Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:858

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200.152.327_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bindend advies door een partij terecht vernietigd? Maatstaf (artikel 7:904 BW)? Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tussentijds appel mogelijk? (art.337 lid2 Rv) Vorderingen als “ingetrokken” beschouwd nu partijen benoeming bindend adviseur door rechtbank wensten?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 337
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.152.327/01

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.B.M. Vaessen te Cuijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg (L),

op het bij exploot van dagvaarding van 4 juli 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 februari 2013, 10 april 2013, 11 september 2013, 9 april 2014 en 21 mei 2014 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/168562/HA ZA 12-48)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij rolbericht van 13 maart 2015 door [appellant] toegezonden producties 5 tot en met 8, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Partijen zijn broers. In 1949 is de vader van partijen rentmeester geworden en in 1953 heeft de vader een B.V. opgericht, [rentmeesterskantoor] B.V. In 1978 is [geïntimeerde] bij zijn vader in loondienst gekomen. In 1987 heeft [geïntimeerde] daarnaast een eigen bedrijf opgericht waarin hij mede een bankagentschap exploiteerde. In 1994 hebben partijen samen met de B.V. van hun vader een maatschap opgericht. [geïntimeerde] bracht daarin het bankagentschap in, de B.V. het rentmeesterskantoor en [appellant] zijn kennis, arbeidskracht en vlijt.

b) De maatschapsovereenkomst houdt onder meer het volgende in:
“(…)
Artikel 8 Winstverdeling
(…)
4) Afhankelijk van ieders inbreng in enig boekjaar kan aan ieder der vennoten een arbeidsvergoeding worden toegekend. De hoogte daarvan wordt in onderling overleg vastgesteld.
5) De na verrekening van het bovenstaande resulterende winst of het verlies wordt door de vennoten (…) gelijkelijk genoten resp. gedragen.
(…)
Artikel 11 Regeling bij einde maatschap
1) Ingeval van beëindiging der maatschap worden de boeken der maatschap afgesloten en een balans en winst- en verliesrekening opgemaakt (…).
2) Daarnaast wordt ter vaststelling van waartoe iedere vennoot in de maatschap gerechtigd is of wat deze aan de maatschap verschuldigd is, een afzonderlijke balans opgemaakt, waarbij de aktiva der maatschap zullen worden opgenomen tegen een in onderling overleg vast te stellen waarde.
Partijen komen bij deze overeen dat aan het rentmeesterschap alsdan geen waarde kan worden toegekend.
Indien partijen (…) omtrent de waardevaststelling geen overeenstemming kunnen bereiken, wordt de betreffende waarde vastgesteld door een deskundige of, indien partijen daaraan de voorkeur geven of indien dit door wettelijke voorschriften wordt vereist, door drie deskundigen, die door partijen in onderling overleg wordt (worden) aangewezen of, indien partijen omtrent de aanwijzing geen overeenstemming kunnen bereiken, op verzoek van de meest gerede partij door de bevoegde kantonrechter zal (zullen) worden aangewezen. Deze deskundige(n) zal (zullen) de waarde op voor partijen bindende wijze vaststellen.
(…)
Artikel 15 Geschillenregeling
1) Alle geschillen, die tussen de vennoten (…) mochten ontstaan, naar aanleiding van deze overeenkomst of nadere overeenkomsten, die daarvan het gevolg mochten zijn, zowel die van juridische als van feitelijke aard, worden onderworpen aan het oordeel van een scheidsman of, indien partijen daaraan de voorkeur geven, van drie scheidsmannen.
2) Deze scheidsman c.q. scheidsmannen zal/zullen in onderling overleg worden benoemd of, in geval van geschil, door de bevoegde kantonrechter.
3) De wijze van behandeling van het geschil zal door de scheidsmannen worden geregeld. Zij bepalen tevens te wiens laste de kosten komen.
4) Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing voor geschillen waaromtrent in deze overeenkomst tussen partijen een andere regeling is getroffen.
5) Een geschil is aanwezig wanneer één van de partijen verklaart dat dit het geval is. (…) “

c) Per 1 februari 1999 is [rentmeesterskantoor] B.V. als maat uit de maatschap getreden. [appellant] en [geïntimeerde] hebben gezamenlijk de maatschap voortgezet. Het bepaalde in de maatschapsovereenkomst is, met inachtneming van die uittreding, onverkort van kracht gebleven.

d) Over het jaar 2001 is aan [appellant] een arbeidsvergoeding toegekend, waarna de resterende winst tussen partijen gelijkelijk is verdeeld. Ook over het jaar 2006 is dat gebeurd.

e) Wegens onenigheid tussen partijen is hun samenwerking in het kader van de maatschap per 31 december 2008 feitelijk beëindigd. Partijen hebben afgesproken met het oog op beëindiging van hun geschillen gebruik te maken van de diensten van [register accountant] RA (hierna: [register accountant] ), werkzaam bij [accountants & fiscalisten] Accountants en Fiscalisten te [kantoorplaats] (hierna: [accountants & fiscalisten] ).

f) Een brief van [register accountant] d.d. 12 februari 2009 aan Rentmeesterskantoor [rentmeesterskantoor] houdt onder meer in:
(…)
Geachte heer [geïntimeerde]
Naar aanleiding van de beëindiging van de samenwerking tussen u [ [geïntimeerde] ] en uw broer [ [appellant] ] heeft u ons verzocht de in deze brief beschreven specifieke werkzaamheden met betrekking tot de financiële afwikkeling ten gevolge van de beëindiging van de samenwerking uit te voeren.
(..)
Wij zijn met u overeengekomen de volgende werkzaamheden te verrichten:
1. Wij zullen ons een mening vormen over de toe te kennen arbeidsvergoeding in het kader van de verdeling van de winst van de maatschap over de boekjaren 2007 en 2008.
2. Wij zullen ons een mening vormen over de aan u en/of uw broer eventueel toe te kennen vergoeding voor de toebedeling van de beheerportefeuilles in het kader van de ontbinding van de maatschap per 31 december 2008.
(…)
De uitkomst van onze werkzaamheden zullen wij rapporteren in de vorm van een rapport van (feitelijke) bevindingen. (…)”

g) Op 10 april 2009 heeft [register accountant] zijn conceptrapport aan partijen verstuurd met verzoek om daarop te reageren. In dat rapport staat onder meer vermeld:
“(…)
De aanleiding van uw opdracht is gelegen in uw gezamenlijke verzoek van 19 januari 2009 waarin u mij vraagt om een bindend oordeel te geven met betrekking tot de [hiervoor onder f) genoemde; toevoeging hof] werkzaamheden.(…)”

h) Bij brief van 21 april 2009 heeft [geïntimeerde] inhoudelijk gereageerd op het conceptrapport van [register accountant] . Ook [appellant] heeft gereageerd. [register accountant] heeft per e-mail van 22 april 2009 enkele vragen aan partijen gesteld. [geïntimeerde] heeft hierop bij e-mail van 22 april 2009 geantwoord.

i. i) Het eindrapport van [register accountant] is gedateerd 24 april 2009 en behelst onder meer het volgende:
“(…)
Tijdens de doorlooptijd van deze opdracht is er een moment geweest dat er is overwogen om de opdracht terug te geven. Aanleiding hiervoor waren de uitspraken van [ [geïntimeerde] ] over het dossier [dossiernaam 1] . (…) Er werd geïnsinueerd dat er sprake was van frauduleus handelen.
In de overeengekomen opdrachtbevestiging hebben wij vastgelegd dat wij (…) verplicht zijn om ongebruikelijke transacties te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland te [kantoorplaats] . Om hiertoe over te gaan moet wel duidelijk zijn dat inderdaad sprake is van een dergelijke transactie. Tevens kon ik geen deugdelijke grondslag voor mijn rapportage verkrijgen als ik het dossier niet integraal zou kunnen doornemen. Dat was het moment dat ik de opdracht terug wilde geven en heb overwogen om melding te doen (….) Ik kon immers niet beoordelen of er al dan niet sprake was van ongebruikelijke transacties.
Na overleg over dit klantdossier gaf [ [geïntimeerde] ] geen toestemming om het ter beschikking te stellen. [ [appellant] ] stond er echter op dat dit onderzoek wel plaatsvond. Hij heeft het dossier daarom ter beschikking gesteld en heeft aangegeven de extra uren die hierdoor gemaakt moesten worden te vergoeden. (…)”

