Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3757

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
HD 200.135.161_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid kentekenhouder ten opzichte van verzekeringsmaatschappij die narisico van art. 13 WAM heeft

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2016/14
VR 2016/80
JA 2016/12 met annotatie van mr. J.S. Overes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.135.161/01

arrest van 29 september 2015

in de zaak van

Onderlinge waarborgmaatschappij onderlinge verzekering maatschappij ZLM U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. C.C. Janssen te Goes,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.H. Matthijssen te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Tilburg gewezen vonnis van 17 juli 2013 tussen appellante -ZLM- als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - en [gedaagde] als gedaagden.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 27 september 2013;

  • -

    de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de memorie van antwoord.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 772488 CV EXPL 13-2986)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het hof gaat in deze zaak uit van de volgende vaststaande feiten.

a. Op 28 juni 2011 is het kenteken van de auto Opel Astra G-CG, gekentekend [kenteken 1] (hierna de auto) van [ex-verzekerde] overgeschreven op naam van [geïntimeerde] . De auto was in het kader van de WAM door [ex-verzekerde] verzekerd bij ZLM. Deze verzekering eindigde op 29 juni 2011.

b. Op 2 juli 2011 is de auto betrokken geraakt bij een botsing met een rijdende vrachtauto en wel een Volvo, gekentekend [kenteken 2] met oplegger, gekentekend [kenteken 3] (hierna de vrachtauto). De auto heeft hierbij met zijn rechtervoorzijde de linker achterzijde van de vrachtauto geraakt. Beide auto’s raakten beschadigd. De auto werd ten tijde van het ongeval bestuurd door [gedaagde] die ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. [gedaagde] en [geïntimeerde] hadden ten tijde van het ongeval een relatie.

c. [geïntimeerde] had de auto op 2 juli 2011 niet verzekerd krachtens de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen.

d. ZLM heeft op grond van het zogeheten “narisico” van art. 13 van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna WAM) de schade aan de vrachtauto vergoed voor een bedrag van € 10.427,37.

e. Bij akte van cessie van cessie getekend op 28 oktober 2012 en 27 september 2012 heeft de benadeelde Claroy BVBA haar schadevordering op grond van de hiervoor onder b genoemde botsing gecedeerd aan ZLM.

4.2

ZLM heeft in eerste aanleg gevorderd, zakelijk weergegeven, hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] en [gedaagde] om aan ZLM te betalen:

1. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2011, althans vanaf de dag der dagvaarding;

2. € 800,- aan buitengerechtelijke kosten;

3. de kosten van het geding.

De rechtbank heeft de vordering voor zover ingesteld tegen [gedaagde] toegewezen. De vordering tegen [geïntimeerde] is afgewezen omdat, kort gezegd, de verzekeringsplicht van art. 2 lid 1 WAM niet strekt tot bescherming van een verzekeraar als ZLM. Voor zover de vordering tegen [geïntimeerde] door ZLM was gegrond op de stelling dat zij als kentekenhouder (risico)aansprakelijk zou zijn voor de schade, is de vordering afgewezen omdat in zijn algemeenheid, aldus de rechtbank, niet kan worden aanvaard dat een eigenaar te allen tijde (risico)aansprakelijk is voor schade die is ontstaan door zaken die zijn eigendom zijn. ZLM is veroordeeld in de kosten van het geding, voor zover gerezen aan de zijde van [geïntimeerde] . De rechtbank heeft die kosten begroot op nihil.

4.3

Bij memorie van grieven heeft ZLM onder het voordragen van vijf grieven, daarbij de vijfde grief nummerend als zes, geconcludeerd tot vernietiging van dat gedeelte van het vonnis van 17 juli 2013 dat betrekking heeft op de vorderingen van ZLM op [geïntimeerde] en tot alsnog toewijzing van haar vorderingen op [geïntimeerde] zoals geformuleerd in eerste aanleg, met veroordeling [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties van het geding.

[geïntimeerde] voert verweer.

