Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BG7729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
08/00554
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BG7729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Invorderingszaak; Faillissementsrecht en beslag- en executierecht. Verzoek op voet van art. 481 Rv. tot benoeming van rechter-commissaris voor de verdeling van netto-executieopbrengst van door Ontvanger beslagen roerende zaak met inachtneming van rangregeling kan plaatsvinden; verhaalsrecht beslaglegger buiten faillissement, strekking van art. 453a lid 1 Rv., verhouding tot art. 33 lid 2 F.; algemeen voorrecht ontvanger geen “ouder recht” in zin van art. 3:90 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 33
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 453a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 481
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 376 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
RI 2009, 32
RvdW 2009, 322
NJB 2009, 509
V-N 2009/18.32 met annotatie van Redactie
JWB 2009/56
JBPR 2009/36 met annotatie van mr. L.P. Broekveldt
JOR 2009/120 met annotatie van C. Rijckenberg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2009

Eerste Kamer

08/00554

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST UTRECHT-GOOI,

kantoorhoudende te Amersfoort,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M.J. Schenck en mr. F. Damsteegt, thans mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

Mr. Cornelis DE JONG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van MAICO MOTORCYCLES N.V.,

kantoorhoudende te Utrecht,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Ontvanger en de curator.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 januari 2006 ter griffie van de rechtbank Utrecht ingediend verzoekschrift heeft de Ontvanger zich gewend tot de voorzieningenrechter van die rechtbank en, kort gezegd, op de voet van art. 481 Rv. verzocht een rechter-commissaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling van de netto-executieopbrengst van de in het verzoekschrift bedoelde roerende zaken met inachtneming van een rangregeling zal plaatsvinden.

De curator heeft het verzoek bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 26 april 2006 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de Ontvanger hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 8 november 2007 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

De advocaat van de Ontvanger heeft bij brief van 29 december 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Ontvanger heeft in 1996 en 1997 ten laste van De Biltse Instrumentenfabriek B.V. (hierna: DBI) executoriaal beslag gelegd op roerende zaken die zich op het bedrijfsterrein aan de [a-straat 1] te [plaats] bevonden (hierna: de machines). Het beslag is gelegd voor een vordering van € 689.536,38, waarvan ten tijde van de beschikking van het hof nog € 232.348,05 openstond.

(ii) DBI was de werkmaatschappij van Rodem Beheer B.V. (hierna: Rodem). De machines behoorden in eigendom toe aan Rodem en werden door DBI gebruikt bij de productie van motoronderdelen.

(iii) Op 27 mei 1997 is aan DBI voorlopige surséance van betaling verleend. De bedrijfsactiviteiten zijn vervolgens voortgezet door Rodem.

(iv) Op 5 maart 1998 heeft de Ontvanger ten laste van Rodem voor een vordering van € 68.007,59, waarvan ten tijde van de beschikking van het hof nog € 54.406,55 openstaat, executoriaal beslag gelegd op (nagenoeg) dezelfde machines.

(v) Op 3 juni 1998 heeft Rodem de machines verkocht en door middel van constitutum possessorium geleverd aan Maico Motorcycles N.V. (hierna: Maico).

(vi) Op 23 december 1998 zijn DBI en Rodem in staat van faillissement verklaard en op 30 december 1998 is Maico in staat van faillissement verklaard. De curator is in de drie faillissementen benoemd tot curator.

(vii) Op 30 december 1998 had de Ontvanger nog geen executieverkoop doen plaatsvinden van de machines.

(viii) Op 18 maart 1999 zijn de machines in opdracht van de curator, handelend in zijn hoedanigheid van curator van Maico, openbaar verkocht. De opbrengst van de machines bedroeg € 417.780,24 exclusief BTW.

