Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2018

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
HD 200.140.860_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5419
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Auteursrechtelijke bescherming van romans "roman 1" en "roman 2" tegen inhoudelijk gelijkend filmscript over echtscheidingsverhaal (art. 10 Aw); maatstaf.

Hoger beroep van vonnis van de rechtbank Zeeland/West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2013:5419). Om als auteursrechtelijk beschermd (element van een) werk te kunnen worden beschouwd, komt het aan op de wijze waarop en de mate waarin (het idee voor) het verhaal is uitgewerkt, en of die door de auteur van de romans gekozen uitwerking van het verhaal in de opbouw, de karakters, voortgang van verwikkelingen en ontwikkelingen naar het plot van de verhalen van de boeken een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt, alles met het oog op de totaalindrukken van de werken en mate van overeenstemming daartussen. Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat ook waar deze op zich onbeschermde trekken of elementen behelzen, in de boeken - in onderlinge samenhang gelezen en bezien - steeds zo specifiek en kenmerkend zijn uitgewerkt dat deze een eigen oorspronkelijk karakter hebben en een persoonlijk stempel van de maker dragen waardoor zij tezamen en in combinatie als een eigen intellectuele schepping van de auteur van de romans auteursrechtelijk beschermd zijn, en dat de auteursrechtelijk beschermde elementen uit de romans in het filmscript zijn overgenomen op een zodanige wijze dat de totaalindrukken overeenkomen in die zin dat de beide werken te weinig verschillen maken voor het oordeel dat het filmscript als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt. Omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat het filmscript aan de romans is ontleend, is volgens het hof sprake van een ongeoorloofde verveelvoudiging in de zin van art. 13 Aw en brengt deze inbreuk op het auteursrecht dan ook schending van de persoonlijkheidsrechten van de auteur van de romans mee.

Wetsverwijzingen
Auteurswet 1912 10
Auteurswet 1912 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.140.860/01

arrest van 2 juni 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats], Zweden,

appellant,

hierna: [appellant],

procesadvocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,
behandelend advocaat: mr. J.D. Holthuis,

tegen

[producties] PRODUCTIES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde,

hierna: [producties] Producties,

procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
behandelend advocaat: mr. R. Wigman,

in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, onder zaaknr. / rolnr. C/02/254790 / HA ZA 12-663 gewezen eindvonnis van 17 juli 2013.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. / rolnr. C/02/254790 / HA ZA 12-663)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld (eind)vonnis, alsmede naar het incidentele vonnis van 19 december 2012 en het tussenvonnis waarbij een comparitie werd gelast van 13 februari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding in hoger beroep van 3 oktober 2013;

  • -

    de memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties (welke producties enkelzijdig waren gekopieerd dan wel in onjuiste volgorde overgelegd, welke producties echter reeds in het geding in eerste aanleg ook volledig zijn overgelegd);

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    brief van 5 augustus 2014 van mr. Holthuis ten behoeve van het pleidooi, met als bijlagen declaraties en urenspecificaties;

  • -

    brief van 5 augustus van mr Reinders Folmer ten behoeve van het pleidooi, met als bijlagen een urenspecificatie en een specificatie van het honorarium;

  • -

    het pleidooi van 7 augustus 2014, alwaar partijen hun standpunten mondeling hebben laten bepleiten en toelichten door hun behandelend advocaten, beiden onder overlegging van pleitnotities welke bij de stukken zijn gevoegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op de hier vermelde gedingstukken en de stukken van het geding in eerste aanleg zoals die in het bezit van het hof zijn gesteld.

3 De wijziging van eis en de gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De door de rechtbank in r.o. 3.1.1 tot en met 3.1.9 van haar eindvonnis vastgestelde vaststaande feiten worden in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

4.2.

Met inachtneming van de door partijen in deze procedure, over en weer aangevoerde, niet of niet (voldoende) gemotiveerd bestreden stellingen en in dat kader aangehaalde producties, gaat het in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] is gescheiden en heeft een dochter.

(ii) [appellant] is de schrijver van de, in hoofdzaak autobiografische, boeken met de titels “[roman 1]” (2007, ISBN [ISB-nummer 1]; het hof merkt op dat [appellant] in de inleidende dagvaarding een ISBN-nummer noemde waarvan de laatste vier cijfers anders luiden dan hiervoor weergegeven, doch dat moet op een vergissing berusten) en “[roman 2]” (2009, ISBN [ISB-nummer 2]), welke boeken zijn uitgegeven door Karakter Uitgevers B.V. (hierna ook te noemen: de boeken).

(iii) Van het boek “[roman 1]” zijn tot 1 januari 2012 circa 18.000 exemplaren verkocht en van “[roman 2]” circa 7.000 exemplaren.

(iv) Op 3 september 2009 heeft [appellant] een zogeheten ‘treatment’, een in scènes samengevatte verhaallijn, genaamd “[roman 1]” geschreven voor een filmbewerking van de boeken. Een door [appellant] opgestelde – en door [producties] Producties als onjuist en incompleet bestreden - korte samenvatting van de boeken luidt:

[roman 1]

[personage regisseur] werkt als regisseur bij MTV in [plaats 1] en later [plaats 2]. Niet alleen werkt hij met allerlei grote artiesten. Hij versiert de ene babe na de andere. Aan zijn leven van wilde feesten en vrouwen komt tijdelijk een einde als hij [vrouw 1] leert kennen en hij eindelijk de confrontatie aangaat met zichzelf en zijn verleden ([personage regisseur] kan zich moeilijk binden door de scheiding van zijn eigen ouders vroeger). Hij trouwt met [vrouw 1] en niet lang daarna wordt [dochter] geboren. Het vaderschap maakt van [personage regisseur] een ander mens. Maar onder andere door de lange dagen die hij maakt in de MTV-studio en het flirten met een bekende zangeres houdt het huwelijk geen stand en [vrouw 1] besluit [personage regisseur] te verlaten om terug te keren naar haar geboorteland Zweden en tijd te nemen om tot zichzelf te komen. Eerst laat ze [dochter] vrijwillig bij [personage regisseur] achter, maar al snel eist ze dat het meisje bij haar komt wonen. [personage regisseur], die vanaf [vrouw 1]'s vertrek met vallen en opstaan voor [dochter] zorgt, weigert en de twee komen in de rechtszaal lijnrecht tegenover elkaar te staan. Een uitputtende juridische loopgravenoorlog begint waarin uiteindelijk de Raad voor de kinderbescherming de rechters adviseert om [dochter] bij haar vader te laten. [personage regisseur] voedt - terwijl zijn Casanova kant soms blijft trekken - zijn dochtertje met ziel en zaligheid op. Zijn werk leidt eronder en [personage regisseur] wordt uiteindelijk na een aantal incidenten door zijn bazin bij MTV ontslagen omdat zijn televisiewerk en de zorg voor zijn dochtertje steeds minder goed te combineren zijn. Dan schuiven de rechters onverwacht het advies van de Raad terzijde en wordt [dochter] tot [personage regisseur] verbijstering aan de moeder toegewezen. Hoe houdt hij zich staande na dit verschrikkelijke verlies?

[roman 2]

Na het oordeel van de rechters stort [personage regisseur] aanvankelijk in en neemt hij, als hij voorgoed het contact met [dochter] dreigt te verliezen, het recht in eigen hand door zonder dat iemand dat weet met [dochter] te verdwijnen naar een huisje op de Zweedse heide. Maar als hij leert inzien dat hij alleen voor zijn eigen belangen aan het strijden is en hij de belangen van zijn dochter door alle emoties uit het oog verloren is, draagt hij [dochter] aan haar moeder over en vindt hij troost in het inzicht dat ze ook op afstand met elkaar verbonden zijn; Door naar dezelfde maan te kijken voelen ze zich toch verbonden en dichtbij. Hoe ver ze ook bij elkaar vandaan zijn.”

( v) [eigenaar van Producties B.V.], eigenaar van [producties] Producties, is gescheiden en heeft twee zonen en een dochter. [eigenaar van Producties B.V.] maakt middels [producties] Producties films.

(vi) In de zomer van 2010 heeft [eigenaar van Producties B.V.] het boek “[roman 1]” gelezen.
Op 20 september 2010 heeft hij bij [appellant] geïnformeerd of de filmrechten van zijn boeken nog beschikbaar zijn. [appellant] heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarna heeft [appellant] aan [eigenaar van Producties B.V.] zijn boek “[roman 2]” en zijn treatment toegezonden.

(vii) [eigenaar van Producties B.V.] heeft daarop aan [appellant] kenbaar gemaakt dat hij interesse heeft om de boeken van [appellant] te verfilmen. Zij hebben daarover vervolgens een gesprek gevoerd.

(viii) Op 14 november 2010 heeft [eigenaar van Producties B.V.] een voorstel aan [appellant] geschreven over de voorwaarden voor een licentie op de auteursrechten op de boeken van [appellant]. [appellant] heeft daarop toen een tegenvoorstel gedaan, waarna hij en [eigenaar van Producties B.V.] niet tot overeenstemming zijn gekomen over de voorwaarden voor een licentie op de auteursrechten op de boeken.

(ix) [eigenaar van Producties B.V.] heeft aan [appellant] op 18 november 2010 gemaild dat hij dan liever zijn eigen verhaal verfilmt.

( x) Op 26 november 2010 heeft [eigenaar van Producties B.V.] nogmaals aan [appellant] gemeld dat hij ook bezig is met zijn eigen echtscheidingsverhaal, dat hij daar een scenario van maakt en dat hij dan geen rechtenperikelen heeft.

(xi) Op 18 december 2010 heeft [eigenaar van Producties B.V.] aan [appellant] laten weten dat hij de verfilming van de boeken in de wachtkamer zet, en dat hij prioriteit aan zijn eigen echtscheidingsverhaal geeft.

(xii) Op 2 augustus 2011 heeft de agent van [appellant] aan hem bericht dat met NL Film een licentieovereenkomst is gesloten betreffende de auteursrechten op de boeken tegen een minimale licentievergoeding van € 55.000,--.

(xiii) Op 24 oktober 2011 heeft [eigenaar van Producties B.V.] aan FMB/Dutch Media, de inmiddels nieuwe uitgever van [appellant], via e-mail een filmscript toegestuurd met de melding:

Bij deze het script van [scriptnaam] (roepnaam [roepnaam scriptnaam]), [scriptnaam]! Een echtscheidingsdrama als Kramer versus Kramer (rauwer dan [auteur 1], heter dan [auteur 2]) misschien kunnen we er een boek van maken. K draai de film in Februari/Maart en hij komt in t najaar in de bioscoop. Met de telegraaf gaan we flink herrie maken aangezien ze partner zijn! K hoor graag of jullie mogelijkheden zien voor een super samenwerking”.

(xiv) In reactie daarop heeft FMB op 1 november 2011 aan [eigenaar van Producties B.V.] bericht:

“(…) Op 24 oktober stuurde je ons een filmscenario met als titel “[scriptnaam] (Roepnaam [roepnaam scriptnaam])”. (…) Ik heb het scenario aan mijn daartoe meest geschikte collega gegeven. Mijn collega meldde mij kort daarna dat haar bij lezing onmiddellijk opviel dat de inhoud van het scenario de inhoud van het boek betreft van een van onze auteurs, te weten de heer [appellant]. (…) 1. Wij kunnen niet samenwerken aangaande dit scenario. 2. Wij hebben de auteur op de hoogte gesteld van deze kwestie en laten deze verder aan de auteur.”

(xv) Bij brief van 23 november 2011 heeft de advocaat van [appellant] [eigenaar van Producties B.V.] gesommeerd de inbreuk op de auteursrechten van [appellant] op de boeken en het treatment te staken.

(xvi) Op 25 november 2011 heeft [eigenaar van Producties B.V.] aan [appellant] bericht dat hij diens verhaal niet heeft gebruikt voor zijn filmscript.

(xvii) Eind november 2011 heeft NL Film aan [appellant] meegedeeld dat zij vooralsnog wilde afzien van de optie op de verfilming van de boeken omdat zij er niet voor voelde een vrijwel gelijke film te produceren als door [producties] Producties geproduceerd. In een e-mail van 15 februari 2012 bevestigde NL Film aan [appellant] in dat verband het volgende:

“ (…) Zoals afgesproken hierbij een email waarin ik je het volgende laat weten:

- NL Film & TV had de intentie een optie te nemen op jouw boek [roman 1] en was voornemens om vanuit het boek een speelfilm te ontwikkelen van gelijke titel. Dit in samenwerking met scriptschrijver [scriptschrijver 1] en regisseur [filmregisseur].

- Omdat bleek dat er een ander producent voornemens was een film te ontwikkelen met bijna gelijk thema en hierin ook al een voorsprong had qua tijd, konden wij niet anders zien dan van de optie af te zien. De Nederlandse markt is te klein voor twee films die een dusdanig vergelijkbaar thema hebben.

- Zo lang de film van de andere film [kennelijk is hier bedoeld: filmproducent, hof] nog gerealiseerd gaat worden is er voor NL Film zakelijk geen mogelijkheid om verder te gaan met het project op basis van het boek van [appellant]. (…)”

(xviii) Op 8 februari 2012 heeft het Nederlandse Filmfonds [producties] Producties een subsidie toegekend van € 180.000,-- ten behoeve van de film “[scriptnaam]!”

(xix) Bij vonnis van 28 maart 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in Leeuwarden in een door [appellant] tegen [producties] Producties aangespannen kort geding geoordeeld dat sprake was van auteursrechtinbreuk. De voorzieningenrechter heeft [producties] Producties onder meer geboden zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [appellant] ter zake van de boeken en derhalve het openbaar maken en/of verveelvoudigen van dit werk te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en een rectificatie in het dagblad De Telegraaf bevolen zoals vermeld in het dictum van het kortgedingvonnis.
In het vonnis stelde de voorzieningenrechter voorop dat het enkele idee van het schrijven van een al dan niet eigen verhaal over een echtscheiding en de daaraan verwante problematiek al snel leidt tot voor de hand liggende keuzes waardoor in zoverre weinig betekenis toekwam aan de overeenstemming tussen de boeken en het filmscript voor de beoordeling van de vraag of het overgelegde filmscript inbreuk maakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [appellant]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwam evenwel aan de oorspronkelijke uitwerking van dat idee in de boeken auteursrechtelijke bescherming toe, waarna de voorzieningenrechter na een vergelijking van de door [appellant] gestelde (37) punten van overeenstemming en de door [producties] Producties gestelde (9) punten van verschil het volgende heeft overwogen:

“4.9. De karakters en de voortgang en ontwikkeling en het plot in de verhaallijn van de boeken en het filmscript vertonen (…), alles in onderling verband en samenhang beschouwd, mede in aanmerking genomen het hier aan de orde zijnde genre (een echtscheidingsverhaal met de daaraan verwante problematiek over bij wie van de ouders het kind/de kinderen gaan wonen) een zo grote gelijkenis dat de indruk die het filmscript achterlaat in teveel essentiële en karakteristieke aspecten identiek is aan die van de boeken om als onafhankelijke schepping te kunnen aanmerken. (…)

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het filmscript inbreuk maakt op de auteursrechtelijk beschermde trekken van de boeken van [appellant] (…).”

[producties] Producties werd in dit kort geding op de voet van art. 1019h Rv. veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellant] vastgesteld op een bedrag van € 15.343,17.

(xx) Voor en na de procedure in kort geding heeft [eigenaar van Producties B.V.] publiciteit gezocht.

(xxi) Op 24 mei 2012 heeft NL Film aan [appellant] laten weten definitief niet verder te willen met de verfilming van zijn boek “[roman 1]”. Tot verfilming van het boek van [eigenaar van Producties B.V.] “[scriptnaam]!” is het evenmin gekomen.

4.2

In de onderhavige, door [appellant] binnen de door de voorzieningenrechter bepaalde termijn van zes maanden aanhangig gemaakte, bodemprocedure heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de vordering van [appellant] tot verklaring voor recht dat [producties] Producties inbreuk maakt op de auteursrechten van [appellant] door de boeken en het treatment te verveelvoudigen en/of openbaar te maken en aansprakelijk is voor de door [appellant] gestelde schade, afgewezen. Ook werden afgewezen de vorderingen tot bevel aan [producties] Producties zich te onthouden van inbreuk en tot verbod om jegens [appellant] onrechtmatig te handelen en in contact te treden met diens handelsrelaties en zakenpartners, alles met bijkomende vorderingen.

