Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE1683

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2002
Datum publicatie
19-04-2002
Zaaknummer
C01/041HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 251, geldigheid: 2002-04-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 252
NJ 2002, 456
RvdW 2002, 73
S&S 2002, 126
JWB 2002/163

Uitspraak

19 april 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/041HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar Zwitsers recht ZÜRICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT A.G., in Nederland handelend onder de naam Zürich Verzekeringen, gevestigd te Zürich, Zwitserland, en kantoorhoudende te Leidschendam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

LEBOSCH COMPANY B.V., gevestigd te Lieshout,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Lebosch - heeft bij exploit van 20 september 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Zürich - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Zürich jegens Lebosch geen beroep toekomt op art. 251 K. en Zürich derhalve gehouden is onder de verzekeringsovereenkomst ter zake waarvan certificaat 06.193.201/530 is afgegeven, dekking te verlenen voor de door Lebosch geleden schade, alsmede de door haar ten gevolge van de weigering van Zürich, dekking te verlenen geleden schade aan Lebosch te vergoeden.

Zürich heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 16 oktober 1997 voor recht verklaard dat Zürich jegens Lebosch geen beroep toekomt op artikel 251 K. onder de verzekeringsovereenkomst ter zake waarvan voormeld certificaat is afgegeven en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Zürich hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 17 oktober 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Zürich beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Lebosch heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Partijen hebben de zaak doen toelichten door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Zürich in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Seahopper Container Lines B.V. (hierna: Seahopper) was in 1994 een dochtermaatschappij van (de Zwitserse maatschappij) Traconro A.G. (hierna: Traconro). Seahopper heeft in juni 1994 in opdracht van Lebosch op zich genomen het (doen) vervoeren van 1000 zakken melkpoeder van Telsiai in Litouwen naar Nederland.

(ii) Traconro heeft, mede voor haar dochtermaatschappijen waaronder Seahopper, een goederentransportverzekering in de vorm van een zogenoemde contractpolis afgesloten met een aantal verzekeraars, onder wie Zürich, welke inging op 1 januari 1994. Het betreft een ABN AMRO Contractverzekering met algemene voorwaarden contractpolis goederen (CG 78.1), als gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te Amsterdam.

(iii) De op de contractpolis toepasselijke algemene voorwaarden (CG 78.1) luiden voorzover van belang als volgt:

"1. Deze verzekering geschiedt zowel voor eigen rekening als voor die van derden, hetzij laatstbedoelden belanghebbenden zijn of dit tijdens de loop van de verzekering zullen worden met of zonder lastgeving.

(...)

30. Door verzekeraars wordt ABN AMRO Bank N.V. met vrijwaring van al haar aansprakelijkheid te dezen aanzien uitdrukkelijk en bij voorbaat gemachtigd op de conditiën van dit contract assurantiecertificaten hetzij in de Nederlandse hetzij in vreemde valuta af te geven, zowel ten name van ABN AMRO Bank N.V. als ten name van anderen, met welker vorm en tekst zij zich volkomen bekend verklaren.

(...)

32. Ingeval van schade zal geen ander bewijs van interest of waarde worden gevorderd dan uitsluitend dit certificaat, de declaratielijst(en) en het cognossement en/of ander vervoerbewijs.

(...)"

(iv) Aan Lebosch is als ladingbelanghebbende bij het in (i) bedoelde transport een certificaat afgegeven. Dit is met machtiging van ABN AMRO Bank, optredend als makelaar ten behoeve van verzekeraars onder wie Zürich, ten name van "bearer" gesteld door Seahopper en vervolgens aan Lebosch afgegeven. De aanhef van dit certificaat luidt:

"We the undersigned herewith certify that we have effected an insurance to bearer or to whom the same does, may or shall appertain, friend or foe and all circumjacencies thereof"

(v) De door Lebosch te (doen) vervoeren melkpoeder is niet te bestemder plaatse afgeleverd. Lebosch heeft onder presentatie van het certificaat schadevergoeding geclaimd bij verzekeraars, onder wie Zürich. Verzekeraars hebben uitkering geweigerd, met name met een beroep op art. 251 K., omdat Traconro bij het aangaan van de contractpolis relevante informatie zou hebben verzwegen over het (faillissements)verleden van [betrokkene A], de man die Traconro beheerste, alsmede onjuiste informatie en documentatie zou hebben verstrekt, onder meer omtrent de werkwijze van Traconro, het personeel, de vertegenwoordigers, het materieel, de samenwerkingsverbanden etc.

(vi)Traconro is in december 1994 failliet verklaard.

3.2 Lebosch heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Zürich jegens haar geen beroep toekomt op art. 251 K., en derhalve op grond van de hierboven omschreven verzekeringsovereenkomst gehouden is dekking te verlenen voor de door Lebosch geleden schade.

Lebosch heeft aangevoerd dat het aan haar afgegeven certificaat een verzekeringspolis aan toonder is, althans daarmee moet worden gelijkgesteld, en dat zij als derde-houder daarvan dient te worden aangemerkt. Een en ander brengt met zich mee, aldus Lebosch, dat aan verzekeraars tegenover haar, als derde te goeder trouw, geen beroep toekomt op verweren die zijn gebaseerd op de rechtsbetrekking tussen hen en de verzekeringnemer, daar de eisen van het handelsverkeer meebrengen dat Lebosch als houder te goeder trouw mag afgaan op de inhoud van het certificaat, dat de functie van waardepapier heeft.

Zürich heeft, stellende dat zij in het onderhavige geval een beroep op art. 251 K. kan doen, als verweer aangevoerd:

a. Het afgegeven certificaat kan niet worden gelijkgesteld met een polis aan toonder en mag ook niet als een waardepapier worden aangemerkt. De onderliggende contractpolis is gesteld ten name Traconro A.G., terwijl blijkens art. 1 van de algemene voorwaarden (CG 78.1) is verzekerd degene die het zou blijken aan te gaan. Het is heersende leer dat bij een dergelijke polis aan verzekeraars (in voorkomend geval) een beroep op verzwijging toekomt.

b. Ook als moet worden aangenomen dat het certificaat heeft te gelden als een toonderpolis, is in zijn algemeenheid onjuist de stelling dat een verzekeraar tegen een derde, houder van een toonderpolis, nimmer een beroep op verzwijging mag doen.

De Rechtbank heeft de vordering van Lebosch toegewezen.

3.3 Op het hoger beroep van Zürich heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Hetgeen het daartoe heeft overwogen, kan - samengevat - als volgt worden weergegeven:

- Gezien art. 1 van de op de onderhavige verzekering toepasselijke algemene voorwaarden, kan die verzekering worden gekenschetst als een contractpolis met de clausule "aan wie het zou blijken aan te gaan". (rov. 7)

- In het midden kan blijven of een polis met voormelde clausule, dezelfde rechtsgevolgen heeft als een toonderpolis, in die zin dat de verzekeraar tegen de opvolgende rechthebbende te goeder trouw niet met succes verweren kan voeren die gegrond zijn op zijn verhouding tot de (oorspronkelijke) verzekeringnemer. (rov. 8)

- In art. 30 van de algemene voorwaarden hebben de assuradeuren een uitdrukkelijke machtiging tot het afgeven van assurantiecertificaten gegeven, met welker tekst en vorm assuradeuren zich op voorhand volkomen bekend verklaren. (rov. 10)

- In het onderhavige geval is, gegrond op de contractpolis, een toondercertificaat afgegeven. Er is geen grond om aan het onderhavige certificaat slechts de beperkte betekenis toe te kennen van een makelaarscertificaat. (rov. 13)

- Dit toondercertificaat, waarop Lebosch mocht afgaan, belichaamt de onderhavige goederentransportverzekering. Daaraan doet niet af dat het certificaat niet in alle opzichten voldoet aan art. 256 K., nu het daarbij bepaalde niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. (rov. 16)

- Een toondercertificaat als het onderhavige is een waardepapier. Het is eenvoudig overdraagbaar, geldt als bewijs van verzekering, en legitimeert de houder, na het plaatsgrijpen van het evenement, als verzekerde en gerechtigde tot uitkering onder de polis, zonder dat daarvoor overdracht van de daaronder liggende polis is vereist. (rov. 17)

- Zürich kan zich dan ook tegenover Lebosch, als houdster te goeder trouw van het toondercertificaat, niet op art. 251 K. beroepen, nu dit verweer zijn grond vindt in haar verhouding tot de verzekeringnemer Traconro (vgl. art. 6:146 BW). De aard van het certificaat als waarde-papier brengt mee dat de houder te goeder trouw daarvan moet kunnen afgaan op hetgeen hij op grond van dat stuk kan waarnemen en kennen.(rov. 18 -19)

- Daarbij komt dat het assuradeuren zijn geweest die de onderhavige constructie, dat wil zeggen een contractpolis waaronder voor hen door ABN AMRO Verzekeringen als makelaar assurantiecertificaten kunnen worden afgegeven, uit commerciële overwegingen in het leven hebben geroepen. Zij hebben daarmee het risico over zich afgeroepen dat de certificaten ook aan toonder worden afgegeven, zodat het om die reden niet aangaat de daaruit voortvloeiende (voor de houder van het certificaat niet kenbare) risico's, zoals die op grond van art. 251 K., af te wentelen op een houder te goeder trouw van het certificaat. (rov. 20)

3.4.1 De primaire klacht van het middel - neergelegd in de onderdelen I a en I b - bestrijdt het oordeel van het Hof dat Zürich art. 251 K. niet aan Lebosch kan tegenwerpen. Het is gericht tegen de rechtsoverwegingen 18 - 20 van het bestreden arrest. Het onderdeel gaat veronderstellenderwijs uit van de juistheid van het oordeel van het Hof dat een certificaat als het onderhavige de goederentransportverzekering belichaamt en de aard van waardepapier heeft.

Onderdeel I a betoogt dat het feit dat het certificaat een waardepapier is dat de goederentransportverzekering belichaamt en het feit dat uit het papier niet kenbaar is of kan zijn in hoeverre ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst de verzekeringnemer voor de acceptatie daarvan relevante feiten tegenover de verzekeraar zou hebben verzwegen noch in hoeverre in verband met art. 251 K. de verzekering vernietigbaar zou kunnen zijn, onvoldoende grond opleveren om het oordeel te dragen dat de verzekeraar zich nimmer op art. 251 K. kan beroepen.

Onderdeel I b betoogt - samengevat weergegeven - dat 's Hofs in zijn rov. 18 - 20 neergelegde oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat:

- a. de afgifte van een verzekeringscertificaat aan toonder slechts beoogt te bewerkstelligen dat een derde, de houder, zich gemakkelijker als verzekerde kan legitimeren;

- b. er, afgezien van verzwijging, omstandigheden zijn die niet kenbaar zijn uit het certificaat, maar waarop de verzekeraar ter ontzegging van dekking toch een beroep kan doen tegenover de houder te goeder trouw (bijv. het ontbreken van een verzekerd belang en beperkingen opgenomen in de voorwaarden waarnaar in het certificaat slechts wordt verwezen);

- c. het geen wezenskenmerk van waardepapieren is dat tegenover de houder ervan geen beroep mag worden gedaan op wettelijke bepalingen die de door hem in beginsel daaraan te ontlenen aanspraken beperken of uitsluiten (Parl. Gesch. Boek 6, p.541 e.v. en p. 545 e.v., bij thans art. 6:146 BW);

- d. art. 251 K. geen onderscheid maakt naar gelang het al dan niet om een "toonderverzekering" gaat, en deze bepaling tot het rechtsregime behoort dat voor alle verzekeringen geldt;

- e. een houder als in dit geval Lebosch niet enkel op het certificaat mag afgaan, nu daarin is opgenomen "subject to all the clauses, stipulations and policy conditions as agreed upon with the underwriters ... " en de verzekeringsbedingen niet (geheel) uit het certificaat zelf blijken;

- f. gelet op het door art. 251 K. erkende belang van de verzekeraar bij correcte informatieverschaffing en op de mogelijkheid voor derden, zoals Lebosch, om zelf in hun verzekeringsbehoeften te voorzien, het handelsverkeer niet eist dat bij toondercertificaten art. 251 K. toepassing mist, en een andere zienswijze gemakkelijk tot misbruik leidt;

- g. de verzekeraar niet op voorhand afstand kan doen van zijn op art. 251 K. gegronde rechten.

3.4.2 De onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Voorop moet worden gesteld dat in beginsel elk vorderingsrecht aan toonder kan worden gesteld. De functie van een aldus verkregen waardepapier in het handelsverkeer (bewijsstuk van de onderliggende rechtsverhouding, legitimatiemiddel van de houder als gerechtigde tot de daaruit voortvloeiende vordering en middel tot gemakkelijke overdraagbaarheid daarvan) brengt mee dat de schuldenaar een verweermiddel, gegrond op zijn verhouding tot een vorige schuldeiser, niet kan tegenwerpen aan de verkrijger en diens rechtsopvolgers, tenzij op het tijdstip van de overdracht het verweermiddel bekend was aan de verkrijger of voor hem kenbaar was uit het papier (art. 6:146 lid 1 BW).

Ook een vorderingsrecht voortvloeiende uit een verzekeringsovereenkomst kan aan toonder worden gesteld. Inmiddels is het gebruikelijk dat ter zake van dergelijke vorderingsrechten niet alleen polissen, maar ook verzekeringscertificaten worden opgesteld en afgegeven; dit laatste zal zich met name voordoen indien dekking onder een contractpolis bestaat.

3.4.3 De onderdelen beogen de gedachte ingang te doen vinden dat in een geval dat een verzekeringspolis of een verzekeringscertificaat aan toonder is uitgegeven, de uitgever/verzekeraar zich niettemin tegenover de houder te goeder trouw moet kunnen blijven beroepen op verweren die zijn gegrond op art. 251 K.

De daarvoor aangevoerde argumenten zijn ontoereikend. Indien de verzekeraar met de opstelling en afgifte van een toonderstuk slechts beoogde te bewerkstelligen dat de derde-houder zich gemakkelijker als verzekerde kan legitimeren, kan hij in die opzet niet slagen. Voor de beoordeling van de rechtsgevolgen van een toonderstuk tegenover derde-houders te goeder trouw, is niet beslissend wat de uitgever met de uitgifte beoogde, maar welke rechtsgevolgen daaraan naar objectief recht dienen te worden verbonden. Dat het een verzekeringspolis of -certificaat aan toonder betreft, maakt dit niet anders.

Van geen betekenis is daarbij dat voor het intreden van een betalingsverplichting op grond van een toonderpolis of -certificaat aan bepaalde voorwaarden voldaan moet zijn, zoals het intreden van het onzeker voorval waartegen is verzekerd en het optreden van schade in het verzekerd belang. Deze voorwaarden gelden immers onafhankelijk van de vorm en de tenaamstelling van de polis. Evenmin is van belang dat art. 251 K. geen onderscheid maakt naar gelang het al dan niet om een "toonderverzekering" gaat. Een toonderpolis of -certificaat voorkomt niet in het algemeen de toepasselijkheid van die bepaling, doch heeft (slechts) tot gevolg dat tegen een derde-houder te goeder trouw geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die in de relatie tot een eerdere verzekerde of verzekeringnemer de vernietiging van de onderliggende rechtsverhouding wegens verzwijging zouden rechtvaardigen. Ten slotte dient erop te worden gewezen dat geen grond bestaat om de verzekeraar die, naar moet worden aangenomen uit commerciële overwegingen, ertoe is overgegaan een toonderpolis of -certificaat in het verkeer te brengen, tegenover derden te goeder trouw niet de mogelijk daaraan verbonden risico's te laten dragen. De uitgever (verzekeraar) van een toonderpolis of -certificaat, zal dan ook - nu de functie van het waardepapier in het handelsverkeer, waaronder het verzekeringsverkeer, bestaat in het bieden van zekerheid aan de derde-verkrijger te goeder trouw - art. 6:146 lid 1 BW tegen zich moeten laten gelden.

De onderdelen I a en I b stuiten op het hiervoor overwogene af.

3.5.1 De volgende onderdelen zijn subsidiair voorgesteld. Onderdeel II a betoogt dat het Hof de omvang van de rechtsstrijd heeft miskend door niet uit te gaan van de door Lebosch benadrukte zelfstandige, afzonderlijke, aard van de verzekeringsovereenkomst, neergelegd in het onderhavige certificaat, voor de door haar in opdracht van Seahopper vervoerde partij melkpoeder, doch het certificaat aan te merken als een stuk dat Lebosch mocht opvatten als een assurantiecertificaat onder de contractpolis van Traconro.

Het onderdeel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.25.

3.5.2 Onderdeel II b keert zich met een reeks klachten tegen het oordeel van het Hof dat het onderhavige certificaat moet worden aangemerkt als een verzekeringscertificaat aan toonder en niet slechts als een makelaarscertificaat in de zin van een dekkingsbevestiging, en de voor dit oordeel gegeven motivering.

3.5.3 De beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een enkele dekkingsbevestiging, dan wel van een verzekeringscertificaat dat de overeenkomst belichaamt en als waardepapier kan worden beschouwd is afhankelijk van de inhoud van het certificaat en de zin die de houder ervan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, daaraan redelijkerwijs mocht toekennen.

Gelet op de vaststelling dat op grond van art. 1 van de algemene voorwaarden (zie in 3.1) de verzekering kan worden gekenschetst als een contractpolis met de clausule "aan wie het zou blijken aan te gaan", is niet onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat daarmee in wezen hetzelfde wordt bereikt als met de toonderclausule (rov. 7-8). Het Hof heeft vervolgens uitgebreid gemotiveerd (rov. 9 -15) waarom het onderhavige certificaat dient te worden aangemerkt als een toondercertificaat, althans dat Lebosch ervan mocht uitgaan met een toondercertificaat van doen te hebben (rov. 14), waarbij het Hof heeft geoordeeld dat eventuele onduidelijkheid in de risicosfeer van de assuradeuren ligt, nu zij zich op voorhand bekend hebben verklaard met tekst en vorm van het voor het certificaat gebruikte formulier en Zürich als verzekeringsspecialist heeft te gelden (rov. 15). Met betrekking tot de (door Zürich betwiste) bevoegdheid van de ABN AMRO Bank tot afgifte van het onderhavige certificaat, heeft het Hof gewezen op de ruime volmacht die is neergelegd in art. 30 van de algemene voorwaarden, waarin de bank bij voorbaat wordt gemachtigd assurantiecertificaten af te geven en waarin voorts is opgenomen de zinsnede: "... met welker vorm en tekst zij [de verzekeraars] zich volkomen bekend verklaren" (rov. 9 -10). In rov. 11 wijst het Hof erop dat in de verzekeringsbranche niet ongebruikelijk is dat een certificaat alleen door de makelaar wordt ondertekend en dat zulks tussen partijen ook niet in geschil is. Het Hof wijst voorts erop dat art. 30 van de voorwaarden niet eist dat in het certificaat uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het namens de verzekeraars is ondertekend (rov. 12). Vervolgens overweegt het Hof dat de in het certificaat gebruikte bewoordingen duiden op een certificaat uitgemaakt aan toonder, dat dit slechts zin heeft ten aanzien van een assurantiecertificaat, dat daardoor een waardepapier wordt (rov. 13).

Aldus oordelend heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat Lebosch ervan mocht uitgaan dat het aan haar afgegeven certificaat een in naam van de assuradeuren afgegeven assurantiecertificaat is, is voorts zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie verder niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook alleszins begrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

Op dit een en ander stuiten alle klachten van het onderdeel II b af.

3.5.4 Onderdeel II c bestrijdt de rov. 16 - 17, waarin het Hof heeft overwogen dat het onderhavige toondercertificaat de goederentransportverzekering belichaamt en dat een toondercertificaat als het onderhavige als waardepapier heeft te gelden. Het onderdeel betoogt dat Lebosch er niet op had mogen vertrouwen dat de polis van de contractverzekering in het certificaat werd belichaamd, omdat dit certificaat uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verwijst naar daarin niet opgenomen clausules en bedingen als voorwaarde voor het recht op uitkering. Het betoogt voorts dat voor de kwalificatie "waardepapier" niet voldoende is dat het papier eenvoudig overdraagbaar is, als bewijs geldt van de verzekering en de houder ervan als verzekerde/uitkeringsterechtigde legitimeert.

Het onderdeel faalt. De enkele omstandigheid dat een toonderstuk naar onderliggende voorwaarden verwijst, staat niet eraan in de weg dat daarop art. 6:146 BW van toepassing is. Voor het overige mist het onderdeel belang naast hetgeen reeds in onderdeel II b aan de orde is gesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Zürich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Lebosch begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 april 2002.