4.4

In haar eerste grief voert ZLM aan dat zij op grond van de akte van cessie een rechtverkrijgende is van iemand die schade heeft geleden welke grond oplevert voor toepassing van de WAM. Zij moet daarom worden gezien als “benadeelde” in de zin van art. 1 WAM. Het hof acht de betreffende stelling juist. Mede gelet op het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 april 1992, NJ 1992, 685 moet het ervoor worden gehouden dat onder benadeelde wordt verstaan een ieder die schade heeft geleden welke grond oplevert voor toepassing van de WAM, van welke aard die schade ook is, en dat niet alleen eronder valt de persoon die rechtstreeks letsel heeft opgelopen bij het ongeval, doch een ieder die krachtens de toepasselijke wet hetzij uit eigen hoofde, hetzij uit hoofde van zijn betrekking tot het slachtoffer, beroep kan doen op een recht. De stelling van [geïntimeerde] in de nrs. 5-6 van haar memorie van antwoord dat art. 15 WAM een zodanig specifieke bescherming aan de verzekeraar geeft dat ZLM niet kan worden aangemerkt als benadeelde in de zin van art. 1 WAM faalt. Voor zover die stelling al juist is, miskent zij dat wat deze grief betreft ZLM onder de vlag van deze grief niet in die specifieke hoedanigheid van verzekeraar in de zin van art. 15 WAM optreedt, maar als partij aan wie de rechten van de direct benadeelde en bij de botsing betrokken partij zijn gecedeerd.

4.5.1

Het oordeel van het hof dat ZLM kan worden beschouwd als benadeelde in de zin van art. 1 WAM betekent op zich zelf niet dat de vordering kan worden toegewezen. De benadeelde heeft immers ook in een geval als het onderhavige alleen een vordering op iemand die aansprakelijk is. De te beantwoorden vraag is daarmee of er een grondslag bestaat die [geïntimeerde] aansprakelijk maakt. Art. 15 lid 1 WAM bepaalt weliswaar dat de verzekeraar verhaal heeft op de aansprakelijke persoon, maar de WAM bevat geen bepaling die inhoudt dat [geïntimeerde] in een geval als het onderhavige aansprakelijk is. De vraag is dus of elders een regel is te vinden die bepaalt dat [geïntimeerde] ten opzichte van de benadeelde aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door haar motorrijtuig waarvan zij echter geen bestuurster was. Voor de goede orde merkt het hof hierbij alvast op dat een dergelijke aansprakelijkheidsregel niet is te vinden in art. 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Art. 185 lid 2 WVW bepaalt weliswaar dat de eigenaar of houder die het motorrijtuig niet zelf bestuurt, aansprakelijk is voor, kort gezegd, de gedragingen van degene die zijn motorrijtuig bestuurt, doch dit lid 2 is op grond van art. 185 lid 3 WVW niet van toepassing op het onderhavige geval waarbij sprake is van schade toegebracht door het motorrijtuig van [geïntimeerde] aan een ander motorrijtuig in beweging.

4.5.2

In de tweede grief voert ZLM wat dit betreft kennelijk aan dat er een algemene norm bestaat inhoudende dat een eigenaar/kentekenhouder die zijn motorrijtuig niet heeft verzekerd reeds daarmee een onrechtmatige daad pleegt die met zich brengt dat hij kan worden aangesproken.

ZLM stelt in het kader van deze grief verder dat er een meer specifieke norm bestaat en wel de norm dat een kentekenhouder ten opzichte van een verzekeringsmaatschappij die gehouden is om het “narisico” te dekken de verplichting heeft om zelf een verzekering te sluiten ter voorkoming van de situatie dat op grond van dit “narisico” schadepenningen moeten worden uitgekeerd.

Het hof stelt het volgende voorop. Het hof leidt uit de stelling van [geïntimeerde] dat zij niet de intentie had om onverzekerd rond te rijden (nr. 11 memorie van antwoord) af dat [geïntimeerde] een rijbewijs heeft. Bij een ieder die een rijbewijs heeft, zoals [geïntimeerde] , mag bekend worden verondersteld dat de kentekenhouder een wettelijke verplichting heeft om een auto tegen wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren. [geïntimeerde] kende die verplichting ook nu zij in haar handgeschreven conclusie van dupliek vermeldt dat de auto op haar naam stond en dat zij daardoor verantwoordelijk was voor de verzekering. Het hof acht het verder in elk geval bij een ieder die een rijbewijs heeft een feit van algemene bekendheid dat bij wet het zogeheten narisico is geregeld. In deze zaak brengt dit narisico met zich dat ZLM schade dient te vergoeden die is ontstaan op een moment dat haar (ex-)verzekerde [ex-verzekerde] geen kentekenhouder van de auto meer was.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] door het niet afsluiten van een WAM-verzekering gelet op het vorenstaande heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die [geïntimeerde] betaamt ten opzichte van, in dit geval, ZLM. Doordat [geïntimeerde] immers een wettelijke verplichting om een verzekering af te sluiten niet nakomt, is een derde, ZLM, krachtens de wet verplicht schade te vergoeden, terwijl de bij ZLM verzekerde kentekenhouder geen kentekenhouder meer is. Het feit dat art. 15 WAM de verzekeraar in een dergelijk geval de mogelijkheid van verhaal op een ander geeft, sluit niet uit dat de kentekenhouder ook aansprakelijk kan zijn op grond van art. 6:162 BW. Het hof merkt nog op dat alhoewel het de strekking van de WAM is dat verkeersslachtoffers als benadeelden zoveel mogelijk hun schade vergoed krijgen, dit niet uitsluit dat ook de belangen van de verzekeraar met zich brengen dat die verzekeraar in een geval als het onderhavige een beroep kan doen op schending van de verzekeringsplicht. Wat dat betreft is de WAM een bouwwerk waarin meerdere belangen zijn vervlochten en kan honorering van een vordering als de onderhavige de financiële positie van een verzekeraar als ZLM verbeteren, waarmee ook de belangen van het verkeersslachtoffer zijn gediend. Daarmee slaagt deze grief.

4.6

Nu het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] door de auto niet krachtens de WAM te verzekeren, onrechtmatig heeft gehandeld jegens ZLM, doet niet ter zake dat [gedaagde] volgens [geïntimeerde] de auto zonder haar toestemming heeft meegenomen. Het niet-verzekeren van de auto is immers al als onrechtmatig gekwalificeerd ten opzichte van ZLM, zodat het niet relevant is of de auto al dan niet met toestemming van [geïntimeerde] als kentekenhouder aan het verkeer is gaan deelnemen. Het hof merkt overigens wat dit betreft wel op dat van een kentekenhouder die de auto niet krachtens de WAM heeft verzekerd zoals [geïntimeerde] in deze zaak, mag worden verwacht dat zij maatregelen heeft genomen die voorkomen dat iemand met de auto aan het verkeer gaat deelnemen, door bijvoorbeeld de autosleutels onder zich te houden. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] dergelijke maatregelen heeft genomen.

4.7

De door [geïntimeerde] overtreden norm is de norm dat een opvolgend kentekenhouder ten opzichte van de verzekeringsmaatschappij van de vorige kentekenhouder gehouden is om terstond bij de overschrijving van het kenteken van de auto een aansluitende WAM-verzekering te sluiten. Deze norm bestaat om te voorkomen dat de verzekeringsmaatschappij van de vorige kentekenhouder schade dient uit te keren die is ontstaan bij een voorval toen haar kentekenhouder al geen kentekenhouder meer was. De schade die ZLM thans van [geïntimeerde] vordert, is juist ontstaan omdat [geïntimeerde] die betreffende norm heeft overtreden. Daarmee staat het causaal verband tussen de daad van [geïntimeerde] en de onderhavige schade vast.

4.8

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige grieven geen beoordeling meer en ligt de overigens niet door [geïntimeerde] weersproken vordering voor toewijzing gereed en dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd.

Voor zover bewijs is aangeboden, gaat het hof daaraan voorbij als niet ter zake doend en/of onvoldoende gespecifieerd.

4.9

[geïntimeerde] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten van het geding in eerste aanleg en van dit hoger beroep dient te dragen.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 17 juli november 2013 gewezen vonnis doch enkel voor zover daarin de vorderingen tegen [geïntimeerde] zijn afgewezen en ZLM is veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] ;

doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk om aan ZLM te betalen:

- € 10.427,37 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

- € 800,- aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure, in eerste aanleg aan de zijde van ZLM begroot op € 96,76 betekening dagvaarding, € 448,- griffierecht en € 600,- voor salaris gemachtigde en in dit hoger beroep, voor zover aan de zijde van ZLM gerezen begroot op € 683,- aan griffierecht, € 94,79 kosten appel-exploot en op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2015.

griffier rolraadsheer