Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
20-003063-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2008:171, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2011:BP5971
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:521, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afleveren van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen. Hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 3.000,00. Verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het feit verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003063-11

Uitspraak : 17 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 30 januari 2008, parketnummer 02-993021-05 in de strafzaak tegen:

[de B.V.],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

waarbij:

  • -

    de dagvaarding nietig werd verklaard wat betreft het onder 3. ten laste gelegde;

  • -

    verdachte werd vrijgesproken van het onder 4. ten laste gelegde;

  • -

    verdachte ter zake van

feit 1 “Overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd en opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, en

feit 2 “Overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd en opzettelijk begaan door een rechtspersoon”

werd veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 5.000,00.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 12 juli 2011, nr. S 09/01212 E, heeft de Hoge Raad het in de onderhavige zaak gewezen arrest van dit hof d.d. 3 maart 2009, parketnummer 20-000564-08, vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft, nadat het hof (preliminair) de inleidende dagvaarding wat betreft het onder 2. ten laste gelegde nietig had verklaard, gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor het onder 1. ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 3.000,00.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging;

  • -

    subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;

  • -

    meer subsidiair dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    uiterst subsidiair dat het hof zal bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting van 27 maart 2014 heeft het hof reeds de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor zover het betreft het onder 2. ten laste gelegde feit. Daartoe heeft het hof het navolgende overwogen:

“De tenlastelegging onder 2. houdt – na wijziging in hoger beroep – kort gezegd in dat verdachte in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november 2003 op twee concreet aangeduide locaties in [plaats 1], althans in Nederland, niet-geregistreerde diergeneesmiddelen voorhanden heeft gehad, in voorraad heeft gehad en/of bij dieren heeft toegepast.

Blijkens het procesdossier zijn op twee locaties in [plaats 1] en één locatie in [plaats 2] op verschillende dagen hoeveelheden van deze diergeneesmiddelen in beslag genomen. Bovendien zijn de diergeneesmiddelen in verschillende verpakkingen, verschillende vormen en verschillende hoeveelheden in beslag genomen. In de tenlastelegging ontbreekt evenwel een nadere specificatie ten aanzien van welke hoeveelheden van welke van de diergeneesmiddelen, aangetroffen op welke plaatsen de verdachte een strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat gelet op het voorgaande voor verdachte niet duidelijk is waartegen zij zich heeft te verdedigen. De wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2013 maakt dat niet anders. De tenlastelegging is ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde derhalve onvoldoende duidelijk en voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.”

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november 2003 te Breda en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) een hoeveelheid hieronder nader te noemen diergeneesmiddel(en) dat/die niet was/waren geregistreerd, heeft afgeleverd,

immers heeft verdachte,

  • -

    aan [getuige 1], aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 2], aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S., alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 3], aan de [adres] te [woonplaats] het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 4], aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 5] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S. en/of het product Paracapsules, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 6] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 7] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 8] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 9] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 10] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S. en/of het product W.N. Zwart, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 11] aan de [adres] te [woonplaats], het product Parastop, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 12] aan de [adres] te [woonplaats], het product 4 in 1 mix en/of het product B.S. en/of het product Paracapsules, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [betrokkene 1] aan de [adres] te [woonplaats], het product A.S. Poeder en/of het product W.N. Rood en/of het product W.N. Zwart, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  1. de duur van de strafvervolging in zijn geheel en in verschillende rechtsgangen een zeer forse schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) oplevert;

  2. de vervolging strijd oplevert met het vertrouwensbeginsel;

  3. de vervolging strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel;

  4. de vervolging strijd oplevert met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

B.1

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 1. gestelde:

B.1.1

Aan het verweer is, onder verwijzing naar het op 18 december 2013 gevoerde preliminaire verweer, ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven –:

  • -

    primair dat de stapeling van schendingen van de redelijke termijn, tezamen met de exorbitant lange totale duur van de lopende strafvervolging de conclusie van de
    niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie rechtvaardigt;

  • -

    subsidiair dat de schending van de redelijke termijn in samenhang met het onder A.2, A.3 en A.4 aangevoerde dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

B.1.2

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 22 november 2003, de dag waarop het gerechtelijk vooronderzoek is geopend en door de rechter-commissaris onder meer een bedrijfspand van verdachte is doorzocht.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 30 januari 2008. Daarmee is sprake van een tijdsverloop van meer dan 4 jaar en 2 maanden na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een periode van deze duur rechtvaardigen. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat hoewel een deel van het tijdsverloop zijn oorzaak vindt in onderzoekswensen van de verdediging, niet het gehele tijdsverloop daaruit kan worden verklaard.

De advocaat-generaal heeft op 17 maart 2009 beroep in cassatie ingesteld tegen het op 3 maart 2009 in deze zaak in hoger beroep gewezen arrest van dit hof. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan op 12 juli 2011, derhalve meer dan 2 jaar en 3 maanden na de datum waarop beroep in cassatie is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Het hof doet thans uitspraak meer dan 3 jaar en 7 maanden na de datum waarop door de Hoge Raad uitspraak is gedaan. Hoewel een deel van dit tijdsverloop is ontstaan doordat de verdediging op enig moment heeft verzocht de zaak later in te plannen, acht het hof ook in de huidige instantie geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het hierop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

B.2

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 2. gestelde:

B.2.1

Aan het verweer dat de vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel is, onder verwijzing naar het op 18 december 2013 gevoerde preliminaire verweer, ten grondslag gelegd dat – zakelijk weergegeven –:

  • -

    door de Algemene Inspectiedienst nimmer melding is gemaakt van enig handelen van verdachte in strijd met de wet, hoewel verdachte open heeft aangegeven waar hij mee bezig was;

  • -

    verdachte voorafgaand aan en tijdens de ten laste gelegde periode veelvuldig en open gecommuniceerd heeft met de overheid over zijn handelen en over de problematiek waarmee hij worstelde;

  • -

    het onbegrijpelijk is dat verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd nadat hij altijd op deze wijze met de overheid heeft gecommuniceerd.

B.2.2

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

B.2.3

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlating of daarmee gelijk te stellen gedraging welke bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen kon wekken dat zij niet (verder) zou worden vervolgd.

Het mag zo zijn dat toezichthoudende instanties, zelfs opsporingsambtenaren, hebben nagelaten op te treden tegen situaties in het bedrijf van verdachte die wellicht vergelijkbaar zijn met het thans aan de orde zijnde ten laste gelegde feit, maar zulk uitblijven van handhavend optreden kan niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlating als hiervoor bedoeld.

B.2.4

Gelet op het vorenstaande is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel, zodat het daarop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt verworpen.

B.3

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 3. gestelde:

B.3.1

Aan het verweer is, onder verwijzing naar het op 18 december 2013 gevoerde preliminaire verweer, ten grondslag gelegd dat – zakelijk weergegeven – de Universiteit Utrecht, onder invloed van dezelfde problematiek als waar verdachte mee worstelde, niet-geregistreerde diergeneesmiddelen distribueerde, terwijl er zonder aanwijsbare reden in dat geval geen vervolging plaatsvond, zodat de vervolging van verdachte een zekere willekeur niet kan worden ontzegd.

B.3.2

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 23 januari 2009 een afdruk van de website van de Apotheek van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, de leveringscondities van de apotheek en een prijsoverzicht Orphan Drugs 2008 van de apotheek aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden.

Voormelde afdruk houdt onder meer in:

“Andere functies van de Apotheek zijn het leveren van “orphan drugs” aan dierenartsen in Nederland. Registratie van een diergeneesmiddel kost geld. Voor een aantal middelen is registratie in Nederland niet haalbaar, omdat tevoren vaststaat dat de omzet gering zal blijven. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de betreffende indicatie slechts sporadisch voorkomt.

De Apotheek van de Faculteit der Diergeneeskunde distribueert een aantal
niet-geregistreerde middelen die niet in de handel zijn en niet magistraal te bereiden zijn door dierenarts of openbare apotheek. Dit zijn met name middelen waarvan de grondstof niet te verkrijgen is of die bereidingstechnisch gecompliceerd zijn. Zodra een veterinair alternatief op de markt komt, stopt de Apotheek met distributie van het betreffende middel.

De middelen worden als service verstrekt aan Nederlandse praktiserende dierenartsen, uitsluitend na een schriftelijk verzoek om aflevering. Op dit verzoek om aflevering behoort te worden vermeld:

  • -

    naam middel, sterkte en hoeveelheid;

  • -

    naam en adresgegevens van de dierenartsenpraktijk;

  • -

    naam van de patiënt, diersoort en naam van de eigenaar.”

B.3.3

Gelet op de afdruk van de website, de leveringscondities en het prijsoverzicht is het hof van oordeel dat de Apotheek van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en verdachte niet kunnen worden aangemerkt als vergelijkbare of gelijke gevallen. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat voormelde apotheek – anders dan verdachte – enkel aan Nederlandse praktiserende dierenartsen leverde, uitsluitend na een schriftelijk verzoek om aflevering, alsmede de omstandigheid dat voormelde apotheek blijkens het prijsoverzicht niet de in de tenlastelegging genoemde middelen leverde.