3.2 De Ontvanger heeft de voorzieningenrechter verzocht op de voet van art. 481 Rv. een rechter-commissaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling van de netto-executieopbrengst van de machines met inachtneming van een rangregeling kan plaatsvinden. De Ontvanger heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat uit art. 453a lid 1 Rv. en art. 3:90 lid 2 BW voortvloeit dat de overdracht van de machines van Rodem aan Maico niet aan hem kan worden tegengeworpen en tegenover hem geen werking heeft. Omdat de machines ten opzichte van hem niet tot het vermogen van Maico zijn gaan behoren, zijn de door de Ontvanger gelegde beslagen door het faillissement van Maico niet vervallen en kan hij zich voor de vorderingen waarvoor hij vóór de overdracht beslag had gelegd, buiten het faillissement om, op de door de curator gerealiseerde netto-executieopbrengst van de machines verhalen, aldus de Ontvanger. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de Ontvanger afgewezen.

In hoger beroep heeft het hof de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het hof geoordeeld dat de rechten die ontleend kunnen worden aan de door de Ontvanger als crediteur van DBI respectievelijk Rodem gelegde beslagen, vanaf de faillissementen van DBI en Rodem op 23 december 1998 slechts door de curator van DBI en Rodem en niet door de Ontvanger als beslaglegger uitgeoefend kunnen worden.

3.3 De klachten van onderdeel 1 - die zich voor gezamenlijke behandeling lenen - stellen de juridische positie aan de orde van een schuldeiser die beslag heeft gelegd op een roerende zaak die vervolgens door de schuldenaar wordt vervreemd, waarna zowel de schuldenaar als de derde-verkrijger in staat van faillissement worden verklaard. Meer in het bijzonder stellen zij de vraag aan de orde of de beslaglegger aan de bepaling van art. 453a lid 1 Rv. de bevoegdheid ontleent om buiten de faillissementen van zowel de schuldenaar als de derde-verkrijger zijn beslag te vervolgen.

3.4 Dienaangaande geldt het volgende. Een beslag als het onderhavige leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie dat beslag is gelegd, en staat dus ook niet in de weg aan overdracht van de beslagen zaak aan een derde. De regel van art. 453a lid 1 Rv. dat een na de inbeslagneming tot stand gekomen vervreemding niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, brengt mee dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de inbeslagneming ingeleide uitoefening van zijn recht zich op de in beslag genomen zaak te verhalen voort te zetten, ook al maakt die zaak geen deel meer uit van het vermogen van de schuldenaar. De beslaglegger behoudt die bevoegdheid ook indien de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, omdat de niet meer tot het vermogen van de schuldenaar behorende zaak niet door het algemene faillissementsbeslag wordt getroffen en het beslag van de schuldeiser dan ook niet op de voet van art. 33 lid 2 F. vervalt.

3.5 Indien de derde-verkrijger in staat van faillissement wordt verklaard en de beslagen zaak daarmee in de boedel van dat faillissement valt, heeft het bepaalde in art. 33 lid 2 F. tot gevolg dat de beslaglegger die zaak niet meer met een beroep op art. 453a lid 1 Rv. zelf kan uitwinnen alsof er geen faillissement was. Zijn uit deze bepaling voortvloeiende verhaalsbevoegdheid is weliswaar niet tenietgegaan, maar kan nog slechts door de curator worden uitgeoefend. De beslaglegger kan, ook al is de gefailleerde niet zijn schuldenaar, in het faillissement opkomen voor zijn vordering uitsluitend om daarin naar de hem toekomende rang te worden erkend als bevoorrecht op de opbrengst van de zaak. Dit brengt mee dat de beslaglegger, nadat de curator de zaak te gelde heeft gemaakt, geen aanspraak heeft op afzonderlijke uitkering van de opbrengst of verdeling daarvan op de voet van art. 481 e.v. Rv., maar het hem toekomende langs de weg van de uitdelingslijst zal ontvangen. Op het voorgaande stuiten, wat er zij van de door het hof voor zijn beslissing gegeven gronden, alle klachten van het onderdeel af.

3.6 Onderdeel 2 bestrijdt de verwerping door het hof van het beroep van de Ontvanger op art. 3:90 lid 2 BW. Het hof heeft dat beroep verworpen op de grond dat het algemene voorrecht van de Ontvanger niet is aan te merken als een "ouder recht" als in die bepaling bedoeld. De klacht faalt omdat het oordeel van het hof juist is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 348,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 februari 2009.