Daartoe heeft de rechtbank, verkort weergegeven, het volgende overwogen:

- Voor zover [appellant] de onderwerpen/thema’s in de boeken heeft uitgewerkt door in teksten gebeurtenissen van personen en gedachten van personen weer te geven, hebben naar het oordeel van de rechtbank deze teksten als voortbrengselen van de geest van [appellant] een eigen en oorspronkelijk karakter en dragen zij het persoonlijk stempel van de maker, maar is haar inziens van inbreuk op auteursrecht geen sprake omdat geen (delen van) teksten uit de boeken in het filmscript zijn overgenomen (r.o. 3.5.1);

- Een door [appellant] in de boeken meegegeven boodschap of levensles is zo algemeen geldend of zo vaak eerder geopenbaard dat zij tot het publiek domein behoren en niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen (r.o. 3.5.2);

- Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval kan het overnemen van stijl, schrijftrant en genre, in combinatie met de opbouw van het verhaal, intrige, plot, in combinatie met de (hoofd)personen en hun karakteristieken, in combinatie met de situering van het verhaal in bijvoorbeeld tijd, plaats en milieu tot het oordeel leiden dat sprake is van het overnemen van auteursrechtelijk beschermde elementen van de boeken, aan welke elementen evenwel niet snel auteursrechtelijke bescherming toekomt omdat aan dergelijke elementen vaak het eigen oorspronkelijk karakter moet worden ontzegd en niet ieder overnemen ervan geldt als inbreuk (r.o. 3.5.3);

- Het genre van de boeken is al veelvuldig gebruikt (r.o. 3.5.4) en het onderwerp, de grote verhaallijn, is veelvuldig voorkomend (r.o. 3.5.5);

- Wat betreft de loop van het verhaal met de daarin voorkomende gebeurtenissen geldt dat door zowel in de boeken als in het filmscript voorkomende gebeurtenissen een beeld van gelijkenis tussen beide wordt opgeroepen (r.o. 3.5.5);

- De gelijkenis tussen de hoofdpersonen en hun karakters komt vaker voor in boeken en films, terwijl in de boeken en in het filmscript de leeftijd van de vader en de gedragingen van de dochter verschillend zijn (r.o. 3.5.6) net als de locaties en het milieu (r.o. 3.5.7);

- Er is een enkele overeenkomst tussen de karakters van de vader in de boeken en die in het filmscript waarin ook vele (andere) dezelfde elementen voorkomen, welke gelijkenis samen met de gesprekken tussen [appellant] en [eigenaar van Producties B.V.] in samenhang met diens bekendheid met de boeken en het treatment van [appellant] grond geven voor het voorshands oordeel dat bij het maken van het filmscript aan de boeken is ontleend, welke ontleende elementen dan wel auteursrechtelijk beschermd moeten zijn als deze elementen eigen en oorspronkelijk zijn en het persoonlijk stempel van de maker dragen (r.o. 3.6);

- De in r.o. 3.5.5 – 3.5.7 besproken elementen zijn niet snel als ‘eigen en oorspronkelijk’ aan te merken omdat in vele boeken en films allerlei mogelijke karakters, locaties, milieus en onderwerpen al eens zijn verwerkt, en deze elementen wel zeer oorspronkelijk moeten zijn wil daaraan auteursrechtelijke bescherming toekomen (r.o. 3.6.1). Aan deze voorwaarde is volgens de rechtbank niet voldaan voor wat betreft de locaties en milieus omdat deze elementen in de boeken en in het filmscript veel verschillen vertonen, voor wat betreft de karakters en de werkkring omdat alleen de vaderpersonen gelijkenis vertonen, terwijl de uitwerking vaker voorkomt of logisch uit de omstandigheden voortvloeit dan wel daarbij past en daarom te banaal is, waarbij geen van de elementen zo verrassend of vernieuwend is uitgewerkt dat daaraan los van de tekstuele uitwerking oorspronkelijkheid toekomt (r.o. 3.6.2);

- Voor zover [appellant] elementen heeft uitgewerkt en van detaillering heeft voorzien, komt aan die teksten auteursrechtelijke bescherming toe, maar er is geen sprake van inbreuk op auteursrecht waar in het filmscript die tekstuele uitwerking niet is overgenomen (r.o. 3.7);

- Voor zover de vele in r.o. 3.5.5 – 3.5.7 genoemde elementen uit de boeken gelijkenis vertonen met het filmscript, leidt dit wel tot een vermoeden van ontlening maar niet tot een inbreuk op auteursrecht aangezien die elementen daarvoor hetzij op zichzelf hetzij in de uitwerking ervan oorspronkelijkheid missen (r.o. 3.7);

- Waar geen sprake is van inbreuk op een werk van [appellant], is geen sprake van schending van zijn persoonlijkheidsrecht (r.o. 3.8), en zijn de uitlatingen en het op de markt brengen en promoten van de film “[scriptnaam]” door [producties] Producties niet onrechtmatig (r.o. 3.9), redenen waarom de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen met veroordeling in de proceskosten zoals gevorderd ex art. 1019h Rv (r.o. 3.10).

4.3.

In het door [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank van 17 juli 2013 ingestelde hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Hij vordert thans, na vernietiging van het vonnis en opnieuw rechtdoende,

primair te verklaren voor recht dat [producties] Producties inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [appellant] met betrekking tot de boeken door het filmscript zonder toestemming van [appellant] te verveelvoudigen en/of openbaar te maken, en [producties] te bevelen iedere inbreuk op de (auteurs)rechten van [appellant] met betrekking tot de boeken te staken en gestaakt te houden op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, met veroordeling van [producties] Producties op de voet van art. 1019h Rv in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep; dan wel

subsidiair te verklaren voor recht dat [producties] Producties onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant], en [producties] Producties te verbieden het filmscript en ieder ander op het werk van [appellant] gebaseerd werk van [eigenaar van Producties B.V.] te exploiteren, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, met veroordeling van [producties] Producties in de reguliere proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep; en

primair en subsidiair [producties] Producties te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van [eigenaar van Producties B.V.] geleden en nog te lijden directe en indirecte schade, nader op te maken bij staat en vereffenen volgens de wet.

Voor zover [producties] Producties bezwaar heeft gemaakt tegen de door [appellant] bij deze eiswijziging in appel gevorderde dwangsommen, zal het hof dit bezwaar in zijn beoordeling van het hoger beroep betrekken.

De tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde zeven grieven strekken – (mede) gelet op de daarop gegeven toelichting – ertoe om het geschil van partijen in volle omvang in het hoger beroep ter beoordeling en beslissing van het hof te brengen.

4.4.

Alvorens nader in te gaan op de grieven stelt het hof enkele afzonderlijk door partijen ter sprake gebrachte gestelde kwesties aan de orde.

4.4.1.

Aan de toewijsbaarheid van de primaire vordering van [appellant] staat niet reeds in de weg de omstandigheid dat het filmscript niet door [producties] Producties maar door [eigenaar van Producties B.V.] en/of [scriptschrijver 2] is geschreven, nu (als in hoger beroep onbestreden) het ervoor moet worden gehouden dat, zoals de rechtbank in r.o. 3.4 van het vonnis heeft vastgesteld, het filmscript van (gedaagde) [producties] Producties is.
Dat het filmscript is geschreven door [scriptschrijver 2] en [eigenaar van Producties B.V.], laat overigens onverlet dat blijkens de titelpagina het in het geding gebracht filmscript “[scriptnaam], Roepnaam [roepnaam scriptnaam] (werktitel) [scriptnaam]” (versie 7, september 2011) – kennelijk – door hen is geschreven in opdracht van [producties] Producties en onder haar (eind)verantwoordelijkheid
als (auteurs)rechthebbende “© [Filmprodukties BV] Filmproducties BV - 2011” is vervaardigd, openbaar gemaakt en uitgebracht. Bij zijn beoordeling van de inbreukvraag en overeenstemmingsvraag als bedoeld in art. 13 Aw gaat het hof daarom dan in het vervolg ervan uit dat het filmscript van [producties] Producties is en onder haar (eind)verantwoordelijkheid is tot stand gekomen en verspreid door haar toezending van het filmscript aan, in ieder geval, FMB/Dutch Media en het Filmfonds (zie hiervóór in 4.1 onder xiii-xiv en xviii).

4.4.2.

Reeds op deze plaats, mede in verband met grief 1, wijst het hof erop dat daarbij niet relevant is welke mate van artistieke of literaire waardering aan de boeken zou toekomen, evenmin als relevant zijn het gegeven dat de werken deels autobiografisch van aard zou zijn en/of de oplage van de boeken. Overigens gaat grief 1 uit van een verkeerde lezing van het vonnis, omdat nergens uit blijkt dat de rechtbank die gegevens van belang heeft geacht bij de door haar gemaakte afweging, zodat grief 1 geen doel treft.

4.4.3.

Verder stelt het hof vast dat, zoals ook volgt uit de gewijzigde eis in hoger beroep, [appellant] niet meer zich beroept op auteursrechtelijke bescherming van zijn treatment nu tegen r.o. 3.3 van het rechtbankvonnis in appel niet wordt opgekomen.

4.4.4.

Als in hoger beroep onbestreden gelaten, gaat het hof in zijn beoordeling ervan uit dat [appellant] zich beroept op auteursrechtelijke bescherming van zijn twee romans en dus niet op de bescherming van geschriften zonder eigen of persoonlijk karakter, de zogeheten “geschriftenbescherming” als bedoeld in art. 10, lid 1, Auteurswet 1912 (Aw).

4.5.

Grieven 1, 2 en 3 zijn gericht tegen de oordelen en daarop voortbouwende beslissing van de rechtbank, kort samengevat, dat door (het vervaardigen en openbaar maken van) het filmscript [producties] Producties geen inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [appellant] op de boeken omdat de in r.o. 3.5.5 – 3.5.7 genoemde vele elementen uit de boeken die gelijkenis vertonen met het filmscript, wel tot een vermoeden van ontlening door [eigenaar van Producties B.V.] leiden, maar van auteursrechtinbreuk geen sprake is nu die elementen hetzij op zichzelf hetzij in de uitwerking ervan oorspronkelijkheid missen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.6.

Alvorens te bezien of en in hoeverre sprake is van overeenstemmende totaalindrukken of andere elementen constateert het hof, enerzijds, – na eigen waarneming en lezing van de boeken die als productie 1 en 2 bij de memorie van grieven in het geding zijn gebracht – dat de teksten in de boeken, voor zover [appellant] daarin de onderwerpen en thema’s heeft uitgewerkt door in de teksten gebeurtenissen van personen en gedachten van personen weer te geven, als voortbrengselen van de geest van [appellant] een eigen, oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen waardoor de boeken, als zodanig en zonder meer, hebben te gelden als een ‘werk van letterkunde’ als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Aw ten aanzien van welke uitwerking (geestelijke schepping) [appellant] als de maker auteursrechtelijke bescherming geniet.

4.6.1.

Anderzijds kan ook in hoger beroep ervan uit worden gegaan dat er in het filmscript geen teksten of delen van teksten uit de boeken zijn overgenomen, zodat voor de beantwoording van de inbreukvraag het in deze zaak niet gaat om een louter overschrijven dan wel anderszins (min of meer letterlijk) reproduceren van gedeelten van tekst uit de boeken in het filmscript.

4.6.2.

In zoverre is er dus geen sprake is geweest van verveelvoudiging door [eigenaar van Producties B.V.] ([producties] Producties) van (delen van) de tekst uit deze auteursrechtelijk beschermde werken in het filmscript, als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 13 Aw.

4.7.

[appellant] beroept zich op auteursrechtelijke bescherming van zijn twee romans die weliswaar grotendeels berusten op zijn eigen ervaringen uit het leven, doch waarin de personen, situaties en locaties en weergegeven dialogen en gedachten grotendeels fictie zijn in plaats van een letterlijke weergave van de door hem ervaren gebeurtenissen. De in de tekst van de boeken weergegeven gebeurtenissen van personen en gedachten van personen als uitwerking van onderwerpen en thema’s hebben aldus een eigen en oorspronkelijk karakter en dragen het persoonlijk stempel van de maker, omdat het voortbrengselen zijn van de geest van [appellant].
beroept zich niet, in elk geval niet meer op de auteursrechtelijke bescherming van de in de boeken uitgewerkte boodschap of levensles, het daarin gehanteerde genre (deels autobiografisch, deels fictie) en de daarin gebruikte schrijfstijl (rauwere en explicietere wijze van uitwerken van gebeurtenissen en gedachten).

4.7.1.

Tussen partijen staat dan ook niet (meer) ter discussie dat de hier bedoelde uitwerking van onderwerpen en thema’s door [appellant] niet is ontleend aan een ander werk, maar dat zij het resultaat is van zijn eigen scheppende menselijke arbeid c.q. van zijn creatieve keuzes, en dus voortbrengsel is van de menselijke geest (zie o.m. HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0104, Romme-van Dale; HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008, Endstra Tapes; HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, Stokke-H3 inzake Tripp Trapp en HR 12 april 2013, Stokke-Fikszo inzake Tripp Trapp, verwijzend naar HvJEU 16 juli 2009, NJ 2011/288 waarin als maatstaf is geformuleerd dat het moet gaan om “een eigen intellectuele schepping van de auteur”). De boeken zijn voor wat deze uitwerking van onderwerpen en thema’s betreft derhalve een werk waaraan auteursrechtelijke bescherming moet worden toegekend.

4.7.2.

Naast de vraag of en in hoeverre auteursrecht rust op de boeken van [appellant] en/of onderdelen daarvan ligt de vraag voor of en in hoeverre op het auteursrecht van [appellant] door [producties] Producties met het filmscript inbreuk is gemaakt doordat de inhoud van het filmscript (overwegend of gedeeltelijk) de vrucht is van al dan niet bewuste ontlening, aan te merken als een ‘verveelvoudiging’ in de zin van art. 13 Aw, zoals de voorzieningenrechter in het vonnis van 28 maart 2012 in kort geding had geoordeeld (zie hiervóór in 4.1 sub xix).

4.8.

[producties] Producties verdedigt dat het totaalindrukkencriterium (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, Una Voce Particolare; HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, Decaux-Mediamax, Stokke-Fikszo inzake Tripp Trapp) door de Hoge Raad is aanvaard voor werken van toegepaste kunst, maar niet voor literatuur. Dit standpunt miskent dat ook indien, zoals [producties] Producties stelt, de overeenstemmende totaalindruk bij literatuur geen noodzakelijke voorwaarde zou zijn voor het aannemen van inbreuk, zodanige overeenstemmende totaalindruk daartoe wel een voldoende voorwaarde kan zijn.

4.8.1.

Voor de beantwoording van de inbreukvraag dient (zie o.m. HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7291, Heertje-Hollebrand inzake Kern van de Economie; Una Voce Particolare; Stokke-H3 inzake Tripp Trapp; Stokke-Fikszo inzake Tripp Trapp) in dit geval te worden beoordeeld of het beweerdelijk inbreukmakend werk (het filmscript) auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen van het oudere werk (de boeken) vertoont zodanig dat de totaalindrukken overeenkomen, voor welke vergelijking de auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen bepalend zijn, in die zin dat de niet auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen voor het antwoord op de overeenstemmingsvraag géén rol spelen.
Als de totaalindrukken niet overeenkomen, dient bezien te worden of desondanks sprake is van inbreuk omdat er wezenlijke elementen zijn overgenomen.

4.8.2.

Overigens hangt het antwoord op de vraag of bij vorenbedoelde ontlening sprake is van inbreuk op een auteursrecht, niet (enkel) af van het aantal nagevolgde auteursrechtelijk beschermde elementen en de mate van gedetailleerdheid ervan.

4.8.3.

Voorts is van belang dat ook een combinatie, verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen een (oorspronkelijk) werk in de zin van de Auteurswet kan zijn, en wel daar waar die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt; bij de vergelijking van de totaalindrukken dienen ook onbeschermde trekken of elementen in aanmerking te worden genomen voor zover de combinatie van al deze trekken of elementen in het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk aan de “werktoets” van art. 1 in verbinding met art. 10 Aw beantwoordt (vgl. Stokke-H3 inzake Tripp Trapp). Dit betekent dat in het oordeel mede kunnen worden betrokken combinaties van onbeschermde (trekken of) elementen met (trekken of) elementen die op zichzelf niet auteursrechtelijk beschermd zijn omdat zij zo banaal of triviaal zijn dat daarachter géén creatieve arbeid van welke aard ook is aan te wijzen; zo’n combinatie kan echter het persoonlijk stempel van de maker dragen als er in die combinatie sprake is van een ‘werk van letterkunde’ ten aanzien waarvan de maker, i.c. [appellant], auteursrechtelijke bescherming geniet.

4.8.4.

Voor de vergelijking van de totaalindrukken van het eerdere werk met het latere werk moet worden onderzocht of de uitwerking van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig is, dat aangenomen kan worden dat met deze uitwerking van de combinatie van verschillende, niet auteursrechtelijk beschermde, elementen er niettemin sprake is van een eigen intellectuele schepping van de auteur (vgl. o.m. Una Voce Particolare; HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2994, inzake Rubik I; Stokke-H3 inzake Tripp Trapp).

4.9.

Het vorenoverwogene betekent dat grief 2 en 3 terecht aanvoeren dat de rechtbank een te beperkte beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd voor de beantwoording van de inbreukvraag en de daarmee verband houdende overeenstemmingsvraag.

4.10.

Het hof beziet hierna in de eerste plaats of en in hoeverre auteursrechtelijke bescherming toekomt aan (de uitwerkingen in) de boeken specifiek voor wat betreft de daarin door [appellant] gekozen en uitgewerkte karakters, opbouw en ontwikkeling van de verhaallijn, voortgang van verwikkelingen en ontwikkelingen naar het plot van de verhalen, alles met het oog op de totaalindrukken van de werken en mate van overeenstemming daartussen.
Voorts beziet het hof of en welke auteursrechtelijk beschermde elementen uit de boeken in het filmscript zijn overgenomen op een zodanige wijze dat de totaalindrukken overeenkomen, in die zin dat de beide werken te weinig verschillen maken voor het oordeel dat het filmscript als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt .

4.11.

Het centrale thema van de boeken en het filmscript

4.11.1.

In beginsel komt aan een verhaal, ontsproten aan de fantasie van een persoon, auteursrecht toe. En ofschoon het idee dat achter een verhaal ligt als zodanig niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt doch enkel de concrete uitwerking daarvan, kan de oorspronkelijkheid van dat idee en het onderwerp wel een van de elementen zijn welke een rol kan spelen enerzijds bij de vraag of aan het verhaal auteursrecht toe komt en anderzijds bij de vraag of een ander verhaal aan dit verhaal zal zijn ontleend.
Om als auteursrechtelijk beschermd (element van een) werk te kunnen worden beschouwd, komt het daarom ook hier aan op de wijze waarop en de mate waarin (het idee voor) het echtscheidingsverhaal is uitgewerkt, en of die uitwerking door de maker ([appellant]) gekozen uitwerking van het verhaal in de opbouw, de karakters, voortgang en ontwikkeling en het plot in de verhaallijn van de boeken een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Alleen waar (elementen of trekken van) het werk auteursrechtelijke bescherming geniet(en), kan sprake zijn van verveelvoudiging in de zin van art. 13 Aw, als auteursrechtelijk beschermende elementen of trekken van het werk daaraan in het latere werk zijn ontleend, c.q. daaruit zijn overgenomen.
Toevallige gelijkenis tussen de uitwerking van (het idee van) het echtscheidingsverhaal in de boeken en in het filmscript brengt nog niet, als zodanig en zonder meer, mee dat sprake is van ontlening die kan worden aangemerkt als verveelvoudiging als bedoeld in art. 13 Aw.

4.11.2.

Voor het onderhavige geval geldt dat het enkele idee van het schrijven van een, al dan niet eigen, verhaal over een echtscheiding van een door een vrouw verlaten vader die zijn kind verzorgt en via gerechtelijke procedures vecht voor toewijzing van het kind aan hem, als onderwerp en grote verhaallijn in een roman niet als zodanig en zonder meer voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Immers, het idee van zo’n echtscheidingsverhaal, op hoofdlijnen voor de hand liggend, zal niet snel (kunnen) voldoen aan de in art. 1 Aw gestelde voorwaarden dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Daarmee valt (het idee voor) het verhaal als zodanig niet zonder meer aan te merken als werk in de zin van art. 1 in verbinding met art. 10 Aw.

4.12.

Karakters

4.12.1.

Wat betreft de in de boeken en het filmscript gekozen karakters en karakteristieken van de daarin voorkomende hoofdpersonen stelt het hof de volgende relevante parallellen en gelijkenissen vast.

4.12.2.

In de romans van [appellant] ‘[roman 1]’ en ‘[roman 2]’ is (was) de vaderfiguur ‘[personage regisseur]’ een vrouwen versierende vrouwonvriendelijke medewerker/regisseur van een TV-station in [plaats 2] (TMF/MTV, welke hoofdpersoon, die bindingsangst heeft als gevolg van de echtscheiding van zijn ouders, na een wild leven een affectieve relatie krijgt en trouwt met de moederfiguur ‘[vrouw 1]’ uit welke relatie dochter ‘[dochter]’ wordt geboren. Het huwelijk houdt geen stand nadat de vaderfiguur op zijn werk had geflirt met een bekende Nederlandse zangeres, waarna de moederfiguur de dochter bij een onwennige vader achterlaat en daarna komt opeisen De beste vriend van de vaderfiguur ‘Siep’ staat hem in deze periode met adviezen bij.
In de procedures tussen ‘[personage regisseur]’ en ‘[vrouw 1]’ over het hoofdverblijf van de dochter wordt de vaderfiguur bijgestaan door een zwangere advocate
Op zijn werkplek heeft de vaderfiguur een vrouwelijke baas met wie hij eerst goed kan opschieten maar die hem ontslaat in de periode dat hij voor de dochter. Na advies van de Raad voor kinderbescherming om de dochter bij de vaderfiguur te laten blijven, beslist de rechtbank uiteindelijk tot toewijzing van de dochter aan de moederfiguur.

4.12.3.

In het filmscript van [producties] Producties is de vaderfiguur ‘[vaderfiguur]’ een vrouwen versierende discjockey van een radiostation in [vestigingsplaats 2] ([radiostation 1]/[radiostation 2];, welke hoofdpersoon na bindingsangst vanwege de scheiding van zijn ouders een relatie krijgt en trouwt met de moederfiguur ‘[moederfiguur]’ uit welke relatie dochter ‘[scriptnaam]’ wordt geboren (. De moederfiguur verlaat vader en dochter na een korte affaire van de vaderfiguur met een – gefingeerde – zangeres. De vaderfiguur heeft een beste vriend “[beste vriend 1]” die hem met adviezen bijstaat. Nadat de moederfiguur de dochter eerst bij de onwennige vader achterlaat, komt zij de dochter opeisen om bij haar te wonen, en wordt de vaderfiguur tijdens de gerechtelijke procedures bijgestaan door een zwangere advocate. Op zijn werk heeft de vaderfiguur een vrouwelijke baas met wie hij ook eerst goed kan opschieten maar die hem uiteindelijk ontslaat in de periode dat hij voor de dochter zorgt. Terwijl de Raad voor kinderbescherming nog adviseert de dochter bij de vaderfiguur te laten wonen, beslist de rechtbank tot verblijf van de dochter bij de moeder.

4.12.4.

Naar ’s hofs oordeel zijn de in de boeken gekozen en uitgewerkte karakters van hoofdpersonen zo specifiek en kenmerkend dat deze trekken en elementen in de boeken tezamen en in combinatie, naast de eigen en oorspronkelijke uitwerking van de in de boeken beschreven onderwerpen en thema’s (verband houdende met de daarin beschreven gebeurtenissen in werkomgeving en privéleven van de vaderfiguur en voor, tijdens en na de echtscheiding met de moederfiguur), in onderlinge samenhang gelezen en beschouwd, auteursrechtelijk beschermd zijn.

4.12.5.

Op dit onderdeel stemt het filmscript, afgezien van de door [producties] Producties gestelde, te geringe of anderszins triviale verschillen in naam en leeftijd van de vader, de moeder, de dochter en de beste vriend van de vader en verschil in nationaliteit van de moeder (Zweeds of Nederlands), overeen met de auteursrechtelijk beschermde, elementen van de boeken.

4.13.

Opbouw van de verhaallijn

4.13.1.

Naast de hiervoor beschreven gelijkende verhaallijnen in de boeken en het filmscript constateert het hof de volgende opvallende parallellen en gelijkenissen in de daarin gekozen en uitgewerkte opbouw in de verhalen.

4.13.2.

In de roman ‘[roman 1]’ heeft [appellant] gekozen voor gebruik van zogeheten flashbacks door het verhaal heen, teruggaand naar de jeugd van de vaderfiguur waar ruzies tussen zijn eigen ouders tot hun echtscheiding leidt, en een flashback direct na de openingsscène met een sprong in de tijd (zeven jaar eerder) naar het begin van de problemen voor de vaderfiguur.
Het filmscript bevat filmscènes met eveneens flashbacks naar de jeugd van de vaderfiguur met ruzies tussen zijn ouders die leiden tot hun echtscheiding, en een flashback direct na de openingsscène met een sprong in de tijd (één jaar eerder) naar het moment dat de problemen voor de hoofdpersoon begonnen.

4.13.3.

Op zich is juist dat ‘flashbacks’ in verhaallijnen in literatuur en in films vaker voorkomen en het enkele gebruik van zulke flashbacks niet reeds als zodanig en zonder meer auteursrechtelijk beschermde trekken en elementen oplevert omdat dit niet snel een eigen en oorspronkelijk karakter zal hebben.
Het hof is echter van oordeel dat de uitwerkingen van de door [appellant] in ‘[roman 1]’ gekozen flashbacks naar de jeugd van de vaderfiguur met daarin beschreven, door de vaderfiguur als ruzies ervaren, dialogen tussen zijn ouders (die later van elkaar scheiden), en de flashback direct na de openingsscène naar het moment waarop de problemen voor de vaderfiguur als hoofdpersoon begonnen, wel een eigen oorspronkelijk karakter hebben en een persoonlijke stempel van de maker dragen, waardoor deze tezamen en in combinatie, in hun onderlinge samenhang gelezen en beschouwd, kwalificeren als eigen intellectuele schepping van [appellant], aan welke elementen uit de boeken auteursrechtelijke bescherming toekomt.

4.13.4.

In de openingsscène van de roman ‘[roman 1]’ krijgt de vaderfiguur in het bijzijn van zijn dochter via de telefoon te horen van zijn advocate dat zij afschuwelijk nieuws voor hem heeft, waardoor bij de lezer het beeld opkomt dat de hoofdpersoon de rechtszaak heeft verloren, waarna de openingsscène stopt en vervolgt met een scène waarin de vaderfiguur de hand voor zijn mond slaat en in de tuin in bijzijn van de dochter in elkaar stort. Na de flashback naar het moment dat de problemen van de vaderfiguur zeven jaar eerder begonnen, keert de verhaallijn terug naar de proloog en loopt dan verder in het heden naar het einde van het verhaal waar in de wetenschap dat hij zijn dochter zal kwijtraken, de vaderfiguur afscheid van de dochter zal moeten gaan nemen.
In het filmscript krijgt de vaderfiguur in de openingsscène in bijzijn van de dochter bij een onverwacht bezoek van zijn advocate te horen dat hij de rechtszaak heeft verloren waarna de vaderfiguur in bijzijn van de dochter in de gang lijkbleek tegen de muur zakt (filmscript, blz.4 en scene 118). Na de flashback naar het moment dat de problemen voor de vaderfiguur één jaar eerder begonnen, wordt de openingsscène kort herhaald en vervolgt de verhaallijn ook in het heden naar het einde van de film met de wetenschap dat de vaderfiguur en zijn dochter afscheid zullen moeten gaan nemen.

4.13.5.

Het hof is van oordeel dat de in ‘[roman 1]’ gekozen en uitgewerkte openingsscène en daarna in de tijd verdere opgebouwde verhaallijn, – in onderlinge samenhang gelezen en beschouwd – zo specifiek en kenmerkend zijn dat deze elementen uit het boek een eigen oorspronkelijk karakter hebben en een persoonlijke stempel van de maker dragen, waardoor zij tezamen en in combinatie als eigen intellectuele schepping van [appellant] auteursrechtelijk beschermd zijn.

4.13.6.

Het hof stelt vast dat gelet op de hierop in het filmscript voorkomende, sterk gelijkende verhaallijn en openingsscène, ook op dit onderdeel het filmscript overeenstemt met de roman ‘[roman 1]’. Daaraan doen niet af de door [producties] Producties gestelde, en naar het oordeel van het hof te geringe en triviale verschillen tussen het voor de flashback na de openingsscène gekozen tijdvak (7 jaar; niet één jaar), de wijze waarop de vaderfiguur van zijn advocate bericht ontvangt (telefoon; niet in persoon) en de locatie waar hij in bijzijn van de dochter in elkaar stort/zakt (tuin; niet in de gang).

4.14.

Voortgang in de verhaallijn; verwikkelingen en incidenten

4.14.1.

Voor wat betreft de in de boeken en het filmscript gekozen en uitgewerkte voortgang in de verhaallijnen en daarin beschreven verwikkelingen en incidenten tussen de hoofdpersonen constateert het hof de volgende relevante parallellen en gelijkenissen.

4.15.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript lijken de werkplekken en dynamische werkomgevingen van de vaderfiguur sterk op elkaar. Het hof acht de in dit kader door [producties] Producties aangevoerde verschillen tussen een televisie- en radiozender als zodanig niet relevant voor de vraag of dit element auteursrechtelijk beschermd is.

4.15.1.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript wordt tijdens zijn huwelijk door de vaderfiguur in zijn werkomgeving geflirt met een – in het ene geval daadwerkelijk bestaande en vrij bekende, en in het andere geval met een gefingeerde en onbekende - Nederlandse zangeres. Anders dan [producties] Producties aanvoert en de rechtbank overweegt (in r.o. 3.5.5 van het vonnis), is naar het oordeel van het hof niet relevant of deze zangeres een verzinsel is nu bij (de beoordeling van) de boeken en de daarin gekozen, beschreven en uitgewerkte (hoofd)personen, gebeurtenissen, dialogen en gedachten ervan wordt uitgegaan dat deze ook zijn gebaseerd op fictie.

4.15.2.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript heeft de vaderfiguur op de werkplek een vrouwelijke baas/collega met wie hij eerst op goede voet staat maar die het hem het steeds moeilijker maakt als het werk onder zijn privéleven (zorg voor de dochter) te lijden krijgt en zij hem uiteindelijk ontslaat. Voor beantwoording van de vraag of dit element auteursrechtelijk beschermd is, is niet relevant, zoals [producties] Producties aanvoert, dat in het filmscript – anders dan in ‘[roman 1]’ – de vaderfiguur ook een seksuele relatie met de vrouwelijke baas heeft (gehad).

4.15.3.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript komt de dochter per ongeluk in opnamen op de werkplek van de vaderfiguur terecht. Het moge op zichzelf juist zijn dat dit thema vaker voorkomt in de literatuur, zoals in het door [producties] Producties aangehaalde kinderboek ‘[kinderboek]’, doch dat laat onverlet dat dit element, dat geenszins vanzelfsprekend is in een echtscheidingsverhaal, op grond van een door [appellant] zelf gemaakte keuze in dit verhaal is toegevoegd.

4.15.4.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript moet de vaderfiguur vaak voor zijn werk met artiesten naar het buitenland wat lastig is (en wordt) als alleen-zorgende vader van de bij hem achtergebleven dochter. Het hof acht voor de beantwoording van de vraag of dit element auteursrechtelijk beschermd is, niet zonder meer beslissend dat in de muziekwereld, de werkomgeving van de vaderfiguur, het werken in het buitenland veel voorkomt.

4.15.5.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript flirt de vaderfiguur met een meisje en krijgt hij op de stoep van de uitgaansgelegenheid in de roman het aan de stok met een uitsmijter die hem trapt, en in het filmscript het aan de stok met een bouwvakker die hem een klap verkoopt. Het hof acht het verschil tussen de uitsmijter/trap en bouwvakker/klap irrelevant voor de vraag of dit element in de roman auteursrechtelijk beschermd is. Het hof acht voor de beantwoording van deze vraag ook niet als zodanig en zonder meer beslissend dat in het uitgaanscircuit ruzie om een vrouw vaker voorkomt.

4.15.6.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript lijken de gekozen namen ‘[beste vriend 2]’ en ‘[beste vriend 1]’ van de beste vriend van de vaderfiguur en de daarin uitgewerkte karakters van deze personen en de met hen gevoerde dialogen (relationele adviezen) sterk op elkaar. Ook hier acht het hof niet relevant voor de vraag of dit element in de boeken ([roman 1]) auteursrechtelijke bescherming toekomt, dat de beste vriend van [eigenaar van Producties B.V.] de zanger van [zanggroep] ‘[beste vriend 1]’ is en ‘[beste vriend 1]’ een Friese naam is van een bestaande vriend, nu ook dit element – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere uitwerking van de verhaallijn – als kenmerkend element met het persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) (desondanks) een eigen, oorspronkelijk karakter kan worden toegekend.

4.15.7.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript kruipt de vaderfiguur op moeilijke momenten bij de dochter in het bed. Weliswaar kan dit ‘lepeltje-lepeltje slapen’ van vader en dochter vaker voorkomen, maar dit acht het hof voor de beantwoording van de vraag of dit element auteursrechtelijk beschermd is, niet als zodanig en zonder meer beslissend, nu ook hieraan – in onderlinge samenhang gelezen en beschouwd met de verdere uitwerking van de verhaallijn – als kenmerkend element in de verhaallijn met het persoonlijk stempel van de maker ([appellant]), een eigen en oorspronkelijk karakter kan worden toegekend.

4.15.8.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript is de advocate van de vaderfiguur tijdens de gerechtelijke procedure(s) zwanger. Het hof acht de door [producties] Producties aangevoerde verschillen dat de zwangere advocate in ‘[roman 1]’ haar toga vergeet en in het filmscript bij de eerste ontmoeting en op de terechtzitting misselijk is, en dat – zoals de rechtbank overweegt (in r.o. 3.5.5 van het vonnis) – vaker voorkomt dat een advocate zwanger is, als zodanig niet zonder meer beslissend voor de beantwoording van de vraag of dit element auteursrechtelijk beschermd is, nu aan de uitwerking van dit element – in onderlinge samenhang gelezen en beschouwd met de verdere uitwerking van de verhaallijn – als een kenmerkend element in de verhaallijn dat het persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) draagt, (desondanks) een eigen en oorspronkelijk karakter kan worden toegekend.

4.15.9.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript geeft de vaderfiguur aan de dochter een konijn om het advies van de Raad voor de kinderbescherming positief te beïnvloeden, is de dochter dolblij om de konijn te krijgen en staat op het moment dat een vertegenwoordiger van de Raad bij de vader thuis langs komt, een konijnenhok op het balkon. In ‘[roman 1]’ en in het filmscript spelen in dit verband ook een zelfgebakken appeltaart een rol van betekenis bij het bezoek van de raadsonderzoeker. In ‘[roman 1]’ en in het filmscript is de vaderfiguur ontroerd als de dochter tijdens het raadsbezoek (in eerste instantie) precies de juiste dingen zegt en doet.

4.15.10.

Met [appellant] is het hof van oordeel dat, hoewel de idee van deze onderwerpen en thema’s vaker is gebruikt, niettemin aan de uitwerking ervan – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere verhaallijn – als kenmerkend elementen in de verhaallijn met een persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) ook een eigen en oorspronkelijk karakter kan worden toegekend.

4.15.11.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript verliest de vaderfiguur uiteindelijk de bodemprocedure, nadat zijn advocate nog positief was over de uitkomst van de rechtszaak en de Raad voor kinderbescherming voor hem gunstig had geadviseerd.

4.15.12.

Op zichzelf hebben deze elementen in de verhaallijn in ‘[roman 1]’ niet als zodanig en zonder meer een eigen en oorspronkelijk karakter doordat deze onderwerpen en thema’s ook voorkomen in literatuur en films over andere echtscheidingsverhalen. Het hof is niettemin met [appellant] van oordeel dat aan deze elementen en de uitwerking ervan – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere verhaallijn – als kenmerkend element in de verhaallijn met een persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) desondanks een eigen, oorspronkelijk karakter kan worden toegekend, waaraan auteursrechtelijke bescherming toekomt.

4.15.13.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript krijgt de vaderfiguur bij wijze van incident in de werksfeer – als aanloop naar zijn ontslag – een woordenwisseling met door hem geïnterviewde (bekende) artiesten. Als incident in de privésfeer geraakt hij zowel in ‘[roman 1]’ als in het filmscript in financiële problemen wanneer de moederfiguur al het geld van hun gezamenlijke bankrekening heeft gehaald. In ‘[roman 2]’ en in het filmscript kampt de vaderfiguur met geldgebrek wanneer de dochter bij een supermarkt een ritje wil maken op een speeltoestel, en boort hij tevergeefs zijn oude netwerk aan voor het vinden van een baan. Ook deze elementen zijn als zodanig niet zonder meer auteursrechtelijk beschermd omdat dit idee, de onderwerpen en thema’s vaker voorkomen in literatuur en films over echtscheidingsverhalen, maar het hof is van oordeel dat de uitwerking ervan – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere verhaallijn – als kenmerkend elementen in de verhaallijn met een persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) desondanks een eigen, oorspronkelijk karakter kan worden toegekend, waaraan wel bescherming toekomt.

4.15.14.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript trakteert de dochter op school de dag vóór zij van school wisselt omdat zij bij haar moeder gaat wonen. Ook al hebben deze elementen in de verhaallijn in ‘[roman 1]’ niet als zodanig en zonder meer een eigen en oorspronkelijk karakter doordat deze onderwerpen en thema’s ook voorkomen in literatuur en films over andere echtscheidingsverhalen, aan deze elementen en de uitwerking ervan kan – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere verhaallijn – als kenmerkend element in de verhaallijn met een persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) desondanks een eigen, oorspronkelijk karakter worden toegekend, waaraan auteursrechtelijke bescherming toekomt.

4.15.15.

In ‘[roman 1]’ en in het filmscript valt het seksleven van de vaderfiguur in duigen door de strijd om de dochter. Ook deze elementen zijn als zodanig niet zonder meer auteursrechtelijk beschermd omdat dit idee, de onderwerpen en thema’s vaker voorkomen in literatuur en films over echtscheidingsverhalen, maar het hof is [met [appellant]] van oordeel dat de uitwerking ervan – in onderlinge samenhang gelezen en bezien met de verdere verhaallijn – als kenmerkend element (plot) in de verhaallijn met een persoonlijk stempel van de maker ([appellant]) desondanks een eigen, oorspronkelijk karakter kan worden toegekend, waaraan wel bescherming toekomt.

4.16.

Conclusie

4.16.1.

Het hof komt tot het oordeel dat de hiervoor vermelde elementen, ook waar deze op zich onbeschermde trekken of elementen behelzen, in de boeken – in onderlinge samenhang gelezen en bezien – steeds zo specifiek en kenmerkend zijn uitgewerkt dat deze een eigen oorspronkelijk karakter hebben en een persoonlijke stempel van de maker dragen, waardoor zij tezamen en in combinatie als een eigen intellectuele schepping van [appellant] auteursrechtelijk beschermd zijn.
Voor de hiervoor aangehaalde auteursrechtelijk beschermde trekken geldt telkens ook dat de wijze waarop daaraan in het filmscript gestalte is gegeven, inbreuk maakt op het auteursrecht van [appellant], ongeacht verschillen van ondergeschikte aard.

4.16.2.

Aan het vorenoverwogene kan niet afdoen dat er ook elementen zijn aan te wijzen waaraan onvoldoende auteursrechtelijke bescherming toe komt. Daarbij gaat het om het met vallen en opstaan zorgen voor de dochter, het wegdoen of juist behouden van spullen die nog aan het huwelijk herinneren, de terugkomst van de moeder en haar eis om voor het kind te mogen zorgen en de bezwaren van de vader daartegen, de overdracht van de dochter van de vader aan haar moeder. Een groot aantal van de hier geschetste problemen zijn in echtscheidingssituaties schering en inslag en komt veelvuldig voor in boeken of films over echtscheidingen, waaronder met name ook Kramer versus Kramer.

4.16.3.

Voor zover de door [producties] Producties gestelde verschillen tussen de boeken en het filmscript (productie 7 bij conclusie van antwoord) niet reeds in het vorenoverwogene aan de orde zijn gekomen, overweegt het hof in het licht van de hiervoor vastgestelde overeenstemmende auteursrechtelijk beschermde elementen én combinaties van op zich onbeschermde trekken en elementen uit de boeken, dat de door [producties] Producties gestelde relevante verschillen, zoals [appellant] aanvoert en ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld (in r.o. 4.8 van het kortgedingvonnis), niet zodanig zijn dat zij de mate van overeenstemming beïnvloeden dan wel geheel wegnemen. Deze verschillen lijken vooral te zijn ingegeven door pogingen om de door [producties] Producties gestelde eigen oorspronkelijkheid aan het verhaal te geven, maar voegen ieder op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien aan het verhaal niet een heel andere dimensie toe in die mate dat de gekozen en uitgewerkte onderwerpen en thema’s in de ontwikkeling naar het plot en de climax in de verhaallijn van het filmscript een andere is. Hierdoor doen de gesignaleerde verschillen tussen de boeken en het filmscript onvoldoende af aan de hiervóór vastgestelde relevante parallellen en gelijkenissen. In de beantwoording van de overeenstemmingsvraag spelen deze, als te geringe dan wel daarvoor triviale, verschillen verder geen rol.

4.16.4.

Op grond van de in het voorgaande weergegeven analyse van de diverse elementen - karakterisering van (hoofd)personen en situering van gebeurtenissen in tijd en plaats, voortgang van verwikkelingen/intriges en ontwikkeling tot de in de verhaallijnen gekozen (sub)plots (climax) - in de boeken en het filmscript en de vergelijking daarvan komt het hof tot de slotsom dat, niettegenstaande eveneens aan te wijzen verschillen, het filmscript op zoveel onderdelen en in zodanige mate overeenstemt met de boeken, en ook de totaalindruk van dat filmscript in zodanige mate overeenstemt met dat van de boeken, dat het filmscript geacht moet worden te veel overeen te stemmen met en te weinig te verschillen van de boeken en daarom inbreuk maakt op de auteursrechtelijk beschermde elementen van de boeken. Van een compleet nieuw en oorspronkelijk werk waarmee geen inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechtelijk beschermde elementen van de boeken is bij het filmscript geen sprake. Daarom komt het hof ook niet toe aan het subsidiaire verweer van [producties] Producties dat sprake is geweest van een incidentele verwerking van (enkel) “losse, ondergeschikte elementen, die geen onderlinge samenhang vertonen” als onderdeel van ondergeschikte betekenis in de zin van art. 18a Aw. Aan het beroep van [producties] Producties op de in dat wetsartikel bedoelde beperking van auteursrecht gaat het hof daarom voorbij.

4.16.5.

Hiervoor heeft het hof uitgewerkt in welke mate en op welke auteursrechtelijk relevante onderdelen (combinaties van onderdelen daaronder begrepen) het filmscript overeenstemt met de boeken. Tegen de achtergrond van de gesprekken tussen [appellant] en [eigenaar van Producties B.V.] ([producties] Producties) in samenhang met diens bekendheid met de boeken (en het treatment) komt het hof voorts tot de slotsom dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het filmscript aan de boeken is ontleend zodat sprake is van een ongeoorloofde verveelvoudiging in de zin van art. 13 Aw.

4.16.6.

[producties] Producties heeft naar het oordeel van het hof - ter ontzenuwing van vorenbedoeld vermoeden dat het filmscript wat betreft de door het hof geconstateerde overeenstemmende elementen uit de boeken de vrucht is van bewuste of onbewuste ontlening - onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het filmscript het verhaal is over de eigen scheiding van [eigenaar van Producties B.V.] en dat de daarin uitgewerkte verhaallijn (enkel) is gebaseerd op en geïnspireerd door de speelfilm ‘Kramer versus Kramer’.

4.16.7.

Ook met de als productie 1 bij memorie van antwoord overgelegde schriftelijke verklaring van de ex-vrouw van [eigenaar van Producties B.V.], [ex-vrouw van eigenaar Producties B.V.], wordt het hiervoor bedoeld vermoeden niet ontzenuwd. In deze verklaring bevestigt zijn ex-vrouw slechts dat zij in het filmscript de ‘eigen emotie en gevoel’ van [eigenaar van Producties B.V.] herkende, en dat het verhaal is geïnspireerd op de speelfilm ‘Kramer versus Kramer’. De inhoud van deze verklaring biedt voor het overige onvoldoende bewijs voor het verweer van [producties] Producties dat [eigenaar van Producties B.V.] het verhaal in het filmscript geheel en uitsluitend aan zijn eigen leven heeft ontleend, en wat betreft de punten van overeenstemming geen sprake is geweest van bewuste of onbewuste ontlening aan de boeken en het filmscript van [appellant].
Hetzelfde geldt voor de als productie 9 bij de memorie van antwoord overgelegde schriftelijke verklaring van Holland FM directeur [getuige], die slechts een bevestiging inhoudt van een jarenlange plezierige samenwerking met [eigenaar van Producties B.V.], en verder geen enkele verklaring bevat waarmee het vermoeden van bewuste of onbewuste ontlening van de punten van overeenstemming wordt weerlegd en ontzenuwd.

4.16.8.

Het hof gaat voorbij aan het door [producties] Producties aangeboden getuigenbewijs voor wat betreft het horen van de ex-vrouw van [eigenaar van Producties B.V.] over het autobiografisch karakter van het filmscript, nu voor de weerlegging van de hiervoor bedoelde punten van overeenstemming niet ter zake dienend is of en in hoeverre het in het filmscript beschreven autobiografische elementen bevat. Ook aan het aangeboden bewijs om [scriptschrijver 2] te doen horen als getuige gaat het hof voorbij omdat [producties] Producties niet aanvoert dat de heer [scriptschrijver 2] over de hiervoor bedoelde punten van overeenstemming kan verklaren, en slechts in algemene zin heeft gesteld dat hij kan verklaren over het oorspronkelijke karakter van het filmscript.

4.17.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het, door [eigenaar van Producties B.V.] en [scriptschrijver 2] geschreven, filmscript van [producties] Producties inbreuk maakt op de auteursrechtelijk beschermde elementen en op combinaties van de op zichzelf niet auteursrechtelijk beschermde trekken en elementen uit de boeken. Grieven 2 en 3 slagen derhalve. Met de inbreuk op het auteursrecht van [appellant] is dan ook de schending van de persoonlijkheidsrechten van [appellant] en de onrechtmatige daad jegens hem als maker van de boeken gegeven, nu het filmscript door [producties] Producties is openbaar gemaakt zonder vermelding dat [appellant] ook de maker van het filmscript is. Daarmee slaagt grief 4.

4.18.

Op grond van het vorenstaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen, zoals gewijzigd bij memorie van grieven, toewijzen op de wijze zoals hierna te melden. Ondanks dat [producties] Producties ook ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat het filmscript niet (door verfilming) zal worden verveelvoudigd en openbaar gemaakt, zal het hof een dwangsom opleggen maar aan de te verbeuren dwangsommen een maximum stellen als hierna in het dictum vermeld.

4.19.

Nu sprake is van auteursrechtinbreuk, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de subsidiaire vorderingen door [appellant] zijn ingesteld. Om dezelfde reden laat het hof onbesproken grieven 5 en 6 die beide betrekking hebben op de subsidiair ingestelde schadevordering uit onrechtmatige daad.

4.20.

Het hof zal de primair gevorderde schadevergoeding toewijzen en de zaak verwijzen naar de schadestaat, nu [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij (mogelijk) schade heeft geleden doordat NL Film als gevolg van de openbaarmaking van het filmscript uiteindelijk heeft afgezien van een verfilming van de boeken.

4.21.

[producties] Producties zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. De vordering had voor het overgrote deel betrekking op auteursrecht zodat het hof art. 1019h Rv. op de gehele vordering tot vergoeding van proceskosten toepasselijk acht.

4.21.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] een kostenspecificatie overgelegd welke uitgaat van (afgerond) 60,9 uren à € 195,-- excl. verschotten en excl. btw. Dat komt op € 11.875,50,-- aan honorarium excl. btw. Het gaat hier om uren die zijn gemaakt na het kort gedingvonnis, zodat deze niet vallen onder de proceskostenveroordeling in die kortgedingprocedure (zie hiervoor onder xix slot).

4.21.2.

De voor 1 september 2014 geldende Indicatietarieven rechtbanken in IE-zaken voorzagen, bij zaken zonder pleidooi, in een maximum van € 8.000,-- voor eenvoudige zaken en € 20.000,-- voor overige zaken. Onderhavige zaak is in elk geval aan te merken als een arbeidsintensieve zaak en daarmee niet als een eenvoudige zaak. Het gevorderde is toewijsbaar.

4.21.3.

In hoger beroep heeft [appellant] declaraties overgelegd betrekking hebbende op de periode van augustus 2013 tot aan de datum van het pleidooi in hoger beroep. De declaratie van 14 januari 2013 is kennelijk abusievelijk gedateerd; dit moet zijn 14 januari 2014. In 2013 declareerde de advocaat (kennelijk afhankelijk van degene die de werkzaamheden verrichtte) hetzij € 195,-- per uur, hetzij € 265,-- per uur. In 2014 declareerde de advocaat € 200,-- per uur. In dit vakgebied zijn deze uurtarieven niet ongebruikelijk of buitensporig. De advocaten declareerden tot aan het (houden van het) pleidooi ruim 111 uren.
[producties] Producties maakt daartegen bezwaar. Het betreft voor een groot deel een herhaling van zetten uit de eerste aanleg. [producties] Producties verlangt matiging.

4.21.4.

Het hof constateert dat de advocaten van [producties] Producties zelf tot en met het pleidooi omstreeks 45 uren hebben gedeclareerd.

4.21.5.

Laatstbedoeld feit impliceert niet dat de advocaten van [appellant] niet méér tijd hebben besteed of redelijkerwijze konden besteden aan deze zaak. Doch voor de vraag welk deel van het honorarium op de voet van art. 1019h Rv. ten laste van de wederpartij kan worden gebracht speelt dit wel een rol.
Aan honorarium in hoger beroep, tot aan het pleidooi, declareerde de advocaat € 22.401,50 excl. verschotten en excl. btw. Naar ’s hofs oordeel is het redelijk dat daarvan een deel groot € 12.500,-- ten laste van de wederpartij kan worden gebracht.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en, opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

i. verklaart voor recht dat [eigenaar van Producties B.V.] Producties B.V. inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [appellant] met betrekking tot de boeken ‘[roman 1]’ en ‘[roman 2]’, door het filmscript ‘[scriptnaam] (roepnaam [roepnaam scriptnaam]), [scriptnaam]!’ zonder toestemming van [appellant] te verveelvoudigen en/of openbaar te maken;

ii. gebiedt [eigenaar van Producties B.V.] Producties B.V. iedere inbreuk op de (auteurs)rechten van [appellant] met betrekking tot de boeken ‘[roman 1]’ en ‘[roman 2]’ te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, tot een maximum van € 25.000,--;

iii. veroordeelt [eigenaar van Producties B.V.] Producties B.V. op de voet van art. 1019h Rv. in de kosten in het geding, tot aan dit arrest aan de zijde van [appellant] vastgesteld in eerste aanleg op € 11.875,50 excl. btw voor salaris advocaat, € 821,-- aan griffierecht en € 203,67 kosten deurwaarder en in hoger beroep op € 12.500,-- excl. btw voor salaris advocaat, € 711,-- griffierecht en € 157,14 aan belaste verschotten;

iv. veroordeelt [eigenaar van Producties B.V.] Producties B.V. tot vergoeding van de door [appellant] als gevolg van de auteursrechtinbreuk, gepleegd door [eigenaar van Producties B.V.] Producties B.V., geleden en te lijden directe en indirecte schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

v. verklaart de beslissingen onder ii, iii en iv uitvoerbaar bij voorraad;

vi. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en
M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2015.

griffier rolraadsheer