Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0896

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
C06/229HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD0896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vordering tot vergoeding van geleden schade wegens het niet meer kunnen uitoefenen van optierechten na ontbinding arbeidsovereenkomst; toetsing aan eisen van redelijkheid en billijkheid van bij vaststelling ontbindingsvergoeding niet meegewogen, in afzonderlijke procedure geldend gemaakte aanspraak jegens werkgever; datum ontbindingsbeschikking peildatum voor hoogte billijkheidsvergoeding; uitsluitend omstandigheden die op laatstgenoemde datum bekend waren of bekend hadden kunnen zijn, kunnen worden meegewogen.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/203
AR-Updates.nl 2008-0435
JOL 2008, 586
NJ 2009, 128
RvdW 2008, 722
RAR 2008, 126
RAV 2008, 90
JAR 2008, 203
NJB 2008, 1570
Ondernemingsrecht 2008, 128
TRA 2008, 6
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 290a
JWB 2008/341

Uitspraak

11 juli 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/229HR

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

SEMINIS VEGETABLE SEEDS HOLLAND B.V.,

gevestigd te Enkhuizen,

EISERES tot cassatie, verweerster in het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als SVS Holland en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 6 mei 2003 SVS Holland gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Hoorn, en onder meer gevorderd primair SVS Holland te veroordelen tot betaling van de door [verweerder] geleden optieschade ten bedrage van $ 330.250,44, met rente en kosten en subsidiair vernietiging van het bestaande optievervalbeding met veroordeling van SVS Holland om aan [verweerder] te leveren 156.846 aandelen Seminis Inc.

SVS Holland heeft de vordering bestreden en een reconventionele vordering ingesteld. Deze vordering speelt in cassatie geen rol meer.

De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 21 juni 2004 in conventie [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ter zake van optieschade.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. SVS Holland heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 13 april 2006 heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, SVS Holland veroordeeld aan [verweerder] een vergoeding te betalen van € 100.000,-- met de wettelijke rente sedert 1 januari 2003.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft SVS Holland beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft (beperkt) voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende (beperkt) voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. N.T. Dempsey, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

De advocaat van SVS Holland heeft bij brief van 18 april 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] was sinds 17 juli 1972 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) SVS Holland. Met ingang van 1 januari 2001 is hij door SVS Holland gedetacheerd bij Seminis Inc., de in de Verenigde Staten gevestigde moederonderneming van SVS Holland.

(ii) Tussen [verweerder] en SVS Holland is een detacheringsovereenkomst ("Secondment Letter") gesloten, die een looptijd had van maximaal vijf jaren. Hierin is onder meer bepaald dat [verweerder] tijdens de detachering in dienst zou blijven bij SVS Holland, die als enige bevoegd zou zijn de arbeidsrelatie met [verweerder] te verbreken. Tijdens de detachering zou ingevolge deze overeenkomst het salaris van [verweerder], vermeerderd met een eventuele bonus, ten behoeve van SVS Holland worden betaald door Seminis Inc.

(iii) Seminis Inc. heeft aan [verweerder] tijdens de detacheringsperiode optierechten toegekend. Daarbij heeft Seminis Inc. verwezen naar het Seminis Stock Option Plan (de optieovereenkomst). De optieovereenkomst bevatte onder meer bepalingen met betrekking tot de doelstelling van de optieregeling en de voorwaarden waaronder de opties konden worden uitgeoefend. Voorts werden de gevolgen geregeld van het eindigen van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van op dat moment nog niet uitgeoefende opties. Art. 7.5 houdt in dat bij beëindiging van het dienstverband "without cause" het recht om opties uit te oefenen die ten tijde van de beëindiging van het dienstverband al konden worden uitgeoefend, 90 dagen na de beëindiging zou vervallen. Opties die ten tijde van het einde van het dienstverband nog niet konden worden uitgeoefend, zouden terstond bij beëindiging van het dienstverband komen te vervallen.

(iv) De detachering van [verweerder] bij Seminis Inc. is op 1 oktober 2002 tot een einde gekomen doordat Seminis Inc. in augustus 2002 liet weten dat zij de overeenkomst met [verweerder] niet wenste voort te zetten. Over de maanden oktober tot en met december 2002 heeft SVS Holland aan [verweerder] het salaris betaald dat hij vóór de detachering verdiende.

