Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4608

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/048HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) III
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 58
NJ 2000, 392 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2000, 34
FJR 2000, 35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/048HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 11 april 1997 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 januari 1989 te wijzigen en zijn alimentatieverplichting jegens verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 1 juli 1997 te beëindigen.

De vrouw heeft het verzoek bestreden en verzocht het verzoek van de man af te wijzen onder continuering van de alimentatieplicht voor vijftien jaren, met de mogelijkheid tot verlenging van deze termijn.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 1998 het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieverplichting jegens de vrouw afgewezen, bepaald dat de termijn gedurende welke de alimentatieverplichting van de man voortduurt loopt tot 20 mei 2012, en voorts bepaald dat verlenging van deze termijn mogelijk is.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft hij verzocht de uitkering te laten voortduren tot 31 december 1999, en dan te beëindigen, althans de alimentatieverplichting te beëindigen op een dusdanig tijdstip eerder dan 20 mei 2012, als het Hof juist zal achten.

Bij beschikking van 7 januari 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd, bepaald dat de man de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen tot 31 december 1999, en bepaald dat de verplichting van de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen met ingang van 31 december 1999 eindigt.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 8 december 1948 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is in 1949 een zoon geboren.

(ii) Het huwelijk is op 4 juni 1980 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 20 februari 1980 in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij dat vonnis is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een uitkering tot levensonderhoud van ƒ 5.834,-- per maand. Bij beschikking van het Hof van 23 januari 1989 is bepaald dat de man met ingang van 23 januari 1989 aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud van ƒ 4.000,-- per maand dient te betalen. Als gevolg van de wettelijke indexering bedroeg deze uitkering in 1997 ƒ 4.838,27 per maand.

(iv) De vrouw heeft uit andere bronnen dan alimentatie een inkomen van ruim ƒ 30.000,-- per jaar en beschikt over een voornamelijk in effecten belegd vermogen van ongeveer ƒ 350.000,--.

3.2.1 In de onderhavige procedure heeft de man in eerste aanleg op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering na scheiding verzocht zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 juli 1997 te beëindigen. De vrouw heeft dit verzoek tegengesproken, aanvoerende dat de gevraagde beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd; zij verzocht de alimentatieverplichting te verlengen met een termijn van vijftien jaar, met de mogelijkheid van verdere verlenging. Zij beriep zich op haar hoge leeftijd, op de omstandigheid dat zij de zorg voor de zoon van partijen en voor het huishouden heeft gehad, op de lange duur van het huwelijk (ruim 31 jaar), en op haar leeftijd ten tijde van de echtscheiding (57 jaar); zij stelde voorts dat haar verdiencapaciteit door het huwelijk negatief was beïnvloed, dat partijen gedurende het huwelijk in hoge welstand leefden, en dat zij geen pensioen ontvangt noch een deel van het ouderdomspensioen van de man op grond van pensioenverevening.

De Rechtbank heeft het verweer van de vrouw gehonoreerd, onder meer overwegende dat de beëindiging van de alimentatieverplichting ingrijpend is nu deze een inkomensdaling van ruim ƒ57.000,-- per jaar tot gevolg heeft. De Rechtbank wees het verzoek van de man af en bepaalde dat diens alimentatieverplichting voortduurt tot 20 mei 2012, met bepaling dat verdere verlenging mogelijk is.

3.2.2 In hoger beroep heeft de man zijn verzoek gewijzigd. Hij verzocht het Hof de alimentatie te laten voortduren tot 31 december 1999 en deze dan te beëindigen. Het Hof heeft overeenkomstig dit verzoek beslist, op grond van de hierna verkort weergegeven overwegingen.

Het Hof heeft vooropgesteld (rov. 3.4) dat volgens het wettelijk systeem slechts van een onderhoudsverplichting sprake kan zijn "in geval van behoeftigheid van de vrouw", dat "de draagkracht van de man, indien die in voldoende mate bestaat, bij deze beoordeling in beginsel buiten beschouwing blijft", en dat het begrip levensonderhoud mede omvat "hetgeen nodig is om hem/haar in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn/haar plaats in de samenleving". Voorts moet volgens het Hof (rov. 3.4 - 3.6) bij die beoordeling in aanmerking worden genomen hetgeen over het begrip voorziening in levensonderhoud is overwogen in de door het Hof vermelde arresten van (de Derde Kamer van) de Hoge Raad, respectievelijk over het begrip "behoeftigheid" in HR 30 juni 1939, NJ 1939, 818. In rov. 3.7 heeft het Hof met betrekking tot de vraag of de vrouw voldoende eigen middelen heeft "tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving", overwogen:

"Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, mede in de overweging betrekkend de vroegere welstand waarin partijen tezamen hebben geleefd en de huidige draagkracht van de man.

Deze plaats is die van een 76-jarige alleenstaande, achttien jaar geleden gescheiden, vrouw.

De vrouw heeft - behoudens de alimentatie-uitkering van de man - een inkomen van ruim ƒ 30.000,-- en beschikt over een vermogen van ongeveer ƒ 350.000,--.

Nu de vrouw zo nodig de mogelijkheid heeft om voor haar eigen levensonderhoud haar vermogen ten minste ten dele aan te wenden, en onvoldoende is gesteld of gebleken dat dat vermogen daarvoor ongebruikt moet blijven, heeft de vrouw, naar ’s Hofs oordeel, voldoende eigen middelen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving. Niet valt immers in te zien waarom de vrouw indien nodig niet kan interen op haar vermogen, danwel dit vermogen ten dele zou omzetten in een lijfrente".

Vervolgens heeft het Hof overwogen (rov. 3.8) dat de omstandigheden dat het huwelijk ruim 31 jaar heeft geduurd, de vrouw thans 76 jaar is en uit het huwelijk een kind geboren is, onvoldoende zijn om aan te nemen dat de man "naast of boven hetgeen de vrouw nodig heeft voor zodanig redelijk bestaan (als hiervoor bij 3.7 genoemd), nog een financiële bijdrage zou moeten leveren". Dat het huwelijk de verdiencapaciteit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, is volgens het Hof onvoldoende gesteld "en gezien het - eenvoudige - opleidingsniveau van de vrouw niet zonder meer aannemelijk". In aansluiting hierop overwoog het Hof dat het ouderdomspensioen van de man "ten dele aan de vrouw ten goede gekomen" is.

In rov. 3.9 kwam het Hof tot de slotsom dat beëindiging van de uitkering, beoordeeld naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, niet van zo ingrijpende aard is dat deze niet van de vrouw kan worden gevergd.

3.3 Bij de beoordeling van het middel is uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikkingen van 26 maart 1999, nrs. R98/014, R98/087 en R98/116, NJ 1999, 653, 654 en 655, met betrekking tot de uitleg en toepassing van art. II van de Wet limitering na scheiding heeft overwogen.

3.4 De in onderdeel 1 van het middel aangevoerde rechtsklacht houdt in dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door - naar in zijn beschikking besloten ligt - de vraag of de verzochte beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, uitsluitend te beantwoorden aan de hand van een (naar het moment van de indiening van het verzoek) "geherijkte" behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde.

De klacht is gegrond. Het Hof heeft miskend dat in het zich hier voordoende geval dat de beëindiging voor de alimentatiegerechtigde een aanmerkelijke terugval in inkomen tot gevolg heeft en dus een ingrijpend karakter heeft, bij de beantwoording van de vraag of de beëindiging in zodanige mate ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, alle omstandigheden van het geval - óók die aan de zijde van de alimentatieplichtige - in aanmerking moeten worden genomen en dat een ontkennende beantwoording van die vraag in geen geval kan worden gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat de terugval in inkomen de alimentatiegerechtigde niet "behoeftig" maakt in de door het Hof bedoelde zin.

De gegrondheid van de rechtsklacht brengt mee dat de in het onderdeel - kennelijk subsidiair - opgeworpen motiveringsklachten geen behandeling meer behoeven.

3.5 De in onderdeel 2 aangevoerde klacht tegen ’s Hofs oordeel dat niet valt in te zien waarom de vrouw niet kan interen op haar vermogen of waarom zij dit vermogen niet kan omzetten in een lijfrente, treft eveneens doel. Dit oordeel bouwt niet alleen voort op ’s Hofs onjuist bevonden rechtsopvatting, doch voldoet ook niet aan de hoge motiveringseisen die aan een limiteringsbeslissing in een geval als het onderhavige moeten worden gesteld. Het Hof had behoren in te gaan op hetgeen de vrouw op het bedoelde punt heeft aangevoerd.

3.6 Onderdeel 3 klaagt over onbegrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat door de vrouw onvoldoende is gesteld dat haar verdiencapaciteit door het huwelijk negatief is beïnvloed. Ook deze klacht is gegrond. In het licht van de gedingstukken valt niet in te zien dat de vrouw met betrekking tot die negatieve invloed te weinig zou hebben gesteld.

Voorts klaagt het onderdeel terecht dat niet begrijpelijk is hoe het Hof heeft kunnen komen tot het uit zijn rov. 3.8, voorlaatste zin, af te leiden oordeel dat het bij een vrouw met een "eenvoudig opleidingsniveau" minder aannemelijk is dat haar verdiencapaciteit negatief wordt beïnvloed door een huwelijk met een traditioneel rollenpatroon.

3.7 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de vraag of de verzochte limitering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 januari 1999;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Jansen en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 januari 2000.