Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5186

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
04-01-2016
Zaaknummer
15/00195 tot en met 15/00249
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:9053, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2424, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet BZM. Het niet verlengen van een jaarvignet wordt bestraft met één boete. Het rijden zonder een dagvignet levert telkenmale een nieuw verzuim op. Niet gepubliceerd boetebeleid leidt ertoe dat de boete per verzuim niet hoger kan zijn dan € 160 in plaats van € 246.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/21
V-N 2016/13.2.1
FutD 2016-0060 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/610 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00195 tot en met 15/00249

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
24 december 2014, nummers AWB 13/5416 tot en met 13/5470, in het geding tussen

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen aan belanghebbende opgelegde boetebeschikkingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn over de maanden april en mei 2013 in totaal 55 naheffingsaanslagen (aanslagnummers [nummer] .Z.30016.8 tot en met [nummer] .Z.30050.8 over de periode april 2013 en [nummer] .Z.30053.8 tot en met [nummer] .Z.30073.8 over de periode mei 2013) krachtens de Wet belasting zware motorvoertuigen (hierna: de Wet BZM) opgelegd van telkens € 8 aan naheffing, alsmede boetebeschikkingen van € 246 per naheffingsaanslag.

1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen over de maand april 2013 (35 in totaal) opgelegd op 5 juli 2013 voor het gebruik van de autosnelweg door negen vrachtauto’s op de volgende dagen in april 2011: 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25 en 29; de naheffingsaanslagen over de maand mei (20 in totaal) heeft de Inspecteur opgelegd op 6 augustus 2013 voor het gebruik van de autosnelweg door zeven vrachtauto’s op de volgende dagen in mei 2013: 6, 7, 10, 13, 16, 17, 21, 22, 24, 29, 30 en 31.

1.3. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 september 2013 op de bezwaren tegen de (35) naheffingsaanslagen over de maand april 2013 beslist en in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 september 2013 op de bezwaren tegen de (20) naheffingsaanslagen over de maand mei 2013. Daarbij zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij op 8 oktober 2013 door de Rechtbank ontvangen geschriften beroep ingesteld, in welke beroepen belanghebbende uitsluitend klaagt over schending van het hoorrecht en de onjuiste vaststelling van de boetebeschikkingen. Ter zake van deze beroepen (gericht tegen de 35 respectievelijk de 20 uitspraken op bezwaar), door de Rechtbank aangelegd onder de procedurenummers AWB 13/5416 tot en met AWB 13/5450 respectievelijk AWB 13/5451 tot en met AWB 13/5470, heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende alleen in de zaken met het kenmerk AWB 13/5416 en AWB 13/5451 een griffierecht geheven van (telkens) € 318.

1.5. De Rechtbank heeft de onder 1.4 bedoelde beroepen bij in één geschrift vervatte uitspraken van 24 december 2014, in afschrift aan partijen verzonden op 6 januari 2015, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de boetes verminderd tot € 100 bij elke naheffingsaanslag, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.217 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 636 aan belanghebbende vergoedt.

1.6. Tegen deze (55) uitspraken heeft de Inspecteur (tijdig) hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend dat betrekking heeft op alle 55 hoger beroepen.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgehad op 24 september 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] .

1.8. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan belanghebbende.

1.9. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting, zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is een transportondernemer met circa 100 medewerkers in dienst en bezit bijna even zoveel zware motorrijtuigen.

2.2.

Voorafgaande aan het gebruik van de weg dient belanghebbende aangifte daarvan te doen en de daarop te betalen belasting te voldoen. De werkwijze met betrekking tot het doen van de aangiftes is als volgt. Voor vrachtwagens die incidenteel gebruik maken van de autosnelweg wordt per gebruik aangifte BZM gedaan, een zogeheten dag-aangifte. Voor vrachtauto’s die doorlopend gebruik maken van de autosnelweg doet een logistiek medewerker van belanghebbende een aangifte voor een geheel jaar, een jaaraangifte. Deze aangiftes worden niet op vaste data gedaan. Een jaar na het indienen van een jaaraangifte wordt een nieuwe jaaraangifte gedaan, als wijze van verlenging.

2.3.

