Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3479

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
HD 200.172.773_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering van journalist tegen voormalig rechter, strekkende tot het verkrijgen van inzage in stukken (artikel 843a Rv), toegewezen. Voldoende is dat de verlangde stukken relevant kunnen zijn ter onderbouwing van de vordering in de hoofdzaak. Dat de stukken in eerdere procedures gedeeltelijk zijn geciteerd of geparafraseerd neemt het belang bij inzage niet weg.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.172.773/01

arrest van 8 september 2015

gewezen in het incident in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

bij dit hof niet bij advocaat verschenen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen,

na verwijzing door het gerechtshof Den Haag naar dit hof bij arrest van 16 juni 2015 (zaaknummer 200.151.409/01), in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, gewezen vonnissen van 7 augustus 2013 en 19 februari 2014 tussen enerzijds appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en anderzijds geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (C/13/531910 / HA ZA 12-1488)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de appeldagvaarding d.d. 19 mei 2014 waarbij [appellant] [geïntimeerde] heeft opgeroepen tegen de rolzitting van 19 augustus 2014 van het gerechtshof Den Haag;

  • -

    het anticipatie-exploot d.d. 23 juni 2014 waarbij [geïntimeerde] de rechtsdag heeft vervroegd en [appellant] heeft opgeroepen voor de rolzitting van 1 juli 2014;

  • -

    de memorie van grieven, tevens verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor, d.d. 23 september 2014;

  • -

    het roljournaal d.d. 4 november 2014 waaruit blijkt dat het verzoek van [appellant] om een voorlopig getuigenverhoor door het hof Den Haag is afgewezen;

  • -

    de memorie in het incident van [appellant] d.d. 10 december 2014;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde] d.d. 23 december 2014;

  • -

    de pleitnota's van ieder van partijen d.d. 3 maart 2015 waarbij partijen hun standpunten in het incident schriftelijk hebben bepleit;

  • -

    het arrest van het hof Den Haag van 16 juni 2015 waarbij het incident en de hoofdzaak op de voet van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn verwezen naar dit hof;

  • -

    het exploot d.d. 26 juni 2015 waarbij [geïntimeerde] [appellant] heeft doen oproepen tegen de rolzitting van dit hof van 7 juli 2015;

  • -

    de constatering op de rol van laatstgenoemde datum dat [appellant] bij dit hof geen advocaat heeft doen stellen.

Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De vordering van [appellant] in het incident luidt:

"dat het Gerechtshof moge behagen:

(1) te bevelen aan [geïntimeerde] te (doen) overleggen in deze procedure kopieën van het Tussenvonnis en de verklaringen genoemd bij 5;

(2) toe te staan aan [appellant] zijn bewijs te vermeerderen met het Tussenvonnis en de te verkrijgen verklaringen genoemd bij (1) en zijn getuigenaanbod aan te vullen zoals aangegeven bij 7."

Blijkens punt 1 van de memorie in het incident van [appellant] is met 'het Tussenvonnis' bedoeld het tussen [eiser] als eiser en [geïntimeerde] , [Advocatenkantoor 1] en de Staat der Nederlanden als gedaagden gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014, zaaknummer C/13/461948 / HA ZA 10-1929, ECLI:NL:RBAMS:2014:6217.

De punten 4, 5 en 7 van de memorie in het incident van [appellant] luiden:

"4. [appellant] kon de overwegingen van het Tussenvonnis en het belang dat de Rechtbank aan het bewijsmateriaal hechtte niet weten op het moment dat hij van grieven dienden.

5. [appellant] wenst de grondslag van zijn vorderingen daarom te vermeerderen met het Tussenvonnis, en het bewijs uit die procedure. Kennelijk hecht de rechtbank groot belang aan:

(1) De brief van [betrokkene] aan [geïntimeerde] van 12 december 1994 waarin [betrokkene] terloops het bellen van [geïntimeerde] noemt, zie r.o. 2.6;

(2) De vier verklaringen van [getuige 1] daarover, zie r.o. 2.6;

(3) De verklaring, of verklaringen van [naam 6] die kennelijk advocaat is en met [geïntimeerde] een telefoongesprek heeft gevoerd, zie r.o. 2.6;

(4) De verklaring van [ [geïntimeerde] ] als getuige over zijn gesprek met een advocaat van het kantoor [Advocatenkantoor 2] .