(v) Bij beschikking van de kantonrechter te Hoorn van 18 december 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en SVS Holland op verzoek van laatstgenoemde ontbonden met ingang van 1 januari 2003. Aan [verweerder] is een vergoeding toegekend op basis van de kantonrechterformule. In deze vergoeding is geen optieschade verdisconteerd. De kantonrechter overwoog daartoe in 2.19 van zijn beschikking dat de optieregeling expliciet met de moedermaatschappij (Seminis Inc.) is overeengekomen, zodat naar zijn oordeel onvoldoende termen aanwezig waren om SVS Holland als contractspartij aan te merken. De kantonrechter voegde daaraan toe dat het [verweerder] vrijstaat Seminis Inc. zelf aan te spreken op eventueel door hem geleden optieschade.

(vi) [Verweerder] heeft na 1 januari 2003 op de voet van het bepaalde in art. 7.5 van de optieovereenkomst nog 40.108 opties kunnen uitoefenen. Een totaal van 156.846 aan [verweerder] verleende opties is op 1 januari 2003 komen te vervallen ingevolge art. 7.5 van de optie-overeenkomst.

3.2.1 In dit geding heeft [verweerder], voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd SVS Holland te veroordelen tot vergoeding van door hem geleden optieschade ten bedrage van $ 330.250,44. De kantonrechter heeft [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. Hij heeft daartoe verwezen naar hetgeen is overwogen in 2.19 van de ontbindingsbeschikking. Hij heeft vervolgens overwogen dat in de ontbindingsbeschikking de mogelijke optieschade en de eventuele vereenzelviging van SVS Holland en Seminis Inc. al zijn meegewogen. Deze omstandigheden zijn echter, als een in de arbeidsrelatie tussen SVS Holland en [verweerder] niet voor vergoeding in aanmerking komend belang, in de ontbindingsbeschikking uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten. Daarom kan deze vordering in de onderhavige, op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde, procedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

3.2.2 Het hof heeft in het door [verweerder] tegen dit vonnis ingestelde principale beroep, de vraag of [verweerder] ontvankelijk is in zijn vordering, bevestigend beantwoord. Daaraan staat naar zijn oordeel niet in de weg dat SVS Holland geen partij was bij de optieregeling. Nu de uitoefening van de door Seminis Inc. aan [verweerder] verleende optierechten afhankelijk is gesteld van het voortduren van het dienstverband van [verweerder] bij SVS Holland, was SVS Holland verplicht met genoemde rechten rekening te houden (rov. 4.24). Het enkele feit dat in de ontbindingsbeschikking aan [verweerder] een ontbindingsvergoeding is toegekend, betekent evenmin dat [verweerder] in de onderhavige procedure niet meer in zijn vordering ter zake van optieschade kan worden ontvangen. Weliswaar is deze schade in de ontbindingsprocedure aan de orde geweest, maar zij is bij de vaststelling van de ontbindingsvergoeding niet meegewogen (rov. 4.25). Nu als uitgangspunt geldt dat de rechter bij het vaststellen van de ontbindingsvergoeding alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren meeweegt en nu vaststaat dat dit in het onderhavige geval ten aanzien van de optieschade niet is gebeurd, leidt een redelijke wetstoepassing in de gegeven omstandigheden ertoe dat de onderhavige aanspraak alsnog aan de hand van maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt beoordeeld (rov. 4.26). Dit betekent dat [verweerder] in zijn vordering kan worden ontvangen.

3.2.3 Wat betreft de hoogte van de aan [verweerder] toe te kennen vergoeding overwoog het hof als volgt. [verweerder] heeft zijn schade berekend op basis van de prijs van de aandelen Seminis Inc. Volgens hem was Seminis Inc. ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (6 mei 2003) doende haar onderneming van de beurs te halen en de aandelen te verkopen aan het bedrijf Fox Paine. Bij genoemde dagvaarding stelde [verweerder] dat de deelnemers aan het Stock Option Plan aldus minimaal $ 3,40 per optie zouden ontvangen. In een als productie overgelegde e-mail van een functionaris van Seminis Inc., wordt gesproken van een overdracht van Seminis Inc. tegen het einde van het fiscale jaar en van een te betalen vergoeding per optie van $ 3,78 minus de uitoefenprijs (rov. 4.34). Het hof kan echter bij het bepalen van de gevraagde vergoeding naar billijkheid niet uitgaan van de door [verweerder] vermelde waarden. Uitgangspunt moet immers zijn dat de ten tijde van de ontbindingsbeslissing bekende factoren moeten worden meegewogen bij het bepalen van de ontbindingsvergoeding, tenzij de kantonrechter in de ontbindingsbeschikking anders zou hebben bepaald. Nu gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de ontbinding de overnameplannen en de gevolgen daarvan voor de waarde van de opties reeds bekend waren, kunnen deze in de onderhavige procedure niet als een gegeven worden aanvaard. Anderzijds is wel aannemelijk dat, naar de stand van zaken ten tijde van de ontbindingsbeschikking, het optiepakket van [verweerder] een substantiële vermogenswaarde vertegenwoordigde (rov. 4.35). Gelet op een en ander is het hof van oordeel dat aan [verweerder] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een vergoeding van € 100.000,-- toekomt (rov. 4.36).