Nu geen sprake is van vergelijkbare of gelijke gevallen brengt een verschil in behandeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich, zodat het daarop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt verworpen.

B.4

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 4. gestelde:

B.4.1

Aan het verweer is, onder verwijzing naar het op 18 december 2013 gevoerde preliminaire verweer, ten grondslag gelegd:

“Jarenlang (lees: decennia lang) heeft de overheid, onder andere door de complexiteit van de onderliggende materie en de bemoeienis van het tragere juridisch apparaat in Brussel, bijgedragen aan een in eerste instantie onwenselijk beperkt regime van wetgeving waarmee in de praktijk niet te werken viel. De overheid besefte dit (…) uiteindelijk, en heeft inmiddels gezorgd voor regelgeving die maakt dat cliënt nu niet-strafbaar kan doen, wat hij toentertijd ook al deed. Een ander deel van de overheid heeft echter nooit meegekeken. Het BRD en AID als relevante actoren wel, maar het OM niet. (…) Inmiddels moet cliënt al meer dan 10 jaar met lede ogen aanzien, hoe het OM keer op keer aan zijn zorgvuldige opgebouwde carrière aan het tornen is en ook nog altijd verlangt dat cliënt gestraft wordt. Als bezien wordt dat dit strafproces inmiddels een aanzienlijk deel van het leven van cliënt heeft beheerst, een daadwerkelijke bestraffing mede hierdoor niet (meer) in de rede ligt, cliënt in feite stelt nooit in strijd met enig rechtens te respecteren belang te hebben gehandeld en hij de deskundigen voor wat betreft dit standpunt massaal aan zijn zijde vindt, kan in de visie van de verdediging met recht worden gesteld dat geen redelijk oordelend lid van het OM tot vervolging van cliënt had kunnen beslissen, althans in ieder geval deze vervolging niet had kunnen doorzetten.”

B.4.2

Zoals het hof hiervoor onder B.2.2 al heeft overwogen, is in artikel 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur – dat ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

B.4.3

Naar het oordeel van het hof is de aan het verweer ten grondslag liggende stelling dat het ten laste gelegde handelen van verdachte thans niet strafbaar zou zijn, niet evident juist. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat, zoals de verdediging zelf naar voren heeft gebracht, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op hetgeen de officier van justitie respectievelijk de advocaat-generaal gemotiveerd hebben aangevoerd tegen voormelde stelling en hetgeen de officier van justitie met betrekking tot de ernst van het ten laste gelegde heeft aangevoerd1, kan niet worden gezegd dat hier sprake is van een lichtvaardig genomen besluit tot (voortzetting van) de vervolging van verdachte. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden gezegd dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging van verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Van een schending van het verbod van willekeur is daarom geen sprake, zodat het hierop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

C.

Naar het oordeel van het hof kunnen op grond van het vorenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich noch in samenhang met elkaar bezien leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Het bewijs2

1. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2009, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb nooit ontkend dat [de B.V.] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november 2003 te Breda en andere plaatsen in Nederland telkens diergeneesmiddelen, die niet waren geregistreerd, heeft afgeleverd aan de in de tenlastelegging genoemde afnemers, en wel de stoffen vermeld in de tenlastelegging.

2. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

U houdt mij voor dat op dossierpagina 295 staat dat men facturen en pakbonnen et cetera heeft onderzocht van diverse mensen die in de dagvaarding worden genoemd en dat bleek dat pakbonnen op naam staan van [de B.V.] met als adres [adres 2], dat er vervolgens facturen uitgingen vanuit de dierenkliniek, ook aan de [adres 2], en dat de betalingen binnenkwamen ten gunste van de dierenkliniek aan de [adres 2].

Ik kan beamen dat het toentertijd zo ging.

3. De verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik houd sinds ca. 8 jaar zelf geen duiven meer.

De duivenliefhebber weet zelf welke middelen ze nodig hebben voor hun duiven. Ik verkoop al geruime tijd de diergeneesmiddelen van [de B.V.]. Soms adviseer ik bepaalde klanten, maar ze weten meestal beter dan ik welke middelen ze nodig hebben.

Ik bestelde altijd telefonisch de middelen bij [de B.V.]. Deze werden dan per post bezorgd, de pakbon zat meestal bij de rekening gevoegd. De factuur kwam meestal later met de post.

Vraag: We tonen getuige [getuige 1] documenten D/310 t/m D/325, zijnde pakbonnen en de daarbij behorende facturen en vragen of deze middelen door hem zijn ontvangen en verkocht in zijn winkel?

Antwoord: Ja, deze middelen zijn door mij verkocht.3

4. De verklaring van [getuige 2], van beroep bedrijfsleider [bedrijf 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Qua gezondheid van duiven en ziektebeelden en dergelijke hebben wij zelf ook enige ervaring opgedaan.

Wij gebruiken diergeneesmiddelen van [de B.V.].

Wij gebruiken parastop en 4 in 1 mix. Wij bestellen telefonisch de diergeneesmiddelen. De diergeneesmiddelen worden dan per koerier of per post bezorgd. Verder gebruiken wij ook nog B.S. in grootverpakking.

Vraag: Wie stelt de diagnose binnen jullie bedrijf?

Antwoord: Voor ziektes die voor ons niet te benoemen zijn, komt dierenarts [betrokkene 2]. Uiterlijke kenmerken die wij zelf kunnen vaststellen door ervaring doen wij zelf. Aan de hand van voorgaande worden betreffende diergeneesmiddelen besteld. Via diagnose van [betrokkene 2] komen ook wel eens middelen van [medeverdachte 1] in aanmerking voor het gebruik. [betrokkene 2] schrijft dan ook wel eens middelen van [medeverdachte 1] voor. Voor bepaalde ziektebeelden bestellen wij uit ervaring rechtstreeks diergeneesmiddelen van [de B.V.].

Vraag: Wij tonen de documenten D/326 t/m D/350 en vragen of er bij levering ook pakbonnen zitten?

Antwoord: Bij leveringen zitten de pakbonnen zoals D/327. Ik ben degene die de diergeneesmiddelen bestelt of daar de opdracht voor geeft. Die facturen en pakbonnen herken ik als zodanig.

Ik zie op de pakbon D/327 dat hier 4 verpakkingen à 300 gram Parastop zijn geleverd.

Aan de hand van de gespecificeerde nota D/348 kun je zien wat er geleverd is. Ik zie dat er (onder andere, hof) B.S. geleverd is.

De specificatie D/350 betreft de levering van (onder andere, hof) B.S. en 4 in 1 mix.4

5. De verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb een BV. Het betreft [bedrijf 1].

Per fax bestelde ik altijd de diergeneesmiddelen. Ik heb een vast assortiment en mijn klanten weten wat ik heb.

Ik heb alles verkocht wat ik had van [medeverdachte 1].

De diergeneesmiddelen werden vaak per post of per koeriersdienst bezorgd en dan zat er een pakbon bij. Wij betaalden de factuur die later kwam.

Vraag: Wij tonen u een aantal pakbonnen en vragen u of u de diergeneesmiddelen gehad heeft die er op staan? Wij tonen pakbonnen D/362, D/366, D/364, D/366, D/368, D/370, D/374, D/376, D/378, D/380, D/382, D/384 en D/386.

Antwoord: Ja, ik ken die pakbonnen wel en die diergeneesmiddelen die erop staan heb ik ontvangen.

Vraag: Hoe werden bijvoorbeeld potjes en sachets diergeneesmiddelen en dergelijke verkocht?

Antwoord: Dat stond hier in de winkel en werd door mijn klanten dan zo gekocht en meegenomen. Het meeste werd echter op bestelling verkocht en afgeleverd.

Ik heb boekjes van [medeverdachte 1] gehad zodat ik kon zien voor welke aandoeningen de diergeneesmiddelen waren.5

6. De verklaring van [getuige 4], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Preventief doen wij de duiven behandelen voor aflevering met BS en dan is het systeem van [medeverdachte 1] om parastop te geven.

Ik heb zoveel ervaring dat ik aan de mest van de duiven wel kan zien of er iets mis is of niet.

Ik ken de firma [de B.V.]. Ik heb meestal met [naam] of [naam] te maken en ook wel met [medeverdachte 2].

Ik bestel telefonisch bij [medeverdachte 1], ik bel dan naar de praktijk in [plaats 1], degene die ik dan aan de telefoon krijg neemt de bestelling gewoon op omdat ze de naam [getuige 4] wel kennen, ik vroeg ook wel vaak naar [naam].

Het is vaker voorgekomen dat er bestellingen geplaats werden zonder dat er diagnose gesteld was, ik heb reeds verklaard dat ik zelf door mijn ervaring kan zien wat er nodig is, bovendien worden zoals reeds gezegd een aantal middelen preventief gebruikt.

De bestellingen worden per post geleverd.

Vraag: Wij tonen u de documenten D/392 t/m D/419 en vragen of de producten zoals vermeld op de pakbonnen ook daadwerkelijk geleverd zijn en of de data zoals vermeld op de pakbonnen ook overeenkomen met de daadwerkelijke levering. Tevens vragen wij van deze producten of die ook per telefoon zijn besteld en vervolgens per post ontvangen.

Antwoord: Ja dat is juist, die producten hebben wij telefonisch besteld bij [medeverdachte 1], en vervolgens per post ontvangen op of omstreeks de aangegeven data op de pakbonnen.6

7. De verklaring van [getuige 4], zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik had in de periode van januari 2003 tot 22 november 2003 duiven.

Het klopt dat ik in die periode diergeneesmiddelen heb gekocht bij [de B.V.] en deze geleverd heb gekregen. Deze zijn bij mij afgeleverd in [woonplaats] op de [adres]. Daar zit het kweekcentrum. Parastop, 4 in 1 mix, A.S. poeder, B.S. en W.N. rood zeggen mij wel wat. Het kan wel kloppen dat ik die producten besteld en geleverd heb gekregen.

Ik bestelde die middelen zowel naar aanleiding van een zieke duif of groep zieke duiven als om ze in huis te hebben voor het geval dat.

De middelen die bestemd waren voor preventie bestelde ik gewoon bij [de B.V.]. Die lagen bij ons in de kast.

Natuurlijk bestelde ik wel eens middelen op ervaring zonder dat er een diagnose was gesteld.

8. De verklaring van [getuige 5], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Bij mij komen Duitsers die mij vragen om voor hun wat diergeneesmiddelen te bestellen bij [de B.V.]. Het gaat dan meestal om Parastop en B.S. Vanuit deze functie komen ze ook bij mij uit voor de diergeneesmiddelen van [de B.V.].

Er zijn inmiddels veel mensen die via mij hun diergeneesmiddelen bestellen van [de B.V.]. Ze bellen mij of komen langs voor hun middelen. Ik zorg dat ik wat middelen op voorraad heb maar ook niet al teveel, want voorraad kost namelijk geld.

Opmerking verbalisant [verbalisant 1]: Wij tonen getuige [getuige 5] diverse pakbonnen welke afkomstig zijn uit de administratie van [de B.V.]. De pakbonnen zijn door ons voorzien van de document nummers D/427, D/430, D/432, D/436, D/438 en D/440.

Bij de middelen zit altijd een pakbon als ik ze per post ontvang. Ik weet wat ik voor de middelen aan [de B.V.] moet betalen. Later ontvang ik de factuur per post.

Aan de hand van de pakbonnen reken ik zelf van te voren uit wat de factuurprijs zal zijn.7

9. De verklaring van [getuige 6], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Sinds 1969 ken ik [medeverdachte 1] en sinds die tijd betrek ik zowat alle diergeneesmiddelen van [medeverdachte 1]. Meestal bestellen wij de diergeneesmiddelen telefonisch waarna ze per post of per koerier bezorgd worden.

Als de jonge duiven eraf gaan krijgen ze een B.S. kuur en dat weet ik zelf en als ik niets weet overleg ik dit met [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2]. Maar meestal bestel ik de diergeneesmiddelen met hun naam. De spullen die [medeverdachte 1] heeft ken ik al zo lang dat ik zelf natuurlijk daarin ook wel enige ervaring heb en ik weet welke middelen ik waarvoor kan gebruiken.

Vraag: Als het pakketje diergeneesmiddelen per post aankomt wat zit er dan in?

Antwoord: Er zit alleen een pakbon in met het betreffende geleverde diergeneesmiddel.

Vraag: Wij tonen u een aantal pakbonnen en vragen u of u de middelen gehad hebt die erop staan? Wij tonen pakbon D/473 betreffende (onder andere, hof) levering 4 in 1 mix, pakbon D/475 betreffende (onder andere, hof) levering 80 stuks B.S., pakbon D/481 betreffende levering 1 parastop en pakbon D/485 betreffende levering 100 parastop (sachets).

Antwoord: Al deze diergeneesmiddelen heb ik gehad en verkregen via de post dan wel heb ik ze zelf in [plaats 1] opgehaald.8

10. De verklaring van [getuige 7], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb in een maatschap met dierenarts [naam] een dierenartsenpraktijk. Ik ken [medeverdachte 1] niet persoonlijk.

Vraag: Als u bepaalde diergeneesmiddelen nodig had van [de B.V.] hoe bestelde u dit of hoe komt u daaraan?

Antwoord: Bestelling vond telefonisch plaats. Aflevering gebeurde middels een pakketje per post of koerier.

Opmerking verbalisant [verbalisant 1]: wij tonen getuige [getuige 7] diverse pakbonnen welke afkomstig zijn uit de administratie van [de B.V.]. De pakbonnen zijn door ons voorzien van document nummer D/442, D/444, D/446, D/448, D/450, D/452, D/456, D/458, D/462.

Vraag: Zijn de middelen die genoemd zijn op de zojuist getoonde pakbonnen aan jullie praktijk geleverd en door jullie betaald aan [de B.V.]?

Antwoord: Ja, die middelen zijn geleverd. 98% van de betreffende middelen op de pakbonnen werden hier als balieverkoop verkocht aan duivenliefhebbers. De meeste duivenliefhebbers kwamen hier aan de balie en wisten dan al wat ze wilden hebben. Zij hadden als het ware gewoon een bestelling wat zij wilden hebben. De meeste duivenliefhebbers wisten wel wat zij nodig hadden.

Overigens werd de balieverkoop nagenoeg helemaal gedaan door de assistentes hier in de praktijk. Wij als dierenartsen kwamen daar eigenlijk helemaal niet aan te pas. Dat gold eigenlijk voor alle door ons verkochte producten van [de B.V.].9

11. De verklaring van [getuige 8], van beroep dierenarts, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wij krijgen bij leveringen van [de B.V.] pakbonnen met daarop de hoeveelheden en achteraf kregen wij dan de rekeningen. Ik ben helemaal niet bekend met [medeverdachte 1], de bestellingen gaan altijd telefonisch.

De diergeneesmiddelen werden per post bezorgd. De assistenten beheerden en controleerden in opdracht van mij de voorraad diergeneesmiddelen van [de B.V.] en bestelden indien nodig.

Opmerking verbalisant [verbalisant 1]: Wij tonen getuige [getuige 8] diverse pakbonnen die afkomstig zijn uit de administratie van [de B.V.]. De pakbonnen zijn door ons voorzien van de document nummers D/521, D/523, D/525, D/527, D/529, D/531, D/533, D/535, D/537, D/539, D/541, D/543, D/545, D/547.

De diergeneesmiddelen die vermeld staan op de pakbonnen hebben wij ontvangen.

De duivenhouders kwamen hier zelf meestal de diergeneesmiddelen halen zonder dat wij daarvoor diagnose stelden. De duivenhouders wisten zelf wel wat ze nodig hadden. Ik heb verder geen kennis van de middelen. Ik denk dat 99,9% hier via de balie verkocht werd zonder dat wij de duivenhouders zagen en/of diagnose stelden. Wij fungeerden meer als een doorgeefluik.10

12. De verklaring van [getuige 9], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb diergeneesmiddelen van [medeverdachte 1] in huis, die ik in 2002 heb gekocht. Later heb ik nog één keer iets (het hof begrijpt: diergeneesmiddelen) bij [medeverdachte 1] besteld voor zo’n 5 a 6 duivenmelkers tegelijk. Ik deed de bestelling telefonisch en die werd dan per post bij mij afgeleverd. De andere mensen kwamen dan hun deel van de bestelling bij mij ophalen.11

13. De verklaring van [getuige 9], zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het klopt dat ik in de periode van januari 2003 tot en met 22 november 2003 duiven had.

Ik heb in die periode één keer diergeneesmiddelen besteld en afgeleverd gekregen van [de B.V.]. Dat was een verzamelbestelling voor vier of vijf man. Die bestelling is bij mij thuis afgeleverd op het adres De [adres] in [woonplaats].

Toen die man en vrouw van de Algemene Inspectiedienst bij mij kwamen, stonden er spullen die ik in 2002 bij een stand van [medeverdachte 1] voor mezelf had gekocht op een beurs in Dortmund. Dat waren in ieder geval vijf, zes zakjes B.S., wat Parastop en 4 in 1 mix. Dat was het ongeveer.

De bestelling die ik had gedaan, hebben de mensen die hadden besteld, opgehaald. Die bestelling ging over dezelfde producten, zoals B.S. en Parastop.

14. De verklaring van [getuige 10], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wij hebben een praktijk met zes dierenartsen.

Na contacten met collega’s kwam ik er achter dat er door diverse collega’s middelen van [de B.V.] werden verkocht. Ook mijn klanten vroegen naar producten van [de B.V.], er waren zelfs middelen bij waar ik het bestaan nog niet eens van wist. Op enig moment heb ik producten van [de B.V.] in mijn pakket diergeneesmiddelen opgenomen. Dit is dan ook de enige zakelijke relatie die ik met [medeverdachte 1] heb. De bestellingen gingen zowel telefonisch als per fax.

Vraag: Wat is er geregeld met betrekking tot de administratieve vastlegging van de in- en verkoop, dan wel gebruik van diergeneesmiddelen waarop een administratieplicht rust?

