Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1896

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
31-05-2015
Zaaknummer
HD 200.150.735_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Huurder van kantoorruimte in bedrijfsverzamelgebouw rookt in de gehuurde ruimte. Verhuurder heeft een algeheel rookverbod in het gebouw ingevoerd en wil dat handhaven. Een contractuele of wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt evenwel; vordering tot een verbod op roken daarom afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/200
WR 2015/118
JHV 2015/123 met annotatie van Mr. L.J. Smale
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.150.735/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

N.V. Bossche Investerings-Maatschappij (BIM),

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

[Business Support] Business Support B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.L. Breunesse te Leusden,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnis van 13 maart 2014 tussen appellante - BIM - als eiseres en geïntimeerde - [Business Support] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 904032/386, rolnummer 13-4946)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 12 juni 2014 met grieven en producties;

- de conclusie van eis van BIM van 24 juni 2014;

- de memorie van antwoord van [Business Support] van 5 augustus 2014 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4 De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis van 13 maart 2014 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:

2. 1. Tussen partijen is een huurovereenkomst gesloten waarbij [Business Support] met ingang van 1 juni 2004 van BIM een aantal ruimten heeft gehuurd in het bedrijfsverzamelgebouw BIM Centrum [bedrijfsverzamelgebouw] (hierna te noemen: het bedrijfsverzamelgebouw) gelegen aan de [adres] [huisnummer] te [vestigingsplaats 1]. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (hierna: Algemene bepalingen) van toepassing verklaard.

2.2.

[Business Support] huurt de ruimten voor de exploitatie van haar onderneming in receptie- en secretariële werkzaamheden. Per 31 december 2012 heeft [Business Support] een deel van de door haar gehuurde ruimten teruggegeven aan BIM, waarna zij enkel nog huurt de ruimten A.003, A.004 en A.009. Ruimte A.003 gebruikt [Business Support] als haar kantoor, ruimte A.004 wordt gebruikt als secretariaat en in ruimte A.009 is de receptie van [Business Support] gevestigd.

2.3.

In een brief van 18 februari 2008 heeft BIM aan alle huurders van het bedrijfsverzamelgebouw medegedeeld dat met ingang van 1 maart 2008 in het gebouw een algeheel rookverbod geldt. Als reden daarvoor is aangegeven dat de Tabakswet werkgevers verplicht om werknemers een rookvrije werkplek te bieden en dat vanwege de aard van het bedrijfsverzamelgebouw (medewerkers van) medehuurders rookoverlast ervaren door het roken door andere medehuurders of door bezoekers van het pand. Daardoor ontstaat, aldus BIM, de situatie dat werkgevers/huurders in het bedrijfsverzamelgebouw niet aan hun wettelijke verplichting jegens hun werknemers kunnen voldoen. BIM heeft verder aangegeven dat sommige huurders daarover bij haar hebben geklaagd. De basis voor het instellen van een algeheel rookverbod acht BIM, zo stelt zij in de brief, gelegen in artikel 6.3 van de Algemene bepalingen, waarin is opgenomen dat de huurder bij het gebruik van het gebouw geen hinder of overlast mag veroorzaken en ervoor moet zorgen dat derden die vanwege hem in het pand aanwezig zijn ook geen hinder of overlast veroorzaken.

2.4.

Op 26 september 2008 heeft BIM ten behoeve van de huurders op het buitenterrein een rookcabine geplaatst. Dit heeft zij in een brief van diezelfde datum aan de huurders laten weten. Vervolgens heeft BIM in een brief van 14 november 2008 aan alle huurders medegedeeld dat zij strikt de hand zal houden aan het rookverbod en heeft zij gewezen op de boeteclausule in de Algemene bepalingen bij overtreding van het verbod. Daarbij heeft zij opnieuw aangegeven dat het rookverbod is gebaseerd op artikel 6.3 van de Algemene bepalingen.

2.5.