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel a van het eerste middel betoogt dat het hof in rov. 4.24 ten onrechte ervan is uitgegaan dat SVS Holland "verplicht" was met de aan [verweerder] toegekende optierechten "rekening te houden". Volgens het onderdeel kent het Nederlandse recht een dergelijke verplichting niet.

Het bestreden oordeel moet als volgt worden begrepen. Als gevolg van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou [verweerder] de hem door de moedermaatschappij van SVS Holland, Seminis Inc., verleende optierechten niet meer kunnen uitoefenen, aangezien die uitoefening door de moedermaatschappij afhankelijk was gesteld van het voortduren van de arbeidsovereenkomst bij de dochtermaatschappij. Dit is een omstandigheid die ook SVS Holland als werkgeefster aangaat en waarmee zij in het kader van haar stappen om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te geraken, rekening had kunnen en moeten houden. Daarom is die omstandigheid een relevante factor bij de vaststelling van de ontbindingsvergoeding en is [verweerder] ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus begrepen getuigt het bestreden oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt dan ook.

4.2 De onderdelen b en c van het eerste middel keren zich tegen hetgeen het hof heeft overwogen in zijn rov. 4.25 en 4.26. Onderdeel Ib stelt dat het feit dat de kantonrechter bij de vaststelling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding het verlies van de optierechten niet heeft meegewogen, geen voldoende grond is om [verweerder] in zijn vordering te ontvangen. Daarvoor is noodzakelijk dat de kantonrechter in de ontbindingsprocedure zou hebben beslist dat deze post buiten beschouwing blijft en dat de werknemer deze in een afzonderlijke procedure tegen de werkgever aan de orde kan stellen. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Onderdeel Ic stelt dat het (enkele) feit dat in de ontbindingsprocedure de optieschade buiten beschouwing is gelaten, onvoldoende is om de werknemer de ruimte te geven in een afzonderlijke procedure vergoeding van de optieschade te vorderen.

4.3 Bij de beoordeling van de onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. In zijn arrest van 24 oktober 1997, nr. 16384, NJ 1998, 257, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst, die zich kenmerkt door een stelsel van regels strekkende tot bescherming van de positie van de werknemer ten opzichte van diens wederpartij, meebrengt dat voor een toetsing, buiten die regels om, aan de eisen van redelijkheid en billijkheid slechts bij uitzondering en in beperkte mate ruimte bestaat. Wat betreft de in art. 7:685 BW neergelegde regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden, betekent dit dat het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter, op de voet van het achtste lid van het artikel, met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is. Indien de kantonrechter echter uitdrukkelijk te kennen geeft bij het vaststellen van de hoogte van de door hem aan de werknemer toegekende vergoeding een bepaalde aanspraak niet te hebben meegewogen, daarbij overwegende dat de werknemer dienaangaande een afzonderlijke procedure aanhangig kan maken, geldt het volgende. Hoezeer het in het algemeen ongewenst is dat de rechter bij het vaststellen van de door hem toe te kennen vergoeding niet alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren meeweegt, in een zodanig geval brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de rechter een in de ontbindingprocedure niet meegewogen aanspraak in een afzonderlijk geding tegen de werkgever aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan beoordelen.

4.4 In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de post optieschade niet heeft meegewogen bij het vaststellen van de hoogte van de door hem aan de werknemer toegekende vergoeding. Uit hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen volgt dat in dit geval een redelijke wetstoepassing meebrengt dat deze in de ontbindingsprocedure niet meegewogen aanspraak, in een afzonderlijk geding aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan worden beoordeeld. Dat de kantonrechter tevens als redengeving heeft overwogen dat [verweerder] dienaangaande een afzonderlijke procedure aanhangig kan maken tegen Seminis Inc., de moedermaatschappij van SVS Holland, is daarbij niet doorslaggevend. Vereist maar ook voldoende is dat de kantonrechter, zoals in dit geval, op ondubbelzinnige wijze heeft kenbaar gemaakt dat hij bij de vaststelling van de door hem toe te kennen vergoeding, de desbetreffende aanspraak niet in de afweging heeft betrokken.

