Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2628

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
200.178.845_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

deelgeschil letselschade. botsing tussen twee personen in privé-situatie, ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/172
PS-Updates.nl 2016-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.845/01

arrest van 28 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] of [appellant] ,

advocaat: mr. E.A.P. Mulders te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] u.a.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 1] resp. [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. J.C. van den Dries te Goes,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van de beschikking van 26 mei 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als verweerders.

1 Het geding in eerste aanleg

(zaak-/rekestnummer 02/294769 HA RK 15-31)

Het verloop van dit geding blijkt uit:

1.1.

verzoekschrift met 8 bijlagen, te weten:

1.1.1.

aansprakelijkstelling 16 oktober 2014 van [appellant]

1.1.2.

brief [geïntimeerde 2] met expertiserapport [expert] van 8 december 2014 met 8 foto’s, (5 en 6 onleesbaar)

1.1.3.

commentaar [appellant] op rapport [expert]

1.1.4.

antwoordformulier [geïntimeerde 1] d.d. 23 december 2014

1.1.5.

verklaring [partner appellant]

1.1.6.

verklaringen [getuige 1] en [getuige 2]

1.1.7.

foto’s terras

1.1.8.

resultaten Google zoekopdracht ‘zwembad rennen toegestaan’

1.2.

verweerschrift met:

1.2.1.

een productie, te weten: verklaring [appellant]

1.3.

aantekeningen mondelinge behandeling

1.4.

proces-verbaal van comparitie 14 april 2015

1.5.

beschikking 26 mei 2015

2 Het geding in eerste aanleg in de bodemgeschilprocedure

(zaak/rolnummer C/02/304084/HA ZA 15-565)

Het verloop van dit geding blijkt uit:

2.1.

inleidende dagvaarding met producties, te weten:

1A: als 1.1

1B: als 1.2

1C: als 1.4

1D: als 1.5

en voorts als producties 2 tot en met 9: conform bijlagen 1 tot en met 8, als hiervoor onder 1.1

welke dagvaarding voorts inhield een verzoek tot het verlenen van verlof tot het instellen van hoger beroep tegen de beschikking in het deelgeschil van 26 mei 2015

2.2.

akte tot referte (inzake laatstgenoemd verzoek)

2.3.

vonnis 23 september 2015 houdende toestemming instellen appel in de

deelgeschilprocedure, bij welk vonnis de behandeling van het bodemgeschil op de parkeerrol werd geplaatst.

3 Het geding in hoger beroep

Het verloop van dit geding blijkt uit:

3.1.

appeldagvaarding (met beschikking 26 mei 2015 en vonnis 23 september 2015)

3.2.

memorie van grieven met 8 producties, te weten:

3.2.1.

als 1.1 met bijlagen 1 tot en met 8

3.2.2.

als 1.2 met een productie

3.2.3.

als 1.3 plus 1.4

3.2.4.

als 1.5

3.2.5.

als 2.1,

met alle daarbij gevoegde producties en bijlagen bij producties

3.2.6.

als 2.2

3.2.7.

als 2.3

3.2.8.

als 3.1

3.3.

memorie van antwoord

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

4 De beoordeling

4.1.

Procesgang en stukken:

4.1.1.

Uit de weergave van de procesgang blijkt dat veelvuldig dezelfde stukken zijn overgelegd. Voor wat betreft de bijlagen gaat het hof uit van de bijlagen zoals die bij het oorspronkelijke verzoekschrift zijn overgelegd (de daarbij overgelegde kopieën van de foto’s zijn het minst slecht) en van de productie zoals die bij het oorspronkelijke verweerschrift is overgelegd, welke stukken door het hof doorlopend worden genummerd als volgt:

  1. aansprakelijkstelling 16 oktober 2014 van [appellant] (hierna ook: [appellant] -1)

  2. brief [geïntimeerde 2] met expertiserapport [expert] d.d. 8 december 2014 met 8 foto’s, (5 en 6 onleesbaar)

  3. commentaar [appellant] op rapport [expert] (hierna ook: [appellant] -2)

  4. antwoordformulier [geïntimeerde 1] d.d. 23 december 2014

  5. verklaring [partner appellant] (ongedateerd)

  6. verklaring [getuige 1] en [getuige 2] (feitelijk [getuige 2] ) en een aanvullende verklaring van [getuige 2] (ongedateerd)

  7. foto’s terras

  8. resultaten Google zoekopdracht

I. verklaring [appellant] (ongedateerd; hierna ook: [appellant] -3)

4.2.

