Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6140

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
02562/02 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

30 september 2003 Strafkamer nr. 02562/02 H SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nr. 232323-84, van 13 mei 1985, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 595
NBSTRAF 2003/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 september 2003

Strafkamer

nr. 02562/02 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nr. 232323-84, van 13 mei 1985, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 april 1984 - de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening en de aanvullingen daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Het Hof heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"Hij op of omstreeks 5 november 1983 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachte raad [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij verdachte voornoemde [slachtoffer] (die 72 jaar oud was en op 29 september 1983 in het huwelijk was getreden met hem, verdachte en welke vrouw hij, verdachte krachtens overeenkomst verzorgde en verpleegde en van wier lichamelijke conditie en medicijngebruik hij, verdachte globaal op de hoogte was) na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk - zakelijk weergegeven -:

- soep met daarin een hoeveelheid - Surinaamse - rum (Palmboom) met een alcoholgehalte van ongeveer 90% toegediend, althans te eten gegeven en terwijl hij, verdachte in de wetenschap was van het hierna onder a. en b. en d. en e. weergegevene, te weten:

a. dat zij een of meer medicijnen welk(e) in combinatie met alcohol schadelijk kon(den) zijn voor haar gezondheid had ingenomen,

en

b. dat zij aan enige hartkwaal leed

en

d. dat zij uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden en/of machteloosheid (zweten/pijn in haar benen) vertoonde

en

e. dat haar bloeddruk was opgelopen tot een abnor-male hoogte (boven de 200 bovendruk)

- een mengsel van wijn en (teneinde het alcoholgehalte te verhogen) - Surinaamse - rum (Palmboom) met een alcoholgehalte van ongeveer 90% en gin, toegediend, althans te drinken gegeven en

- medische assistentie onthouden en nagelaten deze in te roepen, terwijl deze onmiskenbaar en dringend

geboden was welk bovenomschreven complex van opzettelijk handelen en nalaten de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."

3.2. Met betrekking tot de inhoud van de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt heeft het Hof het volgende overwogen:

"1. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 29 september 1983 ben ik in het huwelijk getreden met [het slachtoffer], die gehuwd geweest is met [echtgenoot]. Zij was 72 jaar oud. Sedert een aantal maanden was ik al bij haar in dienst als verzorger en verpleger. Ik was op de hoogte van haar medicijngebruik en, globaal, van haar gezondheidstoestand. Het was mij bekend dat zij medicijnen gebruikte die in combinatie met alcohol een nadelige uitwerking konden hebben. De reden dat ik met haar trouwde was haar geld. Ik had ondekt dat zij over een aanzienlijk vermogen beschikte. Op 4 november 1983 heb ik haar tweemaal Inderal zien innemen en Rohypnol. Verder heeft ze die dag voorzover ik het gezien heb nog Valium 10 geslikt. 's Avonds bevond ik mij met [het slachtoffer] in de woning aan de [a-straat] te [woonplaats]. Ik heb haar soep te eten gegeven. In de loop van de avond kwam [betrokkene 1] op bezoek. Op een gegeven moment heb ik, zoals ik vaker deed, met een daarvoor bestemd toestel haar bloeddruk gemeten. Ook heb ik [het slachtoffer] een drankje waarin gin zat gegeven. Het glas heb ik schoongemaakt voordat [betrokkene 1] en ik die nacht na het overlijden van [het slachtoffer] de woning verlieten. Ik heb de dokter gewaarschuwd enige tijd nadat [het slachtoffer] volgens mij al was overleden.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5 - 12982/83 (blz 294 e.v.) van 24 november 1983, opgemaakt door G.Th.A. Ruhe en H. Smit, beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als de op

23 november 1983 aan verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Het is waar dat ik op de avond van het overlijden van [het slachtoffer] haar bloeddruk heb opgemeten. Dit zal omstreeks 22.15 uur geweest zijn. De bloeddruk was ontstellend hoog, te weten boven de 220 bovendruk. Na het meten heb ik haar een mengsel met daarin gin te drinken gegeven. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd: "Het loopt af. Het gaat mis". Ik ben teruggelopen naar de slaapkamer. Naar later bleek belde [betrokkene 1] [betrokkene 2]. Plotseling riep hij mij. [Betrokkene 2] wilde mij aan de telefoon hebben. Ik heb de telefoon overgenomen. [Betrokkene 2] vroeg mij of het afgelopen was. Ik heb dat bevestigd. [Het slachtoffer] leefde op dat moment nog. Het is mogelijk dat [betrokkene 2] heeft gezegd dat ik een dokter moest bellen en dat ik toen heb geantwoord dat het niet meer nodig was omdat het al te laat was.

3. Een proces-verbaal van 26 januari 1984 opgemaakt door de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als verklaring van verdachte:

Op de avond van haar overlijden vroeg [het slachtoffer] mij om een "slok". Ik heb toen een drankje met gin erin klaargemaakt. Toen ik het glas aan [het slachtoffer] gaf zag ik dat [betrokkene 1] bij de deur stond toe te kijken. Zij nam zelf een paracetamol voor de pijn in haar voeten.

4. Een proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz. 222 e.v.) van 23 november 1983 op ambtseed/belofte opgemaakt door G.Th.A. Ruhe en H. Smit, beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op genoemde datum aan verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Ik kan stellen dat [het slachtoffer] vanaf medio juli 1983 op een vast patroon voor medicijngebruik zat. Zij gebruikte Inderal 80 mg driemaal daags een dragee. Calcium 500 mg 1 tablet/bruis 's morgens.

Temesta 2,5 mg 1 tablet 's morgens, oplopend gedurende de dag tot 3 à 4 totaal. Valium 10 dagelijks naar behoefte: het kwam ook wel voor dat zij dagen oversloeg. Paracetamol indien zij pijn had. Ook gebruikte zij Bisolvon 8 mg, driemaal daags twee tabletten. Verder kreeg zij 's avonds Rohypnol en Atosil. Ook Ludiomil heeft zij gekregen. Het hartmiddel Inderal, waarvan dr. Laue de dosering terugbracht van drie naar twee tabletten per dag, heeft zij voortdurend ingenomen.

5. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982 (blz. 251 e.v.) op 24 november 1983 opgemaakt door J.J. Zentveld en B. Hamersma, beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op 21 november 1983 aan verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Toen ik ongeveer zes maanden geleden [het slachtoffer] ophaalde voor autorijles zag ik op het balcon van haar woning aan de [a-straat] te [woonplaats] een man staan, die ik later leerde kennen als [aanvrager]. [Het slachtoffer] vertelde mij dat hij een huisgenoot was. Ik raakte met [aanvrager] bevriend. Terwijl [het slachtoffer] deze zomer met vakantie in Frankrijk verbleef hebben [aanvrager] en ik op een dag een kast op haar slaapkamer doorzocht omdat wij vermoedden dat er een hoop geld of een aantal spaarbrieven aan toonder of zoiets dergelijks in zou liggen. Uit bankafschriften en andere papieren die wij aantroffen bleek ons dat [het slachtoffer] een vermogen van f 1,8 miljoen bezat. Enige tijd later spraken wij erover hoe we dat geld in handen konden krijgen. Er werd het plan geopperd dat [aanvrager] met [het slachtoffer] zou trouwen. Ik kwam met [aanvrager] overeen dat ik zou meeprofiteren van de erfenis. Nadat het huwelijk op 29 september 1983 gesloten was is [aanvrager], zoals hij mij verteld heeft, op 9 oktober met [het slachtoffer] naar het kuuroord Bad Neuenahr gegaan. Van daaruit belde hij mij iedere dag op. Tijdens één van die telefoongesprekken zei hij mij dat hij contact gezocht had met een arts om een gezondheidsverklaring te krijgen voor [het slachtoffer]. Op mijn vraag waar hij die voor nodig had antwoordde hij, dat wanneer [het slachtoffer] iets zou overkomen, hij dan steviger in zijn schoenen stond. Na het huwelijk hebben wij thuis wel eens zitten praten over het overlijden van [het slachtoffer]. [Aanvrager] had het er onder andere over dat zij kwam te vallen in de badcel terwijl hij er niet was en doodbloedde. Ook is er wel over gesproken om het bad vol te laten lopen met water, zodat het een verdrinkingsdood leek. Ik kan wel zeggen dat er iedere keer over haar dood werd gesproken, ook bij het bezoek dat [betrokkene 2] en ik aan [aanvrager] brachten toen hij in Bad Neuenahr verbleef. [aanvrager] vertelde voortdurend dat het leven van [het slachtoffer] voor hem veel te lang duurde. Op de avond van 4 november 1983 ben ik op verzoek van [aanvrager] naar de woning aan de [a-straat] gegaan. Toen ik daar aankwam lag [het slachtoffer] in bed. Ik heb met [aanvrager] naar de televisie gekeken. Omstreeks 22.30 uur werd [aanvrager] door [het slachtoffer] geroepen. Toen hij na ongeveer tien minuten terugkwam zei hij tegen mij: "Ik heb zojuist haar bloeddruk opgenomen en die is abnormaal hoog. Ik denk dat het een aflopende zaak is". Nadat hij weer naar de slaapkamer van [het slachtoffer] was geweest zei hij woordelijk: "Ik zal haar nog een flinke slok geven." Ik zag toen dat hij gin, wijn en een scheut van een uit Suriname afkomstige drank met een alcoholpercentage van 95 die hij een keer van [betrokkene 2] had gekregen in een glas deed. Toen hij met het glas naar de slaapkamer liep ben ik hem achterna gegaan en bij de deur blijven staan kijken. Ik zag dat [het slachtoffer] iets transpireerde en op de rand van het bed zat. [Aanvrager] zette het glas aan haar mond en ik zag dat [het slachtoffer] een flinke slok nam. Ik ben weer naar de kamer gegaan. Na enkele minuten hoorde ik dat [aanvrager] mij riep. Ik ben naar hem toegegaan. Hij zei: "Ik denk dat het nu afgelopen is." Tussen het moment waarop hij een hoge bloeddruk constateerde en het moment dat hij zei dat zij was overleden heeft ongeveer drie kwartier gezeten. Toen [aanvrager] mij had verteld dat [het slachtoffer] een vreselijk hoge bloeddruk had heb ik [betrokkene 2] gebeld en haar gezegd dat ik langer wegbleef omdat [het slachtoffer] op sterven lag. Daarna heeft [aanvrager] ook nog met haar gesproken en gezegd dat het een aflopende zaak was. Nadat [het slachtoffer] was overleden heeft [aanvrager] het glas waaruit zij had gedronken omgespoeld en schoongemaakt. Hij zei dat hij dat deed omdat de dokter en de politie het glas met de drank die hij haar had gegeven niet mochten aantreffen. Later bij ons thuis heeft [aanvrager] verteld dat hij [het slachtoffer] die avond soep heeft opgediend waarin hij een scheut alcohol gegooid had van die fles van 95%. Deze fles alsmede diverse medicijnen die [aanvrager] in zijn koffer had zitten heeft hij bij elkaar gezocht. Ik heb deze goederen, waarvan [aanvrager] zei dat er door de politie en de dokter vragen over gesteld konden worden, in Vinkeveen in een glasbak gedeponeerd.

6. De getuige [betrokkene 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik woon al enige jaren samen met [betrokkene 1]. De verpleger van [het slachtoffer], [aanvrager], heb ik voor het eerst ontmoet op 13 april 1983. [Aanvrager] werd daarna een huisvriend. Ik heb [aanvrager] rum met een alkoholpercentage van ongeveer 90% mee gegeven. Dat was een klein flesje. Ik had die rum uit Suriname meegenomen. Van [aanvrager] en [betrokkene 1] hoorde ik dat er in het huis van [het slachtoffer] een kast was waar niemand in mocht en die altijd op slot zat. Ik weet niet hoe zij aan de sleutel zijn gekomen. In de kast lag geen geld maar wel papieren. Uit die papieren, waaronder bankafschriften, bleek dat [het slachtoffer] een vermogen van 1,8 miljoen gulden bezat. Toen [aanvrager] wist dat zij vermogend was heeft hij weleens gezegd, dat hij met haar zou trouwen. [Aanvrager] had eens bij een andere oudere rijke dame gewerkt als verpleger, die met een jonge man, haar chauffeur, was getrouwd. Die vrouw is kort na het huwelijk overleden. [Aanvrager] zei daarover: "Wat hij kon, kan ik ook".

Er is over gesproken dat [het slachtoffer] wel eens dood zou gaan. Op de dag van het huwelijk had [het slachtoffer] een ring om. Ik vond hem wel mooi. [Aanvrager] zei tegen mij dat ik die ring kon krijgen wanneer zij overleden was. Ook wel is er eens over gesproken haar te laten struikelen, het bad vol te laten lopen zodat ze zou verdrinken, haar drank en medicijnen te geven of de badkamervloer met groene zeep in te smeren. Op 4 november 1983 belde [betrokkene 1] mij 's avonds op dat hij bij [aanvrager] in de [a-straat] in [woonplaats] een borrel zou gaan drinken. Om half elf belde [betrokkene 1] voor de tweede keer en zei dat [het slachtoffer] dood was. Ik geloofde dat niet. Ik kreeg toen [aanvrager] aan de telefoon, die zei dat mevrouw ziek was en een hoge bloeddruk had, boven de 200 bovendruk. Ik heb toen gevraagd of hij er geen dokter bij moest halen. [Aanvrager] zei toen dat een dokter weinig kon doen en het alleen maar een paar uur kon rekken.

Het derde telefoontje kreeg ik rond 12 uur 's nachts. Ik kreeg toen te horen dat [het slachtoffer] was overleden. [Betrokkene 1] en [aanvrager] zijn niet meteen naar huis gekomen. Zij zijn eerst naar een café gegaan. Zij kwamen tussen 3 en 4 uur in de morgen thuis. [Aanvrager] vertelde toen dat hij [het slachtoffer] soep met daarin Palmboom, Surinaamse rum, heeft gegeven. Toen later het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] door de politie in beslag werd genomen heeft [aanvrager] gezegd dat wanneer de politie vragen zou stellen wij niet alles moesten zeggen, bijvoorbeeld: - dat hij haar alkohol te drinken had gegeven, - over de telefoongesprekken van die avond en ook geen bijzonderheden over het huwelijk.

7. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz. 230 e.v.) van 23 november 1983 opgemaakt door J.P.L. Steenweg, hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als de op 22 november 1983 aan verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

[Aanvrager] vertelde ons dat hij [het slachtoffer] alleen voor het geld zou trouwen. Hij belde ons dagelijks. Altijd sprak hij dan weer over het feit dat [het slachtoffer] zo lastig was en dood moest. Ook toen [aanvrager] in Bad Neuenahr was belde hij dagelijks. Hij vertelde dat hij hoopte dat [het slachtoffer] daar zou overlijden. Hij zou goed verzorgd achterblijven en het zou goed uitkomen als [het slachtoffer] daar dood zou gaan, met al die artsen in de buurt. In de periode tussen 22 oktober 1983 en de bewuste vrijdag 4 november 1983 spraken [aanvrager] en [betrokkene 1] voortdurend over de dood van [het slachtoffer], vooral [aanvrager].

8. Een proces-verbaal nr R5-12982-1983 (blz 317A) van 12 december 1983 op ambtsbelofte opgemaakt door H. Smit, hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam bevat als bijlage een fotocopie van de vertaling van de op 10 november 1983 te Bad Neuenahr-Ahrweiler aan de hoofdagent-rechercheur (Kriminalobermeister) Schlich afgelegde verklaring van dr. Karlheinz Laue, zakelijk weergegeven inhoudende:

[Het slachtoffer] is mij sinds 1972 als patiënte bekend. Op 14 oktober 1983 is [het slachtoffer] naar mijn praktijk gekomen.

Ik heb haar grondig onderzocht. Ik stelde op die dag bij haar een vermindering van de hartwerking vast. Ter ondersteuning van het hart heb ik haar toen Digimerk Minor voorgeschreven.

9. Een proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz 210 e.v.) van 22 november 1983 op ambtseed/belofte opgemaakt door G.Th.A. Ruhe en S. Smit, beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt, zakelijk weergegeven, in als de op genoemde datum van verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Volgens [het slachtoffer] was Digimerk Minor een hartmiddel. Zij heeft mij op 20 oktober 1983 gezegd dat ik dat middel niet bij de apotheek behoefde te halen omdat zij al Inderal voor haar hart had.

10. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz 7 e.v.) van 7 november 1983 opgemaakt door A.P. Nijman en H. Hamersma, beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op genoemde datum aan verbalisanten afgelegde verklaring van Dirk Jan van der Plas:

Ik ben huisarts. Op 5 november 1983 te 00.30 uur ontving ik thuis een telefoontje. Er meldde zich een mannenstem aan de telefoon, die mij mededeelde dat hij een sterfgeval te melden had. Ik vroeg de man wie was overleden en waar het was. De naam was [het slachtoffer] en het adres was [a-straat 1] te [woonplaats]. Ik ben daarheen gegaan. Omstreeks 00.45 uur was ik er. In het bed in de slaapkamer lag een vrouw. Ik constateerde dat zij was overleden. Naar mijn schatting minder dan een half uur terug.

11. Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie op 19 december 1983 opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed houdt zakelijk weergegeven in als verklaring van de apotheker-toxicoloog drs A.M. van der Ark:

Op 9 november 1983 ontving ik van de patholoog-anatoom dr. J. Zeldenrust diverse delen uit het lijk van [het slachtoffer]. Verzocht werd een toxicologisch onderzoek in te stellen. Met behulp van plaatchromatografie werd vastgesteld, dat maaginhoud en lever promethazine (handelsnaam Atosil) en afbraakproducten daarvan bevatten. Verder werden in de maaginhoud, lever en urine na hydrolyse aminochloorbenzofenon en tenminste één nauw verwante stof gevonden, hetgeen wijst op het gebruik van tenminste één benzodiazepine derivaat (zoals bijvoorbeeld Librium). Mogelijk is ook Rohypnol gebruikt. Promethazine en benzodiazepinederivaten versterken de werking van alcohol en de analyseresultaten zouden kunnen passen bij een dodelijke vergiftiging door een combinatie van alcohol, promethazine en een benzodiazepinede-rivaat.

12. Bovengenoemde deskundige Van der Ark heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

We hebben bij [het slachtoffer] een bloedalcoholgehalte van 1,96 promille vastgesteld. In ons rapport staat 1,76 maar daarbij is rekening gehouden met de correctie die in zaken betreffende artikel 26 van de Wegenverkeerswet moet worden toegepast. In de urine was het 1,86. Dat is vreemd, want gewoonlijk is de alcoholconcentratie in de urine 1,5 maal zo hoog als in het bloed. Dat het hier lager is wijst erop dat [het slachtoffer] kort voor haar dood een vrij grote hoeveelheid alcohol moet hebben gebruikt.

13. De deskundige dr J. Zeldenrust patholoog-anatoom, heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Mijn sectieverslag en het toxicologisch rapport van drs Van der Ark in aanmerking nemende is mijn slotconclusie, dat de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] kan zijn geweest een acute vergiftiging door alcohol en door de door de heer Van der Ark aangetoonde geneesmiddelen, waarbij mogelijk betekenis toekomt aan de conditie van de 72-jarige [slachtoffer] en de toestand van haar hart. Als enige andere doodsoorzaak komt daarnaast alleen in aanmerking een spontane hartstilstand, al dan niet tengevolge van psychische spanningen. De waarschijnlijkheid daarvan acht ik, met name gelet op de factor alcohol waar we hier mee te maken hebben, geringer dan van de combinatie alcohol en medicijnen.

