Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1817

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
20-004766-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 312/47 Sr: gebruik voor bewijs van verklaring niet gehoorde getuige; overweging omtrent medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004766-11

Uitspraak : 19 juni 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 december 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-839639-11 tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op[geboortedatum] 1990,

wonende te [adres verdachte].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - opzetheling subsidiair schuldheling ontslagen van rechtsvervolging in verband met niet kwalificeerbaarheid van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte thans – na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is - kort gezegd - integrale vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 augustus 2011 te Nuenen, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk: BMW, type: 750i), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) door middel van een (vuur)wapen stroomstootjes tegen de nek en/of arm van [slachtoffer] heeft/hebben gegeven;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 5 augustus 2011 tot en met 18 augustus 2011 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, in elk geval Nederland, een (personen)auto (merk: BMW, type: 750i) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de (personen)auto wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 augustus 2011 te Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk: BMW, type: 750i), toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders door middel van een wapen stroomstootjes tegen de nek en arm van [slachtoffer] hebben gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

A.

Op 5 augustus 2011 heeft [slachtoffer] de volgende aangifte gedaan (pg. 80 t/m 86):

Ik ben namens de [benadeelde] gerechtigd tot het doen van aangifte.

Tussen vrijdag 5 augustus 2011 te 16.30 uur en vrijdag 5 augustus 2011 te 17.30 uur werd op de A270 ter hoogte van hectometerpaal 10.0, binnen de gemeente Nuenen Ca, het feit gepleegd.

Ik neem het bedrijf waar van [benadeelde]. Gisteren 4 augustus 2011, werd ik gebeld door een manspersoon. Deze vroeg naar de BMW 750i die op de website van [benadeelde], [naam website], wordt aangeboden. Hij vroeg aan mij of de auto nog steeds te koop was en hij vroeg of hij er vandaag, 5 augustus, omstreeks 16.00 uur naar mocht komen kijken. Ik vond dit goed en ik heb dit met hem afgesproken.

Ik werd vandaag, 5 augustus 2011, omstreeks 16.05 uur gebeld op mijn mobiel. Ik hoorde dat het een manspersoon was aan de andere kant van de telefoon. Ik hoorde deze man zeggen dat zij gearriveerd waren. Ik nam meteen aan dat zij bedoelden dat zij gearriveerd waren op de [adres 1] te Eindhoven. Dit is namelijk het adres dat op de website van [benadeelde] is geplaatst. Ik ben toen naar Eindhoven gekomen samen met [naam broer slachtoffer]. Toen wij aankwamen op [adres 1] zagen wij twee mannen voor de woning staan. Ik zag verder geen personenauto bij hen.

Ik hoorde man 1 vragen of hij een stukje met de BMW mocht rijden. Ik vond dit goed. Ik ben als bijrijder in de BMW gestapt naast de bestuurder. Man 1 is als bestuurder ingestapt en man 2 is achterin gaan zitten. Man 2 zat op de achterbank achter mij. Wij zijn over de A270 naar Helmond gereden. Nadat wij bij Helmond hadden gedraaid hoorde ik opeens vanaf de achterbank een klikkend geluid komen alsof er een vuurwapen werd doorgeladen. Ik draaide mij hierop om en voelde meteen allemaal stroomstootjes in mijn nek. Ik voelde ook dat er een apparaat in mijn nek werd gehouden. Dit moet zijn gedaan door man 2. Vervolgens voelde ik het apparaat op mijn arm. Ik dacht alleen nog maar dat ik zo snel als mogelijk moest zien weg te komen. Ik zag dat de auto stopte op de vluchtstrook en ik stapte snel uit. Ik zag vervolgens dat de BMW hard weg scheurde met de manspersonen erin.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Hierbij werd weggenomen een personenauto, BMW 750i, [kenteken 1], [chassisnummer 1].

B.