In het eindrapport wordt door [register accountant] onder het kopje “Oordeel” een mening gegeven over de punten genoemd sub f) hiervoor. Wat het dossier [dossiernaam 1] betreft behelst het rapport onder het kopje “Bevindingen” het volgende:
“11. Uit het dossier [dossiernaam 1] blijkt dat de herkomst en besteding van alle gelden vanuit oogpunt van de maatschap traceerbaar en controleerbaar zijn. “

j) Onder meer bij brief van 21 september 2010 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] doen meedelen dat het eindrapport van [register accountant] niet bindend is. Voor het geval dat anders zou zijn wordt dat bindend advies in die brief buitengerechtelijk vernietigd op grond van de artikelen 7:904 en 3:49 BW.

k) Op 2 april 2009 heeft [makelaardij] , werkzaam bij [makelaardij] Makelaardij B.V. te [kantoorplaats] (hierna: [makelaardij] ), een taxatierapport uitgebracht met betrekking tot de kantoorruimte van de maatschap aan het [adres] te [plaats] . De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik wordt in dat rapport geschat op € 245.000,--.

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en samengevat in conventie gevorderd:

1. primair een verklaring voor recht dat het eindrapport van [register accountant] voor partijen niet bindend is en
subsidiair een verklaring voor recht dat het bindend advies op goede grond buitengerechtelijk door hem is vernietigd;
2. een verklaring voor recht dat aan ieder van partijen de helft van de winst over de jaren 2007 en 2008 van de maatschap toekomt;
3. veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 21.295,50 ter zake van het eigen vermogen van [geïntimeerde] in de maatschap;
4. veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 121.180,10 ter zake van gederfde omzet uit de beheerportefeuille;
5. veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 6.240,77 ter zake van ten onrechte aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte kosten;
6. een verklaring voor recht dat de taxatie van [makelaardij] voor partijen niet bindend is;
7. [appellant] te veroordelen tot medewerking aan de benoeming van drie taxateurs ter bepaling van de waarde van het kantoorpand van de maatschap;
8. een verklaring voor recht dat [appellant] in het dossier “ [dossiernaam 2] ” onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie in de nakoming van de maatschapsovereenkomst heeft gepleegd en aan [geïntimeerde] diens geleden schade dient te vergoeden en
9. veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 6.394,16 als schadevergoeding in de zaak “ [dossiernaam 2] ”,
met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.2.

[appellant] heeft tegen de vorderingen in conventie verweer gevoerd en zijnerzijds vorderingen in reconventie ingesteld. [appellant] vordert:

1. primair [geïntimeerde] te veroordelen tot medewerking aan de levering aan hem van het onverdeelde aandeel van [appellant] in, kort gezegd, het kantoorpand van de maatschap, tegen een prijs van € 122.500,-- en
subsidiair te bepalen dat het vonnis ten aanzien van de medewerking aan de uitvoering van de verdeling van de ontbonden maatschap en de verplichting van [geïntimeerde] tot medewerking aan de levering van voormeld aandeel in het kantoorpand aan hem in de plaats treedt van de notariële transportakte en in de daartoe bestemde openbare registers kan worden ingeschreven;
2. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 1.090,63, zijnde de helft van de door [appellant] betaalde kosten van [makelaardij] en extra, door werkzaamheden met betrekking tot het dossier [dossiernaam 1] nodig geworden, werkzaamheden van [register accountant] ,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen in reconventie.

3.2.4.

