Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6150

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08/00331
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6150
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gevolgen voor erfgenaamschap en rechten van derden van terugwerkende kracht van de in art. 1:207 lid 5 bedoelde gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 324
NJ 2010, 295 met annotatie van S. Perrick
RFR 2010, 55
FJR 2014/14.6
JWB 2010/77
AA20100264 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
SJP 2010/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2010

Eerste Kamer

08/00331

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder]

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 14 mei 2003 [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en gevorderd, kort gezegd, in rechte vast te stellen dat [verweerder] de enige erfgenaam is van wijlen [betrokkene 1], overleden op 19 augustus 1992 in de gemeente Rozendaal, en [eiser] c.s. te veroordelen tot afgifte van de nalatenschap.

[Eiser] c.s. hebben de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 november 2004 voor recht verklaard dat [verweerder] de enige erfgenaam is van wijlen [betrokkene 1] en heeft de in het vonnis genoemde nevenvorderingen toegewezen.

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. [Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 10 oktober 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerder] mede door mr. M.M. van Asperen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In deze zaak, waarin het met name gaat om de uitleg van art. 1:207 lid 5 BW, luidende:

"De vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat."

kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] geboren als natuurlijk kind van [betrokkene 2]. Op 30 mei 1973 is hij als wettig kind erkend door [betrokkene 3] (met wie de moeder van [verweerder] gehuwd is geweest). Deze erkenning is vernietigd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 1974, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 juni 1974.

(ii) [Betrokkene 1] (hierna ook: [betrokkene 1]) overleed op 19 augustus 1992, zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. Als (ab intestaat) erfgenaam van [betrokkene 1] - die niet gehuwd is geweest - is diens neef [betrokkene 4] in het bezit van de goederen van de nalatenschap gekomen. [Betrokkene 4] is op 7 maart 2002 overleden; zijn erfgenamen zijn [eiser] c.s. (zijn echtgenote [eiseres 1], en zijn twee kinderen, [eiser 2] en [eiseres 3]).

(iii) Bij dagvaarding van 5 november 1992 heeft [verweerder] een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem tegen [betrokkene 4] en [eiseres 1], stellende dat hij door [betrokkene 1] is verwekt, dat deze zijn biologische vader is en dat hij daarom diens erfgenaam is. De vordering tot integrale afgifte van de nalatenschap van [betrokkene 1] is bij vonnis van 23 december 1993 afgewezen - waarbij in het midden is gelaten of [betrokkene 1] de verwekker van [verweerder] is - omdat laatstgenoemde niet in familierechtelijke betrekking tot [betrokkene 1] heeft gestaan nu [verweerder] niet door [betrokkene 1] is erkend, terwijl ook het beroep op artikel 8 (en artikel 14) EVRM werd verworpen. Bij arrest van 20 juni 1995 heeft het gerechtshof te Arnhem [verweerder] in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover gericht tegen [eiseres 1] en het vonnis voor het overige bekrachtigd. Bij arrest van 17 januari 1997, nr. 16122, LJN ZC2248, NJ 1997, 483, heeft de Hoge Raad [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen [eiseres 1] en het beroep tegen [betrokkene 4] verworpen.

(iv) Op 20 maart 1996 is het wetsvoorstel 24 649 houdende een herziening van het afstammings- en adoptierecht bij de Tweede kamer ingediend. Dit nieuwe afstammings- en adoptierecht, waaronder art. 1:207, is op 1 april 1998 in werking getreden. Op 10 juli 2002 heeft [verweerder] op grond van art. 1:207 bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend, ertoe strekkende dat wordt vastgesteld dat [betrokkene 1] zijn vader is, welk verzoek bij beschikking van 11 maart 2003 is toegewezen. Deze beschikking is bij eindbeschikking van het hof Amsterdam van 8 juli 2004 bekrachtigd, nadat op grond van DNA-onderzoek was vastgesteld dat het voor meer dan 99,9% zeker is dat het biologische materiaal aangetroffen op likranden van enveloppen die [betrokkene 1] destijds heeft verzonden aan de moeder van [verweerder], afkomstig is van de biologische vader van [verweerder]. Cassatieberoep is niet ingesteld.

