Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5328

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
HD 200.155.888_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsongeval; bescherming handschoenen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2680
JA 2016/30 met annotatie van mr. J.H.G. Verweij-Hoogendijk en mr. drs. I. van der Zalm
AR-Updates.nl 2015-1316
XpertHR.nl 2016-414599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.155.888/01

arrest van 22 december 2015

in de zaak van

[Sloopwerken] Sloopwerken B.V., tevens h.o.d.n. [Voegersbedrijf] Voegersbedrijf,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [Sloopwerken] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 april 2014, welk vonnis is hersteld bij vonnis van 14 mei 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [Sloopwerken] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 696492 CV EXPL 11-11200)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, almede naar de vonnissen van 25 april 2012, 14 november 2012 en 1 mei 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2.2.

In dit verband merkt het hof op dat in het griffiedossier een akte, opgemaakt door de griffier van dit hof van 6 november 2014 is aangetroffen, waarin is vermeld dat op verzoek van mr. Rupert d.d. 31 oktober 2014 uit het gedeponeerde procesdossier is verwijderd bijlage 3 pleitaantekeningen d.d. 28 maart 2012.

2.3.1.

[geïntimeerde] heeft naar voren gebracht dat de memorie van grieven van twee identieke parafen -en derhalve niet van handtekeningen- is voorzien, zodat dit de mogelijkheid openlaat dat een niet gestelde advocaat heeft getekend. Dit gebrek brengt volgens [geïntimeerde] niet ontvankelijkheid met zich mee, althans dat ingevolge artikel 83 Rv op de memorie van [Sloopwerken] geen acht kan worden geslagen.

2.3.2.

Het hof verwerpt het voorgaande. Mr W.A.M. Rupert heeft zich als advocaat gesteld voor [Sloopwerken] . In de memorie van grieven wordt mr. Rupert als procesadvocaat aangeduid. De memorie van grieven is ondertekend door de procesadvocaat, zo blijkt uit de memorie van grieven. Enkel de door [geïntimeerde] geopperde mogelijkheid dat de memorie van grieven niet door de advocaat die zich heeft gesteld voor [Sloopwerken] is ondertekend omdat een identieke handtekening is geplaatst bij de vermelding van de behandelend advocaat, wordt gezien als een onvoldoende stelling dat de memorie van grieven niet zou zijn ondertekend door de advocaat die zich gesteld heeft. Niet van belang is dat die handtekening als een paraaf zou moeten worden geduid; artikel 83 lid 2 Rv maakt namelijk geen onderscheid tussen een handtekening en een paraaf en vereist slechts ondertekening.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de navolgende feiten:

3.1.1.

Bij het slopen van tegels en stucwerk in een woning in dienst van [Sloopwerken] is [geïntimeerde] op 28 januari 2009 gewond geraakt doordat een tegelrand of een tegelpunt bij het loshakken met een mechanische breekhamer door de door [Sloopwerken] aan [geïntimeerde] ter beschikking gestelde handschoen heendrong of -sneed en de linkermiddelvinger van [geïntimeerde] raakte. Dit veroorzaakte een bloedende wond. Door een collega van [geïntimeerde] is op de wond een pleister geplakt, waarna de sloopwerkzaamheden op die dag door [geïntimeerde] zijn hervat. De door [Sloopwerken] aan [geïntimeerde] verstrekte handschoenen waren van het merk North type NF14HD of van het merk Showa, type 310 NR Grip.

3.1.2.

Op 29 januari 2009 is bij [geïntimeerde] een beginnende infectie (panaritium) en een contusie (kneuzing) geconstateerd en is gestart met behandeling met augmentin (antibioticum). Op 30 januari 2009 is [geïntimeerde] voor de eerste maal geopereerd aan de infectie van de wond (drainage). Ook in mei en juli 2009 is [geïntimeerde] geopereerd. Vanuit voormeld letsel is een toenemend dystrofisch beeld ontstaan, wat aanvankelijk was beperkt tot de linkerpols. In verband met posttraumatische dystrofie (CRPS) is [geïntimeerde] op diverse plekken behandeld met minimaal resultaat en zelfs uiteindelijk een verslechtering waarbij de dystrofie inmiddels door het hele lichaam van [geïntimeerde] is “gekropen”. Inmiddels is [geïntimeerde] ernstig geïnvalideerd (rolstoelafhankelijk), is zijn totale zenuwstelsel ontregeld en is hij volledig arbeidsongeschikt. Hij is bezig (geweest) met dagrevalidatie.

3.1.3.

Met ingang van 27 januari 2011 is aan [geïntimeerde] een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.1.4.

Bij beslissing van 7 april 2011 is aan [Sloopwerken] een ontslagvergunning verleend, waarvan [Sloopwerken] gebruik heeft gemaakt, zodat de arbeidsovereenkomst door opzegging is geëindigd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] - voor zover in hoger beroep van belang - te verklaren voor recht dat [Sloopwerken] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval van 28 januari 2009 geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en [Sloopwerken] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 20.000,-, een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het letsel op 28 januari 2009 is veroorzaakt door het doorsnijden van de handschoen die hij droeg bij het werk en dat [Sloopwerken] niet heeft voldaan aan de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 (oud) BW door geen handschoenen ter beschikking te stellen die voldoende snijbestendig zijn, door in strijd met artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet onvoldoende instructies te geven en door geen toezicht te (laten) houden op de uitvoering van de werkzaamheden.

3.2.3.

[Sloopwerken] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 25 april 2012 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het tussenvonnis van 14 november 2012 heeft de kantonrechter overwogen dat hij voornemens is een deskundigenonderzoek te bevelen en heeft hij bepaald dat partijen zich bij akte uitlaten over de persoon van de deskundige, het voorschot en de aan de deskundige te stellen vragen.

3.3.3.

In het tussenvonnis van 1 mei 2013 is het voorgenomen deskundigenbericht bevolen.

3.3.4.

In het eindvonnis van 2 april 2014 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten, in welke vordering [geïntimeerde] niet ontvankelijk is verklaard.

3.4.

[Sloopwerken] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [Sloopwerken] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

3.5.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en hij concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.6.

Het hof zal hierna de grieven behandelen.

Grieven 1 en 2: zorgplicht.

3.7.

De grieven 1 en 2 zijn, zoals uit de gezamenlijke toelichting op deze grieven blijkt, gericht tegen de door de kantonrechter in 2.7. en 2.8. van het bestreden vonnis gehanteerde maatstaf, welke er volgens [Sloopwerken] op neerkomt dat zij als werkgeefster de best mogelijke beschermingsmiddelen ter beschikking dient te stellen. Die norm is volgens [Sloopwerken] onjuist; de juiste norm is volgens [Sloopwerken] dat zij ter bescherming van [geïntimeerde] als haar werknemer zodanige maatregelen diende te treffen als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Zowel geschreven als ongeschreven normen noopten [Sloopwerken] niet tot het ter beschikking stellen van handschoenen die een nog betere bescherming boden tegen perforatie en doorsnijding dan de handschoenen die zij ter beschikking had gesteld. [Sloopwerken] is dan ook van oordeel dat zij haar zorgplicht als bedoeld in 7:658 BW niet heeft geschonden.

3.8.

Artikel 7:658 BW bepaalt:

“1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.”.

3.9.

Vaststaat dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Het is dus aan [Sloopwerken] als werkgever te stellen en zonodig te bewijzen, kort gezegd, dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen.

Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Weliswaar is met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (vergelijk HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129). Artikel 7:658 BW (oud) vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (vergelijk HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9225). Indien de werkgever ter onderbouwing van zijn verweer dat hij de in artikel 7:658 lid 1 BW (oud) genoemde verplichtingen is nagekomen voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van art. 7:658 lid 2 BW (oud) de werknemer door verlichting van zijn processuele positie bescherming te bieden tegen de risico’s van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden (vergelijk HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3017 en HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223).

3.10.

[Sloopwerken] stelt dat zij aan de geschreven verplichtingen ter zake arbeidsomstandigheden en daarmee aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zij beroept zich hierbij allereerst op artikel 3 (hof: kennelijk lid 1) sub b van de Arbeidsomstandighedenwet. Die bepaling luidt:

“1. De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert daartoe een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden, waarbij hij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht neemt:

(…)

b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden de gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt, worden daartoe andere doeltreffende maatregelen getroffen waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming, worden doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking gesteld;”.

3.11.

Volgens [Sloopwerken] is bij het verwijderen van een tegelwand met een elektrische breekhamer de meest geëigende bescherming het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, te weten in dit geval het gebruik van handschoenen (memorie van grieven nr. 30). Het voorgaande is niet door [geïntimeerde] betwist en ook de kantonrechter heeft dit in zijn vonnis van 14 november 2012 in 3.6 overwogen. Enkel voormeld beroep van [Sloopwerken] op artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet kan dus niet tot een andere beslissing leiden. Het gaat er om of [Sloopwerken] door het verschaffen van de handschoenen North NF14 HD en/of Showa 310 Grip een zodanige maatregel heeft getroffen als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.