Op 18 augustus 2011 omstreeks 20.45 uur is [medeverdachte 1] aangetroffen in de betreffende BMW, hetgeen blijkt uit het volgende relaas van verbalisanten (pg. 28 t/m 30):

Op donderdag 18 augustus 2011, omstreeks 20:45 uur zagen wij een man als bestuurder van een personenauto, merk BMW type 750i, voorzien van het [handelaarskenteken 1], rijden te Amsterdam.

Ter controle op de juiste naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de wegenverkeerswetgeving gaven wij deze bestuurder een stopteken waaraan hij voldeed.

De bestuurder overhandigde ons het handelaarskentekenbewijs welke behoorde bij [handelaarskenteken 1]2. Dit kenteken was afgegeven aan [betrokkene 1],[adres 2]. Documenten van het voertuig kon de bestuurder niet overleggen.

Vervolgens controleerden wij het [chassisnummer 1].

Hieruit bleek dat dit chassisnummer was afgegeven voor een BMW 750i, kleur beige, en voorzien van [kenteken 1]. Tevens bleek dat dit voertuig als gestolen stond gesignaleerd.

Op donderdag 18 augustus 2011, te 20:50 uur hielden wij de bestuurder aan. De verdachte gaf ons op te zijn genaamd [medeverdachte 1].

C1.

[medeverdachte 1] heeft over de diefstal van de bewuste BMW een aantal verklaringen afgelegd. Op 20 augustus 2011 heeft hij het volgende verklaard (pg. 134 t/m 139):

(V = vraag; A = antwoord)

V: Even bij het begin beginnen. Jullie hadden een auto op het oog?

A: Ja.

V: Wie is we?

A: Ik. En een paar anderen.

V: Hoe is dat dan gegaan? Er wordt van te voren een afspraak gemaakt?

Telefonisch?

A: Ja. Ik heb de afspraak niet gemaakt. Iemand van wie ik de naam niet

wil noemen.

V: En toen?

A: De afspraak werd gemaakt en we gingen daar naar toe.

V: Met hoeveel mensen waren jullie?

A: In totaal met drie man. Vrienden/bekenden van mij dus.

V: En toen? Jullie rijden daar heen? Met wie precies?

A: We waren nog steeds met z’n drieën. Toen we daar aankwamen, ben ik

samen met een van ons 3-tal achtergebleven. De derde persoon uit ons

groepje is weggegaan. We zijn dus met z’n tweeën achtergebleven.

V: En waar is die derde heengegaan?

A: Die is verderop gaan wachten.

V: Wetende dat er wat gebeuren zou?

A: Ja.

V: Wist jij wat er ging gebeuren?

A: Ja, ik wist wat er ging gebeuren.

V: En wat wist jij dan?

A: Dat we die auto probeerden mee te krijgen. Zonder te betalen.

V: Op welke manier?

A: Dat was afwachten hoe het zou gaan.

V: En toen? Door wie zijn jullie daar opgewacht?

A: Hij kwam een half uur te laat. Hij was niet alleen. Ze waren met

z’n tweeën. De auto stond daar al geparkeerd. We hadden de auto dus al

zien staan op de plek waar we met de verkoper van de auto af hadden

gesproken.

V: En toen? Een testritje, zei je net?

A: Ja.

V: Wie zaten er in de auto?

A: Die vriend van mij en ikzelf. Uiteraard de verkoper van de auto ook.

V: Wie bestuurde de auto?

A: Ik bestuurde de auto. De verkoper zat op de bijrijdersstoel.

V: En toen?

A: We reden de snelweg op en zijn op enig moment gekeerd. Degene die

achter de verkoper op de achterbank zat, die vriend van mij, die

probeerde de man met een stroomstootwapen een stroomstoot te geven.

V: Hoezo proberen? Is het niet gelukt?

A: Hij heeft het in totaal 3 keer geprobeerd. Pas de derde keer lukte

het hem de man een stroomstoot te geven.

V: En toen?

