Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:703

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
200 183 639_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vast staat dat saniet de voor hem/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen niet immer naar behoren is nagekomen. Zo heeft saniet tot aan het moment van zijn/haar vrijstelling van de sollicitatieplicht onvoldoende aantoonbaar gesolliciteerd, de bewindvoerder, ondanks herhaalde verzoeken en sommaties, structureel te laat geïnformeerd en daarnaast zowel nieuwe schulden als een boedelachterstand laten ontstaan. Daar staat evenwel tegenover dat saniet een vrijstelling van de sollicitatieplicht had gekregen en inmiddels een verzoek tot een verlenging van deze vrijstelling heeft ingediend, alle bevraagde informatie inmiddels aan zijn/haar bewindvoerder heeft doen toekomen, zijn/haar nieuwe schulden geheel heeft afgelost en zich bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk bereid heeft verklaard om de ontstane boedelachterstand, welke overigens relatief beperkt van omvang is, op korte termijn geheel in te lopen. Daar komt bij dat de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard niet afwijzend te staan tegenover een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van saniet. Het hof acht in dit specifieke geval dan ook termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling te verlengen met een termijn van 12 maanden, teneinde saniet daarmee een allerlaatste kans te geven gedurende deze verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen alsnog naar behoren na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 25 februari 2016

Zaaknummer : 200.183.639/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/13/471 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 januari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 januari 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de bewindvoerder af te wijzen, primair te oordelen dat zij de schuldsaneringsregeling mag voortzetten en subsidiair te oordelen dat haar schuldsaneringsregeling wordt voortgezet en verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen termijn.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Horsch;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 december 2015;

- het indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 10 februari 2016 en 16 februari 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 4 februari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 27 augustus 2013 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 11 november 2015 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De saniet heeft gedurende de schuldsaneringsregeling slechts enkele malen gesolliciteerd. Zij heeft sinds de aanvang van de schuldsaneringsregeling veelvuldig aangegeven arbeidsongeschikt te zijn, maar dat niet aangetoond. Er heeft pas in januari 2015 een onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat de saniet arbeidsongeschikt is vanwege lichamelijke en psychische klachten. De rechter-commissaris heeft de saniet daarop van 24 februari 2015 tot 1 februari 2016 vrijgesteld van de arbeidsplicht. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de saniet de re-integratieverplichtingen zoals opgelegd door de gemeente, diende na te leven. Deze verplichtingen hielden in het doen van vrijwilligerswerk en het zoeken van psychologische hulp. De saniet heeft evenwel tot op heden geen vrijwilligerswerk verricht terwijl zij nalaat de bewindvoerder te informeren over het behandelingstraject bij de psychiater.