3.2 De rechtbank heeft de hiervoor onder 1 bedoelde vorderingen van [verweerder] grotendeels toegewezen, met name wat betreft de verklaring voor recht dat hij enig erfgenaam is van [betrokkene 1] en dat [eiser] c.s. met betrekking tot de nalatenschap van [betrokkene 1] geen derden zijn in de zin van art. 1:207 lid 5, alsmede de veroordeling tot afgifte van de nalatenschap. De daartegen aangevoerde grieven zijn, voor zover in cassatie van belang door het hof verworpen. Die beslissing wordt in de middelen vanuit verschillende gezichtshoeken bestreden.

3.3.1 In de hiervoor onder 3.1 genoemde procedure, die eindigde met het voor hem negatieve arrest van de Hoge Raad van 17 januari 1997, vorderde [verweerder] [betrokkene 4] te veroordelen tot afgifte van de nalatenschap. Aan die vordering legde hij ten grondslag dat [betrokkene 1] zijn biologische vader is en dat hij hoewel de wet hem niet als erfgenaam aanwijst toch als erfgenaam moet worden beschouwd. Aan de vordering waarom het thans gaat heeft [verweerder] echter ten grondslag gelegd dat inmiddels op grond van een nadien in werking getreden wettelijke bepaling - art. 1:207 - het vaderschap van [betrokkene 1] is vastgesteld. Daarmee legde hij een geschilpunt aan de rechter voor - te weten: of de vordering tot afgifte van de nalatenschap toewijsbaar is op de grond dat [verweerder] ingevolge het bepaalde in de eerste zin van art. 1:207 lid 5 enig erfgenaam is - dat in de op 17 januari 1997 geëindigde procedure niet aan de rechter had kunnen worden voorgelegd. Het inroepen door [eiser] c.s. van het gezag van gewijsde van de afwijzing van de vordering tot afgifte van de nalatenschap in die procedure staat dan, zoals ook het hof heeft beslist, aan toewijzing van de thans aan de orde zijnde vordering niet in de weg, hoezeer deze ook van gelijke strekking is.

3.3.2 De in 1998, bij de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Stb. 773, in de wet opgenomen gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan naar de opvatting van de regering "worden beschouwd als een laatste mogelijkheid om een familierechtelijke betrekking met de verwekker - zo nodig na zijn overlijden - tot stand te brengen, indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning" (MvT bij het voorstel van wet houdende herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Kamerstukken II, 1995-1996, 24 649, nr. 3, blz. 2). In de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 1996-1997, 24 649, nr. 6, blz. 4, heeft de regering, in de persoon van de Staatssecretaris van Justitie, daaraan onder meer nog het volgende toegevoegd:

"Nadelige effecten voor andere kinderen van de vader (die hij wel heeft erkend) zullen er zeker zijn: als vader is de verwekker onderhoudsplichtig jegens het kind, terwijl het kind eveneens deelt in de nalatenschap van zijn vader, gelijk de andere kinderen. De onderhoudsplicht is er overigens ook voor de verwekker, maar het niet-erkende kind deelt niet op dezelfde wijze in de nalatenschap van zijn verwekker als de andere, wel erkende kinderen. In de afweging van de belangen van de betrokkenen in dit geheel, prevaleren mijns inziens de belangen van het niet-erkende kind. Dit kind heeft in principe aanspraak op vestiging van deze familie-rechtelijke betrekking."

3.3.3 Het voorstel om de gerechtelijke vaststelling te laten terugwerken tot het moment van de geboorte van het kind werd als volgt toegelicht:

"Ingevolge artikel 207, vijfde lid, heeft de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap terugwerkende kracht tot het moment van de geboorte van het kind. Ter bescherming van de belangen van derden en uit een oogpunt van rechtszekerheid zijn aan de terugwerkende kracht beperkingen gesteld.

In verband hiermee kan gewezen worden op een beslissing van de Hoge Raad van 25 februari 1995, NJ 468, inzake het al dan niet verlenen van terugwerkende kracht aan brieven van wettiging in het licht van artikel 8 EVRM, al of niet in verbinding met artikel 14 EVRM. Deze beslissing is juist in dit verband relevant omdat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook in de plaats treedt van de brieven van wettiging. De Hoge Raad heeft het antwoord op de vraag van het al dan niet verlenen van terugwerkende kracht in het midden gelaten, omdat het vaststellen van eventuele onverenigbaarheid met deze verdragsbepalingen, in het bijzonder ten aanzien van de erfrechtelijke consequenties, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Het vraagstuk behoefde reeds hierom de aandacht van de wetgever.

Het verlenen van terugwerkende kracht aan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doet het Nederlandse recht in dit opzicht beter aansluiten bij hetgeen geldt in de ons omringende landen. Terugwerkende kracht behoeft geen ernstige bezwaren op te leveren, mits de rechten van derden voldoende worden beschermd. Daaraan wordt voldaan in artikel 207, vijfde lid. Er is daarom geen goede reden niet uit te gaan van terugwerkende kracht, onverschillig of artikel 8, al of niet in verbinding met artikel 14 EVRM, daartoe noopt."

3.3.4 Nu de overgangsbepaling (art.III) van de hiervoor in 3.3.2 genoemde Wet van 24 december 1997 niet anders inhoudt, heeft art. 1:207 - en overigens, zoals wordt opgemerkt in de memorie van toelichting: deze gehele wet - onmiddellijke werking. In samenhang met de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in art. 1:207 lid 5, welke vaststelling ingevolge het bepaalde in lid 1 ook kan worden verzocht indien de desbetreffende man is overleden, geldt de vaststelling dus mede voor kinderen die zijn geboren voordat die wet op 1 april 1998 in werking trad.

3.3.5 De terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling heeft, zoals bepaald in art. 1:207 lid 5, tweede zin, geen gevolgen voor te goeder trouw verkregen rechten van derden. Onder derden zijn hier niet mede begrepen degenen die (reeds) voor de vaststelling als erfgenaam golden, hun rechtsopvolgers onder algemene titel evenmin. Een andere opvatting is immers onverenigbaar met de door het scheppen van de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap nagestreefde gelijkstelling, met name ook in erfrechtelijk opzicht, van kinderen die binnen huwelijk en kinderen die buiten huwelijk zijn geboren.

3.3.6 Zoals ook blijkt uit de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 weergegeven passages uit de kamerstukken, heeft de wetgever onder ogen gezien dat de in art. 1:207 neergelegde regeling inzake de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, met name als gevolg van het feit dat deze terugwerkt tot de geboorte van het kind, nadelige effecten, waaronder - ingeval de man ten tijde van de vaststelling niet meer in leven is - verlies van eigendom, kan hebben voor andere betrokkenen, in het bijzonder andere (wel erkende) kinderen. Welbewust heeft hij het belang van het "onwettige" kind en het algemene belang bij opheffing van het discriminatoire onderscheid tussen "wettige" en "onwettige" kinderen laten prevaleren boven de belangen en rechten van die andere betrokkenen, zij het niet ten volle. Te goeder trouw door derden verkregen rechten blijven immers onaangetast, terwijl voorts vermogensrechtelijke voordelen niet behoeven te worden teruggegeven, voor zover degene die deze heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling daardoor niet was gebaat. Met deze beide in de wet voorziene inperkingen van de terugwerkende kracht is voldaan aan de voorwaarden waaronder ontneming van eigendom ingevolge art. 1 Eerste Protocol EVRM is toegestaan, ook voor het geval de nalatenschap is opengevallen voordat de wet van 24 december 1997 in werking trad.

3.3.7 Op het hiervoor in 3.3.1-3.3.6 overwogene stuiten alle klachten van de middelen I-V af.

3.4 Middel VI faalt omdat, anders dan daarin wordt betoogd, a) de rechter bij het bepalen van de hoogte van een dwangsom rekening mag houden met het financiële belang van de hoofdveroordeling en b) geen rechtsregel bestaat volgens welke een verhoging in hoger beroep van een reeds toegewezen dwangsom enkel kan worden gebaseerd op voortgaande overtreding van een reeds in eerste aanleg gegeven verbod of bevel.

3.5 Middel VII neemt tot uitgangspunt dat de door het hof uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad mede betrekking heeft op de in hoger beroep bekrachtigde verklaringen voor recht en berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Dit middel kan daarom wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 februari 2010.