Omschrijving van het geschil; locatie; betrokken personen en getuigen:

4.2.1.

Het gaat hierbij om een ongeval waarbij twee personen - [appellant] en [geïntimeerde 1] - met elkaar in botsing zijn gekomen, waarbij [appellant] letsel heeft opgelopen waarvoor hij [geïntimeerde 1] aansprakelijk houdt. Het ongeval gebeurde in en/of rondom de woning van [appellant] (en [partner appellant] ) [appellant] te [woonplaats] .

4.2.2.

Aanwezig waren:

  • -

    [appellant] , hierna: [appellant] , en zijn partner:

  • -

    [partner appellant] , hierna: [partner appellant]

  • -

    [getuige 2] , hierna: [getuige 2] en zijn partner:

  • -

    [getuige 1] , hierna: [getuige 1]

  • -

    [geïntimeerde 1] , hierna: [geïntimeerde 1] en zijn partner:

  • -

    [partner geïntimeerde 1] , hierna: [partner geïntimeerde 1] .

Het gaat om – destijds – bevriende echtparen/stellen.

4.3.

Omschrijving van de situatie ter plaatse:

4.3.1.

Het gebeurde in de privésfeer in de tuin en bij een inpandig zwembad.
Voor zover uit de foto’s kenbaar is de situatie als volgt.
Er is sprake van een grote, grotendeels betegelde tuin/terras met een eettafel en een groot aantal eetstoelen. Er is sprake van een lounge-set en vier bijbehorende stoelen; de plaats daarvan is vooralsnog niet duidelijk maar kan van belang zijn.

4.3.2.

Als gezegd is het zwembad inpandig. De afscheiding tussen het zwembad (en de ruimte direct daar omheen) en de tuin wordt gevormd door een glazen schuifwand welke destijds, blijkbaar, geheel was open geschoven.

4.3.3.

Boven het zwembad bevindt zich een boventerras, en van dat boventerras (waarvan de balustrade gesitueerd is boven de hiervoor omschreven glazen schuifwand) loopt een trap naar beneden, haaks op die balustrade. Op meer dan halve hoogte is een bordes geconstrueerd, en vanaf dat bordes lopen, evenwijdig aan de glazen pui, twee trappen, een naar links en een naar rechts. Er is voldoende ruimte om tussen die trappen en de evenwijdig daaraan lopende glazen pui door te lopen. Bovendien stond die pui helemaal open. Dat betekent dat, afgezien van andere mogelijke belemmeringen (waarover meer) er drie denkbare routes waren om van de tuin naar het zwembad te gaan: ofwel onder de trapconstructie (en dus onder het bordes) door; ofwel linksom of rechtsom de ene of de andere, evenwijdig aan de glazen pui lopende trap. Op het oog was het bordes hoog genoeg gesitueerd om onderdoor te lopen. Volgens het rapport van [expert] (bijlage B), blad 3 bij “foto 1”, was de route onder de trap (en dus onder het bordes) door de gebruikelijke route, hetgeen [appellant] in zijn commentaar (bijlage C) betwist, zonder dat hij schrijft dat men zou moeten bukken om onder het bordes door te kunnen. Het hof gaat er dus van uit dat het bordes zo hoog was dat een volwassen man rechtop onder dat bordes door kon lopen.

4.3.4.

Op de foto’s staat de lounge-set direct vóór het bordes; om dan onder het bordes door naar het zwembad te lopen moet men tussen de stoelen door laveren.

4.3.5.

Ergens bij het zwembad bevindt zich een toiletruimte en de gasten in de tuin kunnen - indien nodig - van dat toilet gebruik maken.

4.4.

Vaststaande feiten:

4.4.1.

In de late avond van 30 juli 2014 zaten betrokkenen in de tuin bij [appellant] . Hij en zijn vriend [getuige 2] hadden die avond getraind voor een handloopwedstrijd en troffen bij terugkeer de andere genoemde personen aan. Er werd wijn gedronken; de hoeveelheid is niet duidelijk, maar [appellant] en [geïntimeerde 1] hadden geen alcohol gedronken.

4.4.2.

[getuige 1] en [partner geïntimeerde 1] zijn gaan zwemmen. [appellant] moest naar het toilet. [partner appellant] was naar de keuken. [geïntimeerde 1] en [getuige 2] zaten nog op het terras. [geïntimeerde 1] heeft zijn kleding uitgedaan en is onder de trap door naar het zwembad gelopen om daar in te springen. De wijze waarop en de snelheid waarmee hij dat heeft gedaan is in geschil. [appellant] , de eigenaar, kwam toen juist van het toilet vandaan. [appellant] en [geïntimeerde 1] kwamen met elkaar in botsing. De botsing was, althans mede, het gevolg van het feit dat [geïntimeerde 1] over de drempel struikelde. [appellant] kwam ten val op de harde stenen vloer en heeft letsel opgelopen.

4.5.

Elementen waarin volgens [appellant] onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] ligt besloten:

4.5.1.

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde 1] onrechtmatig gehandeld omdat [geïntimeerde 1] :

  • -

    een ongebruikelijke route heeft genomen (namelijk onder de trap door)

  • -

    harder heeft gelopen dat ter plaatse normaal/gebruikelijk/gewenst is

  • -

    is gestruikeld en daardoor tegen [appellant] aan is gevallen

4.6.

Vordering; beslissing rechtbank; grieven:

4.6.1.

[appellant] heeft de rechtbank bij verzoekschrift in het kader van de deelgeschilprocedure verzocht te beslissen dat [geïntimeerde 1] (en diens verzekeraar [geïntimeerde 2] ) aansprakelijk is (zijn) voor de schade welke hij, [appellant] , heeft geleden als gevolg van het op 30 juli 2014 aan hem overkomen ongeval. Voorts vorderde hij een begroting van de kosten van rechtsbijstand en veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in die kosten. [geïntimeerde 1] voerde verweer.

4.6.2.

De rechtbank oordeelde in de bestreden beschikking dat de toedracht voldoende was komen vast te staan (r.o. 3.11), en oordeelde voorts (r.o. 3.8) dat de botsing van [geïntimeerde 1] met [appellant] niet zodanig waarschijnlijk en inherent aan het gedrag van [geïntimeerde 1] was dat deze zich van dat gedrag had dienen te onthouden. Ook al was de kans op struikelen bij het inzetten van een sprint groter dan indien er zou zijn gewandeld, het oplopen van letsel door een ander is niet inherent aan dat gedrag. De rechtbank kwalificeert de situatie als een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Tegen deze r.o. 3.11 is grief 1 gericht.

4.6.3.

De rechtbank heeft voorts de kosten van de behandeling van het deelgeschil begroot op € 5.518,-- (daartegen wordt geen grief gericht), doch de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] afgewezen en daartegen is grief 2 gericht.

4.7.

Met grief 1 wordt de essentie van het geschil aan het hof ter beoordeling voorgelegd. Het hof bespreekt het geschil aan de hand van de verwijten van [appellant] zoals hiervoor geformuleerd onder r.o. 4.5.1.

4.8.

Route van [geïntimeerde 1] :

4.8.1.

[appellant] verwijt [geïntimeerde 1] onder meer dat deze een ongebruikelijke route heeft genomen, tussen de loungestoelen en onder de trap door, in plaats van de route om de lounge-set en de trap heen.

4.8.2.

[geïntimeerde 1] betwist elke hierin gelegen onrechtmatigheid.

4.8.3.

Naar ’s hofs oordeel ligt er in de door [geïntimeerde 1] gevolgde route geen enkel aspect van onrechtmatigheid besloten. Afgezien van het feit dat er nu, van buiten af gezien, een lounge-set voor het midden van de trap stond, lag een route rondom de trap niet meer voor de hand dan een route onder de trap door. Belangrijker dan dat is de constatering dat [appellant] zelf heeft verklaard dat hij [geïntimeerde 1] aan heeft zien komen. De situatie dat [geïntimeerde 1] van een kant kwam welke [appellant] niet behoefde te verwachten doet zich dus niet voor.

4.8.4.

Terecht heeft [geïntimeerde 1] zich voorts op het standpunt gesteld dat in de enkele omstandigheid dat hij en [appellant] als gevolg van die route min of meer tegelijkertijd op dezelfde plaats waren (hetgeen zich niet zou hebben voorgedaan als hij om de trap heen was gelopen) geen onrechtmatigheid ligt besloten. Indien op een kruising een botsing tussen auto’s ontstaat tussen auto’s A en B welke niet zou zijn gebeurd als automobilist A een kwartier eerder, ergens anders, niet door rood zou zijn gereden, vloeit uit laatstbedoelde omstandigheid nog niet voort dat A aansprakelijk is jegens de andere automobilist B.

4.9.

De snelheid van [geïntimeerde 1] :

4.9.1.

[appellant] :

  • -

    in zijn aansprakelijkheidsbrief (bijlage A; “ [appellant] -1”) maakt hij in het geheel geen gewag van rennen, hard lopen of sprinten. Hij verwijt [geïntimeerde 1] hier dat deze is gestruikeld en daardoor tegen hem, [appellant] , aan kwam.

  • -

    in zijn commentaar (bijlage C; “ [appellant] -2”) op het rapport [expert] (bijlage E) schrijft [appellant] halverwege blad 2 dat [geïntimeerde 1] harder liep dan hij ( [appellant] ), en dat dit harder lopen aangemerkt diende te worden als gaande in de richting van “hardlopen” maar zeker niet lopen of wandelen.

  • -

    in zijn verklaring die als bijlage I is overgelegd ( [appellant] -3) schrijft hij dat [geïntimeerde 1] met een “flinke vaart” richting zwembad kwam. De totale afstand van zijn aanloop naar het zwembad was ongeveer 7 meter.

4.9.2.

[geïntimeerde 1] :
in zijn antwoordformulier (bijlage D) verklaarde hij dat hij “vol enthousiasme” richting het zwembad liep, dat hij vanaf enig moment zijn snelheid heeft verhoogd doordat hij met versnelde pas is gaan lopen, en dat hij begon met een aanloopversnelling (op ongeveer vier meter van de drempel) om te springen.

4.9.3.

Behalve [appellant] en [geïntimeerde 1] is [getuige 2] de enige die heeft gezien hoe [geïntimeerde 1] naar het zwembad is gelopen. Immers, [partner appellant] was in de keuken en [getuige 1] en [partner geïntimeerde 1] lagen al in het zwembad.
In zijn eerste verklaring (bijlage F) verklaarde [getuige 2] dat [geïntimeerde 1] naar het zwembad “liep”. In zijn tweede verklaring verklaarde hij dat [geïntimeerde 1] aanstalten dan wel een aanloop maakte om in het zwembad te springen, wat betekent dat hij geen normale loop had maar een verhoogd tempo “kort sprintje” [aanhalingstekens conform origineel; hof] om een sprong te maken in het zwembad.

4.9.4.

In de diverse verklaringen (dus niet: de processtukken) spreken [geïntimeerde 1] , [appellant] en [getuige 2] over:

[geïntimeerde 1] :

  • -

    verhoogde snelheid

  • -

    versnelde pas

  • -

    vol enthousiasme

[appellant] :

  • -

    harder lopen

  • -

    richting hard lopen

  • -

    zeker niet lopen of wandelen

  • -

    komen met flinke vaart

[getuige 2] :

  • -

    aanloop om te springen

  • -

    verhoogd tempo

  • -

    kort sprintje

4.9.5.

[geïntimeerde 1] maakt veel werk van vermeende tegenstrijdigheden en inconsistenties in [appellant] ’ kwalificatie van de wijze van lopen van [geïntimeerde 1] . Ten onrechte. Bij gebreke van objectieve, in meters per seconde uitgedrukte gegevens omtrent de snelheid van [geïntimeerde 1] kunnen de betrokkenen en getuigen niet anders dan met ontoereikende woorden trachten een beeld te scheppen van de snelheid van [geïntimeerde 1] .

4.9.6.

Het hof acht van algemene bekendheid dat:

  • -

    een rustig wandeltempo omstreeks 4 km/u bedraagt

  • -

    een normaal wandeltempo omstreeks 5 km/u bedraagt

  • -

    een stevig wandeltempo omstreeks 6 km/u bedraagt

  • -

    een rentempo voor amateurs 8 tot 12 km/u bedraagt.

4.9.7.

In een tuin of op een terras zal gebruikelijk eerder een rustig wandeltempo worden gehanteerd dan een tempo dat bij een boswandeling gebruikelijk is. Dus 4 km/u of daaromtrent.
De diverse door [appellant] , [geïntimeerde 1] en [getuige 2] gegeven kwalificaties passen meer bij een “stevig wandeltempo” van 6 km/u of daaromtrent. De kwalificatie van “kort sprintje” is daarmee niet in strijd, omdat dit sprintje over slechts enkele meters werd getrokken en dus nog niet een normaal hardlooptempo kon zijn bereikt. Zeker niet tussen stoelen door.

4.9.8.

Deze snelheid als zodanig is niet zo hoog en zo potentieel gevaarscheppend dat reeds daarom [geïntimeerde 1] zich daarvan had moeten onthouden. Herhaald zij dat [appellant] [geïntimeerde 1] zag aankomen. De snelheid als zodanig werd blijkens zijn verklaringen door [appellant] destijds ook niet als intrinsiek gevaarlijk aangemerkt.

4.9.9.

[appellant] wijst op de natte vloer rondom het zwembad en wijst erop dat algemeen bekend is dat rondom zwembaden niet hard mag worden gelopen. Volgens [geïntimeerde 1] geldt dat enkel, of vooral, bij openbare zwembaden gelet op de daar gebruikelijke drukte en het rondlopen van zowel jonge kinderen als bejaarde mensen.

4.9.10.

Het hof acht dit aspect niet van belang. De situatie dat [geïntimeerde 1] rennend is uitgegleden over de natte vloer waar hij niet zou zijn uitgegleden als hij niet had gerend doet zich helemaal niet voor. Hij is gestruikeld en kon zichzelf vervolgens niet in evenwicht houden doordat de vloer nat was. Maar dat had dan ook kunnen gebeuren als hij was gestruikeld door een andere oorzaak dan doordat hij met versnelde pas had gelopen.

4.10.

Struikeling:

4.10.1.

Een persoon kan struikelen. Gewoonlijk heeft alleen hijzelf daar last van; letsel bij degene die struikelt ligt voor de hand (aldus ook de rechtbank). Ook letsel bij derden, dus niet degene die struikelt, kan voorkomen doch dergelijk letsel ligt niet bij voorbaat voor de hand.
Als iemand struikelt en daarbij een ander meeneemt, is dat uiterst onaangenaam voor beide betrokkenen, maar dat enkele gegeven brengt niet met zich dat de struikelaar aansprakelijk is voor de schade aan degene die hij mede onderuit heeft gehaald.

4.10.2.

