Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1718

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
200 183 562_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht.

WWZ.

De geweldsexplosie waarbij werknemer meubilair in de richting van collega’s gooide, levert dringende reden ontslag op staande voet op.

Dit geldt ook indien verwijtbaarheid niet vast staat.

Schadevordering op grond van 7:661 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 661
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0478
AR 2016/1255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 28 april 2016

Zaaknummer : 200.183.562/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4428263 / EJ VERZ 15-413 / 317

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. P.A. Schippers te 's-Hertogenbosch,

tegen

[HFS] C.V. alsmede diens vennoten,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. B.A. Roosenboom te Velp, gemeente Rheden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met een deel van het procesdossier van de eerste aanleg en een productie, ingekomen ter griffie op 6 januari 2016;

  • -

    het verweerschrift met het restant van het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 25 februari 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 september 2015, ingekomen ter griffie op 11 februari 2016;

  • -

    een V6-formulier van [appellante] met productie, ingekomen ter griffie op 25 maart 2016;

  • -

    een brief van [verweerster] met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2016;

  • -

    een V6-formulier van [appellante] met productie, ingekomen ter griffie op 30 maart 2016;

  • -

    een V6-formulier van [appellante] met een akte wijziging eis ten behoeve van de mondelinge behandeling op 1 april 2016, ingekomen ter griffie op 31 maart 2016;

- de op 1 april 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Schippers en door de heer A. Khabote, beëdigd tolk;

- mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] , HR-adviseur en casemanager bij [verweerster] , en de heer [operationeel manager bij verweerster] , operationeel manager bij [verweerster] , bijgestaan door mr. Roosenboom;

- de tijdens bovengenoemde zitting door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

2.2.

De door [appellante] toegezonden productie, ingekomen ter griffie op 30 maart 2016, is ingekomen buiten de in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

[verweerster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat het gaat om een wijziging van de productie van [appellante] die is ingekomen ter griffie op 25 maart 2016, en deze wijziging kort en eenvoudig te doorgronden is, heeft het hof echter beslist dat deze productie wordt toegelaten.

2.3.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1979, is op 16 april 2004 in dienst getreden bij de (rechtsvoorgangster van) [verweerster] . [appellante] vervulde de functie van medewerkster algemeen schoonmaakonderhoud. Haar salaris bedroeg laatstelijk € 11,46 bruto per uur, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%.

[appellante] verrichtte haar werkzaamheden laatstelijk op het object Brabantwater in
[locatie] . Sinds 23 april 2014 is [appellante] arbeidsongeschikt.

De opdrachtgever van het object Brabantwater heeft de schoonmaakwerkzaamheden aldaar per 1 juni 2015 opnieuw aanbesteed en heeft daarbij de eis gesteld dat de schoonmakers de Nederlandse taal machtig dienen te zijn. [appellante] heeft in dat kader op 11 december 2014 een intake gedaan voor een taalcursus ‘Taal in de schoonmaak’. Uit de intake bleek dat [appellante] de Nederlandse taal onvoldoende beheerste om aan de taalcursus deel te kunnen nemen. In een gesprek op 7 januari 2015 heeft [verweerster] dit met [appellante] besproken en aangegeven welke mogelijkheden er zijn. [verweerster] heeft de inhoud van dit gesprek bij brief van 12 januari 2015 aan [appellante] bevestigd. In de brief staat onder meer het volgende vermeld:
“Zoals besproken tijdens het gesprek zijn er verschillende mogelijkheden wanneer u per 1 juni 2015 de Nederlandse taal niet voldoende machtig bent om u een werkplek aan te kunnen bieden op Brabantwater. Op dit moment bent u arbeidsongeschikt en is dit niet aan de orde, maar wanneer we ervan uit gaan dat u op 1 juni 2015 arbeidsgeschikt bent, dan gelden de volgende mogelijkheden:
1) In het geval dat [verweerster] de opdrachtgever behoudt:
- Omdat wij u per 1 juni 2015 geen werkplek kunnen aanbieden bij Brabantwater,
dienen wij u conform cao te herplaatsen op een object die binnen een straal van 30
km. vanaf uw woonadres gelegen is. (…)
2) [verweerster] behoudt de opdrachtgever Brabantwater niet. In dat geval gaat een ander
schoonmaakbedrijf het schoonmaakonderhoud op het object Brabantwater
verzorgen. Conform cao dient het overnemende schoonmaakbedrijf u een contract
aan te bieden.
- Het andere schoonmaakbedrijf kan u ook niet plaatsen op het object Brabantwater
daar u de Nederlandse taal onvoldoende machtig bent. Ook zij zullen u, conform
de cao, moeten herplaatsen op een object die binnen een straal van 30 km. vanaf
uw woonadres gelegen is. (…)
Wij willen benadrukken dat bij een herplaatsing geldt dat u herplaatst mag worden binnen een straal van 30 km. vanaf uw woonadres. Het kan dus ook zo zijn dat u geplaatst wordt op een object die bijvoorbeeld 29 km. vanaf uw woonadres gelegen is. Dit is voor u niet gunstig, maar dit is conform cao wel een juist aanbod.”

Op 3 juli 2015 heeft [appellante] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geadviseerd te starten met de re-integratie met twee maal twee uur per week en dit om de twee weken uit te breiden met twee uur per week. [appellante] is op die dag aansluitend bij de casemanager, mevrouw [casemanager] , op gesprek geweest, waarbij ook de echtgenoot van [appellante] , alsmede de heer [operationeel manager bij verweerster] van [verweerster] aanwezig waren. In dit gesprek is besproken dat [verweerster] zou gaan kijken waar [appellante] de integratiewerkzaamheden zou gaan uitvoeren, omdat Brabantwater geen optie was.

[appellante] is uitgenodigd voor een gesprek met [verweerster] op 10 juli 2015 om te bespreken waar zij de re-integratieactiviteiten kan uitvoeren. [appellante] heeft zich tijdens dat gesprek agressief gedragen, zoals in de hierna onder h genoemde brief van [verweerster] staat beschreven.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens het gesprek op 10 juli 2015 is [appellante] bij brief van dezelfde datum door [verweerster] geschorst.

Bij brief van 13 juli 2015 heeft de bedrijfsarts de volgende verklaring afgelegd:
“Mevrouw [appellante] staat ziek gemeld vanwege klachten op persoonlijk en sociaal functioneren. Deze klachten zijn niet van dien aard dat werkneemster niet de consequenties van haar handelen kan overzien.
Ik heb van de werkgever begrepen dat werkneemster zich in het laatste gesprek met de werkgever agressief heeft gedragen. Dit gedrag valt niet terug te voeren op haar medische klachten en is geen gevolg van haar ziekte. Zij moet bovendien, gezien het voorgaande, in staat zijn de consequenties van dit gedrag te overzien.”

Op 14 april 2015 heeft [verweerster] [appellante] op staande voet ontslagen. Bij brief van 14 april 2015 heeft [verweerster] het ontslag op staande voet schriftelijk aan [appellante] bevestigd. Met betrekking tot de reden voor het ontslag wordt in deze brief het volgende vermeld:


“Bij brief van 10 juli 2015 bent u geschorst naar aanleiding van het incident dat die dag heeft plaatsgevonden. Wij hebben u die dag geschorst om ons te beraden en onderzoek te doen. (…)

In het kader van ons onderzoek hebben wij op maandag 13 juli 2015 contact gehad met de bedrijfsarts en bent u vandaag gehoord. De uitkomst is dat besloten is u op staande voet te ontslaan. (…)

Op vrijdag 10 juli 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden op ons regiokantoor te [vestigingsplaats] met als doel te bespreken waar u uw re-integratieactiviteiten kon uitvoeren. Bij dit gesprek waren naast u en uw partner, de heer [operationeel manager bij verweerster] (operationeel manager) en mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] (HR-adviseur) aanwezig.

De heer [operationeel manager bij verweerster] en mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] hebben u uitgelegd dat een object in [locatie] beschikbaar was om uw re-integratieactiviteiten te starten.
Bij het horen van de plaatsnaam ‘ [plaatsnaam] ’ schreeuwde u plots boos in het Turks. Uw man vertaalde en gaf aan dat u schreeuwde dat u daar nooit kon komen. U bent vervolgens heel boos geworden. U hebt de tafel gepakt en getracht deze op de heer [operationeel manager bij verweerster] en mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] te gooien, althans om te gooien. De heer [operationeel manager bij verweerster] heeft de tafel tegen moeten houden. Vervolgens hebt u de stoel waar u op zat opgepakt en rondgezwaaid. Een tweede stoel waar u man op zat, hebt u in de richting van de heer [operationeel manager bij verweerster] en mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] geprobeerd te gooien. U hebt gemist, maar hierdoor wel de twee deuren en de wand tussen de deuren beschadigd. Ook hebt u de lamellen van de ramen afgetrokken. Een deel van de lamellen is er volledig afgetrokken, een deel is afgescheurd.
Vanaf het moment dat u de tafel trachtte (om) te gooien, heeft uw man geprobeerd u in bedwang te houden. Dit lukte pas nadat u de lamellen van de ramen had afgetrokken. Uiteindelijk bent u bedaard en bent u gaan zitten. Mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] heeft getracht nogmaals uit te leggen wat u was aangeboden, maar u wilde niet luisteren. U bent vervolgens gaan krijsen en hebt een aantal keer het woord ‘ziek’ gekrijst, en wel zodanig dat dit te horen was voor andere collega’s in het gebouw.
Uiteindelijk hebben uw man en u het pand verlaten.

Naast het feit dat u met uw gedrag schade hebt toegebracht aan ons kantoor, hebben de heer [operationeel manager bij verweerster] en mevrouw [HR-adviseur en casemanager van verweerster] uw gedrag als (be)dreigend ervaren.

De bedrijfsarts heeft verklaard dat geen medische reden ten grondslag ligt aan uw gedrag.
Tijdens het gesprek vandaag hebt u erkend dat u boos bent geworden en hebt u gezegd dat dit uw manier is om af te koelen.

[verweerster] is van oordeel dat uw gedragingen op 10 juli 2015 zoals hiervoor omschreven volstrekt onaanvaardbaar zijn en ieder afzonderlijk en in ieder geval in onderlinge samenhang bezien een dringende reden opleveren die een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Met het schreeuwend en met meubilair te lijf gaan van collega’s en het toebrengen van schade aan onze eigendommen althans ons kantoor, hebt u uw verplichtingen krachtens uw arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamd. U bent het vertrouwen van [verweerster] in ieder geval onwaardig geworden. (…)”

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellante] verzocht het op 14 juli 2015 verleende ontslag op staande voet te vernietigen, de arbeidsovereenkomst te herstellen en [verweerster] te verplichten het loon door te betalen vanaf 14 juli 2015, te vermeerderen met 50% wegens te late voldoening voor zover het salaris te laat is voldaan.

3.2.2.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een zelfstandig tegenverzoek gedaan. [verweerster] heeft, voor zover de arbeidsovereenkomst op 14 juli 2015 niet reeds rechtsgeldig is opgezegd bij wege van een ontslag op staande voet, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zonder toekenning van enige vergoeding aan [appellante] . Daarnaast heeft [verweerster] verzocht [appellante] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan [verweerster] van
€ 697,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellante] afgewezen, [verweerster] in het verzoek om ontbinding niet-ontvankelijk verklaard en [appellante] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 697,- binnen veertien dagen na de datum van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van de uitspraak. Voorts heeft de kantonrechter [appellante] in de proceskosten veroordeeld zowel met betrekking tot de verzoeken als de tegenverzoeken.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het op 14 juli 2015 verleende ontslag op staande voet te vernietigen en de arbeidsovereenkomst te herstellen en [verweerster] te verplichten de loondoorbetaling te continueren vanaf 14 juli 2015 te vermeerderen met 50% wegens te late betaling, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten in beide instanties.

[appellante] heeft bij akte haar verzoek aangevuld. Voor het geval het hof tot het oordeel komt dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden en opnieuw rechtdoende het ontslag op staande voet vernietigt, maar het verzoek tot het herstel van de arbeidsovereenkomst en doorbetaling van het salaris afwijst, heeft [appellante] verzocht dat het hof haar een billijke vergoeding toekent die overeenkomt met het salaris over de periode vanaf 14 juli 2015 tot de dag van de uitspraak in hoger beroep.

[verweerster] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze wijziging van het verzoek van [appellante] . Het hof zal in het navolgende uitgaan van het aldus gewijzigde verzoek.

3.5.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. De eerste en tweede grief richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.6.

Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.7.

[verweerster] heeft aan het ontslag op staande voet van [appellante] ten grondslag gelegd de wijze waarop [appellante] zich tijdens het gesprek op 10 juli 2015 heeft gedragen, zoals omschreven in de brief van 14 april 2015. De in deze brief gestelde feiten worden door [appellante] niet betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Vast staat derhalve dat [appellante] heel boos is geworden en heeft geschreeuwd. Voorts heeft zij geprobeerd de tafel om te gooien, met één stoel rondgezwaaid en heeft zij een andere stoel in de richting van de aanwezige medewerkers van [verweerster] gegooid. Deze medewerkers zijn niet geraakt, maar door het gooien van de stoel zijn wel twee deuren en de wand beschadigd. Daarna heeft [appellante] lamellen van de ramen afgetrokken. Een deel is er volledig afgetrokken, een deel is afgescheurd. Hoewel de echtgenoot van [appellante] haar probeerde tot bedaren te brengen, lukte dit pas nadat zij de lamellen van de ramen had afgetrokken.

3.8.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de hiervoor weergegeven gedragingen geen dringende reden opleveren, omdat haar van die gedragingen geen verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft een oncontroleerbare woedeaanval gekregen die voortkomt uit haar ziekte. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft [appellante] medische gegevens van Gezondheidscentrum West te [vestigingsplaats] overgelegd en in hoger beroep een verklaring van mevrouw [psycholoog] , psycholoog bij Osperon in [vestigingsplaats] . Mevrouw [psycholoog] verklaart dat de woede-uitbarstingen van [appellante] en controle daarover naar alle waarschijnlijkheid samenhangen en negatief beïnvloed worden door het traumatische verleden van [appellante] .

[appellante] voert voorts aan dat het [verweerster] bekend was dat [appellante] klachten had op persoonlijk en sociaal functioneren en dat zij zeer beperkt was in conflicthantering. Door tijdens het gesprek op 10 juli 2015 zonder enige inleiding of motivering pardoes aan te geven dat [locatie] de enige locatie was waar zij zou kunnen integreren, heeft zij bij [appellante] een paniekreactie veroorzaakt die eenvoudig voorkomen had kunnen worden.

3.9.

Het hof stelt voorop dat ontslag op staande voet in beginsel ook mogelijk is indien de werknemer geen verwijt treft. Het hangt af van de aard van de dringende, voor het ontslag op staande voet, aangevoerde reden, en zo die aard niet reeds meebrengt dat de eis van verwijtbaarheid moet worden gesteld, van de afweging van de concrete omstandigheden van het geval, of doel kan treffen het verweer van de werknemer dat die reden niet toereikend is voor een ontslag op staande voet omdat die gedraging hem niet valt te verwijten (Vgl. HR 3 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8339 en HR 29 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7282).

In de onderhavige zaak staat vooralsnog niet vast dat [appellante] geen verwijt treft van haar gedragingen tijdens het gesprek op 10 juli 2015. [verweerster] heeft gemotiveerd betwist dat de gedragingen het gevolg zijn van de ziekte van [appellante] , waarbij zij onder meer heeft verwezen naar de verklaring van de bedrijfsarts van 13 juli 2015.
Het hof is van oordeel dat zelfs indien zou komen vast te staan dat [appellante] geen verwijt kan worden gemaakt van haar gedragingen tijdens het gesprek op 10 juli 2015, de door [verweerster] aangevoerde dringende reden toereikend is voor het ontslag op staande voet. Er is sprake geweest van een minutenlange geweldsexplosie waarbij [appellante] een bedreigende situatie voor medewerkers van [verweerster] heeft gecreëerd en diverse vernielingen heeft aangericht. Er was geen aanleiding voor een dergelijke geweldsexplosie. [appellante] heeft niet weersproken dat het gesprek tot het moment van haar woede-uitbarsting rustig verliep. Zij wist dat er tijdens het gesprek op 10 juli 2015 gesproken zou worden over de beschikbare werklocatie(s) voor haar re-integratie. Zij wist tevens dat zij niet zou kunnen terugkeren naar de locatie van Brabantwater in [vestigingsplaats] . Uit het gesprek van 7 januari 2015, dat is bevestigd in de brief van 12 januari 2015, was al duidelijk dat zij geplaatst zou kunnen worden op een object binnen een straal van 30 km rondom haar woonplaats.
Echter zelfs indien [appellante] door het voorstel om in [locatie] de re-integratieactiviteiten te starten compleet verrast zou zijn, hoefde [verweerster] op een dergelijke geweldsexplosie niet bedacht te zijn. Dit geldt ook indien de bedrijfsarts zou hebben vastgesteld dat [appellante] moeite heeft met conflictbeheersing, zoals [appellante] stelt.

Uit de niet bestreden inhoud van de door [verweerster] overgelegde verklaringen blijkt ook dat [operationeel manager bij verweerster] , [HR-adviseur en casemanager van verweerster] en andere collega’s in het gebouw enorm geschrokken zijn van het geweld en gekrijs tijdens het incident en dat [operationeel manager bij verweerster] en [HR-adviseur en casemanager van verweerster] zich door het gedrag van [appellante] bedreigd en onveilig hebben gevoeld. Het staat ook niet ter discussie dat dergelijk gedrag onder de gegeven omstandigheden angst en een onveilig gevoel kan oproepen. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van [appellante] zodanig ernstig van aard zijn dat van [verweerster] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Van [verweerster] kan niet worden verlangd dat zij een medewerker in dienst houdt die een gebleken gevaar vormt voor de veiligheid van haar medewerkers. Dat [appellante] elf jaar in dienst is geweest bij [verweerster] en daar, zoals onbetwist door [appellante] is gesteld, naar tevredenheid heeft gefunctioneerd, en dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid is ontslagen en dat dit mogelijk nadelige gevolgen voor haar heeft, weegt niet op tegen de ernst van haar gedragingen. Andere omstandigheden zijn door [appellante] in dit kader niet aangevoerd.
Gelet op het voorgaande falen de eerste en tweede grief.

3.10.

De derde grief van [appellante] richt zich tegen de veroordeling van [appellante] tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 697,- aan herstelkosten. Zij voert aan dat indien er sprake is van gedragingen voorvloeiend uit het ziektebeeld van de werknemer, de door de werknemer veroorzaakte schade voor rekening en risico van de werkgever dient te komen.

3.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] door haar gedragingen tijdens het gesprek van 10 juli 2015 schade heeft veroorzaakt en dat de herstelkosten van deze schade € 697,- bedragen. [verweerster] heeft verzocht [appellante] te veroordelen tot betaling van deze herstelkosten op grond van artikel 7:661 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de schade het gevolg is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [appellante] .

3.12.

Volgens artikel 7:661 BW is de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever, of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit dit artikel volgt dat de werknemer slechts aansprakelijk is voor schade die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan de zijde van de werkgever is ontstaan, als kan worden aangetoond dat die schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De bewijslast van die opzet of bewuste roekeloosheid rust op de werkgever.

3.13.

[appellante] heeft aangevoerd dat de betreffende gedragingen voortvloeien uit haar ziektebeeld, waarvoor zij verwijst naar de schriftelijke verklaring van psycholoog [psycholoog] (zie r.o. 3.8). Zij betwist dus dat sprake was van opzet. Het hof is van oordeel dat in de vaststaande gedragingen van [appellante] die geleid hebben tot de schade - het gooien met stoelen en het vernielen van lamellen - de vereiste opzet in beginsel besloten ligt. Het hof acht daarom voorshands bewezen dat er sprake was van opzet aan de zijde van [appellante] . [appellante] mag de voorshands bewezen geachte opzet ontzenuwen. De overgelegde verklaring van [psycholoog] is daartoe niet toereikend, aangezien deze slechts inhoudt dat de controle over de woedeuitbarstingen naar alle waarschijnlijkheid negatief wordt beïnvloed door het traumatisch verleden van [appellante] . Dat betekent nog niet dat er geen sprake was van opzet. Nu [appellante] (evenals [verweerster] ) ter zitting heeft meegedeeld van bewijslevering af te zien, indien deze bewijslevering alleen voor de schadekwestie aan de orde zou zijn, zal de opzet als vaststaand worden aangenomen. Dat betekent dat de bestreden beschikking ook op dit onderdeel zal worden bekrachtigd en dat de derde grief faalt.

3.14.

De vierde grief van [appellante] richt zich tegen de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis.

3.15.

Op grond van het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4
4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 718,- aan griffierecht en op € 1.788,- aan salaris advocaat;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.F.M. Pols en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.