3.3. In aansluiting op de weergave van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof met betrekking tot het aangaande de bewijsvoering door de raadsman gevoerde verweer overwogen:

"14. dat door de verdediging is betoogd dat niet geconcludeerd kan worden dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de telastegelegde en bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en de dood van [het slachtoffer] omdat - kort samengevat - het uiterst onwaarschijnlijk is dat de gebruikte medicijnen op de dag van overlijden in combinatie met het waarschijnlijk geachte alcoholgebruik de directe doodsoorzaak kan zijn geweest en afgezien daarvan de in deze zaak gehoorde deskundigen ieder tot de conclusie komen dat absoluut niet met zekerheid is vast te stellen dat de doodsoorzaak het gevolg is geweest van de combinatie alcohol en medicijnen;

15. dat het Hof bij de bespreking van dit verweer het volgende voorop stelt:

a) verdachte heeft in ieder geval vanaf het moment waarop hij constateerde dat [het slachtoffer] over een aanzienlijk vermogen beschikte gezocht naar een weg die er toe zou leiden dat hij (een deel van) dat vermogen verwierf;

b) met het oog op dit laatste heeft hij niet alleen een huwelijk met de 72-jarige [het slachtoffer] gesloten maar ook bij herhaling en nadrukkelijk met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] besproken op welke wijze nadien haar dood bewerkstelligd zou kunnen worden;

c) [het slachtoffer], van wie niet aannemelijk is geworden dat zij - zoals door de verdediging is aangevoerd - voor de komst van [betrokkene 1] reeds een grote hoeveelheid witte wijn had gedronken, is niet plotseling en onaangekondigd overleden maar ongeveer drie kwartier of meer nadat verdachte op 4 november 1983 omstreeks 22.30 uur tegen [betrokkene 1] en, bij een telefoongesprek, [betrokkene 2] had gezegd dat het volgens hem een aflopende zaak was, terwijl verdachte in die tussenliggende periode niet getracht heeft hoewel dat zonneklaar geboden was, doktershulp in te roepen maar wel een mengsel van wijn, gin en Palmboomrum met een zeer hoog alcoholpercentage aan [het slachtoffer] te drinken heeft geven;

16. dat het Hof uit deze, in de bewijsmiddelen meer gedetailleerd weergegeven gang van zaken afleidt dat verdachte de dood van [het slachtoffer] gewild heeft en, daarvan uitgaande, onder de gegeven omstandigheden het te eten geven van de soep met daarin Palmboomrum, het te drinken geven van bovengenoemd mengsel en het achterwege laten van medische hulp aanmerkt als uitingen van verdachtes wil de dood van [het slachtoffer] te bewerkstelligen;

17. dat uit de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van de deskundigen Zeldenrust en Van der Ark volgt dat de dood van [het slachtoffer] medisch gezien zeer wel het gevolg kan zijn van de gecombineerde werking van de door [het slachtoffer] gebruikte medicijnen en de haar toegediende alcohol; dat als feit van algemene bekendheid geen bewijs behoeft dat de mogelijkheid dat die combinatie fataal uitwerkt wordt vergroot door het achterwege laten van medische hulp wanneer die, zoals in dit geval, dringend geboden lijkt;

dat door de deskundige Zeldenrust als enig mogelijke andere doodsoorzaak genoemd is acute hartdood, al dan niet ten gevolge van psychische spanningen; dat het Hof, mede gelet op de omstandigheid dat [het slachtoffer] eerst relatief geruime tijd nadat verdachte had gezegd dat het een aflopende zaak was is overleden, de kans dat zich een acute hartdood heeft voor gedaan nog voordat de aan verdachte verweten gedragingen het beoogde gevolg konden hebben menselijkerwijs gesproken zo onwaarschijnlijk acht, dat geconcludeerd moet worden dat de onder c) genoemde gedragingen van verdachte tezamen genomen als juridisch relevante oorzaak van de dood van [het slachtoffer] moeten worden aangemerkt; dat die dood ook het redelijkerwijs te verwachten gevolg van die gedragingen was en dus als zodanig aan verdachte moet worden toegerekend."

4. Eerdere aanvragen

4.1. De Hoge Raad heeft eerdere aanvragen tot herziening van voormeld arrest van het Hof niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 2 december 1986, nr. 4480 Herz., bij arrest van 7 februari 1989, nr. 4563 Herz., bij beschikking van 29 september 1992, nr. 2698 Herz. en bij beschikking van 14 november 1995, nr. 4926 Herz.

4.2. De aanvraag die heeft geleid tot de beschikking van 2 december 1986 steunde in het bijzonder op rapporten van de deskundigen prof. dr. H.J. Houthoff, hoogleraar pathologie, en prof. dr. F.A. Nelemans, vast beëdigd gerechtelijk deskundige, welke - kort gezegd - inhielden dat als oorzaak van de dood van [het slachtoffer] een hart-infarkt of hartritmestoornis het meest waarschijnlijk is. Daaromtrent heeft de Hoge Raad, samengevat, overwogen dat die deskundigen zijn uitgegaan van dezelfde feitelijke gegevens - zoals de bevindingen bij de lijkschouwing en de bij het toxicologisch onderzoek aangetroffen concentraties van geneesmiddelen en alcohol - waarvan ook het Hof is uitgegaan bij de bewijsvoering en de verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer, zodat er geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, Sv.

4.3. De tweede herzieningsaanvraag, welke heeft geleid tot het arrest van 7 februari 1989, was onder meer gegrond op het rapport van dr. H.M. Laane, arts en beëdigd lijkschouwer, welk rapport inhield - kort gezegd - dat het alcoholgebruik van [het slachtoffer] aanzienlijk geringer moet zijn geweest dan door het Hof bewezen is geacht. Bij dat rapport was als bijlage gevoegd een rapport van dr. C.J. van Boxtel, internist en klinisch farmacoloog, inhoudende dat de kans dat de betreffende 72-jarige dame aan een acute hartdood is overleden door de combinatie van alcohol en de xenobiotica promethazine en benzodiazepine of zelfs dat deze aan dit overlijden een bijdrage hebben geleverd als volstrekt verwaarloosbaar beschouwd moet worden, alsmede een brief van dr. van Boxtel, inhoudende dat [het slachtoffer] leed aan ernstige hypokaliemie, waarmede onlosmakelijk levensbedreigende ritmestoornissen van het hart samenhangen. Daaromtrent heeft de Hoge Raad overwogen dat aan de berekeningen van dr. Laane geen betekenis kan worden gehecht, omdat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de hoeveelheden alcoholhoudende drank die [het slachtoffer] op de avond van 4 november 1983 heeft genuttigd. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat een rapport van dr. P. Stevens van 29 april 1985, inhoudende dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de gebruikte medicijnen op de dag van overlijden in combinatie met het waarschijnlijk geachte alcoholgebruik de directe doodsoorzaak kan zijn geweest, reeds aan het Hof bekend was. En ten slotte heeft de Hoge Raad, oordelende dat het Hof niet bekend was met de ernstige hypokaliemie en de daarmee samenhangende ritmestoornissen van het hart waaraan [het slachtoffer] volgens dr. van Boxtel en dr. Laane moet hebben geleden, overwogen:

"5.5. Vergelijking van al hetgeen is vermeld in de stukken waarvan het Hof kennis heeft genomen met al hetgeen is vermeld in de stukken welke daarnaast nog bij de aanvrage zijn overgelegd leidt tot het oordeel dat aan het Hof niet bekend was hetgeen in de onder 3.3 en 3.4 vermelde stukken voorkomt omtrent de ernstige hypokaliemie en de daarmede samenhangende ritmestoornissen van het hart waaraan [het slachtoffer] volgens Dr. van Boxtel en Dr. Laane moet hebben geleden.

5.5.1. Bij de beoordeling van de vraag welke betekenis aan laatstbedoelde omstandigheid toekomt bij beschouwing daarvoor in samenhang met het complex van factoren waaraan de dood van [het slachtoffer] volgens de bewezenverklaring moet worden toegeschreven, verdient het volgende de aandacht:

A. Waar de deskundige Van der Ark in zijn rapport, voor zover weergegeven in bewijsmiddel 11, en de deskundige Zeldenrust in zijn verklaring ter 's-Hofs terechtzitting, vervat in bewijsmiddel 13, gewagen van een "dodelijke vergiftiging respectievelijk een "acute vergiftiging" tengevolge van een combinatie van alcohol, promethazine en een benzodiazepinederivaat, spreken zij beiden slechts over een mogelijke doodsoorzaak: Van der Ark betoogt immers dat de analyseresultaten "zouden kunnen passen" bij een dodelijke vergiftiging als evenbedoeld en Zeldenrust verklaart dat de door hem bedoelde acute vergiftiging de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] "kan zijn geweest". De conclusie van het rapport van Dr. Zeldenrust van 28 november 1983 (bijlage 1 bij het rapport van Dr. Laane) luidt:

"bij wijlen [het slachtoffer], oud 72 jaar, kon de oorzaak in de dood niet met zekerheid worden vastgesteld omdat de anatomische bevindingen daartoe niet voldoende toereikend waren te achten". Anderzijds heeft Dr. van Boxtel in zijn brief van 2 februari 1988 (bijlage 16 bij het rapport van Dr. Laane) aan zijn betoog dat de hypokaliemie in combinatie met andere klachten en symptomen van de patiënte het bestaan van het syndroom van Conn bij haar "wel zeer waarschijnlijk" maken toegevoegd, dat deze diagnose "niet meer te bewijzen" is.

B. Ook indien de dood van [het slachtoffer] niet het directe gevolg mocht zijn geweest van een "acute vergiftiging" door de combinatie van alcohol en medicijnen als bedoeld door Dr. Zeldenrust (bewijsmiddel 13), blijft binnen het complex van factoren welke direct of indirect tot het overlijden van [het slachtoffer] kunnen hebben geleid de factor alcohol in combinatie met medicijnen van betekenis. Dit blijkt onder meer uit hetgeen in meergemeld rapport van Prof. Houthoff onder 3.3.3 is vermeld, te weten: dat een interactie tussen de door patiënte gebruikte geneesmiddelen in combinatie met alcohol "zeker een factor bij het overlijden geweest kan zijn", namelijk een risicofactor welke kansen op complicaties doet toenemen. Dat bij de waardering van die factor mede betekenis toekomt aan de scheut rum welke door de aanvrager was toegevoegd aan de door hem op 4 november 1983 aan [het slachtoffer] opgediende soep en - vooral - aan het mengsel van wijn, rum en gin dat hij haar op die datum omstreeks 22.30 uur te drinken heeft gegeven, blijkt onder meer uit de verklaring van de deskundige Van der Ark ter 's-Hofs terechtzitting (bewijsmiddel 12), dat de alcoholconcentratie in de urine gewoonlijk 1,5 maal zo hoog is als in het bloed en dat de omstandigheid dat bij de overleden [slachtoffer] het alcoholgehalte in de urine lager was (1.86%) dan het alcoholgehalte in het bloed (1.96%) erop wijst dat [het slachtoffer] kort voor haar dood een vrij grote hoeveelheid alcohol moet hebben gebruikt.

C. Indien ervan wordt uitgegaan dat [het slachtoffer] inderdaad leed aan ritmestoornissen van het hart, strookt dit met de bewezenverklaarde omstandigheid b "dat zij aan enige hartkwaal leed".

5.5.2. Mede gelet op de onder 5.5.1 sub A, B en C vermelde omstandigheden komt het de Hoge Raad niet aannemelijk voor, dat het Hof, ware het bekend geweest met de inhoud van meergemelde brief van Dr. van Boxtel van 2 februari 1988, hetgeen daaromtrent in hoofdstuk 6 van het rapport van Dr. Laane is vermeld en de inhoud van de hiervoren onder 3.4 vermelde brieven, zou zijn gekomen tot een vrijspraak of een andere bewezenverklaring dan die welke in 's-Hogen Raads beschikking van 2 december 1986 onder 2.1 is vermeld. Immers, volgens het bewezenverklaarde heeft het gehele daarin omschreven "complex van opzettelijk handelen en nalaten" de dood van [het slachtoffer] tengevolge gehad, te weten het complex van: (1) het opzettelijk toedienen, althans te eten geven, van soep met daarin een hoeveelheid rum met een alcoholgehalte van ongeveer 90%, (2) het opzettelijk toedienen, althans te drinken geven, van een mengsel van wijn, rum met een alcoholgehalte van ongeveer 90% en gin, en (3) het opzettelijk onthouden van medische assistentie en het nalaten deze in te roepen, terwijl deze onmiskenbaar en dringend geboden was. In verband hiermede ligt het voor de hand aan te nemen dat het Hof, ware het bekend geweest met het - door Dr. Laane onderschreven - oordeel van Dr. van Boxtel dat [het slachtoffer] "zeer waarschijnlijk" leed aan ernstige hypokaliemie met daarmede samenhangende ritmestoornissen van het hart, weliswaar binnen het complex van evenbedoeld handelen en nalaten dit laatste - te weten: het onthouden van medische assistentie en nalaten deze in te roepen - relatief nog zwaarder zou hebben laten wegen dan het - naar mag worden aangenomen - thans heeft gedaan, doch niettemin zou hebben geoordeeld dat het gehele complex van het in het onderhavige arrest van 13 mei 1985 bewezenverklaarde handelen en nalaten van de aanvrager in samenhang met de mede bewezenverklaarde omstandigheden a,b,d en e de dood van [het slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

5.6. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel, dat aan de inhoud van geen van de bij de aanvrage overgelegde rapporten, brieven en andere bescheiden een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 457, eerste onder 2°, Sv kan worden ontleend."

4.4. De derde herzieningsaanvraag, welke heeft geleid tot de beschikking van 29 september 1992, steunde in het bijzonder op een verklaring van drs. A.M. van der Ark, waarin hij de inhoud van de rapporten van prof. Houthoff, prof. Nelemans en dr. van Boxtel, welke rapporten aan de orde waren in de onder 4.2 en 4.3 vermelde beslissingen van de Hoge Raad en inhielden als de daarin neergelegde oordelen van de deskundigen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [het slachtoffer] is overleden door een combinatie van de door haar genuttigde alcohol en de door haar gebruikte medicijnen, doch dat de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] gezocht moet worden in een hartritmestoornis, onderschreef. De Hoge Raad overwoog dat, waar aan de eerder genoemde rapporten geen ernstig vermoeden kon worden ontleend als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, Sv, de verklaring van Van der Ark evenmin een dergelijk vermoeden kan wekken.

4.5. In de beschikking van 14 november 1995 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

"6.1. In een aanvrage tot herziening kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op de inhoud van bescheiden welke reeds bij een eerdere aanvrage tot herziening van dezelfde uitspraak zijn overgelegd dan wel binnen het kader van de beoordeling van die eerdere aanvrage ter kennis van de Hoge Raad zijn gebracht als behelzende de resultaten van een naar aanleiding van die eerdere aanvrage ingesteld onderzoek.

6.2. Hieruit volgt dat de Hoge Raad de thans bij de eerste aanvullende aanvrage gevoegde verklaring van dr Laane slechts op haar eigen merites beoordeelt, en wel voor zover daarin wordt gesteld dat bepaalde aspecten (nog) niet aan de orde zijn gekomen.

6.2.1. Dat betreft in de eerste plaats de stellingen dat dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd is geweest om te komen tot een juist oordeel, en dat dat juiste oordeel zou zijn geweest dat [het slachtoffer] is overleden (waarschijnlijk) als gevolg van een spontane hartstilstand.

6.2.2. Bij zijn stelling dat dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd is geweest (bedoeld zal zijn ten tijde van het afleggen van zijn tot bewijs gebezigde verklaring ter 's Hofs terechtzitting "dat de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] kan zijn geweest een acute vergiftiging door alcohol en de door de heer Van der Ark aangetoonde geneesmiddelen") wordt er aan voorbijgezien dat niet primair van betekenis is of dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd was maar dat het er te dezen om gaat of het Hof niet over informatie beschikte, die thans wel voorhanden is, en daardoor tot een onjuist oordeel zou zijn gekomen. Daaromtrent is niet gebleken: ter 's Hofs terechtzitting zijn rapporten van dr Laane en van de internist dr Stevens in het geding gebracht waarin deze geargumenteerd hebben betoogd dat - zakelijk weergegeven - het hoogstonwaarschijnlijk is dat de dood van [het slachtoffer] is veroorzaakt door de combinatie van alcohol en medicijnen, heeft dr Laane als deskundige eender verklaard en heeft de verdediging uit beide rapporten essentiële gedeelten geciteerd, onder meer dat noch de schouwarts noch dr Zeldenrust symptomen hebben gevonden die wezen op een overdosis/intoxicatie van alcohol en dan ook nog in combinatie met benzodiazepines en promethazine. Het Hof was dus bekend met de van het oordeel van

dr Zeldenrust afwijkende mening die dr Laane in zijn onder 6.2 bedoelde verklaring en opnieuw in zijn "Kanttekeningen" heeft gegeven. Daarom kan niet met vrucht worden volgehouden dat het Hof als gevolg van onvoldoende informatie niet in de gelegenheid is geweest de verschillende thesen omtrent de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] tegen elkaar af te wegen.

6.2.3. De stelling dat dr Zeldenrust zou hebben verklaard dat [het slachtoffer] waarschijnlijk is overleden als gevolg van een spontane hartstilstand indien hij voldoende geïnformeerd was geweest, in het bijzonder indien tot hem was doorgedrongen de beweerde mededeling van prof. dr F.A. Nelemans dat [het slachtoffer] niet kan zijn overleden aan de gevolgen van de gecombineerde werking van alcohol en promethazine en een benzodiazepinederivaat, komt neer op een mening, gissing dan wel redenering - hetgeen daartegen in de "Kanttekeningen" wordt aangevoerd ten spijt - die geen omstandigheden oplevert als hiervoor onder 4.5 bedoeld. Ook de hiervoor onder 4.1 bedoelde brief van de KNMG levert niet een omstandigheid op als hiervoor onder 4.5 bedoeld.

6.2.4. Het tweede aspect dat volgens de verklaring van dr Laane nog niet aan de orde is gekomen is hetgeen hiervoor onder 4.2.4 als grondslag van de aanvrage is weergegeven. Daarbij heeft dr Laane kennelijk tot uitgangspunt genomen zijn stellingen dat aan de aanvrager niet bekend was dat [het slachtoffer] "aan enige hartkwaal leed" (waaromtrent het Hof het tegendeel als bewezen heeft aangenomen) en dat de uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden en/of machteloosheid (zweten, pijn in haar benen) en het opgelopen zijn van haar bloeddruk tot een abnormale hoogte geen noodzaak opleverden om acuut medische hulp in te roepen.

6.2.5. Op grond van de tot bewijs gebezigde verklaringen van de aanvrager "Ik was op de hoogte van haar medicijngebruik en, globaal, van haar gezondheidstoestand", "Op 4 november 1983 heb ik haar tweemaal Inderal zien innemen" en "Het hartmiddel Inderal (...) heeft zij voortdurend ingenomen" heeft het Hof geredelijk kunnen aannemen dat de aanvrager wist dat zijn echtgenote [het slachtoffer] "aan enige hartkwaal leed", ongeacht de aard en de ernst daarvan. Dat de uiterlijke tekenen van onwel bevinden en machteloosheid niet noopten tot het inroepen van medische hulp en daarvan ook geen heil was te verwachten is wederom een redenering die niet oplevert een omstandigheid als onder 4.5 bedoeld.

(...)

6.5. Al het onder 6 overwogene leidt tot het oordeel dat aan de inhoud van geen bij de aanvrage en de beide aanvullende aanvragen tot herziening overgelegde bescheiden een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, Sv kan worden ontleend."

5. Grondslag van de aanvraag

5.1. De aanvraag berust naar de kern genomen op de stelling dat het Hof de verklaring van de deskundige dr. J. Zeldenrust, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en om die reden niet tot de veroordeling zou zijn gekomen, indien het bekend zou zijn geweest met de in de onderhavige aanvraag en de aanvullingen daarop gepresenteerde omstandigheden.

5.2. Vorenbedoelde omstandigheden komen op het volgende neer.

(i) Het Hof is op grond van de verklaring van dr. Zeldenrust ter terechtzitting van het Hof (bewijsmiddel 13) onjuist en onvolledig ingelicht omtrent de toxicologische elementen betreffende de doodsoorzaak van [het slachtoffer]. Daartoe wordt het volgende gesteld. Alvorens zijn verklaring af te leggen heeft dr. Zeldenrust zich laten voorlichten door een extern deskundige - prof. dr. F.A. Nelemans - die hem telefonisch mededelingen moet hebben gedaan van de strekking, kort gezegd, dat er geen aanknopingspunt is te vinden dat de werking van een of meer medicijnen, al dan niet in combinatie met alcohol, de dood van [het slachtoffer] heeft veroorzaakt, zoals prof. Nelemans nadien ook in zijn rapport van juli 1986 heeft geschreven. Deze informatie heeft dr. Zeldenrust niet, althans onjuist of onvolledig, in zijn verklaring ten overstaan van het Hof weergegeven.

(ii) Het oordeel van dr. Zeldenrust omtrent de oorzaak van het overlijden van [het slachtoffer] is onjuist geweest. Daartoe wordt in het bijzonder een beroep gedaan op het rapport van prof. dr. C.J. van Boxtel van 14 november 2002 (productie 9 bij de aanvraag), het rapport van prof. dr. A.E. Becker, hoogleraar cardiovasculaire pathologie, van 7 november 2002 (productie 8 bij de aanvraag) en het rapport van dr. H.M. Laane (productie 7 bij de aanvraag). In de aanvraag wordt met een beroep op die deskundigenoordelen aangevoerd dat het sectierapport van dr. Zeldenrust onvolledig en onzorgvuldig is en belangrijke tekortkomingen vertoont die relevant zijn voor de interpretatie van de doodsoorzaak, waaronder het niet onderkennen dat het zeer wel mogelijk is dat [het slachtoffer] leed aan het syndroom van Conn. Daaraan wordt de gevolgtrekking verbonden dat dr. Zeldenrust door ontbrekende en verkeerde klinische gegevens en door het (hiervoor onder (i) aangeduide) volledig verkeerd verstaan van de conclusie van prof. Nelemans tot een onjuiste doodsoorzaak heeft geconcludeerd, zodat het sectierapport van dr. Zeldenrust niet heeft kunnen dienen als grondslag voor het vaststellen van de doodsoorzaak. Die doodsoorzaak kan, zo wordt in de aanvraag afgeleid uit het oordeel van deze deskundigen, niet zijn gelegen in combinatie van een bloedalcoholgehalte van 1,76 promille met een normale concentratie promethazine, maar moet het meest waarschijnlijk een acute hartstilstand zijn geweest.

(iii) Voorts wordt in het aanvullend verzoek tot herziening nog aangevoerd dat dr. P. Stevens, internist, (van wie bij gelegenheid van het pleidooi bij het Hof een rapport van 29 april 1985 in het geding is gebracht) zich op het standpunt stelt dat van zijn verhoor bij de politie op 8 november 1983 een onjuist en onvolledig proces-verbaal is opgemaakt waardoor een verkeerd beeld is geschapen van de klinisch-medische gegevens van [het slachtoffer] en tevens dat hij van oordeel is dat het niet ondenkbaar is dat de combinatie van digitalis en inderal tot een fatale hartritmestoornis heeft geleid en derhalve dat

[het slachtoffer] een natuurlijke dood is gestorven. In het tweede aanvullend verzoek tot herziening wordt ten slotte een rapport van dr. A. van der Wiel van 24 februari 2003 overgelegd betreffende (het bepalen van) de bloedalcoholspiegel. Dit rapport houdt, kort gezegd, in dat men voorzichtig dient te zijn bij de interpretatie van de gemeten waarde aan bloedalcoholgehalte, omdat na de dood de bloedalcoholspiegel door vergisting verder kan oplopen. Daaraan wordt namens de aanvrager de gevolgtrekking verbonden dat het Hof destijds onvolledig is ingelicht en daarom ten onrechte is uitgegaan van een ten tijde van het overlijden van [het slachtoffer] in haar lichaam aanwezig alcoholpromillage van 1,76, zonder correctie wegens de, waarschijnlijk forse, postmortale stijging van het bloedalcoholgehalte.

6. Beoordeling van de aanvraag

6.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid - voorzover hier van belang - tot vrijspraak van de veroordeelde. De hiervoor bedoelde grondslag, hierna als 'novum' aan te duiden, kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen.

6.2. Voorts moet worden vooropgesteld dat in een aanvraag tot herziening niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op deskundigenoordelen welke naar hun inhoud in wezen reeds bij een eerdere aanvraag tot herziening van dezelfde uitspraak aan de orde zijn geweest. Hieruit volgt dat de Hoge Raad de thans bij de aanvraag gevoegde bescheiden alleen beoordeelt, voorzover daarin bepaalde aspecten nog niet eerder in beschouwing zijn genomen.

6.3. Vooropgesteld moet voorts worden dat een levensdelict mede kan worden begaan door nalaten, daar waar de betrokkene gehouden was te handelen. Het Hof heeft vastgesteld dat de aanvrager de toen 72-jarige [slachtoffer] om haar geld heeft gehuwd. Tussen de huwelijksdatum, 29 september 1983, en de datum van overlijden van [het slachtoffer] op of omstreeks 5 november 1983 heeft de aanvrager meermalen te kennen gegeven dat hij de dood van [het slachtoffer] wenste en heeft hij in gesprekken met vrienden mogelijkheden besproken om die dood te bewerkstelligen om aldus zijn doel, het beschikbaar krijgen van een grote som geld, te bereiken. In de loop van de avond van 4 november 1983 toen de medische toestand van [het slachtoffer] duidelijk en voor de aanvrager kenbaar verslechterde heeft deze doelbewust nagelaten

medische hulp voor zijn echtgenote in te roepen.

6.4.1. De in de onderhavige aanvraag centraal staande stelling dat de ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van dr. Zeldenrust onjuist is omdat de oorzaak van de dood van [het slachtoffer] niet kan zijn gelegen in een combinatie van het gemeten alcoholpromillage en de gebruikte medicijnen, doch dat als meest waarschijnlijke doodsoorzaak acute hartstilstand moet worden aangemerkt, is bij eerdere aanvragen ook betrokken.

6.4.2. Ter ondersteuning van die stelling is bij de eerdere aanvragen een beroep gedaan op verschillende deskundigenoordelen betreffende de meest waarschijnlijke oorzaak van de dood van [het slachtoffer]. De Hoge Raad heeft, in het bijzonder ook in het arrest van 7 februari 1989 (samengevat onder 4.3) en zijn beschikking van 14 november 1995 (weergegeven in 4.5), overwogen dat de destijds aangevoerde omstandigheden geen novum opleveren. Naar de kern genomen houden de thans in het geding gebrachte deskundigenrapporten geen wezenlijk nieuwe feiten of omstandigheden van feitelijke aard in omtrent de doodsoorzaak. Integendeel, de aanvraag behelst ook thans weer een (nader) geargumenteerd betoog dat de combinatie van alcohol en medicijnen naar alle waarschijnlijkheid niet de doodsoorzaak is geweest. En ook thans wordt daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de bedoelde verklaring van dr. Zeldenrust niet juist of niet volledig is geweest. Die omstandigheden heeft de Hoge Raad reeds een en andermaal in beschouwing genomen en dienaangaande beslist dat zij geen novum vormen. Zij komen dus in zoverre ook thans niet als novum in aanmerking.

6.4.3. In dit verband zij nog het volgende benadrukt.

Het Hof heeft blijkens hetgeen onder 3.3 is weergegeven de veroordeling van de aanvrager wegens moord niet enkel gegrond op de vaststelling "dat de dood van [het slachtoffer] medisch gezien zeer wel het gevolg kan zijn van de gecombineerde werking van de door [het slachtoffer] gebruikte medicijnen en de haar toegediende alcohol". Het heeft daartoe, tegen de achtergrond van al het beschikbare materiaal, de gebezigde bewijsmiddelen geselecteerd en in onderlinge samenhang gewaardeerd en heeft bij zijn conclusie dat de dood het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de gedragingen van de aanvrager was in het bijzonder ook in aanmerking genomen, zakelijk weergegeven, dat [het slachtoffer] eerst relatief geruime tijd nadat de aanvrager had gezegd dat het een aflopende zaak was, is overleden, zodat de kans dat zich een acute hartdood heeft voorgedaan nog voordat de aan de aanvrager verweten gedragingen het beoogde effect konden hebben menselijkerwijs onwaarschijnlijk is te achten. Voorts heeft het Hof daarbij in aanmerking genomen dat de aanvrager aan [het slachtoffer], die aan een hartkwaal leed en wier bloeddruk tot abnormale hoogte (boven de 200 bovendruk) was opgelopen, medische hulp achterwege heeft gelaten en deze ook niet heeft ingeroepen toen deze hulp dringend geboden was, doch in plaats daarvan haar een mengsel van wijn, gin en Palmboomrum met een zeer hoog alcoholpercentage te drinken heeft gegeven. Omtrent die bedoelde andere aspecten, welke een wezenlijk onderdeel uitmaken van de gronden waarop het Hof de veroordeling heeft gebaseerd, houdt de aanvraag niets in, zoals ook de eerdere aanvragen daaraan zijn voorbijgegaan. De constatering dat het Hof bij de veroordeling van de aanvrager zich voor het, aan de rechter voorbehouden, oordeel omtrent het rechtens vereiste causaal verband heeft gebaseerd op het gehele complex van feiten en omstandigheden, waaronder al het opzettelijk handelen en nalaten van de aanvrager, brengt mee dat het oordeel van deskundigen, voorzover dat inhoudt dat het naar medisch inzicht hoogst onwaarschijnlijk is dat de dood is veroorzaakt door (enkel) de combinatie van alcohol en medicijnen, niet zonder meer het ernstig vermoeden kan wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken.

6.4.4. Voorts moet worden bedacht dat het gewraakte oordeel van dr. Zeldenrust, zoals daarvan uit zijn ter terechtzitting bij het Hof afgelegde verklaring blijkt, niet inhoudt dat hij ten aanzien van de doodsoorzaak de combinatie van alcohol en medicijnen in een door hem uitgedrukte specifieke mate waarschijnlijk en een spontane hartstilstand niet waarschijnlijk acht, doch alleen dat hij in de gegeven omstandigheden de waarschijnlijkheid van deze laatste oorzaak "geringer" acht dan de combinatie van alcohol en medicijnen, terwijl hij in deze verklaring, zoals ook in het zich in het dossier bevindende sectieverslag van zijn hand, alsmede drs. Van der Ark in zijn rapport (bewijsmiddel 11) slechts het oog hebben op een mogelijke doodsoorzaak. Gelet daarop en in aanmerking genomen het onder 6.4.3 geschetste samenstel van feiten en omstandigheden welke het Hof aan zijn oordeel heeft ten grondslag gelegd, is, anders dan in de aanvraag wordt verondersteld, niet hoogst aannemelijk dat de veroordeling uitsluitend of in doorslaggevende mate berust op de verklaring van dr. Zeldenrust. Het ligt immers voor de hand aan te nemen dat het Hof binnen het complex van handelen en nalaten van de aanvrager in samenhang met de mede bewezenverklaarde omstandigheden a, b, d, en e in het bijzonder het onthouden van medische assistentie en het nalaten deze in te roepen waar deze onmiskenbaar dringend geboden was, relatief zwaar heeft laten wegen.

6.4.5. Voor wat betreft hetgeen in de aanvraag is gesteld omtrent de informatie die dr. Zeldenrust zou hebben verkregen van prof. Nelemans, verwijst de Hoge Raad naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn beschikking van 14 november 1995. Van een nieuwe omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv die het aldaar bedoelde ernstige vermoeden wekt, is geen sprake.

6.4.6. Voor wat betreft het rapport van dr. Van der Wiel, kort gezegd daarop neerkomende dat na de dood het

alcoholgehalte van het bloed kan toenemen door vergisting, geldt - nog daargelaten hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen - in de eerste plaats dat het Hof tevens beschikte over het resultaat van een urineproef met een resultaat van 1,86 promille, terwijl voorts, mede in het licht van 's Hofs nadere bewijsoverweging niet aannemelijk is, dat voor het Hof wat betreft het alcoholgebruik voor het overlijden van [het slachtoffer] juist doorslaggevend is geweest dat het bloedalcoholgehalte 1,96 promille bleek te zijn.

6.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de deskundigen-oordelen die bij de aanvraag zijn overgelegd - voorzover zij naar hun inhoud in wezen niet reeds bij eerdere aanvragen aan de orde zijn gesteld en zijn beoordeeld - niet betreffen nieuwe feiten of omstandigheden van feitelijke aard, zodat, nu van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 6.1 geen sprake is, zij niet als een novum kunnen gelden.

6.6. Het vorenoverwogene brengt mee dat hetgeen in de aanvraag en de daarbij behorende bijlagen is aangevoerd niet oplevert een of meer omstandigheden in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, die het ernstig vermoeden wekken dat, ware het Hof daarmee bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager. De aanvraag moet daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

7. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 september 2003.