidde (voor zover thans van belang):

"Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend deelt in deze verkrijging (...)."

3.2 [Verzoekers] hebben op 19 november 2008 ieder afzonderlijk de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij sinds 14 november 1997 de Nederlandse nationaliteit bezitten. Daartoe hebben zij onder meer het volgende gesteld. Toen hun veel oudere broer [betrokkene 1] in 1992 als vluchteling naar Nederland was gekomen en daar was toegelaten, heeft hij meegedeeld dat [verzoekers] zijn kinderen zijn uit zijn huwelijk met [betrokkene 2]. Vervolgens zijn zij in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. [Verzoekers] stellen zich op het standpunt dat zij als adoptiefkinderen van [betrokkene 1] dienen te worden beschouwd en dus als zonen van [betrokkene 1] en diens echtgenote, zodat zij gedeeld hebben in de naturalisatie van [betrokkene 1] en daardoor het Nederlanderschap hebben verkregen.

De Staat heeft het standpunt van [verzoekers] bestreden. Op 14 februari 2006 is uit een uitzending van het TV-programma Netwerk gebleken dat [verzoekers] geen kinderen zijn van [betrokkene 1], maar dat [betrokkene 1] een veel oudere halfbroer is. Nu niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor medenaturalisatie dient te worden geconcludeerd dat [verzoekers] nooit in het bezit zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, aldus de Staat.

3.3.1 Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoekers] afgewezen. Zij heeft in rov. 3.2 het standpunt van [verzoekers] dat zij als adoptiefkinderen van [betrokkene 1] moeten worden beschouwd, verworpen. De rechtbank heeft vooropgesteld, dat een geadopteerd kind ingevolge artikel 11 lid 2 (oud) RWN slechts in de naturalisatie van zijn adoptief-vader of adoptief-moeder deelt, indien de adoptie is tot stand gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en het kind door die adoptie de staat van wettig kind van de adoptanten heeft verkregen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [verzoekers] niet hebben aangetoond dat in hun geval aan deze voorwaarden is voldaan, en geoordeeld dat het betoog van [verzoekers] dat formele adoptie in Somalië niet mogelijk is, daarvoor niet voldoende is. De rechtbank is op grond van een en ander tot de conclusie gekomen dat [verzoekers] niet op grond van het koninklijk besluit van 14 november 1997 het Nederlanderschap hebben verkregen.

3.3.2 Volgens onderdeel 7.2 van het middel heeft de rechtbank aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in art. 11 lid 2 (oud) RWN. Hetgeen het onderdeel betoogt kan als volgt worden begrepen. De rechtbank heeft de bijzondere gezinssituatie waarin [verzoekers] ten tijde van de naturalisatie van [betrokkene 1] verkeerden, miskend. Deze situatie moet namelijk op één lijn worden gesteld met het gezinsleven van adoptiefkinderen en hun adoptiefouders, als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM. Na de toelating van halfbroer [betrokkene 1] in Nederland zijn zij immers samen met diens echtgenote en hun kind naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging. Daar maakten zij deel uit van het gezin van [betrokkene 1] en zijn vrouw die hen - tezamen met hun eigen kind - als hun eigen kinderen hebben opgevoed en verzorgd. In een dergelijke situatie heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten op grond van art. 8 lid 2 EVRM te onderzoeken of de inmenging in het gezinsleven van [verzoekers] doordat zij als gevolg van de formele adoptie-eisen die art. 11 lid 2 (oud) RWN stelde, niet met [betrokkene 1] zouden zijn meegenaturaliseerd, gerechtvaardigd was.

3.3.3 Dit betoog faalt omdat het eraan voorbij ziet dat noch aan art. 8 EVRM noch aan enige andere bepaling van dit verdrag het recht kan worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit (HR 1 februari 2008, LJN BC1847, NJ 2008/82).

3.4 Aangezien [verzoekers] niet met [betrokkene 1] zijn meegenaturaliseerd omdat zij niet voldeden aan de daartoe door de wet gestelde eisen, doet zich ten aanzien van hen niet het geval voor van een naturalisatiebesluit dat hen niet identificeert omdat daarin omtrent hen valse of fictieve persoonsgegevens staan vermeld, en dat daarom geen rechtsgevolg heeft, als waarop HR 11 november 2005, LJN AT7542, NJ 2006/149, betrekking heeft. Daarop stuit onderdeel 7.3 af dat zich keert tegen rov. 3.3 van de bestreden beschikkingen waarin de rechtbank de stelling van [verzoekers] dat het naturalisatiebesluit rechtsgevolg heeft zolang geen besluit tot intrekking op grond van het huidige artikel 14 RWN is genomen, heeft verworpen.

3.5 Onderdeel 7.4 faalt omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat [verzoekers] het Nederlanderschap en daarmee het burgerschap van de Europese Unie hebben verloren. Zij hebben het Nederlanderschap immers nooit verkregen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.