A: De man stapte toen uit de auto. Ik ben dus even gestopt om de man

uit te laten stappen.

V: Wat gebeurt er vervolgens?

A: Ik ben weggereden.

V: En toen?

A: Toen zijn we ergens naar toe gereden waar het rustig was. We zijn

toen opgehaald door die 3e persoon. Die vriend van ons. We zijn

vervolgens naar huis gereden.

V: Wat hebben jullie toen met de BMW gedaan?

A: We waren naar een rustige plek gereden, om die BMW daar achter te

laten. Met de bedoeling die later weer op te halen.

C2.

Op 15 september 2011 is [medeverdachte 1] nogmaals gehoord en heeft hij verklaard (pg. 141 t/m 150):

O = opmerking verbalisant

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

V: Wie is [bijnaam 1 verdachte]?

A: Dit is een vriend van mij.

O: Er zijn spullen van hem aangetroffen in de BMW.

V: Hoe kan dit?

A: Hij zat ook af en toe in de auto. Hij zat dan samen met mij in de auto of alleen.

V: Hoe is de rit verlopen nadat jullie de auto weer hadden opgehaald?

A: We zijn direct door naar [betrokkene 1] gereden. De garage van [betrokkene 1] is in Mijdrecht.

(..)

De opdrachtgever is de derde persoon zeg maar bij de diefstal.

De persoon die ons op de plek kwam ophalen toen de BMW was gestolen, is de opdrachtgever.

V: Wil je vertellen wie de andere daders zijn?

A: De persoon met wie ik in de auto zat ten tijde van de diefstal is [medeverdachte 2]. Hij woont in Tiel.

V: Wat kun je vertellen over zijn aandeel in de diefstal?

A: Door de opdrachtgever had [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om een auto te gaan stelen. Dit was al doorgesproken met de opdrachtgever. Het was van te voren bekend welke auto het zou gaan worden. Dit was bepaald door de opdrachtgever. Ik wist van te voren dat [medeverdachte 2] een stroomstootwapen bij zich had. Er was besproken dat we een auto zouden gaan stelen. We zouden ter plekke bekijken hoe het zou gaan lopen.

Ik wist, omdat de verkoper was ingestapt, dat [medeverdachte 2] het stroomstootwapen op een gegeven moment zou gaan gebruiken bij de verkoper.

Op de dag dat we de auto hadden gestolen werd ik ’s middags opgehaald door de opdrachtgever. De opdrachtgever reed in een Audi A3, kleur zilver. Het betrof een buitenlands kenteken, ik denk Duits of Zweeds. De kleur van de kentekenplaat is wit en de letters zijn zwart. Het betrof een 5-deurs auto. Ik was thuis in Amsterdam. Vervolgens zijn we naar [medeverdachte 2] gereden in Tiel. De opdrachtgever reed. Vervolgens zijn we naar Eindhoven gereden. In de auto hebben we besproken dat we wel zouden zien hoe het ging lopen. Hiermee bedoel ik de diefstal van de BMW. Toen we in Eindhoven kwamen zijn we, vlak bij de plek waar was afgesproken, uitgestapt. Ik stapte samen met [medeverdachte 2] uit en liep naar de plek waar was afgesproken. De opdrachtgever had de afspraak gemaakt en het eerste contact met de eigenaar was via hem. Toen we waren uitgestapt heb ik de eigenaar van de BMW gebeld dat we op de afgesproken plek stonden. De opdrachtgever is vervolgens doorgereden. We hadden al afgesproken dat wanneer we de auto hadden gestolen, wij hem zouden bellen.

Vervolgens kwam de verkoper van de BMW samen met zijn broer. Wij hebben de auto bekeken. Hierna werd de auto buiten het hek gereden door mij. Buiten het hek stapte de verkoper in en ging naast mij zitten. [medeverdachte 2] stapte in achter de verkoper.

Vervolgens zijn we gaan rijden, ik bestuurde de auto.