Van de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] , [kenteken 3] en [kenteken 4] is tot april 2013 altijd een jaarvignet aangevraagd. In april 2013 heeft belanghebbende jaarvignetten van de vrachtauto’s met kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2] tijdig verlengd. Ter zake van de vrachtauto’s met kenteken [kenteken 3] en [kenteken 4] is dit verzuimd. De vrachtauto met kenteken [kenteken 5] maakte vóór 6 april 2012 gebruik van dag-vignetten, maar vanaf 6 april 2012 van jaarvignetten. Ook ter zake van deze vrachtauto is in april 2013 verzuimd het jaarvignet te verlengen. Voor de vrachtauto met kenteken [kenteken 6] is drie maal een dag-vignet aangevraagd in het jaar 2012 en is op 8 juli 2013 voor het eerst een jaarvignet aangevraagd.

2.4.

Op diverse data – zoals hiervoor opgesomd onder 1.2 – is tijdens controles geconstateerd dat gedurende de maanden april en mei 2013 met de hiervoor in 2.3 genoemde vier vrachtauto’s waarvoor geen jaarvignet is aangevraagd in april 2013, alsmede met de vrachtauto’s met de kentekens [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 10] en [kenteken 11] , van al welke vrachtauto’s belanghebbende op dat moment volgens de kentekenregistratie houder was, in totaal 55 keer gebruik is gemaakt van de autosnelweg, doch dat de verschuldigde BZM niet vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg op aangifte is voldaan. Van die 55 constateringen had over de periode april 2013 27 keer en over de periode mei 2013 17 keer betrekking op de vier vrachtauto’s met kenteken: [kenteken 3] en [kenteken 4] , [kenteken 5] en [kenteken 6] als genoemd onder 2.3. De overige constateringen (8 respectievelijk 3 keer) betreffen de overige vrachtauto’s die op een dag-aangifte reden.

2.5.

Belanghebbende heeft niet eerder verzuimd om jaaraangiftes te doen. Wel is een aantal maal verzuimd om dag-aangifte te doen. Te dier zake zijn aan belanghebbende met dagtekening 4 maart 2013 en 2 april 2013 naheffingsaanslagen opgelegd. Na 2013 heeft belanghebbende nog één keer verzuimd om jaaraangifte te doen. Dat betrof de keer dat zij met de auto met kenteken [kenteken 4] één dag te laat het jaarvignet had aangevraagd/betaald; het vignet liep van 5 juli 2014 tot en met 4 juli 2015. Op 6 juli 2015 is het vignet verlengd terwijl de auto op 5 juli 2015, dus één dag daarvoor, gebruik heeft gemaakt van de autosnelweg, hetgeen heeft geleid tot een boete van € 246.

2.6.

Op 5 juli 2013 zijn de eerste van de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. Dit was over de periode april 2013. Op 6 augustus 2013 zijn de naheffingsaanslagen opgelegd over de periode mei 2013.

2.7.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar ingediend. Zonder dat belanghebbende is gehoord, heeft de Inspecteur de uitspraken op bezwaar gedaan.

De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraken geoordeeld dat de Inspecteur ter zake van het horen van belanghebbende onzorgvuldig heeft gehandeld, dat het hoorrecht is geschonden en dat de Rechtbank de zaak zelf zal afdoen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de kwestie met betrekking tot het horen geen geschilpunt meer is. De Rechtbank heeft de boetebeschikkingen verminderd tot € 100 per boete.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is uitsluitend of de (55) verzuimboetes te hoog zijn vastgesteld. De afzonderlijke naheffingsaanslagen van (steeds) € 8 zijn niet in geschil.

3.2.

Belanghebbende heeft zich uiteindelijk ter zitting op het standpunt gesteld dat de boetes niet in verhouding staan tot het verzuim dat is begaan, dat niet alle boetes binnen de door de Inspecteur als beleid gehanteerde termijn van drie maanden na constatering zijn opgelegd, dat de overige boetes pas na verloop van drie maanden zijn opgelegd, zodat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld haar verzuim te herstellen en het aantal boetes te beperken en is, afsluitend, van mening dat met name de cumulatie van boetes disproportioneel is. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bestreden uitspraken dienen te worden vernietigd en dat de uitspraken op bezwaar dienen te worden bevestigd.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van die zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert, naar zij ter zitting nader heeft gepreciseerd, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de 55 boetebeschikkingen en subsidiair tot verdere matiging van het totaalbedrag van de boetes. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van de bij de Rechtbank ingestelde beroepen.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Wettelijk kader

4.1.

Ingevolge artikel 2 van de Wet BZM wordt ter zake van het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig in Nederland ‘belasting zware motorrijtuigen’ geheven.

4.2.

Ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet BZM moet de belasting, in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), op aangifte worden voldaan en moet de belasting worden betaald vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg.

4.3.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet BZM kan de Inspecteur, indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting niet, niet tijdig of niet geheel is betaald, in afwijking van de artikelen 67b, 67c en 67f van de AWR, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920 opleggen aan de houder.

4.4.

Paragraaf 36, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bepaalt dat, indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de Inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 5 procent van het wettelijk maximum van artikel 13 van de Wet BZM (in het onderhavige geval: € 246).

Met betrekking tot de verzuimboetes

4.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd:

-
het totaal van de boetes is onevenredig hoog en staat derhalve niet in verhouding tot de ernst van de gepleegde overtredingen, te weten het door belanghebbende verzuimen om de jaarvignetten aan te vragen respectievelijk te verlengen;

- het was de bedoeling van belanghebbende om onder een geldig jaarvignet gebruik te maken van de autosnelwegen; om onduidelijke redenen is dat voor vier van de zes vrachtauto’s verzuimd;

- ingeval van een jaarvignet is een tijdsspanne van drie maanden tussen controle en toezending van de naheffingsaanslagen die voor dag-vignetten als redelijk wordt gezien, te lang om tussentijdse overtredingen tot een minimum te beperken. Nu belanghebbende niet eerder heeft verzuimd jaaraangifte doen, en nadien slechts één keer, vindt belanghebbende een cumulatie van boetes voor één en hetzelfde vergrijp (nalaten aanvragen/verlengen jaarvignet) onredelijk en niet passend bij wat er is gebeurd;

- anders dan de Inspecteur stelt, zijn in deze casus wel degelijk omstandigheden aanwezig die aanleiding geven tot (verdere) matiging van de boetes.

Op grond van het vorenstaande verzoekt belanghebbende het totaalbedrag van de (55) boetebeschikkingen te matigen.

Verzuim (avas)

4.6.

Voor het opleggen van verzuimboetes is niet vereist dat sprake is van schuld of opzet bij belanghebbende. De enkele constatering van het verzuim om de verschuldigde belasting te betalen, is voldoende. Dat is slechts anders, indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Naar het oordeel van het Hof is daarvan geen sprake. Belanghebbende mag als transportondernemer c.q. houder van bijna 100 vrachtwagens bekend worden verondersteld met (het systeem van heffing van) de BZM. Desondanks heeft zij verzuimd de verschuldigde belasting tijdig op aangifte te voldoen. Het Hof acht het de verantwoordelijkheid van belanghebbende om te controleren of de verschuldigde BZM tijdig wordt aangegeven en afgedragen.

4.7.

Voor zover belanghebbende stelt dat er slechts sprake is van één verzuim en dat om die reden slechts één verzuimboete kan worden opgelegd, heeft het volgende te gelden. Het belastbaar feit is het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig. De belasting moet op aangifte worden voldaan voor de aanvang van het gebruik van de autosnelweg. Dag-aangifte is mogelijk, in welk geval de belasting € 8 bedraagt. Het meermalen gebruik maken van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig zonder dat de belasting voor aanvang is voldaan, vormt evenzovele keren een verzuim. Het feit dat belanghebbende voornemens was om de belasting te voldoen door middel van een jaaraangifte, doet daar niet aan af. Dit neemt overigens niet weg dat het feit dat meermalen een verzuim wordt gepleegd en dat dit wordt veroorzaakt door een misverstand of een fout bij de verlenging van jaarvignetten, mee kan spelen bij de vraag of het totaal aan boetes passend en geboden is (vergelijk Hoge Raad 23 december 2005, nr. 40.771 en 40.832, ECLI:NL:HR:2005:AU8529). Deze vraag komt hierna nog aan de orde.

4.8.

Gelet op het vorenoverwogene was belanghebbende in verzuim. Vervolgens dient het Hof te beoordelen welke boete passend en geboden is.

Niet gepubliceerd beleid van de Inspecteur

4.9.

Gelet op de expliciete keuze van de wetgever voor een gering tarief per dag en de mogelijkheid om per dag te betalen, is een relatief hoge boete gerechtvaardigd om de nakoming van die fiscale verplichtingen af te dwingen. Met de Rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat belanghebbende in korte tijd een groot aantal boetes heeft gekregen waarvan het totale beloop € 13.530 in april en mei 2013 niet in verhouding staat tot de ernst van de gepleegde overtredingen.

4.10.

Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat er enige tijd is verstreken tussen de overtredingen en het opleggen van de naheffingsaanslagen met verzuimboetes. De BZM is een belasting die belanghebbende op eigen initiatief dient aan te geven en te betalen. Daarbij komt dat ingevolge artikel 11, tweede lid, Wet BZM de belasting vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg moet zijn voldaan. Dat een personeelslid (logistiek medewerker dan wel chauffeur) van belanghebbende heeft verzuimd om een vignet aan te vragen, voordat met de vrachtauto gebruik is gemaakt van de Nederlandse autosnelwegen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers de verantwoordelijkheid van belanghebbende om zo nodig dagelijks te controleren of alle benodigde papieren bij de vrachtauto’s in orde zijn, zodat de verschuldigde BZM tijdig wordt afgedragen. Belanghebbende heeft overigens ter zitting desgevraagd erkend daarvoor verantwoordelijk te zijn. De naheffingsaanslagen en verzuimboetes zijn niet bedoeld als signaleringssysteem. Op grond van artikel 20 van de AWR heeft de Inspecteur de mogelijkheid om binnen een termijn van vijf jaar een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft in dit verband aangevoerd dat de Belastingdienst in 2011 met de transportbranche heeft afgesproken dat naheffingsaanslagen op grond van de BZM uiterlijk binnen drie maanden na de controledatum worden opgelegd.

Desgevraagd heeft de Inspecteur ter zitting gemotiveerd verklaard – hetgeen door belanghebbende niet dan wel onvoldoende is weersproken en door het Hof om die reden als aannemelijk wordt beschouwd – dat dit een (minimale) streeftermijn is en dus geen keiharde termijn. Nu de Inspecteur, zoals hij kennelijk met de branche heeft afgesproken, ernaar streeft om de naheffingsaanslagen en verzuimboetes binnen een termijn van drie maanden na de constatering van het verzuim op te leggen en de naheffingsaanslagen in het onderhavige geval, op een paar uitzonderingen na, binnen die termijn zijn opgelegd, is het Hof van oordeel dat de verstreken periode niet te lang is.

4.11

De Inspecteur heeft, stellende dat een boete van telkens € 246 juist is, desgevraagd door het Hof ter zitting verklaard dat de Belastingdienst in dit soort (BZM-)zaken in voorkomende gevallen een zogeheten matigingsbeleid hanteert, zulks naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 19 augustus 2010, nr. 10/895, zoals gepubliceerd in ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7666, waarbij boetes die in het kader van de BZM zijn opgelegd, onder omstandigheden worden verminderd, in beginsel tot een bedrag van € 160. De Inspecteur stelt zich evenwel op het standpunt dat de boetes op grond van bedoeld intern beleid slechts worden gematigd indien sprake is van – cumulatief bezien – de eerste keer dat belanghebbende te dezer zake een naheffingsaanslag ontvangt, er meer dan zes naheffingsaanslagen per kenteken zijn opgelegd, het betalingsgedrag inmiddels is verbeterd en in het recente verleden niet eerder naheffingsaanslagen BZM zijn opgelegd. Aangezien belanghebbende niet aan al die voorwaarden voldoet, kan zij, aldus de Inspecteur, zich niet met vrucht beroepen op toepassing van dat interne beleid.

4.12.

Zoals de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting heeft verklaard, is dat bedoelde intern matigingsbeleid niet gepubliceerd. Het Hof is van oordeel dat het niet publiceren van dat matigingsbeleid onacceptabel is. Immers, doordat belanghebbende en de belastingrechter niet op de hoogte (kunnen) zijn van de inhoud van dat beleid hebben belanghebbende en ook het Hof geen mogelijkheid om te toetsen of de boete, zoals die is vastgesteld, ook conform dat beleid is vastgesteld. Het door de Inspecteur bedoelde beleid is op deze manier – voor belanghebbende en de belastingrechter - niet objectief verifieerbaar.

4.13.

De vraag die daar uit voortvloeit is dan welke consequenties aan het niet publiceren van het beleid dienen te worden verbonden?

Volgens dat beleid is het, aldus de Inspecteur, mogelijk om een boete te matigen tot, maximaal, € 160. Alleen al het feit dat dat beleid niet bekend en dus niet toetsbaar is, dient naar het oordeel van het Hof ertoe te leiden dat de onderwerpelijke boetes in elk geval, en om elk risico dat een boete in stand blijft die in strijd is met voormeld beleid uit te sluiten, dienen te worden verminderd tot genoemd maximum bedrag van € 160 per boetebeschikking.

Passende en geboden boete: matiging bij jaarvignetten en geen matiging bij dag-vignetten

4.14.

Vervolgens komt aan de orde de vraag of er nog aanleiding is om de boetes, zoals inmiddels verminderd, verder te matigen?

Het Hof is van oordeel dat deze vraag uitsluitend voor wat betreft het verlengen van de jaaraangiften bevestigend dient te worden beantwoord. Het Hof acht aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ter zake van de vrachtauto’s met kenteken [kenteken 5] , [kenteken 3] en [kenteken 4] , het oogmerk had het jaarvignet te verlengen, doch dat door een fout van een medewerker die verantwoordelijk was voor het verlengen van de jaarvignetten, om onbegrijpelijke reden niet heeft plaatsgevonden. Alle verzuimen ter zake van deze vrachtauto’s zijn dan ook terug te voeren op de fout van voormelde medewerker om het jaarvignet te verlengen. Voorts heeft belanghebbende zodra haar was gebleken van deze fout, alsnog een jaarvignet aangevraagd. Het Hof acht onder die omstandigheden een totaalbedrag aan boetes vergelijkbaar met een boete bij één verzuim(€ 160 per kenteken) passend en geboden.

Het vorenstaande geldt niet voor de vrachtauto met het kenteken [kenteken 6] . Deze auto had nog geen jaarvignet. Het Hof heeft – afgezien van de blote stelling van belanghebbende – geen aanwijzingen dat belanghebbende in april 2013 de bedoeling had om voor deze auto een jaarvignet aan te vragen. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake was. Daarnaast zijn over de periodes april en mei ter zake van een aantal andere auto’s verzuimen geconstateerd ten aanzien van het gebruik van de autosnelweg zonder dag-vignet, die hebben geleid tot het opleggen van naheffingsaanslagen. In al deze gevallen acht het Hof een boete van € 160 per verzuim passend en geboden.

4.15.

Het vorenstaande betekent dat het totaal aan boetes dient te worden bepaald op 15 x € 160 (dag-vignetten) + 3 x € 160 (jaarvignetten; bij [kenteken 5] € 160 : 25 = € 6,40; [kenteken 3] € 160 : 8 = € 20; en [kenteken 4] € 160 : 7 = € 22,85) = € 2.880. Het Hof acht dit totaalbedrag gelet op alle feiten en omstandigheden ook passend en geboden.

4.16.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar financiële omstandigheden dermate slecht zijn dat deze zouden moeten leiden tot verdere matiging van de boetes. Ook andere omstandigheden die nopen tot een verdere matiging van de boetes zijn niet gesteld of gebleken.
Slotsom

4.17.

Het vorenstaande betekent dat uitspraken van de Rechtbank moeten worden vernietigd en dat het Hof de boetes vaststelt op een totaalbedrag van € 2.880.


Ten aanzien van het griffierecht

4.18.

Gelet op het feit dat de uitspraken van de Rechtbank niet in stand blijven, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.


Ten aanzien van de proceskosten

4.19.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en het Hof het totaal bedrag aan boetes op een lager bedrag vaststelt dan de Rechtbank, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.20.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 490 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 980.

4.21.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de (55) bestreden uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskostenveroordeling en de teruggave van het griffierecht;

  • -

    verklaart de (55) bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op de bezwaren tegen de boetebeschikkingen;

  • -

    vermindert de boetebeschikkingen in de zaken betreffende de kentekens [kenteken 5] , [kenteken 3] en [kenteken 4] tot 25 x € 6,40 respectievelijk 8 x € 20 en 7 x € 22,85 (zijnde een totaalbedrag van € 160 per kenteken) en vermindert de boetebeschikkingen tot € 160 per beschikking voor zover het betreft de overige 15 boetebeschikkingen, neerkomend op een totaalbedrag van € 2.880.

Aldus gedaan op: 11 december 2015 door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.P.J. Schramade, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.