4.5 De onderdelen Ib en Ic stuiten hierop af.

4.6 Middel II is gericht tegen rov. 4.33-4.36, waarin het hof - volgens het middel - "de schade" naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft bepaald op € 100.000,--. Het middel klaagt ten eerste dat uit het bestreden arrest niet blijkt op grond waarvan het hof de optieschade niet op (veel) minder dan het door hem toegewezen bedrag heeft bepaald. Daarbij is volgens het middel in aanmerking te nemen dat het vaststellen van het bedrag van de optieschade geen discretionaire beslissing is en ook niet louter op intuïtief inzicht kan worden gebaseerd. Het middel klaagt ten tweede dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, gelet op hetgeen door SVS Holland over de hoogte van de optieschade is aangevoerd.

4.7 De eerste klacht van het middel ziet eraan voorbij dat het hier niet gaat om een vordering tot schadevergoeding, maar om een vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 lid 8 BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid toekent aan een der partijen, ten laste van de wederpartij. Bij het bepalen van die vergoeding dient de rechter alle ter zake dienende omstandigheden in zijn oordeel mee te wegen. Gelet op de aard van de onderhavige vergoeding zal het oordeel van de rechter (mede) op een gemotiveerde schatting mogen berusten. In dat kader komt, anders dan de klacht betoogt, aan het intuïtieve inzicht van de rechter mede betekenis toe. De klacht faalt.

4.8 De tweede klacht van het middel houdt met name in dat het hof niet gemotiveerd heeft gereageerd op het in eerste aanleg gehouden betoog dat de werknemer geen schade heeft geleden. In dat verband is een beroep gedaan op art. 6.6 van de optieovereenkomst, dat samengevat weergegeven inhoudt dat de opties pas konden worden uitgeoefend als de werknemer nog in dienst was op het moment waarop de toegekende optierechten konden worden uitgeoefend, welke voorwaarde niet is vervuld.

Ook deze klacht ziet eraan voorbij dat in de ontbindingprocedure door de kantonrechter geen schadevergoeding wordt toegekend, maar een billijkheidsvergoeding. Door te overwegen dat aannemelijk is dat, naar de stand van zaken ten tijde van de ontbindingsbeschikking, het optiepakket van [verweerder] een substantiële vermogenswaarde vertegenwoordigde, heeft het hof in dit licht zijn oordeel voldoende gemotiveerd. De klacht stuit verder erop af dat daardoor te hoge eisen worden gesteld aan de motiveringsplicht van de rechter in gevallen als het onderhavige. Het hof heeft in zijn hiervoor in 3.2.3 samengevat weergegeven overwegingen zijn oordeel, gelet op de aard daarvan, voldoende gemotiveerd. Het hoefde niet ook nog specifiek in te gaan op al hetgeen SVS Holland in afwijking daarvan in de processtukken had aangevoerd.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 De voorwaarde waaronder het middel in het incidentele beroep is ingesteld, is blijkens het hiervoor overwogene vervuld. Het middel is (eveneens) gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 4.33-4.36 van zijn arrest. Het keert zich tegen het uitgangspunt dat bij het bepalen van de hoogte van de gevraagde vergoeding alleen de ten tijde van de ontbindingsbeschikking bekende, ter zake dienende, factoren mogen worden meegewogen. Volgens het middel is dit uitgangspunt onjuist omdat ook omstandigheden die pas nadien bekend zijn geworden, zoals de beoogde fusie van Seminis Inc. met Fox Paine, de hoogte van de ontbindingsvergoeding kunnen beïnvloeden.

5.2 Ook indien, zoals in deze zaak, een aanspraak ten onrechte niet is meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de in art. 7:685 lid 8 BW bedoelde vergoeding, geldt als peildatum voor de hoogte van de vergoeding die wordt toegekend in een vervolgens aanhangig gemaakte procedure, de datum van de ontbindingsbeschikking. Een ander oordeel zou tot willekeurige resultaten leiden en zou niet zijn te rijmen met het uitgangspunt dat de uitdrukkelijk niet in de ontbindingsprocedure meegewogen omstandigheid tot uitdrukking had moeten komen in de hoogte van de billijkheidsvergoeding die de rechter in de ontbindingsbeschikking, op de voet van de genoemde bepaling, heeft toegekend of had moeten toekennen. Hieruit volgt dat in de hoogte van de billijkheidsvergoeding uitsluitend omstandigheden kunnen worden meegewogen die op de datum van de ontbindingsbeschikking bekend waren, of bekend hadden kunnen zijn.

5.3 Het middel, dat op een andere rechtsopvatting is gebaseerd, stuit hierop af.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten, aldus dat iedere partij de hare draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.