Daarnaast is er een verwijtbare boedelachterstand van ongeveer € 157,69. De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat de nieuwe schulden zijn afgelost.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt dat de gemeente geen passend werk voor haar heeft. De werkzaamheden die de gemeente heeft zijn immers te belastend voor haar. Zij gebruikt zware medicatie op grond waarvan zij niet eens mag fietsen of het huishouden kan doen, laat staan werken in bijvoorbeeld de zorg of de groenvoorziening. De behandelend psycholoog heeft [appellante] zelfs doorverwezen naar de revalidatiekliniek in het ziekenhuis omdat hij haar fysieke toestand wil laten behandelen waarbij hij aanraadt om een neurologisch onderzoek te laten verrichten. Voorts stelt [appellante] dat zij, ondanks verzoeken daartoe, noch van haar huisarts noch van haar psycholoog een schriftelijke verklaring inzake haar arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen. Daarnaast merkt [appellante] op dat zij inmiddels alle door de bewindvoerder ontbrekende informatiebescheiden (alsnog) heeft verstrekt. Ten aanzien van de boedelachterstand merkt [appellante] op dat deze bestaat uit de niet afgeloste slooppremie van een auto welke op haar naam stond geregistreerd. [appellante] is van mening dat een motorvoertuig geen registergoed in de zin van artikel 3:20 BW is en de tenaamstelling dus niets zegt over het juridische eigendom van het motorvoertuig. De slooppremie is dus ook niet aan haar toegekomen, maar aan de eigenaar van het motorvoertuig, in casu haar vader. Voorts geeft [appellante] aan dat zij op dit moment geen nieuw schulden meer heeft, deze zijn alle geheel voldaan. [appellante] is dan ook van mening dat er geen (ernstige) tekortkomingen (meer) zijn, dan wel dat deze tekortkomingen van een te geringe betekenis zijn, temeer nu deze tekortkomingen niet zouden hebben geleid tot een ander verloop van de schuldsaneringsregeling of een andere uitkomst voor de schuldeisers. Indien het hof van oordeel zou zijn dat er wel sprake is van ernstige tekortkoming verzoekt [appellante] om een tweede kans in de vorm van een verlenging van de looptijd van haar schuldsaneringsregeling teneinde haar verplichtingen alsnog te kunnen nakomen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] benadrukt dat het verweerschrift, dat haar advocaat na afloop van de mondelinge behandeling in eerste aanleg mocht overleggen daar hij niet bij deze zitting aanwezig kon zijn, weliswaar tijdig bij de griffie van de rechtbank is ingediend, maar dat de rechtbank evenwel geen kennis van dit verweerschrift heeft genomen omdat het te laat zou zijn ingediend. Met betrekking tot de boedelachterstand merkt [appellante] desgevraagd op dat zij, indien de termijn van haar schuldsaneringsregeling zou worden verlengd, bereid is deze in zijn geheel in te lopen waarbij zij benadrukt dat zij haar standpunt ten aanzien van de slooppremie van het motorvoertuig dat op haar naam stond geregistreerd, zoals eerder verwoord in het beroepschrift en aanvankelijk ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerd, herziet in die zin dat zij deze slooppremie ten gunste van de boedel zal laten komen. Ten aanzien van haar sollicitatieplicht merkt [appellante] op dat zij, nu de door de rechter-commissaris verleende vrijstelling van deze verplichting per 1 februari jl. is beëindigd, inmiddels een nieuw verzoek voor een dergelijke vrijstelling heeft ingediend. Aangaande de informatieplicht stelt [appellante] dat zij inmiddels, zij het met enige vertraging, alle bevraagde informatiebescheiden aan haar bewindvoerder heeft doen toekomen.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewindvoerder stelt dat [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat deze tekortkomingen [appellante] ook kunnen worden aangerekend. [appellante] heeft niet, dan wel in onvoldoende mate, voldaan aan de arbeidsplicht, niet correct voldaan aan de informatieplicht en bovendien is er reeds lange tijd een boedeltekort. Een voorstel om dit in te lopen ontbreekt. De bewindvoerder verzoekt dan ook om een bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder geeft aan dat zij van [appellante] heeft vernomen dat [appellante] in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. De bewindvoerder merkt op dat een dergelijke toeslag ten bate van de boedel dient te komen. Met betrekking tot de informatieplicht merkt de bewindvoerder op dat op dit moment inderdaad alle bevraagde informatiebescheiden zijn ontvangen, maar veelal te laat en nimmer spontaan. Tot slot stelt de bewindvoerder dat [appellante] voorafgaand aan haar vrijstelling van de sollicitatieplicht ruim een jaar niet naar behoren aan deze verplichting heeft voldaan. Desgevraagd geeft de bewindvoerder te kennen dat zij zich kan vinden in een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zodat zij in staat kan worden gesteld om haar verplichtingen alsnog naar behoren na te komen. Volgens de bewindvoerder geldt dit dan met name doch niet uitsluitend ten aanzien van de sollicitatieplicht.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.8.2.

Vast staat dat [appellante] de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen niet immer naar behoren is nagekomen. Zo heeft [appellante] tot aan het moment van haar vrijstelling van de sollicitatieplicht onvoldoende aantoonbaar gesolliciteerd, de bewindvoerder, ondanks herhaalde verzoeken en sommaties, structureel te laat geïnformeerd en daarnaast zowel nieuwe schulden als een boedelachterstand laten ontstaan.

3.8.3.

Daar staat evenwel tegenover dat [appellante] een vrijstelling van de sollicitatieplicht had gekregen en inmiddels een verzoek tot een verlenging van deze vrijstelling heeft ingediend, alle bevraagde informatie inmiddels aan haar bewindvoerder heeft doen toekomen, haar nieuwe schulden geheel heeft afgelost en zich bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk bereid heeft verklaard om de ontstane boedelachterstand, welke overigens relatief beperkt van omvang is, op korte termijn geheel in te lopen. Daar komt bij dat de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard niet afwijzend te staan tegenover een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] .

3.8.4.

Het hof acht in dit specifieke geval dan ook termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling te verlengen met een termijn van 12 maanden, teneinde [appellante] daarmee een allerlaatste kans te geven gedurende deze verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen alsnog naar behoren na te komen. Het hof wijst [appellante] er daarbij nadrukkelijk op dat zij, zolang er geen sprake is van een door de rechter-commissaris verleende vrijstelling van de sollicitatieplicht, zich stipt dient te houden aan de Recofa richtlijnen, inhoudende dat zij aantoonbaar (schriftelijk) minimaal vier keer per maand aantoonbaar (schriftelijk) en gericht dient te solliciteren op openstaande vacatures. Daarnaast dient [appellante] , voor zover zij dit heeft nagelaten, verificatoire bescheiden aan de bewindvoerder over te leggen dat zij staat ingeschreven bij vier uitzendbureaus en het UWV werkplein. Daarnaast dient [appellante] steeds kopieën van haar sollicitatiebewijzen- en formulieren e.d. te maken en aan de bewindvoerder toe te sturen.

3.8.5.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] voortgezet dient te worden en dient te worden verlengd met een termijn van twaalf maanden. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het verzoek van de bewindvoerder tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zal alsnog worden afgewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van:

[appellante] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] ,

[adres] ;

verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling van [appellante] met 12 maanden, derhalve tot 27 augustus 2017;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.