De genoemde verklaringen bevinden zich in het procesdossier dat (de advocaat van) [geïntimeerde] heeft. (…)

7. Rekening houdend met de mogelijkheid dat uw Gerechtshof zich ter zake van de verklaringen beroept op het ontbreken van het gezag van gewijsde in deze procedure, wenst [appellant] zijn bewijsaanbod aan te vullen met (nader) getuigenverhoor van de in (1) tot en met (4) genoemde personen. Dit betekent dat naast [betrokkene] en [getuige 1] ook getuigenbewijs wordt aangeboden van [naam 6], een persoon wiens naam [appellant] niet kent, en [geïntimeerde] zelf."

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in het incident. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat [appellant] in zijn memorie in het incident geen grondslag voor zijn vordering in het incident heeft aangevoerd.

3.2.2.

Dit verweer wordt gepasseerd. Duidelijk is dat [appellant] - met zijn hiervoor onder (1) geciteerde vordering - de beschikking wenst te verkrijgen over stukken die zich onder [geïntimeerde] bevinden. Daarvoor biedt artikel 843a Rv een grondslag. De omstandigheid dat [appellant] dat artikel niet uitdrukkelijk noemt is niet van belang. Ingevolge artikel 25 Rv vult de rechter immers ambtshalve de rechtsgronden aan. Evenmin is van belang de omstandigheid dat [appellant] overlegging van die stukken vordert, terwijl genoemd artikel bepaalt dat onder omstandigheden inzage, afschrift of uittreksel van stukken kan worden gevorderd. Dat het ook [geïntimeerde] duidelijk is dat [appellant] zijn vordering in het incident baseert op artikel 843a Rv blijkt wel uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] in punt 4 e.v. van zijn memorie van antwoord in het incident - subsidiair - uitgebreid betoogt dat de vordering van [appellant] op die grondslag niet toewijsbaar is. In zijn verdedigingsbelang is [geïntimeerde] niet geschaad.

Op de subsidiaire verweren van [geïntimeerde] zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.3.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, welke vordering, bij gebreke van eventuele tegenspraak, in beginsel toewijsbaar is.

Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer.

De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een 'fishing expedition' te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.

3.4.

Het belang van [appellant] bij inzage in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014 ('het Tussenvonnis') blijkt uit punt 7 van de memorie in het incident. Kennelijk heeft [appellant] thans slechts de beschikking over een geanonimiseerde versie van het vonnis en wenst hij te vernemen wie de persoon is die in die versie is aangeduid als "naam 6".

[geïntimeerde] heeft in punt 12 van zijn memorie van antwoord in het incident vermeld dat met "naam 6" mr. [getuige 2] is bedoeld. [appellant] heeft in zijn pleitnota in het incident de (on)juistheid hiervan niet aan de orde gesteld. Het hof begrijpt daaruit dat [appellant] thans weet wie de persoon is die in het vonnis van de rechtbank als "naam 6" is aangeduid. Gelet daarop heeft [appellant] geen (voldoende) belang (meer) heeft bij zijn vordering in het incident voor zover die ziet op 'het Tussenvonnis'.

3.5.1.

[appellant] wenst inzage te verkrijgen in processen-verbaal die door de rechtbank Amsterdam in eerder bedoelde procedure zijn opgemaakt van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] ('naam 6') en [geïntimeerde] , alsmede in de brief van [betrokkene] aan [geïntimeerde] van 12 december 1994. Deze stukken kunnen volgens [appellant] de grondslag van zijn vordering in de hoofdzaak ondersteunen. [appellant] wenst kort gezegd aan te tonen dat tussen [geïntimeerde] , die destijds rechter was bij de rechtbank 's-Gravenhage, en advocaten voorafgaand aan een pleidooi in de zogenaamde Chipshol-zaak (inhoudelijke) telefoongesprekken hebben plaatsgevonden.

[appellant] is van mening dat [geïntimeerde] , stellende dat dergelijke gesprekken niet hebben plaatsgevonden, bij de rechtbank Rotterdam (zaaknr. 216253/HA ZA 04-1275, hierna ook: de Rotterdamse procedure) tegen beter weten in een verklaring voor recht heeft gevorderd dat [appellant] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de publicatie van het boek 'Topadvocatuur in Nederland' waarin dat bellen aan de orde is gesteld. In de onderhavige procedure vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding, gegrond op de stelling dat [geïntimeerde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, en daarmee jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, door bij de rechtbank Rotterdam bedoelde procedure te beginnen.

3.5.2.

[geïntimeerde] heeft op zichzelf niet betwist dat de verlangde stukken voldoende bepaald zijn en zich onder hem bevinden, noch dat de stukken een rechtsbetrekking tussen partijen aangaan als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. Het hof gaat hiervan uit, zodat in zoverre aan de vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 843a Rv is voldaan.

[geïntimeerde] heeft zich (subsidiair) in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het (rechtmatig) belang van [appellant] bij kennisneming van die stukken ontbreekt. Daartoe heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de rechtbank in het bestreden eindvonnis (rechtsoverweging 4.6) heeft geoordeeld dat de Rotterdamse procedure niet zozeer ging om de vraag of de telefoongesprekken al dan niet hebben plaatsgevonden, maar om de vraag of ten aanzien van de passage in het boek hoor en wederhoor had moeten worden toegepast. Voorts wijst [geïntimeerde] op rechtsoverweging 4.9 van het bestreden eindvonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat, ook indien zou komen vast te staan dat de telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, die enkele omstandigheid niet tot het oordeel kan leiden dat het entameren van de Rotterdamse procedure als misbruik van procesrecht moet worden aangemerkt. Omdat tegen deze overwegingen geen grieven zijn gericht, kan het in de onderhavige procedure in hoger beroep alleen nog maar gaan om de vraag of [geïntimeerde] al dan niet misbruik van procesrecht heeft gemaakt door [appellant] in rechte te betrekken wegens het niet toepassen van hoor en wederhoor. [appellant] heeft er daarom geen belang bij om door middel van de verlangde stukken aan te tonen dat de telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, aldus [geïntimeerde] .

3.5.3.

Zoals hiervoor is overwogen, is voor het hebben van een rechtmatig belang voldoende dat de stukken relevant kunnen zijn voor de vordering. Uit de door [appellant] ingestelde grieven blijkt dat [appellant] ook in hoger beroep mede aan zijn vordering ten grondslag legt dat [geïntimeerde] zijn vordering in de Rotterdamse procedure tevens baseerde op de stelling dat hij geen contact had gehad met de advocaten hetgeen, naar hij wist, niet juist was. Daarmee kunnen de verlangde stukken relevant zijn voor de vordering. Naar het oordeel van het hof geldt bovendien dat de vraag of [geïntimeerde] in zijn eer en goede naam was aangetast, zodat [appellant] volgens de stelling van [geïntimeerde] wederhoor had moeten toepassen, ook volgens de eigen stellingen van [geïntimeerde] in de Rotterdamse procedure niet losgezien kan worden van de vraag of juist was dat [geïntimeerde] met de advocaten had gebeld. Het verweer faalt.

Ook het door [geïntimeerde] opgeworpen verweer dat bewijslevering in de fase waarin de hoofdzaak zich thans bevindt - de memorie van antwoord is nog niet genomen en het processuele debat is in hoger beroep dus niet afgerond - nog niet aan de orde is, verwerpt het hof. Voldoende is dat de verlangde verklaringen relevant kunnen zijn ter onderbouwing van het door [appellant] in de hoofdzaak ingenomen standpunt.

3.6.1.

[geïntimeerde] stelt zich voorts op het standpunt dat een behoorlijke rechtsbedeling ook is gewaarborgd zonder verschaffing van de gevraagde afschriften en dat de vordering in het incident prematuur is. [geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat het hof, indien dat nodig wordt geoordeeld, de personen die de desbetreffende verklaringen hebben afgelegd zelf kan horen, zoals door [appellant] ook is aangeboden, zodat het overleggen van de processen-verbaal onnodig is. Volgens [geïntimeerde] zijn de verklaringen ofwel irrelevant voor de onderhavige procedure (de verklaring van [geïntimeerde] ), ofwel geciteerd in het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 november 2012 in de strafzaak tegen [geïntimeerde] dan wel in andere processtukken (de verklaringen van [getuige 1] en de brief van 12 december 1994), ofwel reeds uitvoerig aan de orde zijn gekomen in de Rotterdamse procedure (de verklaring van [getuige 2] ).

3.6.2.

Het verweer faalt. Dat de personen wier verklaringen [appellant] in dit incident verlangt, in de onderhavige procedure ook als getuigen zouden kunnen worden gehoord, betekent naar het oordeel van het hof niet dat [appellant] daarom gehouden is zijn stellingen op die andere wijze te bewijzen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat sinds de (door [appellant] gestelde) telefoongesprekken hebben plaatsgevonden inmiddels meer dan tien jaar zijn verstreken en dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voor getuigen moelijker wordt zich gebeurtenissen scherp voor de geest te halen naarmate er meer tijd verstrijkt. Gelet daarop kan niet zonder meer worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de verlangde verklaringen (maar door middel van het horen van getuigen in deze appelprocedure) is gewaarborgd.

Dat een aantal verklaringen en genoemde brief in vonnissen en/of processtukken zijn geciteerd, geparafraseerd of daarin anderszins aan de orde zijn gekomen neemt het belang van [appellant] bij inzage in die stukken niet weg. Bewijsmiddelen die in eerdere procedures zijn geproduceerd (met name de strafzaak en de tussen [betrokkene] en [geïntimeerde] gevoerde procedure) kunnen niet zonder meer worden geacht ook gelding te hebben in de onderhavige procedure. Voorts staat niet vast dat citaten (of parafraseringen) in eerdere uitspraken volledig waren.

Voorshands kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] dat een deel van de gevraagde stukken niet relevant is voor de onderhavige procedure.

3.7.

[geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat [appellant] er voortdurend op uit lijkt te zijn om feiten in een ander daglicht te stellen, dat [appellant] zich op zijn website op een agressieve toon grievend en beledigend over hem uitlaat en dat te vrezen valt dat de verlangde verklaringen - indien de vordering in het incident wordt toegewezen - voor [appellant] aanleiding zullen zijn voor een nieuwe tirade tegen [geïntimeerde] .

Die enkele vrees van [geïntimeerde] is naar het oordeel van het hof onvoldoende voor de conclusie dat gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv in de weg staan aan toewijzing van de vordering in het incident. Nu gesteld noch gebleken is dat de verklaringen vertrouwelijke informatie bevatten, faalt dit verweer.

3.8.

In het hiervoor overwogene zijn de verweren van [geïntimeerde] alle verworpen. Gelet daarop kan de hiervoor onder 1 weergegeven vordering worden toegewezen als hierna volgt. Aan [geïntimeerde] zal een termijn van twee weken worden gegund om aan het bevel te voldoen.

De vordering onder 2 behoeft (in dit incident) geen beslissing.

3.9.

De beslissing over de proceskosten zal het hof aanhouden tot de uitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor het nemen van de memorie van antwoord.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.11.

Het hof wijst partijen erop dat bij dit hof - anders dan bij het gerechtshof Den Haag - toepasselijk is het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Uit dit procesreglement volgt onder meer dat er minder mogelijkheden zijn uitstel te vragen voor het nemen van memories en aktes en dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

beveelt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan [appellant] af te geven afschriften van de in punt 5 onder (1) van de memorie in het incident van [appellant] bedoelde brief en de in punt 5 onder (2), (3) en (4) van die memorie bedoelde verklaringen van respectievelijk [getuige 1] , [getuige 2] en [geïntimeerde] ;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2015 voor het nemen van de memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, P.M. Arnoldus- Smit en L.W.

Louwerse en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2015.

griffier rolraadsheer