Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2489

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
200.168.365_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid (artikel 7:658 lid 2 BW). Onduidelijke toedracht ongeval. Zorgplicht werkgever. Causaal verband tussen zorgplichtschending en schade. Schadestaatprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.168.365/01

arrest van 21 juni 2016

in de zaak van

Lidl Nederland GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Duitsland, kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Lidl,

advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] , althans in het vonnis waarvan beroep genoemd [geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I.A.W. van den Broek te Veldhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 maart 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 december 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen Lidl als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2960738 CV EXPL 14-1994)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld (eind)vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 25 juni 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van Lidl van 8 september 2015 met een productie;

  • -

    de akte overlegging productie van [geïntimeerde] van 8 september 2015 met een productie;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] van 6 oktober 2015;

  • -

    de antwoordakte van Lidl van 6 oktober 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in rov. 3.1 overwogen dat het volgende vast staat tussen partijen:

  • -

    eiseres is van 29 augustus 2006 tot en met 29 augustus 2009 in dienst geweest van gedaagde in de functie van orderpicker en werkzaam geweest in het distributiecentrum te [kantoorplaats] ;

  • -

    op 19 februari 2008 omstreeks 11.00 uur is eiseres een bedrijfsongeval overkomen, als gevolg waarvan zij een gecompliceerde enkelbreuk heeft opgelopen, meerdere operaties heeft ondergaan, langdurig fysiotherapeutische behandelingen heeft gehad, en met ernstig, blijvend letsel tot gevolg (hierna: “het ongeval”);

- gedaagde heeft geen melding van het ongeval gedaan bij de Arbeidsinspectie;

- eiseres heeft gedaagde bij brief van 28 juni 2010 aansprakelijk gesteld voor alle materiële en immateriële schade die zij leed, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval;

- gedaagde is voor haar schade verzekerd bij Chartis Europe S.A. Netherlands (hierna “Chartis”);

- gedaagde heeft de aansprakelijkheid voor de door eiseres geleden schade afgewezen;

- Chartis heeft een toedrachtsonderzoek laten instellen door [Onderzoeksbureau]

Nederland;

  • -

    op 24 september 2012 heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden omtrent de toedracht tot het ongeval;

  • -

    volgens de heer [distributiemanager] , distributiemanager in het distributiecentrum van gedaagde te [kantoorplaats] , is in de binnen de onderneming van gedaagde aanwezige Risico

Inventarisatie & Evaluatie het valgevaar vanaf een pallet niet opgenomen.

3.1.2.

Grief 1 is gericht tegen deze feitenvaststelling voor zover de kantonrechter heeft geoordeeld dat door het ongeval ernstig, blijvend letsel is ontstaan. Op deze grief zal het hof hierna (in rov. 3.17) terugkomen. Voor het overige is de feitenvaststelling niet betwist. In het navolgende kan en zal in zoverre daarvan door het hof worden uitgaan, behoudens voor zover de kantonrechter heeft overwogen dat het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 24 september 2012; dit moet blijkens het proces-verbaal van dat getuigenverhoor (productie 9 bij de inleidende dagvaarding) zijn: 26 september 2012).

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Lidl aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden ten gevolge van het ongeval op 19 februari 2009 (lees: 2008, hof);

II. Lidl te veroordelen om aan [geïntimeerde] een schadevergoeding te betalen nader op te maken bij staat;

III. Lidl te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] moest voor haar order twee trays met yoghurt uit een stelling pakken. Ze moest hiervoor op een lege pallet stappen, die vóór de pallet stond waarop de yoghurts stonden. Op deze lege pallet lag een aantal kapotte (ver)pakkingen yoghurt. Nadat zij de trays had gepakt, draaide zij zich om en gleed uit over yoghurt die nog op de lege pallet lag. [geïntimeerde] viel met haar rug tegen een ijzeren stellage. Zij viel achterover en is op het gangpad terecht gekomen. Hierbij is haar voet onder haar billen terechtgekomen. [geïntimeerde] hoorde haar enkel kraken. [geïntimeerde] is na haar val per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd waar een gecompliceerde enkelbreuk werd vastgesteld.

[geïntimeerde] heeft ten gevolge van het ongeval schade geleden, voor welke schade zij Lidl op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk stelt. Lidl is tekort geschoten in haar zorgverplichting. Van opzet noch bewuste roekeloosheid is sprake aan de zijde van [geïntimeerde] .

3.2.3.

Lidl heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 25 juni 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, welke heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2014. Van de comparitie hebben partijen geen proces-verbaal of aantekeningen van de griffier, waarvan bij het procesverloop in het vonnis waarvan beroep melding wordt gemaakt, overgelegd.

3.3.2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, kort samengevat, het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast staat dat [geïntimeerde] tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden een ongeval is overkomen, als gevolg waarvan zij schade heeft opgelopen. Niet in geschil is dat het ongeval heeft plaatsgevonden op of nabij een lege pallet. Tevens staat tussen partijen vast dat bij het ongeval geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [geïntimeerde] . Partijen verschillen van mening over de feitelijke toedracht van het ongeval.

Volgens de kantonrechter kan ervan worden uitgegaan dat zich op de werkvloer lege pallets bevonden en dat door Lidl geen bijzondere instructies zijn gegeven deze onmiddellijk weg te halen, nadat deze leeg zijn geraakt. Volgens vaste rechtspraak moet ook rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in een bepaalde werksituatie ertoe kan leiden dat (ook) de (ervaren) werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam is. Aangenomen kan worden dat, indien de orderpickers de instructie zouden hebben een lege pallet niet te betreden maar deze te (laten) verwijderen, zich ter plaatse geen lege pallet op de vloer had bevonden, waardoor het ongeval niet, althans niet op deze wijze, had plaatsgevonden.

Door op de wijze zoals Lidl heeft gedaan, de onderhavige werkruimte in te richten en niet de lege pallets onmiddellijk weg te halen nadat ze zijn leeggeraakt, en evenmin haar werknemers te instrueren dat zij lege pallets niet mogen betreden, heeft Lidl naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende maatregelen getroffen of aanwijzingen verstrekt om het onderhavige ongeval te voorkomen.

De discussie tussen partijen omtrent het al dan niet aanwezig zijn van yoghurt op de pallet behoeft geen beoordeling, nu het tekortschieten in de zorgplicht reeds met zich brengt, dat Lidl aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] gestelde schade, aldus de kantonrechter.

Op grond van het voorgaande heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

3.4.

Lidl heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

3.5.

Bij de beoordeling van de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW op het stuk van de stelplicht en bewijslastverdeling het volgende geldt:

(i) De werknemer dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen.
(ii) Indien komt vast te staan dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekort geschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van de werknemer is te wijten. Staat die toedracht vast, dan kan de werkgever volstaan met aan te tonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen teneinde dit specifieke ongeval te voorkomen. Onduidelijkheid omtrent de toedracht van het ongeval betekent derhalve een ruimere bewijslast voor de werkgever.
(iii) Slaagt de werkgever niet erin het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen. Ook op dit punt is de toedracht van het ongeval van belang, omdat ook hier geldt dat de omstandigheid dat hieromtrent onduidelijkheid bestaat, een groter bewijsrisico voor de werkgever meebrengt.

Deze verdeling van stelplicht en bewijslast kent als achtergrond dat van een werknemer mag worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen, maar niet dat ook van hem mag worden verlangd dat hij aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest (vgl. HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432).

3.6.

Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen (ook) in hoger beroep vast staat dat [geïntimeerde] tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden een ongeval is overkomen. Niet bestreden in hoger beroep is ook de overweging van de kantonrechter dat niet in geschil is dat het ongeval heeft plaatsgevonden op of nabij een lege pallet. Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij het daarenboven eens zijn dat [geïntimeerde] tijdens het orderpicken ten val is gekomen en dat zij ten tijde van het ongeval bezig was om trays met yoghurt van een pallet te pakken, om die op haar ECE (een elektrisch aangedreven verzamelwagen) te plaatsen. Volgens de door Lidl gestelde en door [geïntimeerde] niet betwiste beschrijving van de werkzaamheden van het orderpicken moeten de goederen door de orderpickers uitsluitend worden verzameld van pallets die op de grond liggen en bevinden er zich twee pallets achter elkaar, waarop de goederen staan. Niet ter discussie staat voorts dat [geïntimeerde] bezig was goederen van de achterste pallet te pakken, en dat de voorste pallet leeg was.

3.7.

Over de precieze toedracht van het ongeval verschillen partijen van mening. [geïntimeerde] is in hoger beroep gebleven bij de hiervoor in rov. 3.2.2 weergegeven toedracht. Ter onderbouwing daarvan verwijst zij naar de verklaringen die door [geïntimeerde] en haar (toenmalige) collega bij Lidl, [medewerker Lidl 1] , zijn afgelegd in het kader van het op 26 september 2012 gehouden voorlopig getuigenverhoor omtrent de toedracht tot het ongeval. Volgens Lidl is [geïntimeerde] echter niet over yoghurt uitgegleden, maar heeft zij een misstap gemaakt. Zij beroept zich daarbij op verklaringen van [medewerker Lidl 2] , medewerker van Lidl. Hij heeft zowel bij het voorlopig getuigenverhoor als tegenover [Onderzoeksbureau] verklaard dat hij het ongeval gezien heeft, dat [geïntimeerde] is gevallen toen zij met haar voet op de rand van een pallet stapte en dat hij ten tijde van het ongeval geen yoghurt op de vloer heeft zien liggen. Ook beroept Lidl zich op de verklaring van [medewerker Lidl 3] , eveneens medewerker van Lidl, die het ongeval niet gezien heeft, maar direct daarna kwam aanlopen, bij het voorlopig getuigenverhoor en tegenover [Onderzoeksbureau] dat er ten tijde van de ongeval geen yoghurt op de vloer lag.

3.8.

Gelet op het voorgaande staat de precieze toedracht van het ongeval niet vast. Gezien de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [medewerker Lidl 1] kan de door Lidl gestelde toedracht van het ongeval niet worden aangenomen. Dat, zoals Lidl naar voren heeft gebracht, deze getuigenverklaringen een wijziging inhouden ten opzichte van hun verklaringen eerder tegenover [Onderzoeksbureau] , waar zij verklaard hebben dat [geïntimeerde] op de vloer over de yoghurt is uitgegleden (en niet op de pallet) is onvoldoende om de getuigenverklaringen als onbetrouwbaar buiten beschouwing te laten. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] pas twee jaar na het ongeval heeft gesteld dat zij over yoghurt is uitgegleden, doet aan het voorgaande onvoldoende af. Lidl heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat [medewerker Lidl 1] het ongeval heeft (kunnen) zien gebeuren, maar daarvan kan evenmin worden uitgegaan gezien de verklaringen van [medewerker Lidl 1] waaruit volgt dat zij dit ongeval wel heeft waargenomen. Van bijzondere omstandigheden waarin, zoals door Lidl bepleit, de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van de door haar gestelde toedracht van het ongeval is naar het oordeel van het hof geen sprake. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat Lidl het onderhavige ongeval niet gemeld heeft bij de Arbeidsinspectie, waardoor er geen onafhankelijke ongevallenrapportage is. Lidl heeft geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan ten aanzien van de door haar gestelde toedracht van het ongeval. Het hof ziet ook geen aanleiding om haar ambtshalve op te dragen die te bewijzen. Dit betekent dat zich in dit geval de situatie voordoet dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de toedracht van het ongeval als hiervoor bedoeld in rov. 3.5 onder (ii).

3.9.

Lidl heeft zich op het standpunt gesteld dat zij aan haar zorgplicht als werkgeefster heeft voldaan. Het hof zal in dit verband eerst de stelling van Lidl bespreken dat het betreden en belopen van een pallet niet gevaarlijk is en ook geen specifiek werkrisico is. Het betreden van pallets verschilt niet van de dagelijkse veelvuldig voorkomende situaties waarin men de trap op- en afloopt en opstapjes of de stoep betreedt, aldus Lidl. Allereerst verdient opmerking dat, hoewel partijen van mening verschillen over de precieze toedracht van het ongeval, uit de stellingen van beide partijen kan worden afgeleid dat de toedracht van het ongeval wel samenhangt met de werksituatie van [geïntimeerde] , waarbij zij op een pallet moest staan om goederen van een andere pallet te pakken. Ook indien, zoals Lidl stelt, [geïntimeerde] een misstap heeft gemaakt, in de zin dat zij ten val is gekomen toen zij met haar voet op de rand van een pallet stapte zoals [medewerker Lidl 2] heeft verklaard, is dat voldoende aanwijzing dat er sprake was van een reëel valgevaar. Redenen om aan te nemen dat er geen sprake was van valgevaar zijn het hof niet gebleken. Zelfs als zich niet eerder ongevallen hebben voorgedaan – zoals Lidl stelt en [geïntimeerde] betwist, zodat dit niet vast staat – leidt dat niet tot een ander oordeel. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat Lidl geen Risico Inventarisatie & Evaluatie (RIE), waarin het valgevaar vanaf een pallet is opgenomen, heeft overgelegd (zie ook hiervoor rov. 3.1.1, laatste gedachtestreepje). Voorts heeft [geïntimeerde] er terecht op gewezen dat het moeten stappen op een pallet om goederen van een andere pallet te pakken in een werksituatie niet vergelijkbaar is met een huis-, tuin- en keukensituatie. Er was immers sprake van veelvuldig terugkerende handelingen. Ook diende Lidl ermee rekening te houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Dit geldt ook voor “ervaren” werknemers (Lidl heeft [geïntimeerde] , die ten tijde van het ongeval anderhalf jaar in de functie van orderpicker werkzaam was, aangemerkt als een ‘ervaren kracht’).

3.10.

Lidl heeft ook gesteld dat de ernst van de gevolgen van een val doorgaans beperkt is. Feit is evenwel in het onderhavige geval dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval een gecompliceerde enkelbreuk heeft opgelopen. Mede gelet daarop kan het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, Lidl niet volgen in de onderhavige stelling. [Ook hierbij is van belang dat Lidl geen RIE heeft overgelegd waarin aandacht is besteed aan het valgevaar vanaf een pallet.

3.11.

Volgens Lidl heeft zij, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, wel degelijk voldoende maatregelen getroffen en aanwijzingen verstrekt. Daarbij heeft Lidl uiteengezet dat de orderpickers tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de door Lidl ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals veiligheidsschoenen met antislipprofielen, dragen en dat [geïntimeerde] op de dag van het ongeval deze spullen ook droeg. Ook is de koelruimte goed verlicht en zijn de pallets goed zichtbaar binnen het bereik van de stellingen opgesteld. Voorts rijden er zogenoemde reachtruckers continue rond en zijn deze geïnstrueerd om lege pallets steeds weg te halen om deze elders in het distributiecentrum in te kunnen zetten. Op de naleving hiervan wordt toegezien door het hoofd van de afdeling goederenontvangst. Daar komt bij dat de orderpickers geïnstrueerd zijn om indien de locatie bijna leeg is – dus wanneer ook de (oorspronkelijk) tweede pallet bijna leeg is – dit via het computerscherm van de ECE te melden, zodat die pallet wordt weggehaald en de locatie wordt aangevuld met twee nieuwe gevulde pallets. Ook is in de koelruimte altijd een schoonmaker aanwezig, die continue bezig is met alle voorkomende werkzaamheden, zoals opruimen, vegen, schoonmaken, etcetera. Deze kan ook incidenteel worden opgeroepen, zoals wanneer er yoghurt is gevallen. Aldus – steeds – Lidl.

3.12.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor beschreven maatregelen, instructies en toezicht in het onderhavige geval onvoldoende moeten worden geacht. Ook als juist is wat Lidl stelt over het weghalen van de pallets, is inherent aan de praktijk dat orderpickers voor hun order op lege pallets moeten lopen om goederen op een daarachter gelegen pallet te pakken en daar vervolgens weer vanaf moeten stappen om de goederen op de ECE te plaatsen. Dat, naar Lidl stelt, het ophalen van de lege pallets doorgaans al binnen enkele minuten gebeurt, maakt dat niet anders. Overigens heeft [geïntimeerde] de onderhavige stellingen van Lidl weersproken. Volgens haar was het gebruikelijk dat de eerste pallet bleef liggen totdat de tweede pallet nagenoeg leeg was. Daarvan is de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep ook uitgegaan (rov. 3.7), overwegende dat Lidl dat ter zitting in eerste aanleg heeft bevestigd. Lidl ontkent dat laatste in hoger beroep. Zoals hiervoor in rov. 3.3.1 is overwogen, zijn geen proces-verbaal of griffiersaantekeningen beschikbaar waaruit kan blijken wat Lidl tijdens de comparitie heeft verklaard. Dit geschilpunt behoeft evenwel verder geen behandeling (bijvoorbeeld door bewijslevering) gelet op het navolgende.

3.13.

Gegeven het valgevaar vanaf een pallet in de onderhavige werksituatie, is het hof van oordeel dat Lidl niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Lidl heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom van haar niet mag worden verlangd, gegeven het valgevaar vanaf een pallet in de onderhavige werksituatie, dat zij de werksituatie zo inricht dat het niet nodig is voor orderpickers om op lege pallets te staan. Het moge zo zijn dat, zoals Lidl benadrukt, pallets een wezenlijk en onmisbaar onderdeel van het werkproces zijn, maar [geïntimeerde] heeft terecht opgemerkt dat een vrij eenvoudige maatregel is om de eerste pallet weg te nemen zodra die leeg is. In de visie van Lidl zou dit (zeer) bezwaarlijk zijn, maar dit heeft zij onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft het hof ook in zijn oordeel betrokken dat Lidl ten onrechte de huidige praktijk als een gegeven lijkt te beschouwen dat orderpickers ook goederen moeten verzamelen van twee zich achter elkaar bevindende pallets die op de grond liggen.

3.14.

Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat geen (bijzondere) instructies zijn gegeven. Ook rekening houdend met de onduidelijkheid die bestaat omtrent de toedracht van het ongeval, had Lidl naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] instructies moeten geven over hoe zij haar werk op een veilige wijze diende uit te voeren. Te denken valt in eerste instantie aan de instructie in het geheel niet op lege pallets te lopen. Lidl heeft aangegeven dat volgens haar voor de werkzaamheden van een orderpicker geen speciale opleiding nodig is, dat het ongeschoold werk is en dat een orderpicker ingewerkt wordt door een andere (ervaren) orderpicker. Dat een orderpicker instructies kreeg met betrekking tot het valgevaar vanaf een pallet heeft Lidl niet gesteld. In elk geval had Lidl in de onderhavige werksituatie, waarin orderpickers goederen moeten verzamelen van twee zich achter elkaar bevindende pallets die op de grond liggen, [geïntimeerde] – duidelijk en herhaaldelijk – moeten waarschuwen voor het valgevaar, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Lidl had moeten doen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het herhaaldelijk moeten stappen op een pallet, erop lopen en weer ervan afstappen, gemakkelijk kan leiden tot valpartijen, zeker bij vermoeidheid. Kennelijk is Lidl echter van mening dat zij, ook na het ongeval dat [geïntimeerde] is overkomen, hiervoor niet hoeft te waarschuwen.

3.15.

Nu Lidl niet aan haar zorgverplichting heeft voldaan, is het causaal verband tussen haar tekortkoming en het ongeval gegeven (zie hiervoor rov. 3.5 onder (iii). Ook het vereiste causaal verband tussen de zorgplichtschending en de schade acht hof aanwezig in het onderhavige geval. Waar Lidl meent dat er redelijkerwijs geen maatregelen te treffen of instructies te geven waren die het ongeval hadden kunnen voorkomen, deelt het hof die mening niet. Ook hier werkt de onduidelijkheid die bestaat omtrent de toedracht van het ongeval in het nadeel van het Lidl op grond van hetgeen ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW op het stuk van de stelplicht en bewijslastverdeling geldt, zoals weergegeven in rov. 3.5. In elk geval kan niet gezegd worden dat de in rov. 3.13 genoemde instructies en in 3.14 genoemde maatregelen geen bijdrage hadden kunnen leveren aan het voorkomen van het ongeval.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Lidl aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden ten gevolge van het ongeval op 19 februari 2008. De door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht is dan ook terecht toegewezen in het vonnis waarvan beroep.

3.17.

Ook de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure is terecht toegewezen. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is, wat het element schade betreft, voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Aan die voorwaarde is in het onderhavige geval (ruimschoots) voldaan. Buiten kijf staat immers dat [geïntimeerde] daadwerkelijk schade heeft geleden doordat zij letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeval. Bespreking van concrete schadeposten is in het onderhavige geval op zijn plaats in de schadestaatprocedure. In het procesdossier bevindt zich onvoldoende informatie om de schade in de onderhavige procedure te begroten. In het midden kan en zal daarom blijven of er sprake is van ernstig, blijvend letsel, zoals [geïntimeerde] stelt en Lidl betwist.

3.18.

De grieven stranden op het voorgaande. Lidl heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Bewijslevering is derhalve niet aan de orde.

3.19.

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd en dat Lidl als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, als gevorderd met nakosten en wettelijke rente over deze kosten.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Lidl in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,00 aan griffierecht en op € € 1.788,00 aan salaris gemachtigde, en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer