Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
HD 200.152.193_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Zieke werkneemster geeft aan werkgever kort voor het verstrijken van de termijn van 104 weken als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW aan dat ze aan de beterende hand is en dat ze haar werkzaamheden stapsgewijs weer wil opbouwen. Werkgever wil dat werkneemster zich eerst laat onderzoeken door bedrijfsarts. Werkneemster weigert in dat kader de bedrijfsarts te machtigen medische informatie op te vragen aan en overleg te plegen met de behandelend arts. Werkgever zet daarop de loonbetaling stop. Werkneemster vordert in kort geding voor de periode tot het verstrijken van de termijn van 104 weken betaling van loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW. Het hof wijst deze vordering af op grond van artikel 7:629 lid 3 sub d BW (het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan een redelijk voorschrift). Werkneemster vordert daarnaast voor de periode nadat de termijn van 104 weken is verstreken betaling van loon op grond van artikel 7:628 BW. Het hof wijst deze vordering af op de grond dat voorshands niet voldoende aannemelijk is dat zich een situatie heeft voorgedaan dat het niet werken in die periode een oorzaak kent die in redelijkheid voor rekening van Ericsson dient te komen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/258
JAR 2015/72 met annotatie van mr. I. Janssen
AR-Updates.nl 2015-0175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.152.193/01

arrest van 17 februari 2015

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. W.H.N.C. van Beek te Breda,

tegen

[telecommunicatie] Telecommunicatie B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.A. Diebels te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg van 3 juni 2014, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2969661 VV EXPL 14-37)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en eiswijziging;

- de memorie van grieven met acht producties, genummerd 19 tot en met 26;

- de memorie van antwoord met zes producties, genummerd 6 tot en met 11;

- de akte van [appellante] van 9 september 2014;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 23 september 2014;

- de brief van mr. Diebels namens [geïntimeerde] van 6 oktober 2014 met een productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten is geen grief aangevoerd, zodat het hof deze feiten tot uitgangspunt van zijn oordeel zal nemen, zo nodig aangevuld met andere vaststaande feiten.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

- [appellante] is op 1 september 2005 in dienst getreden bij [geïntimeerde] in de functie van Network Optimization Engeneer. Op 1 oktober 2006 is zij de functie van Service Delivery manager gaan bekleden en vanaf 1 maart 2008 is zij gedurende 40 uur per week werkzaam in de functie van Customer Projectmanager. Het laatstverdiende loon bedraagt € 3.871,58 bruto per maand exclusief emolumenten.

- [appellante] heeft zich op 2 april 2012 ziek gemeld.

- Bij emailbericht van 17 januari 2014 heeft [appellante] haar leidinggevende, de heer [leidinggevende van appellante] (hierna: [leidinggevende van appellante]) bericht dat haar herstel dusdanig is dat zij verwacht in maart 2014 haar werkzaamheden weer te kunnen hervatten.

- Bij emailbericht van 21 januari 2014 heeft [leidinggevende van appellante] aan [appellante] laten weten dat [appellante] wat betreft de re-integratie eerst door de bedrijfsarts dient te worden beoordeeld.

- Op 26 februari 2014 heeft het consult met de bedrijfsarts bij [appellante] thuis plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit consult heeft [appellante] bij emailbericht van 26 februari 2014 aan [leidinggevende van appellante] laten weten dat zij met de bedrijfsarts heeft afgesproken dat zij vanaf 1 maart 2014 geleidelijk aan haar werk weer zal gaan hervatten, te beginnen met 20 % (op maandagochtend 4 uur en op donderdagochtend 4 uur) en dan vervolgens verder opbouwend naar 40 %, 50 % enzovoorts.

- De bedrijfsarts heeft later per e-mail van 28 februari 2014 [appellante] aangegeven nog niet tot werkhervatting over te gaan, althans niet voordat de bedrijfsarts beschikt over alle voorhanden zijnde medische informatie met betrekking tot [appellante]. De bedrijfsarts heeft, voor zover hier relevant, het navolgende aan [appellante] bericht:

“(…) All the things you’ve said and done went through my mind and also the facts I didn’t understand and the facts about which I need more information. [roepnaam appellante], I need more medical information (…) You have to wait untill I have all the medical information I need to give you a good responsible return to work advice. So don’t start to work yet. (…) it’s in your best interest to authorize consulation between (hof: de naam van de behandelaar van [appellante] is hier onleesbaar gemaakt) and ( company ) doctor Please sign the permission to request medical information. If I have all the medical information I need, I can give a good responsible justified return to work advice. (…)”.

- Het UWV heeft [geïntimeerde] bij brief van 6 maart 2014 medegedeeld dat [appellante] een WIA-uitkering heeft aangevraagd, maar dat zij nog geen WIA-uitkering krijgt, omdat volgens de verzekeringsarts van het UWV in het re-integratieverslag onvoldoende medische achtergrond aanwezig is. Het UWV heeft voorts medegedeeld dat [geïntimeerde] het loon van [appellante] moet doorbetalen tot en met 30 maart 2015, omdat [geïntimeerde] niet voldaan heeft aan haar re-integratieverplichtingen.

- Bij emailbericht van 11 maart 2014 heeft [appellante] aan [leidinggevende van appellante] gevraagd wanneer het haar toegestaan zal worden om haar werkzaamheden weer te gaan hervatten. In datzelfde bericht heeft zij aan [leidinggevende van appellante] meegedeeld dat zij haar behandelaar heeft verzocht schriftelijk te antwoorden op de vragen van de bedrijfsarts.

- De behandelend arts van [appellante] heeft bij brief van 12 maart 2014 aan de bedrijfsarts vragen over [appellante] beantwoord.

- Bij brief van 14 maart 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] meegedeeld dat [appellante] ten onrechte heeft gesteld dat zij met ingang van maart 2014 met haar werkzaamheden kon hervatten en dat [geïntimeerde] dat niet zou hebben toegestaan. Verder heeft [geïntimeerde] medegedeeld dat haar bekend is geworden dat [appellante] geweigerd heeft om de bedrijfsarts toegang te geven tot haar medisch dossier en dat [geïntimeerde] dit ziet als een blijk van het niet willen verlenen van medewerking in een belangrijke fase van het re-integratieproces van [appellante]. [geïntimeerde] heeft aangekondigd het loon van [appellante] onmiddellijk stop te zullen zetten als [appellante] niet uiterlijk 17 maart 2014 om 17.00 uur schriftelijk toestemming geeft aan de bedrijfsarts om haar medische informatie op te mogen vragen.

- Bij emailbericht van 17 maart 2014 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat het in eerste instantie de bedrijfsarts was die een opbouwschema had voorgesteld. Tevens heeft zij aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij [leidinggevende van appellante] er reeds eerder op heeft gewezen dat zij haar behandelaar toestemming heeft verleend om vragen van de bedrijfsarts schriftelijk te beantwoorden. De beslissing om haar een loonsanctie op te leggen wegens het weigeren van het verstrekken van medische informatie kan zij daarom dan ook niet begrijpen.

- Bij emailbericht van 19 maart 2014 heeft [geïntimeerde], voor zover relevant, het volgende aan [appellante] meegedeeld:

“(…) In order to do a proper assessment on the medical situation, our company doctor needs to talk directly with your specialist and as such be able to ask questions herself. So a predefined report on your medical situation is NOT sufficient.

Therefore the company doctor sent you an authorization form (in Dutch: medische machtiging) which you need to sign to grant her access to your medical information via your specialist.

Since, like before, you refused to sign this form we consider this as an action of non-cooperation in an important step in your reintegration process and will sanction you for this, as I also indicated in my letter of Friday March 14th, 2014.

Your salary payments will be suspended from March 19th, 2014 onwards. As soon as you sign the authorization form and give access tot the company doctor to your medical information we will resume salary payments. (…).”

  • -

    Bij brief van 19 maart 2014 heeft de gemachtigde van [appellante] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat [appellante] wel degelijk heeft meegewerkt, aangezien de behandelaar van [appellante] niet zelf een rapportage heeft opgesteld en aan de bedrijfsarts toegezonden, maar juist vragen van de bedrijfsarts heeft beantwoord.

  • -

    [appellante] heeft vanaf 19 maart 2014 geen salaris meer ontvangen;

  • -

    Op 22 april 2014 heeft er in het kader van de WIA-aanvraag van [appellante] op verzoek van de bedrijfsarts een expertise onderzoek plaatsgevonden, waarvan op 26 april 2014 rapportage is opgemaakt;

  • -

    De bedrijfsarts heeft bij e-mail van 9 juni 2014 (productie 7 bij MvA) [geïntimeerde] op basis van de rapportage met betrekking tot het expertise onderzoek geadviseerd [appellante] met ingang van 4 juni 2014 volledig beter te melden. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding hiervan de loonbetaling aan [appellante] met ingang van 4 juni 2014 hervat;

  • -

    Het UWV heeft bij beschikking van 25 september 2014 het door [geïntimeerde] ingestelde bezwaar tegen de beschikking van 6 maart 2014 gegrond verklaard en haar beslissing van 6 maart 2014 herroepen als gevolg waarvan de aan [geïntimeerde] opgelegde loondoorbetalingsverplichting van maximaal 52 weken is komen te vervallen.

3.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg in kort geding bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot:

  1. betaling van het achterstallige salaris vanaf 19 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 ad € 3.871,58 bruto per maand;

  2. betaling van het verschuldigde salaris ad € 3.871,58 bruto per maand met ingang van 1 april 2014 tot de dag waarop er een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst;

  3. overlegging van deugdelijke specificaties voor de periode vanaf 19 maart 2014 tot de dag waarop een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 350,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft;

  4. betaling van de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder A gevorderde;

  5. betaling van de wettelijke rente over het gevorderde onder A en D vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

  6. betaling van de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante], kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ten onrechte de uitbetaling van het loon vanaf 19 maart 2014 heeft stopgezet op de grond dat [appellante] geen machtiging aan haar behandelend arts heeft afgegeven om aan de bedrijfsarts medische informatie over haar te verstrekken.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe, kort samengevat, geoordeeld dat [geïntimeerde] terecht een loonsanctie heeft kunnen opleggen aan [appellante] op grond van artikel 7:629 lid 3 BW, nu [appellante] geweigerd heeft een machtiging te ondertekenen waarmee de bedrijfsarts medische informatie kon opvragen bij de behandelend arts.

3.4.

Het hof stelt allereerst vast dat waar het hier gaat om een vordering tot betaling van loon de spoedeisendheid daarvan gezien haar aard als voldoende vaststaand kan worden aangenomen. Toewijzing van de gevraagde voorziening kan daarbij slechts aan de orde komen, indien met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde vorderingen ook in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Het ontbreken van een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW staat daarbij niet in de weg aan de ontvankelijkheid van [appellante] in haar vorderingen. In dit geval kan het overleggen van een deskundigenoordeel niet worden gevergd van [appellante], omdat het een vordering in kort geding betreft en [appellante] onbetwist heeft gesteld dat het UWV heeft geweigerd een dergelijke verklaring af te geven.

3.5.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar inleidende vorderingen, met dien verstande dat zij nu over de periode van 19 maart tot en met 31 maart 2014 80 % van haar salaris vordert, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.292,21 bruto (vordering A), vanaf 1 april 2014 tot en met 4 juni 2014 betaling van haar volledige salaris (vordering B) vordert en thans zowel over vordering sub A als over vordering sub B de wettelijke verhoging vordert. In hoger beroep heeft zij voorts haar grondslag voor haar loonvordering aldus aangevuld dat zij aan haar loonvordering over de periode van 19 maart tot en met 31 maart 2014 artikel 7:629 BW en aan haar loonvordering over de periode van 1 april 2014 tot en met 4 juni 2014 artikel 7:628 BW ten grondslag heeft gelegd. Tegen voornoemde wijziging van (de grondslag van) eis heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt. Het hof acht de wijzigingen toelaatbaar en zal in het vervolg hiervan uitgaan.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat in het petitum van de memorie van grieven niet de vordering onder C (afgifte deugdelijke specificaties) is opgenomen en dat evenmin een grief is gericht tegen de afwijzing van deze vordering door de kantonrechter. Gelet hierop gaat het hof er van uit dat [appellante] deze vordering in hoger beroep niet handhaaft.

3.6.

De eerste grief van [appellante] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] geweigerd heeft medewerking te verlenen aan het verzoek van de bedrijfsarts tot het verkrijgen van medische gegevens van haar behandelend arts. In haar tweede grief stelt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat ondertekening van een medische machtiging vereist was en dat in deze zaak artikel 7:629 lid 3 aanhef en sub d BW van toepassing is. De derde grief heeft uitsluitend betrekking op de veroordeling in de proceskosten. Door middel van deze grieven legt [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal deze grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

Het Het

3.7.1.

De loonvordering van [appellante] heeft in de eerste plaats betrekking op de periode van 19 maart 2014 tot en met 1 april 2014. Voor deze periode is de grondslag van de loonvordering artikel 7:629 lid 1 BW. [appellante] heeft het zelf weliswaar over de periode van 19 maart tot en met 31 maart 2014, maar op 2 april 2014 is de termijn van 104 weken verstreken, zodat de (eventuele) loonaanspraak op grond van artikel 7:629 lid 1 BW doorloopt tot en met 1 april 2014. Op grond van die bepaling heeft de werknemer die als gevolg van ziekte verhinderd was de bedongen arbeid te verrichten, gedurende 104 weken recht op doorbetaling van (70% van) zijn loon. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] in ieder geval tot en met 1 april 2014 nog niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten, zodat zij in beginsel tot en met 1 april 2014 op grond van artikel 7:629 lid 1 BW aanspraak heeft op loondoorbetaling. Onder bedongen arbeid dient in het onderhavige geval te worden verstaan: het uitoefenen van de functie Service Delivery manager voor 40 uur per week.

[geïntimeerde] heeft evenwel vanaf 19 maart 2014 de loonbetaling aan [appellante] stopgezet. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellante] vanaf die datum haar aanspraak op loon heeft verloren op grond van artikel 7:629 lid 3 sub d BW, omdat [appellante] geweigerd heeft een machtiging aan de bedrijfsarts te ondertekenen, waardoor de bedrijfsarts geen medische informatie kon krijgen van de behandelend arts van [appellante] en geen overleg kon plegen met haar behandelend arts en daardoor niet in staat was om te beoordelen of [appellante] al dan niet in staat was de bedongen arbeid of passende arbeid te verrichten.

3.7.2.

Artikel 7:629 lid 3 BW bepaalt, kort gezegd, dat de werknemer geen recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte, indien en zolang hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke voorschriften of getroffen maatregelen om hem passende arbeid in de zin van artikel 7:658a lid 4 BW te laten verrichten.

Bij e-mail van 28 februari 2014 heeft de bedrijfsarts aan [appellante] aangegeven meer informatie nodig te hebben om een goed verantwoord advies te kunnen geven over de terugkeer van [appellante] naar haar werk en heeft zij [appellante] verzocht een machtiging te tekenen voor het opvragen van medische informatie bij haar behandelend arts. Tussen partijen is niet in geschil dat de machtiging waarop in voornoemde mail gedoeld werd en die met die mail werd meegezonden, de machtiging betreft die is overgelegd als productie 18 bij brief van de gemachtigde van [appellante] aan de kantonrechter van 22 mei 2014. Blijkens de toelichting op dat machtigingsformulier machtigt de werknemer door ondertekening van het formulier de behandelend arts om de gevraagde medische informatie te verstrekken aan de bedrijfsarts en verleent hij/zij tevens, voor zover nodig, toestemming voor eventueel nader overleg tussen de bedrijfsarts en de behandelend arts.

3.7.2.

In de eerste plaats dient de vraag te worden beantwoord of het verzoek van de bedrijfsarts – en in het verlengde daarvan de verzoeken van [geïntimeerde] bij brief van 14 maart 2014 en bij e-mail van 19 maart 2014 – om de machtiging voor het verkrijgen van medische informatie van de behandelend arts van [appellante] te ondertekenen, aangemerkt kan worden als een redelijk voorschrift in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW. Het hof is voorshands van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en wel om het navolgende.

Zoals hierboven reeds is overwogen, is niet in geschil dat [appellante] vanaf 2 april 2012 wegens ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten. Op het moment dat [appellante] [geïntimeerde] bij e-mail van 17 januari 2014 berichtte dat haar herstel voorspoedig verliep en zij verwachtte in maart weer aan het werk te kunnen gaan, was zij dus bijna twee jaar ziek en zonder dat zij zelfs ook maar op enig moment in staat was geweest passende arbeid te verrichten. Gezien deze omstandigheden acht het hof het voorshands redelijk dat [geïntimeerde] eerst door de bedrijfsarts wilde laten beoordelen of en zo ja, in hoeverre [appellante] weer in staat was haar werk te verrichten, voordat zij [appellante] weer toeliet tot haar werk.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

De werkgever is op grond van artikel 7:658a BW gehouden om de inschakeling in het bedrijf van een arbeidsongeschikte werknemer te bevorderen. Daarbij dient hij zich op grond van artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet te laten bijstaan door een deskundige. De rol en de taak van deze deskundige is onder meer vastgelegd in Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar, als vastgesteld door de Staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 25 maart 2002. In deze deskundigheid is voorzien door het inschakelen door [geïntimeerde] van Medicaris BV in de persoon van mevrouw [bedrijfsarts] als bedrijfsarts.

Het hof gaat er voorshands vanuit dat de bedrijfsarts wilde beoordelen of [appellante] weer in staat was passende dan wel de overeengekomen arbeid te verrichten en dat de bedrijfsarts over onvoldoende informatie beschikte om zich daar zelf een mening over te vormen. Weliswaar heeft [appellante] gesteld dat de bedrijfsarts aanvankelijk al had ingestemd met een stapsgewijs opbouwen door [appellante] van haar werkzaamheden, maar niet valt in te zien waarom de bedrijfsarts daar niet op terug zou mogen komen. [appellante] heeft niet aangevoerd dat of waarom de bedrijfsarts zonder medische informatie van de behandelend arts tot een oordeel over de door [appellante] gewenste werkhervatting kon komen. Tussen partijen is slechts in geschil of de machtiging strekkende tot het verkrijgen van de verlangde medische informatie, moet worden beschouwd als een redelijk voorschrift. De machtiging ziet kort gezegd op het beantwoorden van enkele vragen en het verkrijgen van een mondelinge toelichting. Het hof begrijpt dat [appellante] op zich geen bezwaren had tegen de gestelde vragen, nu zij haar behandelaar heeft gevraagd die vragen te beantwoorden. Klaarblijkelijk achtte [appellante] de machtiging om ook mondeling overleg te kunnen plegen, te ver gaan. Het hof is voorshands van oordeel dat van [appellante] ook hiervoor een machtiging kan worden verlangd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in het door de bedrijfsarts toegezonden machtigingsformulier duidelijk staat vermeld dat het uitsluitend gaat om overleg en afstemming, noodzakelijk om over voldoende informatie te beschikken met het oog op verzuimbegeleiding, claimbeoordeling of re-integratieplan, en voorts dat de bedrijfsarts geen medische gegevens aan de werkgever over de werknemer verstrekt, behoudens gerichte toestemming van de werknemer.

Weliswaar staat, zoals [appellante] aanvoert, in de ‘Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens’ van de KNMG van januari 2010 vermeld dat de communicatie tussen behandelend arts en bedrijfsarts in beginsel schriftelijk verloopt, maar hiermee is geenszins uitgesloten dat communicatie ook mondeling kan en mag plaatsvinden. Integendeel, blijkens de richtlijnen is mondeling overleg ook mogelijk, mits de werknemer specifiek toestemming hiervoor geeft. Dat was ook juist (mede) het doel van de door de bedrijfsarts toegezonden machtiging.

Het enkele feit dat de behandelend arts van [appellante] zoveel mogelijk schriftelijk informatie wenst te geven om misverstanden te voorkomen (vgl. de schriftelijke verklaring van de behandelend arts van 26 juni 2014, productie 26 memorie van grieven), kan er in ieder geval niet toe leiden dat het tekenen van de door de bedrijfsarts gevraagde machtiging voor het verstrekken van medische informatie en zo nodig mondeling overleg met de behandelend arts niet kan worden aangemerkt als een redelijk voorschrift in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW. Vast staat dat [appellante] de machtiging niet heeft willen ondertekenen, ook niet nadat [geïntimeerde] daarom nog eens uitdrukkelijk had gevraagd. Het feit dat de behandelend arts van [appellante] zelf een antwoord heeft gestuurd op de vragen, acht het hof onvoldoende omdat deze antwoorden zijn gegeven zonder dat de behandelend arts kennis heeft kunnen nemen van de bevindingen van de bedrijfsarts en omdat, zoals hiervoor vermeld, mondeling overleg niet mogelijk is geweest.

[appellante] stelt nog dat de bedrijfsarts na de brief van haar behandelend arts van 12 maart 2014 geen enkele poging heeft gedaan om op andere wijze meer informatie van de behandeld arts te verkrijgen. [appellante] verliest naar het voorlopig oordeel van het hof daarbij echter uit het oog dat dit voor de bedrijfsarts ook niet mogelijk was, aangezien [appellante] geweigerd heeft om de door de bedrijfsarts toegezonden machtiging voor het opvragen van medische informatie bij en het plegen van overleg met de behandelend arts te ondertekenen en terug te sturen en evenmin op andere wijze de bedrijfsarts hiervoor toestemming heeft gegeven.

Het hof komt dan ook voorlopig tot de conclusie dat [appellante] de bedrijfsarts niet, althans onvoldoende toegang tot haar medische gegevens heeft gegeven en dat zij dus onvoldoende heeft meegewerkt aan een door de bedrijfsarts c.q. [geïntimeerde] gegeven redelijk voorschrift in de zin van artikel 7:629 lid 3 sub d BW.

3.7.3.

Vervolgens komt nog de vraag aan de orde of [appellante] een deugdelijke grond had voor het niet, althans niet voldoende meewerken. Naar het voorlopig oordeel van het hof dient ook deze vraag ontkennend te worden beantwoord. [appellante] stelt dat zij goede grond had om de bedrijfsarts niet te machtigen voor mondeling overleg met de behandelend arts, omdat een dergelijk overleg achteraf anders (verkeerd) kan worden uitgelegd. Deze stelling gaat echter naar het oordeel van het hof niet op. De stelling dat, zoals [appellante] in dit kader aanvoert, de bedrijfsarts tijdens het consult van 26 februari 2014 met [appellante] heeft afgesproken dat [appellante] per 1 maart 2014 op basis van een opbouwschema weer aan het werk zou gaan en dat de bedrijfsarts hierop in haar e-mail van 28 februari 2014 is teruggekomen en heeft aangegeven eerst nadere medische informatie te wensen voordat ze een terugkeer van [appellante] naar haar werk kan adviseren, is onvoldoende om aan te nemen dat de bedrijfsarts daarom niet adequaat zou omgaan met van de behandelend arts verkregen mondelinge informatie. Andere redenen waarom de bedrijfsarts niet zorgvuldig zou omgaan met aan haar (mondeling) verstrekte medische informatie over [appellante] zijn gesteld noch gebleken.

3.7.4.

[appellante] stelt zich, naar het hof begrijpt, nog op het standpunt dat artikel 7:629 lid 3 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien het in de onderhavige situatie niet gaat om een voorschrift/maatregel gericht op de inschakeling van [appellante] in passende arbeid maar om het standpunt van [appellante] dat zij haar eigen arbeid weer wilde en kon verrichten. Het hof kan [appellante] hierin vooralsnog niet volgen. Artikel 7:658a lid 4 (jo lid 1) BW definieert passende arbeid als alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid (hier: Customer Project manager voor 40 uur per week) te verrichten, is berekend. Passende arbeid kan tevens inhouden de eigen arbeid maar dan voor minder uren dan bedongen of in een lager tempo of aangepast qua takenpakket dan wel andere passende arbeid (vgl. ook artikel 7:658a lid 2 BW: als een werknemer wegens ziekte niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, moet hij in staat worden gesteld ‘de eigen of andere passende arbeid te verrichten’). [appellante] heeft in haar e-mail van 6 februari 2014 (productie 4 inleidende dagvaarding) en in haar e-mail van 26 februari 2014 aangegeven met ingang van 1 maart 2014 volgens een opbouwschema weer aan het werken te willen gaan, te beginnen met 20 %. Dit is aan te merken als passende arbeid in de zin van artikel 7:658a lid 4 BW, aangezien het nog niet gaat om de bedongen arbeid van 40 uur per week.

3.7.5.

Op grond van het voorgaande komt het hof voorlopig tot de conclusie dat [geïntimeerde] over de periode van 19 maart tot en met 1 april 2014 terecht een loonsanctie heeft opgelegd op grond van artikel 7:629 lid 3 sub d BW. Dit betekent dat de loonvordering over voornoemde periode niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3.8.1.

Ten aanzien van de periode van 2 april 2014 tot 4 juni 2014 overweegt het hof als volgt. Vast staat dat [appellante] op 2 april 2014 haar werk nog niet heeft hervat. Zij is door de bedrijfsarts met ingang van 4 juni 2014 arbeidsgeschikt geacht. Verder heeft zij op 27 mei 2014 aan [geïntimeerde] bericht dat zij bereid was het werk op 28 mei 2014 te hervatten.

[appellante] heeft nog niet kunnen reageren op de beslissing op bezwaar van het UWV van 25 september 2014, waarmee de loonsanctie is herzien. Het hof is echter van oordeel dat [appellante] geen gelegenheid gegeven hoeft te worden op deze beslissing te reageren, omdat, zowel in het geval [geïntimeerde] wordt gevolgd in haar standpunt dat de loonsanctie is ingetrokken, als in het geval dat deze gehandhaafd zou zijn het resultaat voor [appellante] nauwelijks verschilt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Indien ervan uitgegaan zou worden dat de loonsanctie zou worden gehandhaafd, dan is het tijdvak van 104 weken op grond van artikel 7:629 lid 11 BW verlengd. In dat geval heeft [appellante], zoals hiervoor is overwogen, geen recht op loon op grond van artikel 7:629 lid 3 sub d BW tot de datum van herstel, nu zij in ieder geval tot die datum heeft volhard in haar weigering een machtiging tot het inwinnen van medisch advies door de bedrijfsarts te verstrekken.

Indien ervan wordt uitgegaan dat de loonsanctie is ingetrokken, dan geldt het volgende. In dat geval is op 2 april 2014 het in het eerste lid van artikel 7:629 lid 1 BW genoemde tijdvak van 104 weken verstreken, zodat [appellante] niet langer op grond van die bepaling aanspraak kan maken op loondoorbetaling. [appellante] stelt op grond van artikel 7:628 lid 1 BW primair vanaf 1 april 2014 subsidiair vanaf 22 april 2014 recht te hebben op 100 % van haar loon. Zij voert in dat kader aan dat zij vanaf maart 2014 haar werk geleidelijk had kunnen hervatten en dat zij vanaf 1 april 2014 subsidiair 22 april 2014 volledig arbeidsgeschikt kan worden geacht, hetgeen door [geïntimeerde] wordt bestreden.

De vraag die in dit verband dient te worden beantwoord, is of het feit dat [appellante] in de periode van 2 april tot 4 juni 2014 de overeengekomen arbeid niet heeft verricht voor rekening van [geïntimeerde] dient te komen.

3.8.2.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt het volgende.

Op grond van artikel 7:628 BW behoudt een werknemer zijn recht op doorbetaling van loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Gezien het arrest HR 23 juni 2000, NJ 2000, 585, ECLI:NL:HR:200:AA6295 is van een dergelijke oorzaak sprake indien de werkgever een zich tot het verrichten van de bedongen arbeid bereid verklarende werknemer niet (meer) in staat stelt zijn arbeid te verrichten, en achteraf inderdaad blijkt dat de werknemer niet ongeschikt was voor dergelijke arbeid. Deze regel geldt gezien het arrest HR 6 april 2001, NJ 2001,333, ECLI:NL:HR:2001:AB 0904 ook indien de werknemer zijn visie op zijn geschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid op geen enkele wijze medisch heeft onderbouwd.

3.8.3.

Indien al zou moeten worden aangenomen dat [appellante] bereid was de bedongen arbeid te verrichten, dient derhalve in dit verband de vraag te worden beantwoord of [appellante] daartoe in staat was. [appellante] heeft in haar e-mails van 6 februari 2014 en 26 februari 2014 de bereidheid getoond vanaf maart 2014 te starten met 20 % (tweemaal een halve dag) te gaan werken en dit vervolgens stapsgewijs op te bouwen naar 100 %. Vastgesteld moet echter worden dat de bedrijfsarts [appellante] eerst met ingang van 4 juni 2014 (volledig) arbeidsgeschikt heeft geacht, zodat voorshands niet zonder meer kan worden aangenomen dat [appellante] in de periode daaraan voorafgaand ook in staat was tot het verrichten van de bedongen arbeid, althans voor het gedeelte waartoe [appellante] zich bereid heeft verklaard deze te verrichten. Dat klemt te meer nu het betreffende advies van de bedrijfsarts als blijkend uit de Bijstelling probleemanalyse WIA (productie 8 MvA) mede is ingegeven door de wens [appellante] 100% arbeidsgeschikt de WAZO in te laten gaan, terwijl tegelijk wordt gesignaleerd dat aan een werkhervatting ook nog een arbeidsconflict in de weg stond.

Voor zover [appellante] zich voor een andersluidend oordeel beroept op de rapportage van 26 april 2014 met betrekking tot het expertise onderzoek overweegt het hof het navolgende. Weliswaar is de conclusie van deze rapportage dat er geen uit een stoornis voortvloeiende beperkingen meer zijn, maar ook hier verliest [appellante] naar het voorlopig oordeel van het hof uit het oog dat het expertise onderzoek is verricht ter beantwoording van de vraag in hoeverre [appellante] nog arbeidsongeschikt was te achten met het oog op een eventuele aanspraak op een WIA-uitkering en niet ter beantwoording van de vraag of [appellante] – al dan niet conform het eerder door haar voorgestelde opbouwschema – in staat was haar werkzaamheden bij [geïntimeerde] weer te hervatten. Bovendien is de rapportage niet opgesteld door een bedrijfsarts of verzekeringsdeskundige maar door een arts met, naar het hof begrijpt, dezelfde discipline als de behandelend arts van [appellante], zodat ook om die reden hieraan niet die waarde kan worden toegekend die [appellante] daaraan wil toekennen.

Aldus kan niet worden gezegd dat voorshands voldoende aannemelijk is dat zich een situatie heeft voorgedaan dat het niet werken in die periode een oorzaak kent die in redelijkheid voor rekening van [geïntimeerde] dient te komen.

3.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de eerste twee grieven falen.

3.10.

De derde en laatste grief van [appellante] is gericht tegen haar proceskostenveroordeling in eerste aanleg. [appellante] stelt onder verwijzing naar artikel 7:629a lid 6 BW dat zij in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In eerste aanleg heeft [appellante] aan haar loonvordering enkel artikel 7:629 BW ten grondslag gelegd. Weliswaar heeft [appellante] naast loonbetaling tevens wettelijke verhoging, wettelijke rente en afgifte van salarisspecificaties gevorderd, maar deze vorderingen hangen samen met de loonvordering op basis van artikel 7:629 BW.

Op grond van artikel 7:629a lid 6 BW kunnen werknemers ter zake van een loonvordering op grond van artikel 7:629 BW alleen in de proceskosten van een werkgever veroordeeld worden, indien sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Nu niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is, dient het vonnis waarvan beroep op dit punt te worden vernietigd en zullen de proceskosten in eerste aanleg alsnog worden gecompenseerd. De derde grief slaagt.

3.11.

Het hof komt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd behoudens ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

3.12.

In hoger beroep is artikel 7:629a lid 6 BW niet van toepassing, omdat [appellante] in hoger beroep haar loonvordering niet alleen baseert op artikel 7:629 lid 1 BW maar ook op artikel 7:628 lid 1 BW. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld in de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van dit hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] op € 704,- aan vast recht en € 948,- voor salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, M. van Ham en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2015.