Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2841

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
C01/218HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 216
NJ 2003, 440
RvdW 2003, 76
JWB 2003/175
AA20030773 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
JOR 2003/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 april 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/218HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

HODA INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Oosterhout,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. A. van Hemert,

thans P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

de vennootschap naar Belgisch recht

MONDIE FOODS BELGIUM N.V., gevestigd te Rijkevorsel, België,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Mondi - heeft bij exploit van 12 december 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Hoda - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de tussen partijen op of omstreeks 12 juni 1997 tot stand gekomen koopovereenkomst te ontbinden c.q. ontbonden te verklaren, althans voorzover dit betreft het door Hoda aan Mondi niet geleverde deel van 747.666 kilogram verse zure kersen;

b. Hoda te veroordelen om aan Mondi te betalen een bedrag van DM 631.148,79, althans een bedrag van DM 409.767,--, althans een bedrag van DM 153.523,--, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (12 december 1997) tot die der voldoening.

Hoda heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Mondi te veroordelen om aan Hoda te betalen:

I. ter zake van haar facturen de bedragen DM 190.017,08 en ƒ 631.481,60;

II. ter zake van de overeenkomsten H07803 en H07840 een bedrag van ƒ 100.000,--;

voormelde bedragen te vermeerderen met de contractuele rente vanaf de vervaldatum van de factuur tot de dag der betaling;

III. schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet;

IV. voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

Mondi heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 februari 1999 in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van Hoda en in conventie en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.

Vervolgens heeft Hoda in reconventie haar eis vermeerderd met een bedrag van ƒ 178.550,69.

Bij eindvonnis van 22 juni 1999 heeft de Rechtbank:

in conventie:

- de tussen partijen op of omstreeks 12 juni 1997 tot stand gekomen koopovereenkomst ontbonden, voorzover dit betreft het door Hoda aan Mondi niet geleverde deel van 747.666 kg verse zure kersen;

- Hoda veroordeeld om aan Mondi te betalen een bedrag van DM 5.385,18, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 1997 tot de dag der algehele voldoening, en

- het meer of anders gevorderde afgewezen;

in reconventie:

- Hoda niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot betaling van de facturen ten bedrage van DM 190.017,08 en ƒ 631.481,60;

- Mondi veroordeeld om aan Hoda schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft Mondi zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Daarbij heeft zij gevorderd voormelde vonnissen te vernietigen en Hoda in conventie - onder vermindering van eis - te veroordelen tot betaling aan Mondi van een bedrag van DM 45.055,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 1997 tot de dag der voldoening. Bij akte van 7 november 2000 heeft Mondi haar eis in conventie in die zin vermeerderd dat zij thans betaling van DM 58.178,74 vordert.

Bij arrest van 17 april 2001 heeft het Hof beide vonnissen van de Rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, in conventie Hoda veroordeeld om aan Mondi te betalen een bedrag van DM 58.178,84 met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 1997, en in reconventie de vordering van Hoda alsnog afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Hoda beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Mondi heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Hoda in haar cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Mondi mede door mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1Mondi betoogt dat Hoda niet-ontvankelijk is in haar beroep omdat zij heeft berust in het bestreden arrest. Mondi voert daartoe aan dat haar raadsman op 2 juli 2001 een brief per fax aan Hoda heeft gestuurd waarin wordt opgegeven hetgeen Mondi - mede in aanmerking genomen 's Hofs thans bestreden beslissing - per saldo aan Hoda verschuldigd is, en waarin onder meer de volgende passage is opgenomen:

"Ik moge u verzoeken mij omgaand te willen bevestigen dat met betaling van laatstgemelde bedragen op uw derdenrekening (...) en met betaling van Mondi Foods aan Monica van een bedrag groot (...) mijn cliënte jegens uw cliënte algeheel en finaal is gekweten.

Bij ontvangst van die bevestiging zal morgen, 3 juli, betaling plaatsvinden."

De raadsman van Hoda heeft daarop op dezelfde dag (bij brief per fax) geantwoord: "Middels deze bevestig ik dat betaling van de door U genoemde bedragen op het nummer van mijn derdenrekening uw cliënte jegens Hoda kwijten." Vervolgens is betaling door Mondi aan Hoda gevolgd conform de briefwisseling.

3.2 Van berusting kan slechts sprake zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, aangezien immers Hoda niet heeft verklaard in de bestreden uitspraak te berusten en de gebruikte woorden "algeheel en finaal gekweten" in de brief van Mondi en de reactie van Hoda daarop weliswaar zouden kunnen wijzen op een berusting door Hoda in de uitspraak, maar een tegengestelde opvatting, gelet op de overige inhoud van de brief, evenzeer denkbaar is. De brief van Mondi van 2 juli 2001 is voor een groot deel gewijd aan de vraag of Mondi het bedrag dat zij bij uitvoering van het bestreden arrest aan Hoda verschuldigd was, voor een gedeelte mocht voldoen door betaling rechtstreeks aan een derde, Monica. De door Hoda verleende kwijting kan hierop betrekking hebben. Mondi mocht de reactie van Hoda op de brief van haar raadsman dan ook niet zodanig opvatten dat Hoda daarin te kennen gaf ervan af te zien een rechtsmiddel in te stellen tegen de uitspraak van het Hof. Hoda is derhalve ontvankelijk in haar beroep.

4. Beoordeling van het middel

4.1Tussen partijen zijn in de zomer/herfst 1997 problemen ontstaan over leveranties van Roemeense kersen en bevroren kersen door Hoda aan Mondi. Hoda heeft van de op 12 juni 1997 gekochte 1000 ton kersen 252.334 kg geleverd; Mondi heeft in augustus/september 1997 van Hoda gekochte bevroren kersen niet afgenomen. Mondi heeft Hoda aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt omdat Hoda het koopcontact van 12 juni 1997 slechts gedeeltelijk heeft uitgevoerd. Na daartoe verkregen verlof heeft Mondi tot een bedrag van ƒ 975.000,-- conservatoir beslag laten leggen onder zichzelf en conservatoir derdenbeslag onder ING-bank, Agrovorm B.V. en [A] B.V.

Mondi heeft gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst van 12 juni 1997 gevorderd en betaling van een schadevergoeding van DM 631.148,79. Hoda heeft verweer gevoerd en in reconventie betaling van enige facturen, betaling van ƒ 100.000,-- ter zake van de niet afgenomen bevroren kersen, en schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen van Mondi in verband met de gelegde beslagen gevorderd. In cassatie gaat het om deze laatste vordering.

4.2 De Rechtbank heeft in conventie de overeenkomst voor een gedeelte ontbonden en de door Mondi gevorderde schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van DM 5.385,18. In reconventie heeft de Rechtbank - voorzover in cassatie van belang - Mondi veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Op het hoger beroep van Mondi is het Hof tot een andere beslissing gekomen. Het heeft in conventie aan Mondi een bedrag van DM 58.178,84 toegewezen en in reconventie de vordering van Hoda tot schadevergoeding wegens de gelegde beslagen alsnog afgewezen.

4.3 Met betrekking tot de door Mondi ten laste van Hoda gelegde beslagen heeft het Hof in rov. 4.13 als volgt geoordeeld:

"Hoda heeft, naar Modi onbetwist heeft gesteld, pas ná het leggen van het beslag aan Mondi inzicht gegeven in de hoogte van de vordering die zij op Hoda had. Uit overweging 4.11 volgt voorts dat, hoewel veel lager dan het bedrag waarvoor beslag is gelegd, aan Mondi toch een substantieel bedrag wordt toegewezen. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat Mondi van haar bevoegdheid conservatoir beslag te leggen misbruik heeft gemaakt."

4.4 Onderdeel 1, dat slechts een motiveringsklacht bevat, betoogt dat het Hof geen "overtuigend en logisch" inzicht in zijn gedachtengang geeft met betrekking tot de door het Hof te beoordelen vraag of het gelegde beslag, wegens de wanverhouding tussen het bedrag waarvoor het gelegd werd en het uiteindelijk aan Mondi toegewezen bedrag, niet onrechtmatig was.

Het onderdeel faalt. De redengeving van het Hof is begrijpelijk en kan de afwijzende beslissing dragen.

4.5.1 Volgens onderdeel 2 dient als uitgangspunt te gelden dat een naar achteraf blijkt ten onrechte gelegd beslag voor de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid meebrengt, en dat deze risicoaansprakelijkheid ook bestaat bij het leggen van een beslag voor een te groot bedrag, bij het lichtvaardig leggen van beslag en bij het onnodig laten voortduren van beslag. Het voert voorts aan dat, nu het uiteindelijk door Hoda verschuldigde bedrag van DM 58.178,74 slechts een fractie is van het bedrag (ƒ 975.000,--) waarvoor de beslagen zijn gelegd en door Mondi zijn gehandhaafd, het Hof niet anders had kunnen concluderen dan dat de beslagen ten onrechte gelegd en ten onrechte (voor het volle bedrag) gehandhaafd waren.

4.5.2 Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, nu het Hof heeft vastgesteld dat Mondi een vordering op Hoda had. Indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, heeft dit niet tot gevolg dat het beslag ten onrechte is gelegd. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht. Uitgaande van de concrete omstandigheden van het geval kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt. Het Hof mocht dan ook bij zijn beoordeling betrekken dat Mondi ten tijde van de beslaglegging niet over voldoende informatie beschikte en dat een substantieel gedeelte van het door Mondi gevorderde is toegewezen. Het onderdeel faalt derhalve.

4.5.3 Onderdeel 3 heeft geen zelfstandige betekenis; het faalt eveneens.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Hoda in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mondi begroot op € 838,22 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 april 2003.