Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AY9224

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
C05/279HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY9224
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5135, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag- en executierecht. Geschil tussen koper en verkoper van een perceel met bedrijfsloods c.a. over misbruik van executiebevoegdheid door betaling van reeds voldane koopsom af te dwingen; stelplicht, onbegrijpelijk oordeel; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 846
NJ 2007, 173 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
RvdW 2007, 28
NJB 2007, 154
JWB 2006/455
JBPR 2007/36 met annotatie van mr. drs. B.T.M. van der Wiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/279HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 14 juli 2004 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch en, na wijziging van eis, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, gevorderd [verweerder] te veroordelen de door hem bij exploot van 30 juni 2004 aangekondigde executie te staken en het op 14 juli 2004 gelegde executoriaal beslag op de onroerende zaak van [eiser] op te heffen, op verbeurte van een dwangsom.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

Na mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 26 oktober 2004 [verweerder] veroordeeld de tenuitvoerlegging van het arrest van 1 juni 2004 van het hof te 's-Hertogenbosch te staken en het executoriaal beslag binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, alsmede [verweerder] verboden om enige verdere daad van tenuitvoerlegging van dat arrest uit te voeren of te doen uitvoeren, alles op straffe van in het vonnis nader omschreven dwangsommen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 2 augustus 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als in de conclusie onder 17 aangegeven.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] heeft in 1998 aan [eiser] een perceel met bedrijfsloods verkocht, alsmede een aantal bijbehorende roerende zaken waarvoor op 31 december 1998 een bedrag van ƒ 25.000,-- betaald diende te worden.

(ii) Tussen partijen zijn met betrekking tot deze koopovereenkomst verschillende procedures gevoerd, die onder meer hebben geleid tot een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 juni 2004. Bij dit arrest is de vordering van [verweerder] tot betaling van het bedrag van ƒ 25.000,-- voor de meegeleverde roerende zaken toegewezen. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.

(iii) [Verweerder] heeft dit arrest op 30 juni 2004 aan [eiser] betekend en aangezegd tot tenuitvoerlegging ervan te zullen overgaan. Op 14 juli 2004 heeft [verweerder] executoriaal beslag doen leggen op voormeld perceel.

3.2 In dit executiegeschil gaat het om de vraag of [verweerder] misbruik van bevoegdheid maakt door het arrest van het hof van 1 juni 2004 ten uitvoer te leggen. [Eiser] heeft daartoe, onder meer, aangevoerd dat bij gelegenheid van het transport van de onroerende zaak op 9 april 1999 het bedrag van ƒ 25.000,-- als koopsom voor de roerende zaken al is voldaan, hetgeen volgens [eiser] blijkt uit de door hem in het geding gebrachte eindafrekening van de met het transport belaste notaris. Die eindafrekening was in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 1 juni 2004 niet in het geding gebracht.

3.3 De voorzieningenrechter heeft aangenomen dat [verweerder] misbruik van bevoegdheid maakt omdat hij desgevraagd niet heeft weersproken hetgeen uit de eindafrekening van de notaris blijkt, te weten dat [verweerder], toen hij de bedoelde ƒ 25.000,-- op 20 april 2001 in rechte vorderde, dit bedrag reeds twee jaren eerder, op 9 april 1999, van [eiser] had ontvangen.

3.4 Het hof heeft anders geoordeeld. Het overwoog daartoe, naar de kern genomen, dat het arrest van 1 juni 2004 niet berust op een feitelijke misslag, nu het stuk waarop [eiser] zich thans beroept, geen deel heeft uitgemaakt van het processuele debat van partijen en dat dat inmiddels afgesloten debat niet kan worden heropend door het alsnog in het geding brengen van dat stuk in een executiegeschil. Daarbij overwoog het hof dat [eiser] ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die zijn beroep op misbruik van bevoegdheid door [verweerder] kunnen onderbouwen. Onderdeel 3 van het middel bestrijdt dit oordeel met en rechts- en een motiveringsklacht.

3.5 Kennelijk en terecht heeft het hof, door te overwegen dat [eiser] ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die zijn beroep op misbruik van bevoegdheid door [verweerder] kunnen onderbouwen, zodanig misbruik van bevoegdheid niet uitgesloten geacht buiten het naar zijn oordeel zich niet voordoende geval dat het arrest van 1 juni 2004 berust op een kennelijke misslag. In het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene is evenwel onbegrijpelijk zijn oordeel dat [eiser] daartoe geen feiten en omstandigheden heeft gesteld. Uit het, in zoverre door [verweerder] in hoger beroep niet bestreden, vonnis van de voorzieningenrechter blijkt immers het volgende. [Verweerder] is niet verschenen op de beide zittingen waarop de voorzieningenrechter de zaak heeft behandeld. Op die zittingen heeft de rechter aan de procureur van [verweerder] de vraag gesteld of [verweerder] de ƒ 25.000,-- nu wel of niet had ontvangen. De antwoorden van de procureur op die kennelijk voorziene vraag luidden: "[Verweerder] wil daarop geen antwoord geven", respectievelijk: "Ik heb hem dat andermaal gevraagd, maar hij wil daarop nog steeds geen antwoord geven." [Verweerder] heeft, naar uit de gedingstukken blijkt, ook in hoger beroep niet betwist dat hij de koopsom van ƒ 25.000,-- voor de roerende zaken reeds op 9 april 1999 van [eiser] had ontvangen. Derhalve was niet in debat dat [verweerder] die koopsom inderdaad reeds toen heeft ontvangen, zodat het hof daarvan had uit te gaan.

3.6 De motiveringsklacht treft derhalve doel. Het hof had bij deze stand van zaken tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat [verweerder], betaling van de reeds voldane koopsom afdwingend door middel van de tenuitvoerlegging van het arrest van 1 juni 2004, misbruik van bevoegdheid maakt. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2005;

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2004;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] in hoger beroep begroot op € 1.182,-- (salaris € 894,--) en in cassatie op € 457,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en

W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 december 2006.