Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
20-001395-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Skimming, valsheid in geschrifte, valse pas of kaart, wetenschapsvereiste, grieven.

Door de officier van justitie is geen schriftuur houdende grieven ingediend waarin met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd. Wel is middels de opgave van bezwaren tegen de achtergrond van het vonnis evident waartegen het hoger beroep van het openbaar ministerie is gericht. Naar het oordeel van het hof is in deze situatie voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat en is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het hof is voorts van oordeel dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat het wetenschapsvereiste als omschreven in art. 225, tweede lid en 232, tweede lid Sr. alleen een bestanddeel is van de strafbaarstelling die ziet op het opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van het (ver)vals(t)e geschrift dan wel de (ver)vals(t)e pas of kaart en niet van het opzettelijk gebruik maken daarvan. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en kwalificeert het bewezen verklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001395-13

Uitspraak : 26 maart 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-825446-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [adres].

Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit (kortweg het betalen met een geskimde tankpas) ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank heeft voorts de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 3 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal verbinden;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 184,84 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren.

De raadsman heeft:

  • -

    verzocht dat hof zich uitlaat over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en zich gerefereerd aan dat oordeel;

  • -

    bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert;

  • -

    verzocht om, indien het hof het bewezen verklaarde strafbaar verklaart, te volstaan met een oplegging conform het reeds ondergane voorarrest;

  • -

    verzocht ingeval van een bewezen verklaring de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 182,84.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

De raadsman heeft betoogd dat de schriftuur houdende grieven van de officier van justitie d.d. 3 mei 2013 (hierna: de schriftuur houdende grieven) tardief is ingediend en derhalve niet kan worden aangemerkt als een schriftuur als bedoeld in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft verzocht aan het hof om, nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep.

Ad. A.

Het hof stelt voorop dat het hof, noch de advocaat-generaal, noch de raadsman tot kort voor de terechtzitting in hoger beroep beschikten over een schriftuur houdende grieven van de zijde van het openbaar ministerie. Kort voor de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal een exemplaar van de schriftuur houdende grieven overhandigd.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat, nu een stempel van de griffie op dit schriftuur houdende grieven niet is ingediend. In zoverre is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 416, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

Op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof ziet daartoe in het onderhavige geval geen aanleiding.

Het hof stelt in verband daarmee vast dat officier van justitie mr. M.W. Zwiers op 22 april 2013 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 16 april 2013. Daarbij heeft de officier van justitie een “opgave bezwaren (zijdens het openbaar ministerie)” d.d. 22 april 2013 (hierna: de opgave bezwaren) ingediend. Blijkens deze opgave bezwaren is het hoger beroep van de officier van justitie in het bijzonder gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot ontslag van alle rechtsvervolging en de (onvoldoende hoogte van de) opgelegde straf.

Het hof is van oordeel dat in dit geval, waarin geen schriftuur houdende grieven is ingediend waarin met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel middels de opgave van bezwaren tegen de achtergrond van het vonnis evident is waartegen het hoger beroep van het openbaar ministerie is gericht, voldaan is aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat. Het hof is dan ook van oordeel dat door indiening van de opgave van bezwaren, is voldaan aan het vereiste in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep, nu ook voor het overige niet is gebleken van feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel leiden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 september 2012 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, althans een valse of vervalste (waarde)kaart, bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze betaalpas of (waarde)kaart echt en onvervalst, bestaande het gebruik maken hierin dat hij tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte met deze betaalpas, althans (waarde)kaart, (een) elektronische betaling(en) heeft verricht voor het verkrijgen van een hoeveelheid brandstof (ongeveer 142 liter) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op de magneetstrip van die betaalpas of (waarde)kaart valselijk de oorspronkelijke magneetstripgegevens van een door [benadeelde] rechtmatig gehouden originele betaalpas ([nummer]) waren aangebracht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 september 2012 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse betaalpas, bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze betaalpas echt en onvervalst, bestaande het gebruik maken hierin dat hij tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte met deze betaalpas een elektronische betaling heeft verricht voor het verkrijgen van een hoeveelheid brandstof (ongeveer 142 liter) en bestaande die valsheid hierin dat op de magneetstrip van die betaalpas valselijk de oorspronkelijke magneetstripgegevens van een door [benadeelde] rechtmatig gehouden originele betaalpas ([nummer]) waren aangebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

B.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het ten laste gelegde feit, nu het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat in de tenlastelegging het bestanddeel “terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik” als omschreven in artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ontbreekt.

Ad. B

Artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, luidde ten tijde van de bewezen verklaarde feiten voor zover thans van belang, als volgt:

“Artikel 232.

2. (…)

hij die opzettelijk gebruik maakt van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige pas of kaart aflevert, voorhanden heeft, ontvangt, zich verschaft, vervoert, verkoopt of overdraagt, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik.

Het hof overweegt dat artikel 232, tweede lid, bestaat uit twee te onderscheiden strafbaarstellingen, te weten (1) het opzettelijk gebruik maken van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst en (2) het opzettelijk zodanige pas of kaart afleveren, voorhanden hebben, ontvangen, zich verschaffen, vervoeren, verkopen of overdragen.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of het wetenschapsvereiste als omschreven in de laatste zinsnede van artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een bestanddeel is van beide strafbaarstellingen dan wel alleen van de laatst genoemde strafbaarstelling.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat dit artikel is ingevoerd om een bepaling op te nemen omtrent betaalpassen en kaarten, die mogelijk niet door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (het hof: valsheid in geschrifte) werden afgedekt (Kamerstukken II 1990–1991, 21 551, nr. 3).

Het hof stelt dan ook vast dat de redactie van artikel 232, tweede lid, naar analogie van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgesteld. Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman heeft het hof derhalve aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de Wet van 4 juni 1992 tot wijziging van enige bepalingen inzake valsheid in geschrift in het Wetboek van Strafrecht is aan artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toegevoegd: “dan wel het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor

zodanig gebruik.”.

Het oorspronkelijk wetsvoorstel bevatte aanvankelijk een andere strafbaarstelling (Kamerstukken II 1988–1989, 21 186, nr. 1-2, blz. 2), namelijk:

“2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die (…) opzettelijk zodanig geschrift, wetende dat daarvan zulk gebruik kan worden gemaakt, aflevert of voorhanden heeft, indien uit dat gebruik, afleveren of voorhanden hebben enig nadeel kan ontstaan”.

In de Memorie van Antwoord wordt opgemerkt dat het wetsvoorstel ertoe strekt een leemte op te heffen die blijkt te bestaan met betrekking tot het afleveren en voorhanden hebben van valse en vervalste stukken (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 1).

Bij de Nota van Wijziging is de huidige wettekst voorgesteld (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 6, blz. 1).

Ten aanzien van deze wijziging wordt in de Memorie van Antwoord opgemerkt:

‘In het (het hof: oorspronkelijke) wetsvoorstel zoals dat is ingediend, wordt strafbaar gesteld elk opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift, indien de dader weet dat van het geschrift zulk gebruik - dat wil zeggen gebruik als ware het echt en onvervalst - kan worden gemaakt. Opzettelijk houdt in dat de dader weet dat het stuk valselijk is opgemaakt of is vervalst. Een vals of vervalst stuk kan uiteraard altijd ter misleiding worden gebruikt. De wetenschap dat dit kan gebeuren, voegt dan ook geen bestanddeel aan de delictsomschrijving toe (onderstreping hof).

Bij nota van wijziging wordt voorgesteld strafbaar te stellen het opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren of voorhanden hebben, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, hetgeen in de context van die bepaling betekent gebruik als ware het geschrift echt en onvervalst..’ (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 5, blz. 8).’

Uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag blijkt dat voor deze redactie is gekozen omdat:

de bepaling zich niet alleen richt tegen degene die zélf beoogt het stuk [als echt en onvervalst] te gebruiken. Ook degene die zich bewust is, of redelijkerwijs moet zijn, van dat gebruik door anderen - en daarvoor de voorwaarden schept doordat hij het stuk voorhanden heeft of aflevert - dient ingevolge deze bepaling strafbaar te zijn. Zijn rol in het circuit van frauduleuze operaties is in abstracto niet van geringere betekenis dan die van degene die de valsheid zelf voor zijn rekening neemt.” (Kamerstukken II 1990–1991, 21 186, nr. 8, blz. 6)

De betreffende wijziging van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is op 1 augustus 1992 in werking getreden. Artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is met ingang van 1 juli 2000 op gelijke wijze geredigeerd.

Het hof is van oordeel dat uit deze wetgeschiedenis blijkt dat het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t) geschrift als ware deze echt en onvervalst, reeds impliceert dat de gebruikmaker weet dat het geschrift valselijk is opgemaakt en een dergelijk geschrift ter misleiding kan worden gebruikt, dit in tegenstelling tot degene die het (ver)vals(t)e geschrift enkel opzettelijk voorhanden heeft of aflevert aan degene die daar gebruik van zal maken. Die persoon is alleen strafbaar indien tevens is voldaan aan het wetenschapsvereiste, dat hij weet of moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik, te weten het gebruik als ware de pas of de kaart echt en onvervalst.

Het hof is derhalve van oordeel dat het wetenschapsvereiste enkel een bestanddeel is van de strafbaarstelling die ziet op het opzettelijk afleveren of voorhanden hebben van de (ver)vals(t)e pas of kaart en niet van het opzettelijk gebruik maken daarvan.

Blijkens de tenlastelegging ziet het ten laste gelegde feit op de strafbaarstelling van het opzettelijk gebruik maken van een (ver)vals(t)e pas of kaart als ware deze echt en onvervalst. Nu artikel 232, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht naar analogie is opgesteld van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het hof - gelet op het hiervoor overwogene - van oordeel, dat het wetenschapsvereiste niet behoefde te worden ten laste gelegd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en kwalificeert het bewezen verklaard als:

het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van de valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 3 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan het voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarden, de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

De raadsman heeft verzocht om, indien het hof het bewezen verklaarde strafbaar verklaart, geen hogere straf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het tanken met een valse pas met daarop geskimde gegevens.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

  • -

    dat door feiten als de onderhavige het vertrouwen dat gebruikers moeten kunnen stellen in een geautomatiseerde betaalsysteem, zoals bij het gebruik van tankpassen, ernstig wordt geschonden. Daarnaast wordt door onderhavige feiten aanzienlijke financiële schade toegebracht aan de betrokken tankpashouders. Zo werd bij het bewezen verklaarde feit circa 142 liter diesel getankt voor een bedrag van circa
    € 217,00.

Daarnaast houdt het hof rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 januari 2014, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en ten tijde van het plegen van dit delict nog in de proeftijd liep van een vermogensdelict. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om ook dit bewezen verklaarde feit te plegen. Bovendien blijkt hieruit dat verdachte geen enkel respect toont voor andermans eigendom.

Ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf en strafmodaliteit heeft het hof acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Gelet op het oriëntatiepunt voor “het opnemen van geld met of gebruik maken van een valse bankpas met geskimde gegevens”, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend.

Het hof zal echter geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan het reeds ondergane voorarrest. Hierbij heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de rol van verdachte bij het bewezen verklaarde feit. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij niet de initiator is geweest, maar is meegegaan met de medeverdachte voor een kleine vergoeding, niet onaannemelijk.

Daarnaast leidt het hof uit hetgeen door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, af dat sprake lijkt te zijn van een (voorzichtige) positieve wending in het leven van verdachte. De verdachte lijkt gemotiveerd om te werken aan zijn problemen. Hij heeft huisvesting, werk en krijgt begeleiding van de stichting Dichterbij (Idris, onderdeel van Amarant). Het hof acht het niet wenselijk om de lopende trajecten te doorkruisen door een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op te leggen, langer dan het reeds ondergane voorarrest.

Het hof acht, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 25 maart 2013, wel termen aanwezig om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de algemene voorwaarden en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (reclasseringstoezicht, meldplicht en een CoVa plus-training). Met de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles overziende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 49 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de hierna te noemen algemene en bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Dit impliceert dat het hof een hogere straf oplegt dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu in de eis van de advocaat-generaal de ernst en aard van het feit, mede gelet op het hiervoor genoemde oriëntatiepunt, onvoldoende tot uitdrukking komen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 917, 22 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt dat verzocht is tot vergoeding van € 917,22 (inclusief BTW), zijnde de kosten van het vier keer tanken met een pas met daarop geskimde gegevens van een tankpas van [benadeelde] Het hof acht bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij één keer tanken, namelijk op 1 september 2012 om 22.19 uur. Op die datum en tijdstip is voor

€ 217,58 (inclusief BTW) getankt. Nu sprake is van een rechtspersoon kan de B.V., het gevorderde bedrag aan BTW verrekenen. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat het bedrag exclusief BTW € 182,84 bedraagt.

De overige gevorderde kosten (€ 734,38) zal het hof afwijzen, nu deze schade is gerelateerd aan andere tankbeurten op 1 september 2012 waar verdachte niet bij betrokken is geweest, zodat verdachte niet tot vergoeding van die schade is gehouden.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, en 232 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 49 (negenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren zich niet houdt aan de hierna genoemde algemene voorwaarden dan wel de hierna genoemde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door en namens de Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt dat verdachte:

- zich dient te houden aan een meldingsgebod;

- dient deel te nemen aan de Cognitieve vaardigheidstraining plus (COVA+).

Draagt de Reclassering op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 182,84 (honderdtweeëntachtig euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 182,84 (honderdtweeëntachtig euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte het in zijn zaak opgelegde bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 26 maart 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.