De rechtbank heeft bij het tussenvonnis van 27 februari 2013 geoordeeld
A) dat het eindrapport van [register accountant] een bindend advies is dat evenwel terecht door [geïntimeerde] buitengerechtelijk is vernietigd, zodat vordering 1. primair in conventie zal worden afgewezen en die vordering in subsidiaire vorm zal worden toegewezen, en
B) dat de taxatie van [makelaardij] geen bindend advies is, zodat de op die stelling gebaseerde vordering in reconventie sub 1. primair en subsidiair moet worden afgewezen en vordering 6. in conventie moet worden toegewezen.
Bij het tussenvonnis van 10 april 2013 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om tussentijds appel in te mogen stellen tegen het vonnis van 27 februari 2013 afgewezen.
Bij het tussenvonnis van 11 september 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat alle geschillen tussen partijen, zowel in conventie als in reconventie, in beginsel beslecht dienen te worden door (deels: opnieuw) het vragen van een bindend advies. De rechtbank heeft partijen in overweging gegeven hun contractuele relatie in die zin te wijzigen dat zij de rechtbank aanwijzen als de bevoegde instantie om de vereiste bindend adviseurs te benoemen.
Bij het tussenvonnis van 9 april 2014 heeft de rechtbank geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat de procedure dient uit te monden in de benoeming van (een) bindend adviseur(s) door de rechtbank. De rechtbank heeft de zaak voor uitlating door partijen over de persoon van de voorgenomen bindend adviseurs naar de rol verwezen.
Ten slotte heeft de rechtbank bij het eindvonnis van 21 mei 2014 de vordering van [geïntimeerde] in conventie sub 1. primair afgewezen, de vorderingen sub 1. subsidiair en sub 6. toegewezen, de vorderingen van [appellant] in reconventie sub 1. primair en subsidiair afgewezen, de vorderingen in conventie sub 2 tot en met 5 en 7 tot en met 9, alsmede de vordering in reconventie onder 2. als ingetrokken beschouwd en in conventie en reconventie een tweetal bindend adviseurs benoemd. De proceskosten heeft de rechtbank tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten diende te dragen.

3.3.

Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het eindrapport van [register accountant] een bindend advies is. Evenmin is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de beslechting van alle geschilpunten tussen partijen het (deels: opnieuw) vragen van een bindend advies nodig is, en tegen de overweging dat de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie sub 2 tot en met 5 en 7 tot en met 9 als ingetrokken worden beschouwd. Deze punten spelen derhalve in hoger beroep geen rol.

3.4.1.

Met grief I betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte in het tussenvonnis van 27 februari 2013 oordeelde dat [geïntimeerde] terecht het bindend advies van [register accountant] buitengerechtelijk heeft vernietigd.

3.4.2.

Een bindend advies kan, zoals ook de rechtbank overwoog, op grond van artikel 7:904 BW slechts vernietigd worden als de gebondenheid aan dat advies in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming ervan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.4.3.

[appellant] voert in dit verband allereerst aan dat [register accountant] wel degelijk hoor en wederhoor heeft toegepast, maar dat de reactie van [geïntimeerde] op het conceptrapport d.d. 21 en 22 april 2009 niet ingaat op de feiten in dat conceptrapport (zoals [register accountant] had verzocht), maar op de door [register accountant] getrokken conclusies.

3.4.4.

Naar het oordeel van het hof komt [appellant] met het voorgaande niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat de motivering van het bindend advies ernstig tekortschiet nu in dat advies, waarvan de inhoud volgens de rechtbank neerkomt op een integrale verwerping van het standpunt van [geïntimeerde] , essentiële stellingen van [geïntimeerde] in zijn brief en e-mail van 21 en 22 april 2009 geheel buiten beschouwing zijn gelaten. Het gaat daarbij om opmerkingen van [geïntimeerde] over de achtergrond van de bepaling in artikel 11 lid 2 van de maatschapsovereenkomst over het niet-toekennen van waarde aan het rentmeesterschap bij het einde van de maatschap en over de winstverdeling in de jaren 2006 (en eerder) en de consequenties daarvan voor die verdeling over de jaren 2007 en 2008. Het hof verwijst naar punt 4.14 in het tussenvonnis van 27 februari 2013. Gelet op de opdracht aan [register accountant] , als weergegeven in 3.1.f. hiervoor, betreft het hier essentiële stellingen van [geïntimeerde] , aldus de rechtbank. Nu [appellant] tegen dit oordeel geen concrete bezwaren aanvoert, gaat ook het hof hiervan uit. Dit betekent dat de grief op dit punt reeds om die reden faalt. Het feit dat [register accountant] aan partijen vroeg te reageren op (slechts) de feiten in het conceptrapport doet immers niet af aan het oordeel dat [register accountant] , voor zijn opdracht essentiële, stellingen van [geïntimeerde] zonder enige motivering (kennelijk) heeft verworpen.