In een brief van 19 februari 2009 heeft BIM [Business Support] erop gewezen dat zij meldingen heeft ontvangen dat mevrouw [Business Support], vertegenwoordigster van [Business Support], in het gehuurde rookt. Zij heeft [Business Support] gesommeerd zich te houden aan het rookverbod.

2.6.

Nadat BIM op 5 april 2013 heeft geconstateerd dat [Business Support] nog altijd rookt in de door haar gehuurde ruimten, heeft zij [Business Support] bij brief van 8 april 2013 verzocht schriftelijk te verklaren dat zij zich aan liet rookverbod zal houden. Verder heeft zij aangegeven dat [Business Support], als zij dit niet doet, per 13 april 2013 de toegang tot het bedrijfsverzamelgebouw zal worden ontzegd. In haar reactie per e-mail van 10 april 2013 heeft [Business Support] zich op het standpunt gesteld dat het door BIM opgelegde rookverbod ongegrond is, in het bijzonder met betrekking tot de door haar gehuurde ruimten. Zij geeft aangegeven dat zij zich wel zal houden aan het huurcontract. Zij heeft BIM voorts gevraagd toe te lichten op welke grond B1M meent haar de toegang tot liet gehuurde te kunnen ontzeggen. Ook heeft zij gevraagd om de namen van de huurders die klachten hebben over haar rookgedrag, zodat zij met hen in gesprek kan gaan over een oplossing.

2.7.

Naar aanleiding van die reactie heeft BIM in een brief van 17 april 2013 voorgesteld de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. [Business Support] heeft daarmee niet ingestemd.

BIM heeft daarop bij dagvaarding van 31 mei 2013 de onderhavige procedure tegen [Business Support] aanhangig gemaakt.

4.2

In deze procedure stelt BIM dat zij in het gehele bedrijfsverzamelgebouw een rookverbod heeft ingevoerd vanwege het wettelijk recht van werknemers op een rookvrije werkplek. Doordat de directeur van [Business Support], mevrouw [directeur Business Support], doorgaat met roken ontstaat volgens BIM voor andere huurders overlast, hinder en gezondheidsschade. Zij stelt dat [Business Support] op grond van artikel 6.2 van de Algemene bepalingen verplicht is de mondelinge en schriftelijke aanwijzingen in acht te nemen die door BIM in het belang van een behoorlijk gebruik van het gehuurde worden gegeven. Daaronder valt volgens BIM ook het door haar ingestelde algehele rookverbod. Daarnaast verbiedt artikel 6.3 van de Algemene bepalingen het veroorzaken van hinder en overlast. Ook stelt BIM dat [Business Support] doordat haar directeur blijft roken zich niet als een goed huurder gedraagt en dat zij daarmee in strijd handelt met artikel 7:213 BW. Voor de invoering van het rookverbod voor het gehele bedrijfsverzamelgebouw bestaan volgens haar gegronde redenen, terwijl aan rokers een redelijk alternatief voor het roken binnen het gebouw is geboden in de vorm van een rookcabine bij de fietsenstalling. Door zich niet te (willen) houden aan het rookverbod handelt [Business Support] volgens BIM onrechtmatig tegenover haar eigen werknemers en tegenover huurders en bezoekers van het bedrijfsverzamelgebouw die ongewild meeroken. Op grond hiervan vordert BIM, samengevat, veroordeling van [Business Support] om zich aan het rookverbod binnen het gebouw te houden, op verbeurte van een dwangsom.

4.3

[Business Support] heeft deze vordering bestreden. Volgens haar mist BIM de bevoegdheid om roken binnen de door [Business Support] gehuurde ruimte te verbieden. Een daartoe strekkende bepaling ontbreekt in de overeenkomst zoals zij deze destijds met BIM heeft gesloten en is nadien ook niet door partijen overeengekomen. [Business Support] erkent dat haar directeur rookt, maar zij tekent hierbij aan dat dit alleen gebeurt in de afgesloten kantoorruimte waarin zij een rookafzuiger met luchtverfrissers heeft geplaatst om te voorkomen dat de rook zich verspreidt naar andere ruimtes in het gebouw. De rookcabine is voor haar geen afdoende oplossing en ook niet nodig aangezien zij aan andere huurders geen overlast of hinder veroorzaakt, aldus [Business Support]. Zij merkt hierbij nog op dat ook door anderen binnen het gebouw wordt gerookt.

4.4

In eerste aanleg heeft op 10 oktober 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Bij vonnis van 13 april 2013 heeft de kantonrechter de vordering van BIM afgewezen met veroordeling van BIM in de proceskosten. In hoger beroep vordert BIM vernietiging van dat vonnis en alsnog toewijzing van haar vordering, met veroordeling van [Business Support] in de kosten van beide instanties

4.5

De kantonrechter is ervan uitgegaan dat de directeur van [Business Support] alleen rookt in de ruimte die zij als haar eigen kantoor gebruikt (A.003) en niet in andere ruimten van het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten, en dat bij het aangaan van de huurovereenkomst of nadien tussen partijen geen rookbeleid of rookverbod is overeengekomen (r.o. 4.1). Een en ander is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof hier bij de verdere beoordeling van uitgaat.

4.6

Voor zover BIM haar vordering baseert op artikel 6.2 van de Algemene bepalingen geldt het volgende. In artikel 6.2 van de Algemene bepalingen heeft BIM voor zichzelf de mogelijkheid bedongen ten aanzien van het gebruik van het gehuurde aan haar huurders aanwijzingen te geven. Volgens die bepaling dient het daarbij om aanwijzingen te gaan in het belang van een behoorlijk gebruik van het gehuurde. Wat daaronder dient te worden verstaan is niet nader gedefinieerd. Door BIM is ook niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid hoever deze aanwijzingsbevoegdheid strekt en op welke aspecten van het gebruik van het gehuurde betrekking kan hebben. Volgens BIM valt het invoeren van een rookverbod voor het gehele bedrijfsverzamelgebouw, met inbegrip van de door [Business Support] gehuurde ruimten, binnen de aanwijzingsbevoegdheid die deze bepaling haar biedt. Volgens [Business Support] is dat niet het geval, zodat de reikwijdte van de bepaling tussen partijen omstreden is.

4.7

De betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. In dit geval is niet gesteld of gebleken dat de bepaling op enig moment voorafgaande aan het sluiten van de huurovereenkomst tussen partijen onderwerp van gesprek is geweest of dat de toepassing ervan, afgezien van de kwestie van het rookverbod, tussen hen aan de orde is geweest. Dat brengt mee dat voor de uitleg van artikel 6.2 van de Algemene bepalingen alleen de tekst ervan voorhanden is. Naar het oordeel van het hof dient onder deze omstandigheden aan de bepaling een beperkte strekking te worden toegekend. Wanneer BIM als verhuurder iets meer of iets anders had willen bewerkstelligen, had het op haar weg gelegen als de partij ten behoeve van wie de bepaling is opgenomen, om dat jegens haar wederpartij (voldoende) duidelijk te maken.

4.8

Hiervan uitgaande stelt het hof vast dat, nu de bepaling betrekking heeft op het belang van een behoorlijk gebruik van het gehuurde en aan de bepaling niet een ruime strekking moet worden toegekend, deze alleen betrekking heeft op de ruimten die [Business Support] heeft gehuurd en niet op de overige ruimten. Van de door [Business Support] gehuurde ruimten gaat het hierbij alleen om het kantoor van haar directeur, A.003, aangezien tussen partijen vaststaat dat alleen in die ruimte wordt gerookt. Naar het oordeel van het hof heeft BIM onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat het belang van het behoorlijk gebruik van die ruimte vordert dat daarin niet wordt gerookt. BIM heeft in dit verband alleen aangevoerd dat roken in het algemeen een verhoogd risico op brand meebrengt, maar zij heeft nagelaten voor dit geval aannemelijk te maken dat het roken door de directeur van [Business Support] heeft geleid of zal leiden tot brandgevaar in de door [Business Support] gehuurde ruimte. Ook andersoortige risico’s voor het gehuurde zijn niet aannemelijk geworden. De slotsom is dat artikel 6.2 van de Algemene bepalingen geen grondslag biedt voor de vordering zoals door BIM ingesteld.

4.9

Dat geldt ook voor artikel 6.3 van de Algemene bepalingen. Artikel 6.3 verbiedt de huurder het veroorzaken van overlast en hinder bij het gebruik van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt. De huurder dient er ook voor te zorgen dat vanwege hem aanwezige derden dat niet doen, maar dat is in dit geval niet aan de orde aangezien het in deze procedure alleen gaat om het rookgedrag van de directeur van [Business Support]. Het is aan de verhuurder om te stellen, onderbouwd met concrete gegevens, dat de huurder hinder en/of overlast in de zin van deze bepaling veroorzaakt, die de grenzen van het aanvaardbare en toelaatbare overschrijdt. Naar het oordeel van het hof heeft BIM hierin in onvoldoende mate aan haar stelplicht voldaan. De enkele klachten die zij vermeldt en die over een lange periode verspreid zijn, kunnen niet als een toereikende onderbouwing van haar stellingen worden aangemerkt. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan bewijslevering als door BIM aangeboden.

4.10

Resteert als grondslag voor de vordering van BIM haar stelling dat [Business Support] zich door het rookgedrag van haar directeur niet gedraagt als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW. Ook deze grondslag kan de vordering van BIM zoals in deze procedure door haar ingesteld, niet dragen. Tussen partijen staat vast dat BIM, met uitzondering van dat rookgedrag, geen aanmerkingen heeft op het gedrag van [Business Support] als huurder. Om verspreiding van rook naar andere ruimten in het bedrijfsverzamelgebouw tegen te gaan heeft [Business Support] een afzuiginstallatie geplaatst in de ruimte waarin wordt gerookt. Hetgeen BIM in dit verband naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van het hof niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [Business Support] handelt in strijd met artikel 7:213 BW (nog afgezien van de vraag of daarop een dergelijke vordering kan worden gebaseerd).

4.11

BIM heeft zich ter - algemene - onderbouwing van haar vordering beroepen op de Tabakswet. BIM heeft gelijk dat aan deze wet ten grondslag ligt het streven om roken én meeroken door anderen vanwege de schadelijke effecten ervan zoveel mogelijk te ontmoedigen. Dat streven wordt in de samenleving inmiddels breed gedragen en ook de directeur van [Business Support] ziet in dat roken zowel voor haarzelf als voor anderen ronduit onwenselijk is, getuige haar (mislukte) poging om daarmee te stoppen en haar gebruik van nepsigaretten. Dit besef heeft er (nog) niet toe geleid dat zij daadwerkelijk het roken in de door haar gehuurde ruimte heeft beëindigd, in welk geval het geschil tussen partijen vanzelf een einde zou hebben genomen. Een wettelijke grondslag voor het doen stoppen met roken in de door [Business Support] gehuurde ruimte is er echter niet. Aan de Tabakswet kan een verhuurder niet de bevoegdheid ontlenen om een huurder in een geval als dit te verplichten met roken binnen het gehuurde op te houden. Daarvoor biedt de Tabakswet immers, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, geen aanknopingspunten.

4.12

Een en ander brengt het hof tot dezelfde conclusie als de kantonrechter, namelijk dat de vordering van BIM niet voor toewijzing vatbaar is. Dit betekent dat de grieven worden verworpen en dat het vonnis wordt bekrachtigd, met veroordeling van BIM in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 13 maart 2014 waarvan beroep;

veroordeelt BIM in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Business Support] begroot op € 704,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraadsheer