Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL2823

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2010
Datum publicatie
29-09-2010
Zaaknummer
07/13416 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL2823
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHAMS:2017:553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overzichtsbeschikking inzake beklag tegen beslagzaken. Artt. 552a Sv, 94 en 94a Sv. I.c. wordt klager alsnog n-o verklaard omdat de wet niet de mogelijkheid kent een verzoek tot teruggave mondeling te doen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1130
NJ 2010/654 met annotatie van P. Mevis
NJB 2010, 1896
JOW 2011/18
NBSTRAF 2010/294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 september 2010

Strafkamer

nr. 07/13416 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 november 2007, nummer RK 1223/07, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst" te Sittard.

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegrondverklaring van het beklag wat betreft het Turkse paspoort, de identiteitskaart en de pasfoto's - is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak, teneinde deze op het bestaande klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen.

2. Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwingen

Inleiding

2.1. Het is de Hoge Raad gebleken dat in een aantal opzichten in de praktijk onvoldoende duidelijkheid bestaat over de beoordeling van op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschriften tegen op basis van art. 94 Sv en/of art. 94a Sv gelegde beslagen op voorwerpen. Daarom volgt hieronder een weergave van de rechtspraak van de Hoge Raad over de in dergelijke zaken na te leven procedurele voorschriften en de bij de beoordeling aan te leggen maatstaven. De uiteenzetting is beperkt tot enkele in de rechtspraak te onderkennen knelpunten.

De tekst van de hiervoor genoemde artikelen luidt:

- art. 94 Sv:

"1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen.

2. Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.

3. Van de inbeslagneming van een voorwerp wordt, ook in geval de bevoegdheid tot inbeslagneming toekomt aan de rechter-commissaris of de officier van justitie, door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie een voorwerp is inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst afgegeven. De opsporingsambtenaar stelt de kennisgeving zo spoedig mogelijk in handen van de hulpofficier van justitie teneinde te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd."

- art. 94a Sv:

"1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:

a. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en

b. voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en

c. die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.

5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

- art. 552a Sv:

"1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125o, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.

2. De belanghebbenden kunnen schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.

3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming , kennisneming of ontoegankelijkmaking ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.

5. De griffier van het gerecht dat tot afdoening bevoegd is, zendt aan degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen, indien hij noch de klager is, noch afstand van het voorwerp heeft gedaan, en zijn adres bekend is, onverwijld een afschrift van het klaagschrift en deelt hem mee dat hij zijnerzijds een klaagschrift kan indienen. Op last van de voorzitter van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp of dezelfde gegevens, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.

6. De behandeling van het klaagschrift of het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.

7. Acht het gerecht het beklag of het verzoek gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last."

Het summiere karakter van de procedure

2.2. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats,(1) omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

Enkele procedurele eisen

2.3. Een beklag als bedoeld in art. 552a Sv moet, zoals die bepaling ook voorschrijft, schriftelijk worden gedaan. De wet kent niet de mogelijkheid dat een verzoek om teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp mondeling wordt gedaan; in een dergelijk beklag kan de klager niet worden ontvangen.(2)

2.4. Op de beklagprocedure zijn de bepalingen betreffende de behandeling door de raadkamer van het Eerste boek, Titel I, Afdeling 6, van het Wetboek van Strafvordering, van toepassing. Dat brengt onder meer mee dat de behandeling in raadkamer - behoudens toepassing van art. 22, tweede en derde lid, Sv - in het openbaar plaatsvindt (zoals ook is voorgeschreven in art. 552a, zesde lid, Sv) en dat de beschikking in het openbaar wordt uitgesproken. Deze voorschriften zijn van zodanig wezenlijke betekenis dat de niet-naleving daarvan in beginsel tot nietigheid van de behandeling en de beschikking leidt.(3) Dat geldt evenzeer voor het verzuim om van het onderzoek in raadkamer een proces-verbaal op te maken, zoals is voorgeschreven in art. 25 Sv.(4)

De positie van de belanghebbende

2.5. Het wettelijk stelsel brengt mee dat op de rechter de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat geval mag de rechter niet treden in de beoordeling van het klaagschrift zonder dat die belanghebbende - indien deze bekend of gemakkelijk traceerbaar is - in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.(5)

2.6. De wet kent wat betreft de beklagprocedure niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.(6) Ook kent de wet niet de mogelijkheid dat op verzoek van een belanghebbende teruggave van het inbeslaggenomene aan een ander wordt gelast.(7)

Opmerking verdient daarbij dat de rechter die dient te beslissen op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van op de voet van art. 94 of art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen, niet de bevoegdheid heeft ten behoeve van de rechthebbende de bewaring te gelasten van die voorwerpen, omdat een met art. 116 of art. 353 Sv vergelijkbare regeling ontbreekt.(8)

De juridische basis van het beslag

2.7. Om de juiste beoordelingsmaatstaf te kunnen hanteren zal ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk moeten zijn welke bepaling of bepalingen aan het beslag ten grondslag ligt(9) of liggen.(10)

Bij inbeslagneming op basis van art. 94 Sv staan centraal de waarheidsvinding,(11) ook wat betreft het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr, en het verwijderen uit het maatschappelijk verkeer van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.

Bij inbeslagneming met toepassing van art. 94a Sv gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel.

Art. 94 Sv: toetsingsmaatstaven

2.8. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.(12) In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.(13)

2.9. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen(14) - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager(15) - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen,(16) al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.(17)

2.10. Ingevolge art. 116, eerste lid, Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.(18) Dit is bijvoorbeeld van belang bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene. In dat voornemen ligt, gelet op art. 116, eerste lid, Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat.(19)

2.11. In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.(20)

2.12. In een geval waarin de beslagene op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv, dat het openbaar ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten degene die - naar het oordeel van het openbaar ministerie - redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dient de rechter te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.(21)

2.13. Bij de beantwoording van de in 2.11 en 2.12 geformuleerde vragen zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken.(22) Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.(23)

Art. 94a Sv: toetsingsmaatstaven

2.14. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.(24)

2.15. Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.(25) Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.(26)

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel klaagt over de ongegrondverklaring van het beklag voor zover dat strekte tot teruggave aan de klager van het onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag van € 2.500,-. Het tweede middel klaagt in verband met deze ongegrondverklaring over het verzuim [betrokkene 1] als belanghebbende op te roepen, althans over het verzuim te reageren op het verzoek hem als getuige op te roepen.

3.2. Het klaagschrift houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

"1. dat in de strafzaak tegen [betrokkene 1] met parketnummer 15/630108-05 op 25 april 2007 door uw rechtbank uitspraak is gedaan (bijlage 1);

2. dat in die strafzaak ten aanzien van het beslagene is beslist dat goederen -met uitzondering van een verbeurd te verklaren busje traangas- bewaard dienen te worden ten behoeve van de rechthebbende;

3. dat klager ten aanzien van een aantal van deze goederen als rechthebbende kan worden aangemerkt;

4. zo was ook het openbaar ministerie -in ieder geval t.a.v. een identiteitsbewijs en Turks paspoort ten name van klager- van oordeel;

5. mitsdien wordt verzocht over te gaan tot teruggave van -in ieder geval- de onder 4 bedoelde goederen;

6. een en ander als nader (feitelijk) te onderbouwen in raadkamer."

3.3. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van

belang, het volgende in:

"De advocaat licht het klaagschrift nader toe en vult dit aan met het verzoek om teruggave van de in beslag genomen pasfoto's en het in beslag genomen geld ter hoogte van een bedrag van EUR 2.500,- aan klager. Subsidiair heeft de advocaat verzocht de behandeling van heden aan te houden teneinde op een nadere terechtzitting de betrokkenen, waaronder [betrokkene 1], te horen als getuige."

3.4. In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, de wet niet de mogelijkheid kent dat een verzoek om teruggave mondeling wordt gedaan, had het Hof de klager niet-ontvankelijk behoren te verklaren in zijn beklag, voor zover dat strekte tot teruggave aan hem van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.500,-.

3.5. De Hoge Raad zal de klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag voor zover dat strekt tot teruggave aan hem van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.500,-, zodat de middelen buiten bespreking moeten blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de klager daarin ontvankelijk is geacht in zijn beklag strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.500,-;

verklaart de klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.500,-.

Deze beschikking is gegeven door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2010.

1 Vgl. HR 25 september 2007, LJN BA2279, NJ 2007, 533 en HR 10 maart 2009, LJN BG9222, NJ 2009, 153.

2 Vgl. HR 25 juni 2002, LJN AE2644 en HR 7 september 2004, LJN AP1533,

NJ 2004, 593.

3 Vgl. HR 19 december 2006, LJN AZ1667.

4 Vgl. HR 31 augustus 2004, LJN AQ1084.

5 Vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC8667, NJ 2008, 629 en HR 6 januari 2009,

LJN BG4193.

6 Vgl. HR 26 november 2002, LJN AE6595, HR 19 juni 2007, LJN BA0482,

NJ 2007, 358, HR 19 juni 2007, LJN BA0514, NJ 2007, 361 en HR 15 december 2009, LJN BJ9900.

7 Vgl. HR 2 april 1991, LJN ZC8769, NJ 1991, 633, HR 25 juni 2002,

LJN AE2644 en HR 7 september 2004, LJN AP1533, NJ 2004, 593.

8 Vgl. HR 31 maart 2009, LJN BH1478, NJ 2009, 178.

9 Vgl. HR 6 maart 2007, AZ6174 en HR 12 juni 2007, LJN BA2565, NJ 2007, 348.

10 Vgl. HR 5 september 2006, LJN AU5723 en HR 5 september 2006,

LJN AU6712, NJ 2006, 612.

11 Vgl. HR 11 maart 2008, LJN BC6224.

12 Vgl. HR 25 september 2001, LJN AD5966, NJ 2002, 109, HR 10 maart 2009, LJN BG8959, NJ 2009, 150, HR 7 juli 2009, LJN BI0524, NJ 2009, 405, HR

7 juli 2009, LJN BI0539, NJ 2009, 404 en HR 9 februari 2010, LJN BK7029.

13 Vgl. HR 25 september 2001, LJN AD5966, NJ 2002, 109.

14 Vgl. HR 1 september 2009, LJN BI4701, NJ 2009, 408.

15 Vgl. HR 20 maart 2001, LJN ZD2496.

16 Vgl. HR 10 maart 2009, LJN BG9151, NJ 2009, 149.

17 Vgl. HR 14 maart 2006, LJN AV0335.

18 Vgl. HR 25 november 2003, LJN AL8421 en HR 22 mei 2007, LJN BA1637,

NJ 2007, 316.

19 Vgl. HR 4 juli 2006, LJN AX6283, NJ 2006, 385 en HR 16 januari 2007, LJN AZ2485, NJ 2007, 69.

20 Vgl. HR 15 februari 2005, LJN AS1803, HR 18 december 2007, LJN BB8869, NJ 2008, 35.

21 Vgl. HR 6 mei 2003, LJN AF3826, NJ 2003, 459 en HR 4 juli 2006,

LJN AX6283, NJ 2006, 385.

22 Vgl. HR 2 maart 1993, LJN ZC9244, NJ 1993, 662 en HR 6 mei 2003,

LJN AF3826, NJ 2003, 459.

23 Vgl. HR 3 juni 2003, LJN AF6983.

24 Vgl. HR 21 september 1999, LJN ZD1907, NJ 2000, 161, HR 25 maart 2003, LJN AF3850, HR 6 maart 2007, AZ6174 en HR 15 januari 2008,

LJN BB9890, NJ 2008, 63.

25 Vgl. HR 31 maart 1998, LJN ZD1166, NJ 1998, 575 en HR 13 oktober 2009, LJN BJ2785.

26 Vgl. HR 5 juli 2005, LJN AT2970, HR 12 juni 2007, LJN BA2565, NJ 2007, 348, HR 18 december 2007, LJN BB6219 en HR 19 februari 2008, LJN BA7674.