Antwoord: Er waren in het verleden wel ordners waarin de vastlegging zou moeten zijn opgeslagen, echter gebleken is dat het niet altijd juist gebeurde. Specifiek op de [de B.V.] producten moet ik zeggen dat dat niet administratief vast gelegd is, vaak was het ook balieverkoop en werd het product ook als balieverkoop geboekt. Deze producten zijn geleverd als zijnde een product voor duiven en niet zo zeer een product dat na diagnose voor die specifieke aandoening verkocht is.

Bestellingen komen per post hier aan.

Wij bestellen nooit zo erg veel op voorraad, de door u aangetroffen producten van [de B.V.] hadden wij op 31 juli 2003 van enkele maanden tot een jaar in voorraad. Dat is afhankelijk van de doorloopsnelheid van het product. U kunt ervan uit gaan dat er met enige regelmaat bestellingen van die producten heeft plaats gevonden.

De 4 in 1 mix is als diergeneesmiddel gebruikt. Parastop is als diergeneesmiddel gebruikt.

W.N. gebruik ik als diergeneesmiddel. B.S. is als diergeneesmiddel gebruikt.

De mensen vragen specifiek naar die middelen van [medeverdachte 1] en ik lever die dan aan die mensen, ik schrijf de middelen niet specifiek voor na het stellen van een diagnose. Het zijn zoals gezegd balieverkopen.

Vraag: Wij tonen u de documenten D/555 t/m D/560 en vragen of de producten zoals vermeld op de overzichten ook daadwerkelijk geleverd zijn en of de data zoals vermeld op de documenten ook overeenkomen met de daadwerkelijke levering?

Antwoord: Ik denk, gelet op de soort producten, dat het wel zo zal zijn dat die aan mij geleverd zijn op die data. Het zijn allemaal producten die wij in ons assortiment hebben gehad.12

15. Het geschrift met document nr. D/558, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Leverdatum

Produkt

Achternaam

Plaats

24-07-2003

belg bs wnr amco os sol m

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

21-02-2003

BS1-Tai-OS-Para-BS-BS3

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

11-03-2003

belg taikl para bs para3 wnr

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

26-06-2003

OSgr-4/1gr-Taigr-BS1-Para

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

18-06-2003

as bebi belg look taigr tai m

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

10-07-2003

bs belg bb bf os tai amco b

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

12-06-2003

tai os 4/1 fit belg bf bb bs b

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

20-03-2003

BS-BS1-BS3-Belg-Look-O

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]13

16. Het geschrift met document nr. D/559, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Leverdatum

Produkt

Achternaam

Plaats

12-05-2003

BS1-BS3-BS-4/1gr-WNR-P

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

29-04-2003

amcogr belg bs wn 03 para

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

25-02-2003

amcokl wormac bs* magix

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

13-01-2003

BS3-BS1-Magix-Belg-OS-4

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

15-04-2003

BS-OSgr-Para1-4/1gr

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

31-03-2003

belg para1 para3 os tai am

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

30-05-2003

Amcogr-BS1-BS3-Belg-Tai

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

11-02-2003

Magix-Belg-OS-BS-AS-BB

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]14

17. Het geschrift met document nr. D/560, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Leverdatum

Produkt

Achternaam

Plaats

16-07-2003

Vita-BF-Belg-Oog-WNR-4/

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

28-01-2003

amco belg para bs wnr

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

24-01-2003

BS3-Magix-OS-Para-4/1

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]

20-05-2003

BB-BS1-OS-4/1gr-OSgr-Pa

[getuige 10] dierenarts

[woonplaats]15

18. De verklaring van [getuige 11], wonende te [woonplaats], [adres], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb zo’n boekje van [de B.V.]. Ik maakte hiervan gebruik om te kijken welk middel ik nodig had voor een of andere aandoening. Dit bestelde ik hierop telefonisch en dit werd dan later per post bezorgd.

Ik heb het middel Parastop wel betrokken van [de B.V.], maar niet voor mijn eigen duiven. Ik betrok het voor mijn koffieclubje.16

19. De verklaring van [getuige 12], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Samen met mijn vader en oom spelen wij onder de naam [naam] in de duivensport. Wat wij aan diergeneesmiddelen gebruiken, betrekken wij veelal van [de B.V.].

Als wij denken dat de duif iets mankeert dan gaan wij ermee naar de dierenarts en laten daar diagnose stellen. Daarna gebruiken wij de middelen overeenkomstig de door de dierenarts gestelde diagnose en voorgeschreven middelen. Wij gaan met de duif naar de praktijk in [plaats 1] aan de [adres 2] en daar stelt men diagnose. Meestal treffen wij daar dan [medeverdachte 2]. Vaak stelt [medeverdachte 2] dan de diagnose en schrijft hij ook de te gebruiken middelen voor.

De middelen worden vanuit [plaats 1] uitgeleverd. De middelen nemen wij dan direct mee vanuit de praktijk in [plaats 1] aan de [adres 2].

D/495 de hierop gemaakte aantekeningen betreffende geleverde diergeneesmiddelen zijn diergeneesmiddelen die wij ontvangen hebben.

Voor document D/498 geldt hetzelfde verhaal als voor document D/495.

Voor document D/501 geldt hetzelfde verhaal als voor document D/495.

Voor document D/507 geldt hetzelfde verhaal als voor document D/495.

Voor document D/509 geldt hetzelfde verhaal als voor document D/495.

Voor document D/511 geldt hetzelfde verhaal als voor document D/495.17

20. Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten: pakbonnen, facturen en specificaties, welke deel uitmaken van het dossier gekenmerkt 17069, en hier in kopie zijn opgenomen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

E.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar onder 1. ten laste gelegde, aangezien sprake is geweest van onrechtmatige doorzoekingen en al hetgeen op de onrechtmatige doorzoekingen van de verschillende panden is gevolgd van het bewijs dient te worden uitgesloten en daarna niets aan relevant bewijs resteert. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    er op 21 november 2003 een doorzoeking heeft plaatsgevonden;

  • -

    deze doorzoekingen zijn verricht in het kader van een geopend gerechtelijk vooronderzoek;

  • -

    het vermoeden dat tot de vordering van het gerechtelijk vooronderzoek en de doorzoekingen heeft geleid op dat moment volstrekt onterecht en ongegrond was, terwijl verbalisant [verbalisant 3] dat wist althans dat redelijkerwijs had moeten weten;

  • -

    de autoriteiten wisten van de activiteiten van verdachte, hier altijd zicht op hadden gehad en met de beschikbare informatie in redelijkheid niet tot de conclusies konden komen die uiteindelijk aan de verdenking ten grondslag lagen;

  • -

    er op het moment van het openen van het gerechtelijk vooronderzoek en de in dat kader verrichte opsporingshandelingen geen redelijk vermoeden van schuld bestond, althans niet kon bestaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Op 21 november 2003 heeft een deurwaarder, in het bijzijn van verbalisanten [verbalisant 11], [verbalisant 7] en [verbalisant 12], het pand [adres 1] te [plaats 2] betreden teneinde civielrechtelijk conservatoir beslag te leggen. Daarbij werd een grote hoeveelheid diergeneesmiddelen aangetroffen alsmede een klein laboratorium met een mengmachine. Naar aanleiding van deze bevindingen is contact opgenomen met de Algemene Inspectiedienst.18 Daarop is verbalisant [verbalisant 3] ter plaatse gekomen.19

Om 13.30 uur is de inmiddels aanwezige [medeverdachte 2] door verbalisant [verbalisant 7] aangehouden.20 Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 8] hebben [medeverdachte 2] gehoord. Dit verhoor heeft geduurd van 18.20 uur tot 21.05 uur.21

Omstreeks 22.20 uur heeft hulpofficier van justitie In het Veld, na een mondelinge machtiging van de officier van justitie, het pand aan de [adres 1] te [plaats 2] doorzocht op grond van artikel 96c Sv.22

De officier van justitie heeft na mondeling overleg met de Algemene Inspectiedienst op
21 november 2003 mondeling gevorderd dat de rechter-commissaris zou overgaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek. Voorts heeft de officier van justitie op 21 november 2003 gevorderd dat drie plaatsen in [plaats 1] zouden worden doorzocht, te weten: [adres 3], [adres 4] en [adres 2]. Deze vorderingen zijn later op schrift gesteld. De rechter-commissaris is op 22 november 2013 overgegaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek en heeft de gevorderde doorzoekingen ter inbeslagneming op de adressen [adres 3], [adres 4] en [adres 2] te [plaats 1] toegestaan.23

De rechter-commissaris heeft op 22 november 2003 om 11.30 uur de doorzoeking op het adres [adres 2] geopend en om 13.04 uur de doorzoeking op de adressen [adres 3] en [adres 4] te [plaats 1] geopend.24

E.3.1

Het proces-verbaal mondelinge vordering van de officier van justitie tot het instellen van een Gerechtelijk Vooronderzoek in verband met doorzoeking ter inbeslagneming in een bedrijfspand en woning houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 22 november 2003 is door officier van justitie mr. H. Dijkstra mondeling een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan. Dit proces-verbaal is opgemaakt ter onderbouwing van deze mondelinge gedane vordering.

Het vermoeden bestaat dat de op 21 november 2003 bekende en hierna genoemde verdachten diergeneesmiddelen welke kennelijk niet zijn geregistreerd dan wel in strijd met de wet zijn geproduceerd, en welke de kankerverwekkende stof chloramphenicol bevatten, voorhanden, bereid en in voorraad hebben.

De volledige personalia van de verdachten zijn als volgt:

[de B.V.], [adres 2] te [vestigingsplaats]

[medeverdachte 1],

[medeverdachte 2], [adres 3], [woonplaats].

Dit onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een constatering op 21 november 2003 van een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID), werkzaam bij het team Diergeneesmiddelen van de Inspectie Zuid-Nederland, in een loods op het adres [adres 1] te [plaats 2], hierna te noemen de loods. Hiervan is het proces-verbaal nummer 0/AH/01 opgemaakt waarvan een kopie als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is gevoegd.

Genoemde aanleiding bestond eruit dat door een deurwaarder op 21 november 2003 conservatoir beslag is gelegd op de goederen in de loods welke in gebruik is bij dierenarts [medeverdachte 1] te [plaats 1].

Tijdens het ten uitvoering leggen van genoemd conservatoir beslag in de loods heeft men diergeneesmiddelen en grondstoffen aangetroffen, waarna men de AID hierover heeft geïnformeerd.

Tijdens het daarop volgend oriënterend onderzoek in de loods door de AID, zijn diverse diergeneesmiddelen en grondstoffen voor diergeneesmiddelen aangetroffen.

Een van de aangetroffen diergeneesmiddelen betrof “Para-stop”. Uit een recent monsteruitslag van het diergeneesmiddel “Para-stop” is gebleken dat dit diergeneesmiddel chloramphenicol bevat.

Een van de aangetroffen grondstoffen betrof 15 kilogram chloramphenicol, hetgeen een

kankerverwekkende stof is.

Tevens is een mengketel en zijn diverse verpakkingsmaterialen aangetroffen.

Op aangetroffen etiketten staat de naam “[de B.V.]” alsmede het adres “[adres 2] te [plaats 1]” vermeld.

Op aangetroffen dozen staat het adres “[adres 3] te [plaats 2]” vermeld.

Naar aanleiding van het voorgaande is in de loods onder leiding van officier van justitie
mr. H. Dijkstra op vrijdag 21 november 2003 een spoedzoeking ingesteld.

Gelet op het voorgaande is de verdenking gerezen tegen [de B.V.], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat zij niet geregistreerde diergeneesmiddelen alsmede grondstoffen, waaronder het kankerverwekkende chloramphenicol, voorhanden hadden.

Tevens is de verdenking gerezen dat [de B.V.], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] diergeneesmiddelen welke chloramphenicol bevatten bereid hebben, voorhanden hadden en afleverden aan derden.

Deze handelswijze kan een gevaar opleveren voor de volksgezondheid.”25

E.3.2

Het proces-verbaal aanleiding onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 21 november 2003, omstreeks 11.15 uur, kreeg ik het verzoek om telefonisch contact op te nemen met de hulpofficier van justitie [verbalisant 7] van de politie Zundert.

In het daarop volgende telefoongesprek werd mij medegedeeld dat er in het pand [adres 1] te [plaats 2] door een deurwaarder conservatoir beslag was gelegd op de goederen aanwezig in deze loods. Hiernaar gevraagd gaf [verbalisant 7] mij te kennen dat deze loods in gebruik was bij dierenarts [medeverdachte 1] uit [plaats 1].

Volgens [verbalisant 7] betroffen de goederen in de loods o.a. diergeneesmiddelen voor duiven, chemische grondstoffen, alsmede een mengketel om grondstoffen te mengen. Uit hoofde van mijn functie is het mij bekend dat dierenarts [medeverdachte 1] diergeneesmiddelen voor duiven op de markt brengt, tevens is het mij bekend dat door het mengen van diverse chemische grondstoffen er een diergeneesmiddel geproduceerd kan worden. Volgens verklaring van [verbalisant 7] was de mengketel besmeurd met geel poeder en was de ruimte waar deze mengketel stond eveneens besmeurd met geel poeder.

Gelet hierop ben ik ter plaatse gegaan om vast te stellen of hier mogelijk sprake zou kunnen zijn van het bereiden van diergeneesmiddelen.

Op 21 november 2003, omstreeks 13.00 uur, heb ik een 1e oriënterend onderzoek gedaan in genoemde loods. Ik trof daar grote hoeveelheden diergeneesmiddelen (gereed product) aan voor toepassing bij hoofdzakelijk duiven. Tevens trof ik een aantal vaten aan waarin volgens opschrift chemische grondstoffen aanwezig waren.

Ik zag in een vat een etiket waarop vermeld stond Chlooramphenicol. Uit hoofde van mijn functie is bekend dat chloramphenicol (een stof met carsogene (het hof begrijpt: carcinogene) werking) door de EG geplaatst is op de lijst van verboden stoffen en dat deze grondstof gebruikt kan worden voor de bereiding van diergeneesmiddelen. Tevens zag ik in deze loods een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal staan, gelet op de uiterlijke kenmerken kennelijk bestemd om daarin een diergeneesmiddel te verpakken.

In een mengruimte behorende tot voornoemd pand trof ik een mengketel aan. Ik zag dat deze mengketel besmeurd was met geel poeder. De ruimte waarin deze mengketel zich bevond was eveneens besmeurd met geel poeder. Een in het plafond aangebrachte ventilator, kennelijk bestemd voor afzuiging, was naar ik zag besmeurd met geel poeder. Een in de kantoorruimte aanwezig T-shirt en pet waren eveneens besmeurd met geel poeder.

Gelet op het hiervoor gerelateerde heb ik het sterke vermoeden:

  • -

    dat hier diergeneesmiddelen aanwezig zijn welke kennelijk niet zijn geregistreerd

  • -

    dat hier chemische grondstoffen worden gemengd teneinde dit mengsel als diergeneesmiddel te bestemmen

  • -

    dat hier het kankerverwekkende (carsogeen (het hof begrijpt: carcinogene)) chloramphenicol voorhanden werd gehouden.”26

E.3.3

De verklaring die [medeverdachte 2] op 21 november 2003 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Beroep: manager in loondienst bij [de B.V.].

Ik werk in opdracht en onder verantwoording van [medeverdachte 1].

De door u in [plaats 2] aangetroffen lege capsules zijn bestemd voor het afvullen van BS, Para, en ik ben nu bezig om een capsule voor de luchtwegen te maken. Met deze capsules doen wij proeven bij (zieke) duiven en kijken of het middel in de samenstelling zoals het in de capsule zit goed werkt. Als de producten goed aanslaan bij duiven, dan gaan die een traject in om er pillen van te maken.

De Chloramphenicol verwerken wij in de Para-stop en in 4 in 1 mix. Er staat een aangebroken verpakking in de loods. Ik heb dit product uitgewogen ten behoeve van de productie van Para-stop en de 4 in 1 mix welke geproduceerd wordt door [bedrijf 3].

De witte potjes met daarop een wit etiketje met de naam Ronidazol heb ik in de opslagplaats in [plaats 2] afgevuld.

De producten die gemengd zijn in de ketel te [plaats 2] betreffen vitaminepreparaten en datgene wat in die capsules gaat voor het testen en daar kan van alles inzitten. Voor 90% gaat dit in overleg met [medeverdachte 1]. Als ik zeg dat alles in die capsules kan zitten dan kan er dus ook chlooramfenicol in zitten die ik dan gemengd heb in de ketel te [plaats 2].”27

E.3.4

[verbalisant 7] heeft op 15 maart 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, welke – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

“In de loods troffen wij grote hoeveelheden geneesmiddelen aan. Verder was er achterin de loods een klein lab met een mengmachine. Ik heb toen de AID gewaarschuwd, omdat het zo’n grote hoeveelheid geneesmiddelen betrof en omdat het leek dat er ook werd gefabriceerd.”28

E.3.5

[verbalisant 3] heeft op 13 maart 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, welke – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

“Chlooramphenicol (CAP) is een stof die verwerkt zat in diverse diergeneesmiddelen. Het was met name bestemd voor voedselproducerende dieren (bijvoorbeeld runderen, schapen). Iedereen gebruikte het. Dit was echter tot het moment dat men erachter kwam dat het carcinogeen (kankerverwekkend) is. De EG is zich ermee gaan bemoeien. Vanuit de EG werd uitgevaardigd dat het middel moest worden geplaatst op de zogenaamde annex IV lijst. Dat is ook gebeurd. Op die lijst staan middelen die niet meer mochten worden verstrekt aan voedselproducerende dieren. In Nederland heeft de minister toen met onmiddellijke ingang de registratie ingetrokken van CAP voor landbouwhuisdieren (bijvoorbeeld runderen, schapen, varkens).

Zodra een grondstof de bestemming krijgt van diergeneesmiddel, komt de Diergeneesmiddelenwet om de hoek kijken. In die wet staat het verbod om CAP te gebruiken voor bepaalde groepen dieren.

Als een grondstof wordt verwerkt tot diergeneesmiddel, dan mag men dat middel voorhanden hebben, indien het is bestemd voor de export. De producent, dan wel degene die het diergeneesmiddel voorhanden heeft, moet dan aan de AID bij een controle aan de hand van een order kunnen aantonen dat er sprake is van export. Een grondstof kan worden aangemerkt als diergeneesmiddel alleen al door zo’n grondstof als diergeneesmiddel te etiketteren.

Mij wordt gevraagd hoe ik bij het feitelijk onderzoek inzake [medeverdachte 1] betrokken ben geraakt. Men had in [plaats 2] een loods met diergeneesmiddelen aangetroffen en wist niet wat men daarmee aan moest. Ik ben vervolgens ter plaatse gegaan.

Mij wordt gevraagd wat mijn concrete bevindingen waren ter plekke:

  • -

    veel Nederlandstalig geëtiketteerde diergeneesmiddelen van [medeverdachte 1];

  • -

    verpakkingsmateriaal;

  • -

    grondstoffen voor de bereiding van diergeneesmiddelen;

  • -

    een afdeling/ruimte waarin een mengketel stond.

Gelet op de uiterlijke kenmerken van die ruimte in combinatie met de mengketel was mijn indruk dat daar recent was geproduceerd.

Aan welke overtreding dacht u toen? Het voorhanden hebben en in voorraad hebben van niet geregistreerde diergeneesmiddelen.

Hoe wist u dat er sprake was van niet geregistreerde diergeneesmiddelen? Ik heb 25 jaar ervaring. Ik zag daar verpakkingen. Ik kon de etiketten lezen. Ik wist dat [medeverdachte 1] een beperkt aantal diergeneesmiddelen had geregistreerd. Het aantal diergeneesmiddelen dat ik ter plekke aantrof, ging ver uit boven het aantal waarvan ik wist dat het geregistreerd stond.

Ik heb een strafrechtelijk onderzoek geïnitieerd op grond van het volgende:

  • -

    de aanwezigheid van grondstoffen (een heel scala, waaronder CAP);

  • -

    de aanwezigheid van een mengketel;

  • -

    mijn indruk dat de mengketel recent was gebruikt;

  • -

    op het moment van constateren was mij niet anders bekend dan dat [medeverdachte 1] geen vergunninghouder was voor de productie van diergeneesmiddelen.

De verdenking op grond van artikel 174 Wetboek van Strafrecht is gebaseerd op het aantreffen van de grondstof CAP en het aantreffen van diergeneesmiddelen bij een dierenarts. Hij zou deze producten ook kunnen gebruiken voor andere dieren dan postduiven.”29

E.4

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er ten tijde van de doorzoeking op grond van artikel 96c Sv van het pand gelegen op het adres [adres 1] te [plaats 2] alsmede ten tijde van het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich aan de in de schriftelijke vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven strafbare feiten had schuldig gemaakt. De omstandigheid dat de verdenking ter zake van overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht nadien is vervallen, kan daaraan niet afdoen. De beoordeling van de vraag of op een zeker moment een verdenking redelijk was, dient immers te geschieden aan de hand van de op het moment van die verdenking bekende feiten en omstandigheden.

Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim met betrekking tot de doorzoeking van het pand op het adres [adres 1] te [plaats 2], het openen van het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris en de doorzoekingen door de rechter-commissaris op de adressen [adres 3], [adres 4] en [adres 2] te [plaats 1], zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang en tijdsverband bezien, acht het hof het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november 2003 te Breda en andere plaatsen in Nederland opzettelijk een hoeveelheid hieronder nader te noemen diergeneesmiddelen die niet waren geregistreerd, heeft afgeleverd, immers heeft verdachte,

  • -

    aan [getuige 1] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 2] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product B.S., alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 3] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 4] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 5] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product B.S. alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 6] het product Parastop en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 7] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 8] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het product B.S. en het product W.N. Rood, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 9] het product Parastop alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 10] het product Parastop en het product 4 in 1 mix en het product B.S. en het product W.N. Zwart, alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 11] het product Parastop, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

  • -

    aan [getuige 12] het product 4 in 1 mix en het product B.S., alle niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat het uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging heeft bekomen dat in de ten laste gelegde periode de ten laste gelegde middelen zijn afgeleverd aan [betrokkene 1].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

F.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wat betreft de leveringen aan [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11], aangezien het leveren van een niet-geregistreerd, voor export gereed product aan een dierenarts niet in strijd is met artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet en niet strafbaar is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    het toegestaan was om ongeregistreerde diergeneesmiddelen die een andere bestemming hadden dan de Nederlandse markt, te bereiden en voorhanden te hebben;

  • -

    de onderhavige diergeneesmiddelen vallen onder de kanalisatieregeling, zodat zij op grond van de artikelen 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet mogen worden afgeleverd aan dierenartsen en dierenartsen deze middelen op voorraad mogen hebben;

  • -

    de artikelen 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet bepalen dat de actoren in de medische keten onderling niet te maken hebben met het verbod uit de artikelen 2 en 29 van de Diergeneesmiddelenwet;

  • -

    een levering van een exportproduct aan een dierenarts de bestemming niet wijzigt, zelfs niet als men weet dat de dierenarts dit product nationaal zal inzetten, aangezien het de eigen verantwoordelijkheid van de dierenarts is om hiertoe wel of niet over te gaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

F.2.1

Artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“1. Het is verboden een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet ten aanzien van:

a. diergeneesmiddelen die ten behoeve van één dier of een klein aantal dieren bereid worden of bereid zijn door een dierenarts of door een apotheker op recept van een dierenarts, voor zover het geen sera, entstoffen, biologische diagnostica of krachtens artikel 5 aangewezen substanties betreft;

b. diergeneesmiddelen, andere dan sera, entstoffen of biologische diagnostica die bereid zijn uit of met behulp van krachtens artikel 4, onderdeel d, aangewezen substanties, die worden doorgevoerd of die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer.”

F.2.2

Artikel 2, eerste lid, van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en –gemedicineerde voeders luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“Als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn worden aangewezen:

a. antimicrobiële diergeneesmiddelen;

(…)”

F.2.3

Artikel 30 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, af te leveren.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren aan:

(…)

c. dierenartsen;

(…)”

F.2.4

Artikel 31 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, voorhanden of in voorraad te hebben.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:

(…)

c. dierenartsen;

(…)”

F.3

De bewezen verklaarde diergeneesmiddelen betreffen antimicrobiële middelen30, zodat zij, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en –gemedicineerde voeders, diergeneesmiddelen waren als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet. Op de onderhavige diergeneesmiddelen waren derhalve de artikelen 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet van toepassing. Deze artikelen doen evenwel niets af aan het in artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet neergelegde verbod op onder meer het voorhanden hebben, in voorraad hebben en afleveren van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen. Van dit verbod waren op grond van artikel 2, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet enkel magistraal bereide diergeneesmiddelen en diergeneesmiddelen die worden doorgevoerd of kennelijk bestemd zijn voor uitvoer, uitgezonderd. Het verweer vindt in zoverre geen steun in het recht.

F.4

Het afleveren van niet-geregistreerde, gekanaliseerde diergeneesmiddelen aan dierenartsen in Nederland is gelet op het vorenstaande verboden, tenzij zich een uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet. Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat de diergeneesmiddelen bestemd waren voor de export, maar uit het onderzoek ter terechtzitting is geenszins aannemelijk geworden dat de aan [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11] afgeleverde diergeneesmiddelen ten tijde van de aflevering nog bestemd waren voor uitvoer. Het was verdachte derhalve op grond van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet verboden deze diergeneesmiddelen af te leveren aan de dierenartsen [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11].

Het hof verwerpt het verweer.

G.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien haar handelen dient te worden aangemerkt als een handelen conform artikel 2 van de Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999 (het hof: nader te noemen de Vrijstellingsregeling), zodat het feit niet strafbaar is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    er sprake is van magistraal bereide middelen;

  • -

    de leveringen vanuit diergeneeskundig oogpunt noodzakelijk waren, omdat sprake was van een aanwijsbaar ziektegeval of een directe dreiging voor het uitbreken of ontstaan ervan;

  • -

    bij alle leveringen sprake was van een klein aantal niet-voedselproducerende dieren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G.2

Aan de stelling dat sprake is van magistraal bereide middelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Vrijstellingsregeling heeft de verdediging ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de regelgeving geen definitie van het begrip bereiding bevat;

  • -

    het ridicuul zou zijn om een dierenarts te dwingen om middelen met potjes en pannetjes na te maken, indien deze middelen gereed liggen voor de legale export ervan;

  • -

    het ompakken van reeds beschikbare medicijnen een vervaardigingshandeling is in de zin van het huidige artikel 2.19 van de Wet dieren en het naar analogie ook een bereidingshandeling is in de zin van magistrale bereiding.

G.3.1

Zoals hiervoor weergegeven luidde artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Diergeneesmiddelenwet ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Het verbod van het eerste lid geldt niet ten aanzien van:

diergeneesmiddelen die ten behoeve van één dier of een klein aantal dieren bereid worden of bereid zijn door een dierenarts of door een apotheker op recept van een dierenarts, voor zover het geen sera, entstoffen, biologische diagnostica of krachtens artikel 5 aangewezen substanties betreft;”

G.3.2

Artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet mogen dierenartsen, indien het niet toepassen van diergeneesmiddelen ondraaglijk lijden voor het betrokken dier met zich brengt en voor de toepassing geen diergeneesmiddelen beschikbaar zijn de volgende middelen bij een dier of een klein aantal dieren toepassen:

(…)

c. magistraal bereide diergeneesmiddelen, voor zover geen middelen, als bedoeld in onderdelen a en b beschikbaar zijn.”

G.3.3

Artikel 21, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister diergeneesmiddelen te bereiden, te verpakken, te etiketteren of af te leveren.”

G.4

Naar het oordeel van het hof is het ompakken van reeds bereide diergeneesmiddelen niet het bereiden van diergeneesmiddelen in de zin van de Diergeneesmiddelenwet. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op artikel 21 van de Diergeneesmiddelenwet waaruit volgt dat het bereiden van diergeneesmiddelen niet het verpakken en etiketteren van diergeneesmiddelen omvat. Het ompakken van reeds bereide diergeneesmiddelen is dan ook geen magistrale bereiding van die diergeneesmiddelen, zodat verdachte geen beroep toekomt op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Diergeneesmiddelenwet dan wel artikel 2 van de Vrijstellingsregeling.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

H.

Het bewezen verklaarde levert op:

Het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd.

I.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de directeur en feitelijke leidinggevende van verdachte, [medeverdachte 1], dierenarts, heeft gehandeld in noodtoestand. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat

  • -

    het in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet afleveren van niet geregistreerde diergeneesmiddelen door [medeverdachte 1] gerechtvaardigd was, aangezien er in Nederland geen geregistreerde diergeneesmiddelen beschikbaar waren, die effectief de vaak levensbedreigende ziektes waaraan de door hem te behandelen duiven leden dan wel dreigden te worden blootgesteld, konden bestrijden;

  • -

    het magistraal bereiden van diergeneesmiddelen in de hoeveelheden die noodzakelijk waren om te kunnen voldoen aan de vraag waarmee verdachte zich geconfronteerd zag, feitelijk onmogelijk was;

  • -

    [medeverdachte 1] volgens de vereisten van een ‘good veterinary practice’ telkens voldoende heeft gediagnosticeerd en binnen zijn mogelijkheden voldoende concreet over ieder geval heeft geoordeeld om dit binnen de grenzen van de noodtoestand een niet strafbaar handelen te laten opleveren;

  • -

    de noodsituatie van [medeverdachte 1], gelet op zijn positie als directeur van verdachte en als feitelijke leidinggever aan de bewezen verklaarde gedragingen, aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I.2

Bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

I.3

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder uit de rapporten van professor dr. H. Vaarkamp en professor dr. G.M. Dorrestein alsmede uit de verklaringen van Dorrestein ter terechtzitting in hoger beroep, is aannemelijk geworden dat het registreren en produceren van diergeneesmiddelen voor duiven vanwege de relatieve kleinschaligheid ervan, geen interessante markt was voor de diergeneesmiddelenindustrie. De kosten van registratie beliepen per geneesmiddel 200.000 tot 300.000 euro, terwijl de Nederlandse markt niet groot is. Die bezwaren golden zeker voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 22 van het Diergeneesmiddelenbesluit in 2006. Sindsdien is het onder omstandigheden toegelaten om diergeneesmiddelen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd bij een dier toe te passen.

Vaarkamp en Dorrestein erkennen beiden de zogenaamde “Minor Use, Minor Species”-problematiek: diergeneesmiddelen worden voornamelijk geregistreerd voor veel voorkomende aandoeningen en/of voor veel voorkomende diersoorten.

Gevolg van de destijds bestaande situatie was dat voor aandoeningen van een minor species, waartoe de duivensoort gerekend wordt, weinig geregistreerde diergeneesmiddelen beschikbaar waren.

[medeverdachte 1], die bekend staat als een van de weinige dierenartsen ter wereld die zich als specialist bezighouden met de duivengeneeskunde, werd door grote aantallen duivenmelkers van over de gehele wereld en dus ook uit Nederland, benaderd als een ziekte was uitgebroken of dreigde uit te breken. In Nederland geregistreerde middelen hadden veelal geen effect of door ontwikkelde resistentie geen effect meer. In opdracht van [medeverdachte 1] waren echter geneesmiddelen voor de export gefabriceerd, waarmee de ziekten wel konden worden bestreden. Dat deze middelen in Nederland niet waren geregistreerd had niet alleen te maken met de financiële aspecten daarvan – [medeverdachte 1] heeft immers in het verleden bepaalde medicijnen wel degelijk laten registreren – maar ook, zo blijkt uit de verklaring van Dorrestein, met het feit dat het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen weinig of geen bereidheid toonde om combinatiemiddelen als waarom het hier ging toe te laten.

De door de wetgever in bepaalde omstandigheden en onder strikte voorwaarden toegelaten ambachtelijke, magistrale bereiding door de dierenarts zelf was, aldus ook Dorrestein, geen alternatief, gelet op de hoeveelheden duiven in besmette koppels, het epidemisch karakter van een aantal ziektes, de snelle incubatietijd en het contaminatiegevaar dat wekelijks optreedt bij het transport van de duiven voor de wedstrijden, waarbij grote aantallen duiven afkomstig uit meerdere kolonies bij elkaar komen en over lange afstanden gezamenlijk vervoerd worden. Zowel preventief als repressief moet dan worden opgetreden, vaak het gehele jaar door. Een dergelijke omvang maakt magistrale bereiding niet alleen praktisch onrealiseerbaar, maar ook risicovol. De kans op kwaliteitsfouten, zoals mengfouten, is bij een dergelijke omvang groot.

Vaarkamp merkt in dit verband op: “Als u mij de vraag stelt wat – even los van de wettelijke legitimiteit van de beide opties – de voorkeur geniet: het in grotere hoeveelheden magistraal bereiden en in voorraad houden (wat dus wettelijk niet is toegestaan) of het zelfde product dat al GMP is geproduceerd en voor de export is bestemd, van de stapel pakken, dan kies ik voor de laatste optie, omdat dit vanuit kwaliteitsoogpunt meer waarborgen geeft”.

De situatie waarmee verdachte werd geconfronteerd kan – aldus Dorrestein – gezien de aard van de duivensport en de grote inspanningen die de duiven verrichten, alsmede het feit dat de ziekten zich zeer frequent voordoen enerzijds en het ontbreken van voldoende werkzame geregistreerde geneesmiddelen anderzijds, omschreven worden als een “chronische noodsituatie”.

[medeverdachte 1] heeft herhaaldelijk pogingen ondernomen bij de daarvoor aangewezen instanties om verandering te brengen in de situatie. Dat wordt bevestigd in de brief d.d. 3 december 2008 van [naam], voormalig coördinator vergunningen van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen. In de jaren 2001 tot en met 2005 heeft hij samen met [medeverdachte 1] diverse malen contact opgenomen c.q. gesprekken gevoerd met de overheid in verband met het versoepelen van de diergeneesmiddelenwetgeving ten behoeve van de minor species. De overheid is niet bereid geweest in te gaan op deze verzoeken. Pas met de inwerkingtreding van artikel 22 van het Diergeneesmiddelenbesluit is de wetgeving versoepeld en is daarmee tegemoetgekomen aan het nijpende probleem.

Het vorenstaande brengt evenwel nog niet met zich dat verdachte bij haar bewezen verklaarde handelen heeft gehandeld in noodtoestand. Bij een beroep op noodtoestand moet gelet op hetgeen hiervoor onder I.2 voorop is gesteld, immers worden nagegaan of uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval meebrengen dat overtreding van het wettelijk verbod gerechtvaardigd is. Dat brengt mee dat het hof per bewezen verklaarde levering dient te beoordelen of verdachte heeft gehandeld in noodtoestand.

I.4

Blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1], [getuige 5], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] hebben zij de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen aan derden geleverd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] wist aan wie de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen door [getuige 1], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] werden geleverd. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat aan deze leveringen een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat het noodzakelijk was die duiven te behandelen met de bewezen verklaarde diergeneesmiddelen.

I.5

Ook ten aanzien van de leveringen aan [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 6] kan gelet op hun verklaringen, zoals gebezigd tot het bewijs, niet worden vastgesteld dat aan de bewezen verklaarde leveringen een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat [medeverdachte 1] als dierenarts heeft beoordeeld of het noodzakelijk was om die duiven te behandelen met de geleverde diergeneesmiddelen. De andersluidende verklaring van [medeverdachte 1] is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

I.6

Blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 3] heeft hij de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen aan derden geleverd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] wist aan wie [getuige 3] de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen leverde. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat aan de leveringen aan [getuige 3] een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat het noodzakelijk was die duiven te behandelen met de bewezen verklaarde diergeneesmiddelen. De schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] kan aan het voorgaande niet afdoen, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat van de bewezen verklaarde leveringen aan [getuige 3] enig diergeneesmiddel door [getuige 3] is geleverd aan [betrokkene 3].

Ten aanzien van de bewezen verklaarde leveringen aan [getuige 3] is het hof dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat aan deze leveringen uitzonderlijke omstandigheden ten grondslag lagen die meebrengen dat overtreding van in artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet gerechtvaardigd is. Het beroep op noodtoestand faalt in zoverre.

I.7

Gelet op het vorenstaande is het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde leveringen aan [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat aan deze leveringen uitzonderlijke omstandigheden ten grondslag lagen die meebrengen dat overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet gerechtvaardigd is. Het beroep op noodtoestand faalt in zoverre.

I.8

Uit de verklaring van [getuige 12], zoals gebezigd tot het bewijs, leidt het hof af dat in het geval van de bewezen verklaarde leveringen van diergeneesmiddelen aan [getuige 12] telkens sprake was van een of meer zieke duiven. Voorts leidt het hof uit die verklaring, bezien in samenhang met de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij werkte in opdracht en onder verantwoording van [medeverdachte 1]31 alsmede met de verklaring van [medeverdachte 1] dat het een stilzwijgende afspraak was dat [medeverdachte 2] in overleg met [medeverdachte 1] de diagnose stelde en de te gebruiken middelen voorschreef32, af dat [medeverdachte 1] van geval tot geval heeft beoordeeld of het noodzakelijk was de duiven van [getuige 12] te behandelen met de onderhavige diergeneesmiddelen. Gelet daarop alsmede gelet op het hiervoor onder I.3 overwogene is het hof van oordeel dat bij de leveringen aan [getuige 12] sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat overtreding van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet gerechtvaardigd was, zodat verdachte in zoverre heeft gehandeld in noodtoestand.

I.9

Gelet op het voorgaande zal het hof het bewezen verklaarde ten aanzien van het afleveren van diergeneesmiddelen aan [getuige 12] niet strafbaar verklaren en de verdachte te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging. Voor het overige verwerpt het hof het beroep op noodtoestand.

J.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is nu de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    [medeverdachte 1] door de Diergeneesmiddelenwet te overtreden de aan deze wet ten grondslag liggende norm beter heeft vervuld dan wanneer hij de wettelijke bepaling niet overtreden zou hebben, aangezien het belang van het dier sterk gediend is geweest met zijn handelen, terwijl het belang van de volksgezondheid niet in het geding is geweest;

  • -

    sprake is van een samenstel van factoren die naar maatschappelijke opvattingen zodanig nastrevenswaardig zijn dat op grond van dat samenstel moet worden geoordeeld dat dit voor [medeverdachte 1] tot een zodanige noodzaak heeft geleid dat zijn handelen niet wederrechtelijk is geweest.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

J.2

Doel van de registratieverplichting van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet is te bewerkstelligen dat slechts diergeneesmiddelen worden gebruikt waarvan, op basis van wetenschappelijk onderzoek, mag worden aangenomen dat zij werkzaam zijn, geen gevaren opleveren voor de gezondheid van de mens en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren.

J.3

Het hof heeft hiervoor onder I. reeds overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat:

  • -

    aan de leveringen aan [getuige 1], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 11], [getuige 3] en [getuige 5] een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat het noodzakelijk was die duiven te behandelen met de geleverde diergeneesmiddelen;

  • -

    aan de leveringen aan [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 6] een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat [medeverdachte 1] als dierenarts heeft beoordeeld of het noodzakelijk was om die duiven te behandelen met de geleverde diergeneesmiddelen.

J.4

Gelet op het hiervoor onder J.3 weergegevene is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat het voor verdachte noodzakelijk was om artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet te overtreden en evenmin dat verdachte het doel van de registratieverplichting beter heeft gediend door te handelen in strijd met dit artikel. Verdachte komt derhalve geen beroep toe op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

K.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie
    d.d. 24 november 2014, waaruit blijkt dat zij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof niet bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan het hof dit raadzaam zou achten.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof een geldboete ter hoogte van € 5.000,00 in dit geval een passende reactie.

Het hof ziet in de hiervoor onder B.1.2 geconstateerde aanzienlijke schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn evenwel aanleiding een geldboete ter hoogte van € 3.000,00 op te leggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verstaat dat het hof ter terechtzitting van 27 maart 2014 de inleidende dagvaarding nietig heeft verklaard wat betreft het onder 2. ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor vermeld.

Verklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van het afleveren aan [getuige 12] niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het bewezen verklaarde voor het overige strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.000,00 (drieduizend euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 17 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie het requisitoir van de officier van justitie ter terechtzitting van 30 januari 2008 en de brieven van de advocaat-generaal van 31 januari 2014 en 17 februari 2014.

2 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar ambtsedige processen-verbaal en andere bescheiden, opgenomen in het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, proces-verbaalnr. 17069, onderzoek Doffer.

3 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 27 februari 2004, kenmerk G-01/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

4 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 18 februari 2004, kenmerk G-02/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

5 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 25 februari 2004, kenmerk G-03/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

6 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], d.d. 2 maart 2004, kenmerk G-04/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

7 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], d.d. 26 februari 2004, kenmerk G-05/01, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

8 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6], d.d. 20 februari 2004, kenmerk G-07/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

9 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7], d.d. 4 maart 2004, kenmerk G-08/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

10 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8], d.d. 3 maart 2004, kenmerk G-09/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

11 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9], d.d. 29 maart 2004, kenmerk G-12/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 6], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

12 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10], d.d. 9 maart 2004, kenmerk G-15/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

13 Het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, document nr. D/558 (opgenomen in de ordner met het opschrift “Documenten D/301 t/m D/600”).

14 Het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, document nr. D/559 (opgenomen in de ordner met het opschrift “Documenten D/301 t/m D/600”).

15 Het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, document nr. D/560 (opgenomen in de ordner met het opschrift “Documenten D/301 t/m D/600”).

16 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11], d.d. 12 mei 2004, kenmerk G-19/01, opgemaakt door [verbalisant 1] en G.M.W. Thoelen, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

17 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12], d.d. 17 februari 2004, kenmerk G-06/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

18 Zie het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verbalisant 7], d.d. 15 maart 2006, opgemaakt door de rechter-commissaris, alsmede de als bijlage bij dat proces-verbaal gevoegde mutatie.

19 Zie het ambtsedig proces-verbaal aanleiding onderzoek, d.d. 25 november 2003, kenmerk 0/AH/01, opgemaakt door [verbalisant 3], buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Zaak 0 0-OPV en Ambtshandelingen”).

20 Zie het proces-verbaal van aanhouding, d.d. 21 november 2003, bijlage nr. V01-B, opgemaakt door
[verbalisant 7], inspecteur van politie (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

21 Zie het ambtsedig proces-verbaal, d.d. 21 november 2003, proces-verbaal nr. 0/V1/01, opgemaakt door
[verbalisant 3] en [verbalisant 8], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”)

22 Zie het ambtsedig proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, d.d. 9 december 2003, kenmerk 0/AH/14, opgemaakt door [verbalisant 9], inspecteur van politie (opgenomen in de ordner met het opschrift “Zaak 0 0-OPV en Ambtshandelingen”).

23 Zie het ambtsedig proces-verbaal mondelinge vordering van officier van justitie tot instellen van een Gerechtelijk Vooronderzoek ter inbeslagneming in bedrijfspand en woning, d.d. 26 november 2003, kenmerk 0/AH/07, opgemaakt door [verbalisant 10], buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Zaak 0 0-OPV en Ambtshandelingen”); de schriftelijke vordering tot gerechtelijk vooronderzoek d.d. 25 november 2003; de schriftelijke vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming (art. 110 Sv) d.d. 25 november 2003; de schriftelijke vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming (art. 110 Sv) d.d. 4 december 2003.

24 Zie de processen-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, d.d. 4 december 2003.

25 Het proces-verbaal mondelinge vordering van officier van justitie tot instellen van een Gerechtelijk Vooronderzoek ter inbeslagneming in bedrijfspand en woning, d.d. 26 november 2003, kenmerk 0/AH/07, opgemaakt door [verbalisant 10], buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Zaak 0 0-OPV en Ambtshandelingen”).

26 Het proces-verbaal aanleiding onderzoek, d.d. 25 november 2003, kenmerk 0/AH/01, opgemaakt door
[verbalisant 3], buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Zaak 0 0-OPV en Ambtshandelingen”).

27 Het ambtsedig proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst, Inspectie Zuid Nederland, d.d. 21 november 2003, proces-verbaal nr. 0/V1/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 8], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

28 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verbalisant 7], d.d. 15 maart 2006, opgemaakt door de rechter-commissaris.

29 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verbalisant 3], d.d. 13 maart 2006, opgemaakt door de rechter-commissaris.

30 Zie de brief d.d. 1 juni 2004 van [naam], hoofd Bureau Registratiediergeneesmiddelen, document nr. D/724 (opgenomen in de ordner met het opschrift “Documenten D/601 t/m D/831”).

31 Zie het ambtsedig proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst, Inspectie Zuid Nederland, d.d. 21 november 2003, proces-verbaal nr. 0/V1/01, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 8], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar (opgenomen in de ordner met het opschrift “Verdachten en Getuigen Dossiers”).

32 Zie de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2014.