3.4.5.

Voorts betoogt [appellant] in dit verband dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat [register accountant] zijn opdracht te buiten is gegaan door kennis te nemen van de inhoud van het hem, tegen de wens van [geïntimeerde] , door [appellant] ter beschikking gestelde dossier [dossiernaam 1] .

3.4.6.

Ook op dit punt faalt de grief. Het hof vermag niet in te zien waarom voor de beantwoording van de vraag aan [register accountant] over de over de jaren 2007 en 2008 al dan niet (in het kader van de winstverdeling van de maatschap) aan de vennoten toe te kennen arbeidsvergoeding, een dossier relevant zou zijn dat volgens beide partijen slechts betrekking heeft op de winstverdeling over het jaar 2006. Krachtens artikel 8 lid 4 van de maatschapsovereenkomst was de (mogelijkheid van) toekenning van een arbeidsvergoeding immers afhankelijk van de inbreng van elke vennoot in enig boekjaar. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een voor de inbreng van de vennoten in 2006 relevant dossier (ook) voor de twee daaropvolgende jaren relevantie zou hebben. [appellant] heeft daarom niet voldoende gemotiveerd betwist dat [register accountant] met het opvragen van het dossier [dossiernaam 1] zijn opdracht te buiten is gegaan. Bij dit oordeel neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in eerste aanleg (conclusie van antwoord bladzijde 3) heeft gesteld dat voormeld dossier niets te maken had met de winstverdeling over 2006 omdat partijen het eens waren over een “van het maatschapscontract afwijkende winstverdeling voor het jaar 2006 en daarna”. Bij memorie van grieven sub 13 stelt [appellant] evenwel dat het dossier van belang was voor de beantwoording door [register accountant] van de hem voorgelegde vraag over de winstverdeling in 2007 en 2008 omdat “vanaf 2006 structureel uitvoering gegeven [werd] aan artikel 8 lid 4 van de maatschapsovereenkomst”.
Dat [register accountant] met het opvragen en inzien van het dossier [dossiernaam 1] buiten zijn opdracht is getreden geldt temeer nu hij in zijn eindrapport niet is ingegaan op (de relevantie van) dat dossier (voor zijn opdracht). Hij heeft volstaan met de vermelding in zijn eindrapport dat “ Uit het dossier [dossiernaam 1] blijkt dat de herkomst en besteding van alle gelden vanuit oogpunt van de maatschap traceerbaar en controleerbaar zijn” (zie 3.1.i) hiervoor). Onderzoek naar eventuele “ongebruikelijke transacties” behoorde niet tot de opdracht aan [register accountant] .
Nu [register accountant] er voorts van op de hoogte was dat [geïntimeerde] , anders dan [appellant] , hem geen inzage wilde verstrekken in voormeld dossier, heeft [register accountant] ook naar het oordeel van het hof de schijn van partijdigheid gewekt.

3.4.7.

Het hof is op grond van het voorgaande met de rechtbank van oordeel dat de aan het bindend advies van [register accountant] geconstateerde gebreken dermate ernstig zijn dat gebondenheid van [geïntimeerde] aan dat advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Grief I faalt.

3.5.1.

Met grief II bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat geen bindende taxatie van het kantoorpand van de maatschap door [makelaardij] tussen partijen is overeengekomen.

3.5.2.1. [appellant] beroept zich in dit verband op de producties 2 en 3 bij memorie van grieven.

3.5.2.2. Productie 3 betreft een brief van [geïntimeerde] aan [appellant] d.d. 2 juni 2009. Deze brief vermeldt onder meer “Waar jij stelt dat wij het eens zouden zijn over de persoon van de taxateur laat ik je weten dat dit in beginsel het geval was, doch niet de uitkomst daarvan.” Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof slechts dat partijen het eens waren, ook volgens [geïntimeerde] , over de persoon van de in te schakelen taxateur. Van een overeenkomst in de zin dat de taxatie door die taxateur bindend voor partijen zou zijn blijkt uit die productie niets.

3.5.2.3. Productie 2 betreft een brief van ene [medewerker bij de huisaccountant] (die, onweersproken door [appellant] , werkzaam is bij de huisaccountant van [appellant] ) aan partijen d.d. 14 januari 2009. In die brief staat onder meer vermeld:
Desgevraagd deelde hij [ [geïntimeerde] ] mij telefonisch mede (…) ook te kunnen instemmen met een bindend advies inzake beide items (pand en portefeuille), indien dat de wens is van [appellant] . Eerder gaf [geïntimeerde] reeds aan alléén een bindend advies te accepteren als beide partijen de mogelijkheid krijgen alle (….) aspecten (…) aan de orde te stellen en te doen meewegen.
Ik meen dan ook dat op grond van bovenstaande uitgegaan kan worden van bindende adviezen.
Graag bevestiging a.u.b.
Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de in deze brief gevraagde bevestiging heeft verzonden/gegeven. Om die reden blijkt ook uit dit stuk geen concrete afspraak tussen partijen inhoudende dat de taxatie van [makelaardij] partijen zou binden.

3.5.3.

Bij het voorgaande komt nog dat [appellant] ook in hoger beroep niet duidelijk en concreet heeft gesteld op welk moment (na 4 december 2008; het hof verwijst naar punt 4.26 van het tussenvonnis van 27 februari 2013) en waar partijen een overeenkomst zouden hebben gesloten inhoudende dat de taxatie van [makelaardij] hen zou binden.

3.5.4.

Ook grief II faalt.

3.6.

Wat betreft de al dan niet bindende taxatie van [makelaardij] faalt grief III, waarmee [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd. Het hof is van oordeel dat [appellant] op dit punt onvoldoende feiten stelt, die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.
Ook ten aanzien van het (in de ogen van [appellant] ten onrechte door [geïntimeerde] vernietigde) eindrapport van [register accountant] faalt de grief op die grond. [appellant] geeft ook in hoger beroep niet concreet aan welke feiten hij zou willen bewijzen die tot een ander oordeel over de al dan niet terechte vernietiging door [geïntimeerde] van dat rapport leiden. Zijn bewijsaanbod dat “[register accountant] zijn opdracht op de juiste manier heeft uitgevoerd” (memorie van grieven sub 22) is met name onvoldoende, nu dit aanbod geen feiten noemt maar een (uit feiten) te trekken conclusie.
Aan het voorgaande oordeel over de grief doet niet af dat de comparitierechter in eerste aanleg een andere rechter was dan de rechter die de vonnissen waarvan beroep wees. [appellant] heeft ook niet toegelicht waarom dit volgens hem het geval zou moeten zijn.

3.7.1.

Grief IV is gericht tegen het tussenvonnis van 10 april 2013 waarbij de incidentele vordering van [appellant] tot het openstellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 27 februari 2013 is afgewezen.

3.7.2.

Het vonnis van 27 februari 2013 is een tussenvonnis, nu het dictum daarvan geen enkele beslissing over de vordering in de hoofdzaak bevat. Krachtens artikel 337 lid 2 Rv. is tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis slechts mogelijk als de rechter dat bepaalt. Hoofdregel is derhalve dat tegelijk met appel tegen het eindvonnis tegen het tussenvonnis hoger beroep ingesteld moet worden. Het verzoek tussentijds appel tegen een tussenvonnis te mogen instellen is een afwijking van die hoofdregel. Reeds om deze reden dient naar het oordeel van het hof terughoudendheid betracht te worden bij het inwilligen van een dergelijk verzoek en dient de verzoeker duidelijk en concreet te stellen waarom afwijking van de hoofdregel aangewezen is. [appellant] heeft, in het licht van het voorgaande en reeds omdat de beslissingen van de rechtbank door het hof juist worden geacht, naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd waaruit volgt dat de rechtbank tussentijds appel toe had moeten staan. De grief faalt.

3.8.1.

Met grief V betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering in reconventie sub I, zowel primair als subsidiair, heeft afgewezen. Partijen zijn het er immers over eens dat [geïntimeerde] het aandeel van [appellant] in het kantoorpand van de maatschap, tegen betaling van de helft van de waarde van het pand aan [appellant] , dient over te nemen. De rechtbank had [appellant] in de gelegenheid dienen te stellen de primaire vordering aan te passen dan wel de subsidiaire vordering moeten toewijzen, aldus [appellant] .

3.8.2.

Wat betreft de primaire vordering faalt de grief. Het hof is van oordeel dat, aangezien partijen van mening verschillen over de waarde van het pand, en aangezien [appellant] de medewerking van [geïntimeerde] aan toedeling vordert tegen de door [appellant] voorgestane waarde van € 122.500,--, de vordering niet toewijsbaar is. De waarde van het pand zal immers eerst door de, door de rechtbank benoemde, bindend adviseur Pröpper moeten worden vastgesteld.
Opmerking verdient in het verband van deze grief dat het aan partijen is hun vorderingen te formuleren en dat [appellant] in hoger beroep zijn vordering niet heeft gewijzigd in de zin dat de waarde van het pand voor beoordeling van de vordering niet (langer) van belang is.

3.8.3.

Voor zover de grief betrekking heeft op de afwijzing van de subsidiaire vordering verwijst het hof, wat het kantoorpand betreft, naar de vorige overweging.

3.8.4.

Voor zover met de grief geklaagd wordt dat de subsidiaire vordering betrekking hebbend op “medewerking [van [geïntimeerde] ] aan de uitvoering van de verdeling van de ontbonden maatschap” is afgewezen, faalt deze eveneens. De rechtbank heeft deze vordering uitgelegd en naar het oordeel van het hof kunnen uitleggen in die zin dat ook dit deel van de vordering is gebaseerd op de stelling van [appellant] dat de taxatie van de waarde van het pand door [makelaardij] partijen bindt. Deze stelling heeft het hof in de overwegingen 3.5. en volgende hiervoor onjuist geoordeeld.
Als over de uitleg van de vordering door de rechtbank al anders geoordeeld zou moeten worden, overweegt het hof dat [appellant] volstrekt onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit kan blijken aan de uitvoering van welke “verdeling van de ontbonden maatschap” hij medewerking van [geïntimeerde] vordert. Bij het eindvonnis heeft de rechtbank immers onder meer vanwege de geschillen tussen partijen over, kort gezegd, die verdeling een bindend adviseur benoemd (zie het eindvonnis van de rechtbank sub 2.7.). Tegen die benoeming is niet gegriefd.

3.8.5.

Ook grief V faalt.

3.9.1.

Met grief VI bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis onder 2.13 dat op vordering II in reconventie (tot betaling door [geïntimeerde] van de helft van de kosten van [makelaardij] en van de extra kosten van [register accountant] ) niet (verder) hoeft te worden beslist omdat deze vordering als ingetrokken wordt beschouwd.

3.9.2.

De grief slaagt nu op geen enkele wijze uit de procestukken of proceshouding van [appellant] valt af te leiden dat hij deze vordering wenst in te trekken. Tot een ander oordeel over de vordering leidt zulks echter niet. Zoals [geïntimeerde] terecht opmerkt (memorie van antwoord 52) is het geschilpunt waar deze vordering betrekking op heeft door de rechtbank beoordeeld als een geschilpunt dat langs de weg van bindend advies moet worden beslecht. Tegen dit oordeel van de rechtbank heeft [appellant] geen grief gericht. Dit betekent dat de door de rechtbank benoemde bindend adviseur zich hierover zal moeten uitlaten en dat de vordering van [appellant] door de rechtbank terecht is afgewezen.

3.10.

Aan het bewijsaanbod van [appellant] gaat het hof voorbij nu geen feiten te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere beslissing kunnen leiden.

3.11.

De slotsom luidt dat grief VI slaagt, maar niet tot een ander oordeel leidt. De overige grieven falen. De vonnissen waarvan beroep zullen derhalve, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd onder verbetering van gronden. Nu partijen broers zijn zal het hof de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, onder verbetering van gronden, de vonnissen waarvan hoger beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, E.K. Veldhuijzen van Zanten en A.J. Coster en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 maart 2016.

griffier rolraadsheer