3.12.

[Sloopwerken] stelt dat zij door de handschoenen North NF14 HD en/of Showa 310 Grip ter beschikking te stellen van [geïntimeerde] , aan haar zorgplicht heeft voldaan. Ter onderbouwing van haar voormeld standpunt wijst zij op de navolgende, door haar in acht genomen bepalingen:

Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 8.1.:

“Algemene vereisten persoonlijk beschermingsmiddel

1. Een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld persoonlijk beschermingsmiddel is in overeenstemming met de betreffende bepalingen inzake ontwerp en constructie op het gebied van veiligheid en gezondheid, bedoeld in het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoeld persoonlijk beschermingsmiddel onder het toepassingsgebied van genoemd besluit valt.

2. In alle gevallen moet een persoonlijk beschermingsmiddel:

a. geschikt zijn voor de te vermijden gevaren, zonder zelf een vergroot gevaar in te houden;

b. beantwoorden aan de bestaande omstandigheden op de arbeidsplaats;

c. afgestemd zijn op de ergonomische eisen en de vereisten met betrekking tot de gezondheid van de werknemers;

d. na de nodige aanpassingen geschikt zijn voor de drager.

(…)

4. De keuze van het persoonlijk beschermingsmiddel en de wijze waarop dit gebruikt moet worden, met name wat betreft de duur van het dragen, worden bepaald afhankelijk van de ernst van het gevaar, de frequentie van de blootstelling aan het gevaar en de kenmerken van de arbeidsplaats van iedere werknemer afzonderlijk alsmede van de doelmatigheid van het persoonlijk beschermingsmiddel.”.

Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen, artikel 3:

“Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn zodanig ontworpen, samengesteld en vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige vermeldingen voorzien, dat zij bij gebruik overeenkomstig hun bestemming geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens of voor de veiligheid van zaken, wanneer zij op passende wijze zijn geïnstalleerd en onderhouden. Zij voldoen aan de in bijlage II van de richtlijn opgenomen fundamentele eisen.”.

Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen:

“Artikel 3

De in artikel 1 bedoelde beschermingsmiddelen moeten aan de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van bijlage II voldoen.”.

“Artikel 5

1. De Lid-Staten beschouwen als conform aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften, de in artikel 8, lid 3, bedoelde beschermingsmiddelen die voorzien zijn van het EG-merkteken en waarvoor de fabrikant op verzoek de in artikel 12 bedoelde verklaring van overeenstemming kan overleggen.”.

“Artikel 8.

(…)

2. Alvorens tot fabricage van andere dan de in lid 3 bedoelde beschermingsmiddelen wordt overgegaan, moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde een model aan het EG-typeonderzoek als bedoeld in artikel 10 onderwerpen.

3. Van het EG-typeonderzoek zijn vrijgesteld de op een eenvoudig ontwerp berustende modellen beschermingsmiddelen waarvan de ontwerper aanneemt dat de gebruiker zelf in staat is zich een oordeel te vormen over de doeltreffendheid waarmee deze middelen bescherming bieden tegen zeer geringe risico's waarvan het effect, wanneer het gradueel is, tijdig kan worden opgemerkt zonder dat de gebruiker gevaar loopt.

Tot deze categorie behoren uitsluitend beschermingsmiddelen die de drager moeten beschermen tegen:

- mechanische factoren die slechts oppervlakkige letsels veroorzaken (tuinhandschoenen, vingerhoeden, enz.);

- vrij onschadelijke schoonmaakmiddelen waarvan de gevolgen gemakkelijk ongedaan zijn te maken (beschermhandschoenen tegen reinigingsmiddelen in verdunde oplossing enz.);

- de gevaren van het hanteren van warme voorwerpen, waarbij hij niet wordt blootgesteld aan een temperatuur van meer dan 50 gC, noch aan gevaarlijke stoten of schokken (handschoenen, schorten voor beroepsdoeleinden enz.);

- weersomstandigheden die niet uitzonderlijk of extreem van aard zijn (hoofdbedekking, seizoenkleding, schoenen en laarzen, enz.);

- kleine stoten, schokken en trillingen die geen vitale lichaamsdelen treffen en waarvan de gevolgen geen blijvend letsel kunnen veroorzaken (lichte hoofdbedekkingen ter bescherming van de hoofdhuid, handschoenen, lichte schoenen enz.);

- zonnestraling (zonnebrillen).

4. In serie vervaardigde beschermingsmiddelen worden onderworpen:

a. a) naar keuze van de fabrikant, aan een van de twee in artikel 11 bedoelde procedures, wanneer het gaat om beschermingsmiddelen van complex ontwerp die de gebruiker moeten beschermen tegen gevaren die dodelijk zijn of de gezondheid ernstig en onherstelbaar kunnen schaden, en waarvan de gebruiker naar de ontwerper aanneemt de acute effecten niet tijdig kan onderkennen. Tot deze categorie behoren uitsluitend:

- ademhalingsapparatuur met filters die beschermen tegen vaste en vloeibare aërosolen, of tegen irriterende, gevaarlijke, giftige of radiotoxische gassen;

- ademhalingsapparatuur, met inbegrip van duikapparatuur, die de buitenlucht volledig afsluit;

- beschermingsmiddelen die slechts tijdelijke bescherming kunnen bieden tegen letsels door chemische factoren of tegen ioniserende stralingen;

- uitrusting voor werkzaamheden in hete omgevingen met effecten die vergelijkbaar zijn met die van een luchttemperatuur van 100 gC of hoger,

met of zonder infrarode straling, vlammen of grote hoeveelheden wegvliegend gesmolten materiaal;

- uitrusting voor werkzaamheden in koude omgevingen met effecten die vergelijkbaar zijn met die van een luchttemperatuur van 50 gC of lager;

- beschermingsmiddelen die bescherming bieden bij vallen van bepaalde hoogten;

- beschermingsmiddelen tegen elektriciteitsrisico's bij werken bij gevaarlijke spanningen of die isoleren bij hoogspanning;

- motorhelmen en vizieren daarvan;”.

“Artikel 12

De EG-verklaring van overeenstemming is de procedure waarbij de fabrikant:

1. met het oog op voorlegging aan de bevoegde autoriteiten een verklaring volgens het model van bijlage VI opstelt waarin hij verklaart dat het in de handel gebrachte beschermingsmiddel aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet;

2. op ieder beschermingsmiddel het EG-overeenstemmingsmerkteken als bedoeld in artikel 13 aanbrengt.”.

Bijlage II bij voormelde richtlijn:

“Artikel 3.3.

Bescherming tegen oppervlakkig letsel (wrijving, steek-, snij- en bijtwonden)

In beschermingsmiddelen, bestemd om het gehele lichaam of lichaamsdelen te beschermen tegen oppervlakkig letsel, bij voorbeeld als gevolg van wrijving, steek-, snij- en bijtwonden, moeten de gebruikte materialen en andere onderdelen van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat dergelijke beschermingsmiddelen in voldoende mate bestand zijn tegen afschuring, perforatie en doorsnijding (zie ook punt 3.1) rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden.”.

3.13.1.

[Sloopwerken] betoogt op grond van artikel 8 van voormelde richtlijn dat zij ter voldoening van haar zorgplicht had kunnen volstaan door handschoenen uit de door haar zo genoemde veiligheidscategorie 1 ter beschikking te stellen. [Sloopwerken] doelt hiermee op middelen die bescherming bieden tegen zeer geringe risico's waarvan het effect, wanneer het gradueel is, tijdig kan worden opgemerkt zonder dat de gebruiker gevaar loopt, zoals bedoeld in lid 3 van voormelde bepaling. Voorts werpt [Sloopwerken] op dat van haar niet verlangd kan worden handschoenen uit de door haar zo aangeduide veiligheidscategorie 3 ter beschikking te stellen. Dit betreft kennelijk middelen die beschermen tegen gevaren die dodelijk zijn of de gezondheid ernstig en onherstelbaar kunnen schaden en waarvan de gebruiker naar de ontwerper aanneemt de acute effecten niet tijdig kan onderkennen, zoals bedoeld in lid 4 van voormelde bepaling. Tenslotte brengt [Sloopwerken] naar voren dat zij handschoenen heeft gegeven aan [geïntimeerde] die in de door haar aangeduide veiligheidscategorie 2 vallen. Dit betreft, zo begrijpt het hof, andere dan de in lid 3 bedoelde beschermingsmiddelen, zoals bedoeld in lid 2 van voormelde bepaling en dat zij, [Sloopwerken] , zodoende aan haar zorgplicht heeft voldaan. 3.13.2. Voormeld betoog van [Sloopwerken] wordt verworpen. Artikel 8 is opgenomen in Hoofdstuk II van voormelde richtlijn. Dit hoofdstuk gaat over certificeringsprocedures. De door [Sloopwerken] zo door haar genoemde veiligheidscategorieën betreffen geen richtlijnen die moeten en kunnen worden toegepast om het daarbij voor de uit te oefenen werkzaamheden passende beschermingsmiddel te bepalen. Artikel 8 is gericht aan fabrikanten en geeft voorschriften voor certificering. Artikel 8 geeft geen voorschriften gericht aan werkgevers, zoals [Sloopwerken] , in welke arbeidsomstandigheden zij welk persoonlijk beschermingsmiddel dient te verstrekken. Het enkele feit dat, zoals [Sloopwerken] stelt, zij handschoenen uit veiligheidscategorie 2 heeft verstrekt, brengt niet mee dat [Sloopwerken] aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW (oud) heeft voldaan. Aan die zorgplicht is naar het oordeel van het hof pas voldaan als vaststaat dat [Sloopwerken] geen handschoenen die een betere bescherming ter voorkoming van te verwachten letsel boden, ter beschikking had kunnen stellen. Het hof verwijst in dit verband nogmaals naar r.o. 3.6 van het vonnis van 14 november 2012, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het voor de hand ligt dat bij het met een mechanische breekhamer wegbreken van tegels van een wand scherpe tegelsplinters kunnen loskomen die letsel kunnen veroorzaken. Tegen die overweging is geen grief gericht.

3.14.1.

Onder verwijzing naar de hierboven vermelde artikelen 5 en 12 van de richtlijn, stelt [Sloopwerken] zich op het standpunt dat voor de handschoenen die zij aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld een EG-conformiteitsverklaring is verstrekt en dat zij zijn voorzien van een EG-merkteken. Hiermee voldoen de handschoenen aan artikel 3 van het Warenwetbesluit. De handschoenen zijn dan ook in voldoende mate bestand tegen perforatie en doorsnijding, aldus [Sloopwerken] . 3.14.2. Dit betoog strandt eveneens. Ook artikel 12 van de richtlijn is opgenomen in hoofdstuk II betreffende certificeringsprocedures en ziet specifiek op de EG-verklaring van overeenstemming van de productie. Daarmede is deze bepaling gericht tot fabrikanten en niet tot [Sloopwerken] als werkgever. Artikel 5 van de richtlijn, dat ter uitwerking verwijst naar artikel 12 van de richtlijn, is op zichzelf beschouwd onvoldoende specifiek om daaruit enig voldoende concreet gevolg te kunnen trekken ten aanzien van de vraag of [Sloopwerken] aan haar zorgplicht heeft voldaan door de handschoenen North NF14HD en/of Showa 310 Grip te verstrekken aan [geïntimeerde] .

3.15.

De overige hiervoor aangehaalde bepalingen waarop [Sloopwerken] zich beroept ter onderbouwing van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, zijn onvoldoende specifiek om op grond daarvan tot de door [Sloopwerken] gewenste conclusie, dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, te kunnen komen.

3.16.1.

[Sloopwerken] heeft in haar toelichting op deze grieven nog naar voren gebracht dat de door haar ter beschikking gestelde handschoenen specifiek geschikt waren voor de bouw. In dit verband merkt [Sloopwerken] op dat de handschoenen die zij heeft verstrekt conform EN 388 zijn getest op snij- en perforatiebestendigheid en dat de North NF14HD handschoen op snijbestendigheid 2 uit 5 scoort en dat de Showa 310 Grip op perforatiebestendigheid 2 uit 4 scoort. 3.16.2. De enkele stelling dat de handschoenen geschikt waren voor de bouw, is onvoldoende specifiek om tot de gevolgtrekking te kunnen komen dat [Sloopwerken] daarmee aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het gaat er immers om of [Sloopwerken] voor de werkzaamheden die zij heeft opgedragen handschoenen ter beschikking heeft gesteld die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. 3.16.3. Uit de EG-conformiteitsverklaring, overgelegd als productie 2 bij memorie van grieven, blijkt uit de vier cijfers onder het pictogram met hamer en schild aan welke norm de North NF14HD voldoet. De cijfers betreffen van links naar rechts de schuur-, snij-, scheur- en penetratieweerstand. De North handschoen scoort 2 uit 5 op snijweerstand en 1 uit 4 op penetratieweerstand. Uit de EG-conformiteitsverklaring van de Showa 310 Grip (productie 3 bij memorie van grieven) blijkt dat die handschoen 1 uit 5 scoort op snijbestendigheid en 2 op 4 op perforatiebestendigheid. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft de vraag, of er in januari 2009 handschoenen in de handel waren die bij het verwijderen van tegels met een (mechanische) breekhamer meer bescherming boden dan voormelde North en Showa handschoen zonder dat de veiligheid van werken met een (mechanische) breekhamer door de handschoen onaanvaardbaar werd belemmerd, positief beantwoord. De deskundige merkt op dat in januari 2009 zowel van het merk North als van het merk Showa en ook van andere merken, handschoenen in de handel waren met een hogere bestendigheid tegen doorsnijden en een hogere bestendigheid tegen perforatie. Dit zijn handschoenen met een snijbestendigheid van klasse 3 en hoger. Hiervan geeft de deskundige enige voorbeelden. Tegen deze door de deskundige gegeven voorbeelden komt [Sloopwerken] op. Het hof stelt voorop dat [Sloopwerken] als werkgever dient te stellen en zo nodig te bewijzen, dat zij al die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat, indien [Sloopwerken] handschoenen die meer bescherming boden dan de door haar verstrekte handschoenen ter beschikking had kunnen stellen, [Sloopwerken] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Immers hierdoor had [Sloopwerken] de kans op schade voor [geïntimeerde] verminderd. Het ligt dan ook op de weg van [Sloopwerken] om te stellen en zo nodig aan te tonen dat in januari 2009 geen handschoenen konden worden verkregen die een hoger beschermingsniveau tegen snijden en perforatie boden dan de door haar verstrekte handschoenen. Aan die stelplicht heeft zij niet voldaan. Ten aanzien van de door de deskundige genoemde Showa 541 HPPE palm plus en de Ansell Hyflex 11-628 handschoenen heeft [Sloopwerken] aangevoerd dat deze handschoenen in 2009 nog niet verkrijgbaar waren. Ook indien het voorgaande juist zou zijn dan betreft het hier slechts voorbeelden van handschoenen met een hoger beschermingsniveau dan de door haar, [Sloopwerken] , verschafte handschoenen. Hiermee is door [Sloopwerken] niet voldoende ontkracht de constatering van de deskundige dat er in 2009 handschoenen waren met een hoger beschermingsniveau. Daar komt bij dat [Sloopwerken] niet heeft betwist dat de twee andere voorbeelden die de deskundige heeft genoemd, te weten de North NFK 14 durotask en de North NFD 16, een hoger beschermingsniveau bieden dan de door haar, [Sloopwerken] , verstrekte handschoenen. Ten aanzien van deze handschoenen heeft [Sloopwerken] slechts aangevoerd dat ze geschikt zijn voor de glasindustrie. Hiermee heeft [Sloopwerken] echter niet betwist dat die handschoenen met een hoger beschermingsniveau niet voor het wegbreken van tegels geschikt zijn.

3.17.1.

Tenslotte heeft [Sloopwerken] in haar toelichting op deze grieven aangevoerd dat de door haar aan [geïntimeerde] gegeven handschoenen voldoende bescherming boden zonder zelf een gevaar te veroorzaken. Met dit gevaar doelt [Sloopwerken] op verminderde grip en verminderde beweegbaarheid, waardoor het risico kan ontstaan dat gereedschap, zoals een elektrische breekhamer, minder goed hanteerbaar wordt. 3.17.2. Ook hier geldt dat op [Sloopwerken] de last rust te stellen en zo nodig te bewijzen dat handschoenen met een hoger beschermingsniveau dan de door haar verstrekte handschoenen voormeld door haar aangegeven gevaar van verminderde grip en verminderde beweegbaarheid meebrengen. Aan deze stelplicht heeft zij niet voldoende voldaan. De deskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat zonder dat de veiligheid van werken met een (mechanische) breekhamer onaanvaardbaar wordt belemmerd, handschoenen met een hogere snij- en perforatiebestendigheid dan de door [Sloopwerken] verschafte handschoenen verkrijgbaar waren in 2009. [Sloopwerken] heeft volstaan met te verwijzen naar de verklaring van drs. ing. [getuige] van 14 maart 2012, waarin laatstgenoemde aangeeft dat in bepaalde sectoren specifiekere typen handschoenen worden gebruikt met een hogere snijweerstand of perforatiebestendigheid, dat in de sloopsector dat niet gebruikelijk is en dat bovendien dergelijke specifieke typen handschoenen andere nadelen hebben, zoals een verminderde grip op het werk, waardoor juist extra veiligheidsrisico’s ontstaan. Deze verklaring van de heer [getuige] is algemeen en niet toegespitst op het werk dat [geïntimeerde] diende te verrichten. Bovendien heeft de deskundige, nadat de raadsvrouwe van [Sloopwerken] aan de deskundige voormelde verklaring van de heer [getuige] had voorgehouden, opgemerkt dat in algemene zin niet bevestigd kan worden dat handschoenen van een hogere snij- en perforatieweerstand in de regel minder flexibel zijn en minder scoren op vingergevoeligheid en dat door de veelheid van materialen waarvan handschoenen gemaakt kunnen worden er handschoenen zijn met een hoge snij- en perforatieweerstand die voldoende grip en vingergevoeligheid hebben.

3.18.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen is het hof van oordeel dat [Sloopwerken] met haar beroep dat zij overeenkomstig geschreven verplichtingen ter zake arbeidsomstandigheden heeft gehandeld, onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat zij aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW heeft voldaan.

3.19.

[Sloopwerken] stelt voorts dat zij aan ongeschreven verplichtingen ter zake arbeidsomstandigheden en daarmee aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hierbij beroept zij zich op de Kelderluik-criteria.

3.20.1.

In het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) heeft de Hoge Raad beslist, dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt en dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen

3.20.2.

[Sloopwerken] voert aan dat het bezwaarlijk is om handschoenen beschikbaar te stellen die een hogere snijweerstand hebben, omdat de door de deskundige genoemde North handschoenen drie keer zo duur zijn als de North NF14HD en dat dit op jaarbasis gaat om honderden/duizenden euro’s extra.

Deze stelling heeft [Sloopwerken] onvoldoende onderbouwd. In haar productie 8 bij haar memorie van grieven wordt weliswaar als prijs van de North NF14HD € 3,88 en van de North NFK14

€ 9,92 exclusief BTW genoemd, maar [Sloopwerken] heeft niet voldoende precies aangegeven welke investering dit van haar zou hebben gevergd. Gelet daarop gaat het hof uit van de ondergrens van hetgeen [Sloopwerken] stelt, te weten een extra investering van honderden euro’s. Door [Sloopwerken] is niet gesteld dat zij deze extra investering redelijkerwijs niet kan dragen. Bovendien heeft [Sloopwerken] geen inzicht gegeven hoe zij de extra investering heeft berekend. Voorts heeft [Sloopwerken] niet gesteld wat de prijs van de Showa 310 Grip was. Tenslotte heeft [Sloopwerken] niet gesteld dat zij een prijsonderzoek heeft gedaan naar de door de deskundige genoemde andere, maar niet nader aangeduide handschoenen met een hogere doorsnijd- en perforatieweerstand dan de North NF14HD en de Showa 310 Grip.

3.20.3.

[Sloopwerken] heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld, dat handschoenen met een hogere snijweerstand minder flexibel zijn waardoor andere/grotere veiligheidsrisico’s ontstaan. Dit standpunt wordt verworpen op de gronden als in 3.17.2. vermeld.

3.20.4.

Ten aanzien van de kans op een ongeval heeft [Sloopwerken] gesteld dat slechts licht letsel voorzienbaar was.

3.20.5.

Gelet op het voorgaande en hier veronderstellenderwijs aannemende dat [Sloopwerken] , zoals zij stelt, de uiteindelijke schade niet kon voorzien, heeft [Sloopwerken] , gezien de in 3.20.1. bedoelde maatstaf, onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen die van haar in de onderhavige situatie redelijkerwijs verwacht konden worden.

3.21.

Al het voorgaande brengt mee dat de grieven 1 en 2 falen.

Grief 3: causaal verband tussen de normschending en de schade.

3.22.1.

[Sloopwerken] voert in de toelichting op deze grief aan dat het condicio-sine-qua-non verband tussen de normschending en de schade ontbreekt omdat de schade ook zou zijn ingetreden als [Sloopwerken] een van de door de deskundige of door [geïntimeerde] genoemde handschoenen met een hogere snijbestendigheid ter beschikking had gesteld.

3.22.2.

Het verweer van [Sloopwerken] is onder meer gebaseerd op zijn stelling dat [geïntimeerde] aan de rugzijde aan de basis van zijn linkermiddelvinger een oppervlakkige snijwond heeft opgelopen, terwijl handschoenen aan de rugzijde niet extra beschermend zijn. Voormelde stelling is onvoldoende feitelijk onderbouwd. Immers uit de bij inleidende dagvaarding als productie 3 overgelegde medische gegevens blijkt dat het gaat om letsel aan de peesschede, triggerfinger en carpale tunnel en uit productie 5 bij dagvaarding blijkt van een trauma van de linkerhandpalm en fascia palmaris. Het voorgaande duidt niet op letsel aan de rugzijde maar aan de binnenzijde van de hand. [Sloopwerken] heeft niet gesteld aan welke gegevens zij haar stelling ontleent, dat [geïntimeerde] aan de rugzijde van zijn hand gewond is geraakt.

3.22.3.

De stelling van [Sloopwerken] in haar toelichting op deze grief, dat er geen handschoenen in de handel zijn die volledige bescherming bieden tegen doorsnijding of perforatie door een tegel, leidt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet tot de gevolgtrekking dat de schade ook zou zijn ingetreden indien [geïntimeerde] een handschoen met een hogere snijbestendigheid had gedragen.

3.22.4

Op grond van het voorgaande wordt grief 3 als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Grieven 4 en 5: toerekening van de schade.

3.23.

[Sloopwerken] is van mening dat ingevolge artikel 6:98 BW de omvang van de schade in redelijkheid niet aan haar kan worden toegerekend.

3.24.1.

In artikel 6:98 BW is bepaald dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

3.24.2.

De aard van de aansprakelijkheid betreft het feit dat [Sloopwerken] als werkgeefster onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat zij zodanige maatregelen heeft getroffen als redelijkerwijs mogelijk waren om te voorkomen dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

3.24.3.

De aard van de schade betreft ernstig letsel, bestaande uit dystrofie (CRPS) door het hele lichaam en een totaal ontregeld zenuwstelsel waardoor [geïntimeerde] ernstig is geïnvalideerd, rolstoelafhankelijk is en volledig arbeidsongeschikt is.

3.24.4.

[Sloopwerken] stelt dat voormeld letsel buiten de normale lijn van verwachting ligt en dat voor haar, [Sloopwerken] en voor een gemiddeld persoon dit letsel, dat is ontstaan na een kleine snijwond aan een vinger, niet voorzienbaar is. Hiervan veronderstellenderwijs uitgaande, zal dit letsel, evenwel gezien voormelde aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als een gevolg van het ongeval aan de werkgever worden toegerekend (zie HR 8 februari 1985, NJ 1986, 137). Immers in geval van aansprakelijkheid voor letsel worden de gevolgen van een persoonlijke predispositie van degene die het letsel heeft opgelopen in het algemeen als een gevolg daarvan aan de aansprakelijke partij toegerekend, ook al zijn die gevolgen daardoor ernstiger en langer van duur dan in de normale lijn der verwachtingen ligt.

3.24.5.

Op voormelde gronden falen de grieven 4 en 5.

Grief 6: toerekening aan [geïntimeerde] .

3.25.

[Sloopwerken] werpt op dat [geïntimeerde] zich, voorzover zij weet, niet heeft laten behandelen volgens het PEPT-principe en dat hem dit als eigen schuld kan worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:101 BW.

3.26.

Voormelde stelling van [Sloopwerken] wordt verworpen omdat zij onvoldoende stellig is. Deze stelling laat namelijk de mogelijkheid open dat [geïntimeerde] zich wel volgens het PEPT-principe heeft laten behandelen. Bovendien heeft [Sloopwerken] niet aangegeven op grond van welke redenen van wetenschap zij haar stelling, dat [geïntimeerde] zich niet volgens het PEPT-principe heeft laten behandelen, baseert.

Grief 7:algemeen.

3.27.

Deze grief, waarin slechts verwezen wordt naar voormelde grieven, heeft geen zelfstandige betekenis en wordt reeds daarom verworpen.

Bewijsaanbod.

3.28.

Het door [Sloopwerken] gedane bewijsaanbod is niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Proceskosten.

3.29.

Het hof zal [Sloopwerken] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op het door hem betaalde griffierecht van € 704,- en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief € 894,- (memorie van antwoord x tarief II).
Het hof zal de nakosten begroten op € 131,--.

De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [Sloopwerken] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 704,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, O.G.H. Milar en M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

22 december 2015.

griffier rolraadsheer