Dit kan mogelijk anders zijn indien het gedrag van de struikelaar zo roekeloos is geweest dat ofwel hij in de gegeven situatie concreet heeft kunnen, en moeten, voorzien dat ook bepaalde derden daarbij betrokken zouden kunnen raken, ofwel op de koop toe heeft genomen dat derden – wie dan ook – in zijn val meegesleurd zouden worden.

4.10.3.

In het onderhavige geval is niet uitgesloten – zekerheid daaromtrent bestaat niet – dat [geïntimeerde 1] niet zou zijn gestruikeld als hij een ter plaatse aangepast tempo (“rustig wandeltempo”) had aangehouden èn beter had opgelet.
Maar zo hoog dat het reële risico bestond dat hij zou struikelen enkel of vooral als gevolg van die snelheid, met mogelijk gevolgen voor derden, lag dat tempo nu ook weer niet.

4.10.4.

De gevolgen voor [appellant] waren aanzienlijk. Dat was bij de val op een harde stenen vloer niet onvoorzienbaar, maar evenmin onvermijdelijk; bij een val, ook op een harde vloer, blijft het vaak bij schrammen, schaafwonden of blauwe plekken. Indien er sprake is van een onrechtmatige daad van de “veroorzaker” komt de eventuele omstandigheid dat het letsel ernstiger is dan gebruikelijk voor risico van die veroorzaker, maar het dient niet zo te zijn dat omdat het letsel ernstiger is, eerder tot onrechtmatigheid van het gedrag van de “veroorzaker” wordt geconcludeerd.
De enkele omstandigheden dat in dit geval [geïntimeerde 1] is gestruikeld, [appellant] toevallig net in de buurt was en in [geïntimeerde 1] ’ val is meegesleurd, leiden er niet toe dat achteraf gezien [geïntimeerde 1] ’ handelwijze – enkel bestaande in het ter plaatse sneller dan normaal lopen en, mogelijk, onvoldoende opletten in een hem niet zeer goed bekende situatie – als gevaarzettend jegens derden in het algemeen en [appellant] in het bijzonder kan worden gekenschetst.

4.11.

Kelderluikcriteria:

4.11.1.

[appellant] heeft zijn betoog opgezet aan de hand van de vier kelderluikcriteria:

  • -

    mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en onvoorzichtigheid kan worden verwacht

  • -

    hoegrootheid van de kans op een ongeval

  • -

    ernst van de gevolgen

  • -

    mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen

4.11.2.

Het hof acht deze criteria minder hanteerbaar in een situatie als de onderhavige, vooral omdat die criteria in het bijzonder zien op een potentieel onveilige of gevaarlijke situatie, terwijl in dit geval veeleer sprake is van een - gestelde - gevaarlijke gedraging.

4.12.

Conclusie:

4.12.1.

Het leven van alledag wordt onwerkbaar indien te allen tijde van iedereen de hoogste zorgvuldigheid en oplettendheid zou worden geëist. Mensen zijn soms minder handig en daar kunnen, soms, andere mensen de dupe van worden. Dat valt, bezien vanuit de optiek van die andere mensen – de “slachtoffers” – onder de gevaren van alledag die voor risico van dat slachtoffer zelf komen. In het onderhavige geval ware het wenselijk geweest indien [geïntimeerde 1] een grotere mate van oplettendheid en behoedzaamheid in acht had genomen dan hij feitelijk heeft gedaan, maar dat hij dat niet heeft gedaan maakt zijn gedrag nog niet onrechtmatig jegens [appellant] .

4.12.2.

Terecht heeft de rechtbank de vordering dus afgewezen. Grief 1 faalt en daarmee grief 2 eveneens. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. Krachtens rechtspraak van de Hoge Raad geldt, nu het een gewone dagvaardingsprocedure betreft, in hoger beroep niet de regeling van art. 1019 aa Rv. maar de gewone regeling van art. 237 e.v. Rv.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de deelgeschilbeschikking, waarvan beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot heden begroot op € 711.,-- aan vast recht en € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, H.A.W. Vermeulen en M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juni 2016.

griffier rolraadsheer