Op een gegeven moment reden we op een weg die op een snelweg leek. Op een gegeven moment hoorde ik dat de verkoper riep: “Wat doe jij nou?” Ik zag dat [medeverdachte 2] het stroomstootwapen aan de rechterzijde van de nek van de verkoper hield. Vervolgens zag ik dat [medeverdachte 2] het stroomstootwapen tegen de linkerbovenarm van de eigenaar hield. Ik hoorde vervolgens een hard knetterend geluid. Ik herkende dit geluid. Ik wist dat [medeverdachte 2] het stroomstootwapen gebruikte toen hij deze op de arm zette van de verkoper. Ik hoorde dat de verkoper riep: “Dit doet pijn”. In de tussentijd ben ik begonnen met remmen en stuurde ik de BMW naar de vluchtstrook. De verkoper verliet vervolgens heel snel de auto. Toen de verkoper uit de auto was reed ik hard weg. Toen we in Tiel waren heeft [medeverdachte 2] gezegd waar ik naar toe moest rijden. Hier zouden we de BMW neerzetten. Er was afgesproken dat we de auto ergens zouden neerzetten, maar nog niet waar. De opdrachtgever heeft ons vervolgens opgehaald met de Audi A3. Met z’n drieën zijn we toen verder gereden.

V: Van wie was het stroomstootwapen?

A: Het stroomstootwapen was van [bijnaam 1 verdachte]. Hij was op de hoogte van het feit dat wij een auto gingen stelen. Hij heeft het wapen geleverd.

A: [bijnaam 1 verdachte] heeft de volgende dag ook samen met mij en nog een ander persoon de BMW opgehaald in Tiel. Wij reden toen in de Audi van de opdrachtgever.

Ik zal het maar zeggen, [bijnaam 1 verdachte] is de opdrachtgever van de diefstal van de BMW.

Hij heeft ons naar Eindhoven gereden en afgezet bij de verkoper. Hij heeft ons vervolgens opgehaald in Tiel. Hij is de volgende dag meegereden naar Tiel om de BMW weer op te halen. [bijnaam 1 verdachte] woont op de [adres verdachte].

Toen we de BMW hadden opgehaald in Tiel is [bijnaam 1 verdachte] met de BMW naar Mijdrecht gereden, naar de garage van [betrokkene 1]. We hebben de BMW toen neergezet binnen in de garage.

Toen de BMW gestald stond bij het bedrijf van [betrokkene 1] zou [bijnaam 1 verdachte] er voor zorgen dat er autopapieren zouden worden geregeld. Hierna zou de auto weer verkocht worden.

D1.

Deze verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], wonende te Tiel, in die zin dat [medeverdachte 2] verdachte [naam verdachte] kent als [bijnaam 2 verdachte] en regelmatig telefonisch contact met hem heeft, ook omstreeks de datum van de diefstal van de BMW, en dat verdachte auto’s inkoopt, zoals blijkt uit de volgende verklaring van [medeverdachte 2] (pg. 169 t/m 180):

O = opmerking verbalisant

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

(pg. 171) V: Wie is [naam verdachte] alias [bijnaam 2 verdachte]?

A: [naam verdachte] zegt me niks. Maar [bijnaam 2 verdachte] ken ik als [bijnaam 3 verdachte]. Ik zie hem af en toe. Hij heeft ook een tijdje in Tiel gewoond en ik zie hem wel eens in Amsterdam.

V: Kan het zo zijn dat [bijnaam 2 verdachte] een bijnaam is van [naam verdachte]?

A: Dat kan.

V: Waar komt hij vandaan?

A: Hij heeft een tijdje in Tiel gewoon en is nu naar Amsterdam verhuisd.

V: Heb je nog contact met hem?

A: Ja ik bel wel eens met hem.

(pg. 172) V: Staat het telefoonnummer van [naam verdachte] - [bijnaam 2 verdachte] in je mobiel toestel?

A: Ja dat staat erin ja. Onder [bijnaam 2 verdachte] nieuw of zo.

(pg. 173) V: Heb je op 05 augustus 2011 telefonisch contact gehad met [naam verdachte] /[bijnaam 2 verdachte]?

A: Het zou best kunnen. Ik bel hem altijd en hij mij ook.

V: Wie is [medeverdachte 1] / [bijnaam medeverdachte 1]?

A: [bijnaam medeverdachte 1] is gewoon een gast die ik ken.

(pg. 175) O: Op dit moment toont de verbalisant Tans een kleurenkopie van een persoon, afbeelding 2.

V: Wie is de persoon die hier aan jou getoond wordt?

A: Dat is [bijnaam 2 verdachte]. Dat is hem.

A: Ik weet dat [bijnaam 2 verdachte] auto’s inkoopt.

D2.

Uit het hoofdambtelijk verslag op pagina 14 blijkt dat de kleurenkopie die aan [medeverdachte 2] is getoond een foto betreft van verdachte [naam verdachte].

D3.

Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 117 blijkt dat in de gsm van [medeverdachte 2] onder de naam [bijnaam 2 verdachte] Nieuw het telefoonnummer [telefoonnummer 1] staat.

E1.

De verklaring van [medeverdachte 1] wordt voorts ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1], in die zin dat verdachte en [medeverdachte 1] goede vrienden zijn, dat [medeverdachte 2] en verdachte contact met elkaar hadden voordat de BMW bij [betrokkene 1] op het bedrijf stond, dat verdachte de BMW naar het bedrijf van [betrokkene 1] heeft vervoerd, dat verdachte alles zou regelen met betrekking tot die BMW en dat verdachte in de tijd dat de diefstal werd gepleegd reed in een zilverkleurige Audi A3, 5-deurs, met Zweedse kentekenplaten.

Dit blijkt uit de volgende verklaringen van [betrokkene 1] (pg. 202 t/m 206 en pg. 207 t/m 212):

(pg. 203) Ik ben eigenaar van een autobedrijf. Het betreft een eenmanszaak genaamd “[naam bedrijf]”. Dit is een bedrijf voor de in- en verkoop van particuliere auto’s.

Een vriend van mij, genaamd [bijnaam 1 verdachte], komt mij af en toe helpen

Ongeveer twee weken terug zou een kennis van mij, genaamd [medeverdachte 1], met een auto naar Vijfhuizen gaan om de auto te laten uitlezen. Hij zou de auto terugbrengen, maar ik vernam via [bijnaam 1 verdachte] dat [medeverdachte 1] was aangehouden. Het ging om een beigekleurige BMW zeven serie.

(pg. 204) [bijnaam 1 verdachte] en [medeverdachte 1] zijn goede vrienden

O: U toont mij een foto3 van [bijnaam 1 verdachte].

V: Lijkt hij nog op deze foto?

A: Ja klopt.

(pg. 207) V: Wat is de echte naam van [bijnaam 1 verdachte]?

A: Ik denk dat zijn echte naam [bijnaam 1 verdachte] is. Maar hij wordt ook wel [bijnaam 2 verdachte], [bijnaam 4 verdachte] of [voornaam verdachte] genoemd.

V: Wat is het telefoonnummer van [bijnaam 1 verdachte]?

A: [telefoonnummer 1], hij staat onder [bijnaam 1 verdachte] in mijn telefoon.

V: Ken jij [medeverdachte 2]?

A: Ik ken [medeverdachte 2].

V: Waar ken je hem van?

A: Ik ken hem via [bijnaam 1 verdachte]

V: Wanneer is de laatste keer geweest dat jij hem hebt gezien of gesproken?

A: Een paar weken terug (hof: de verklaring is afgelegd 5 oktober 2011), hij kwam toen even langs samen met [bijnaam 1 verdachte]. Dit moet nog voordat de BMW bij mij stond zijn geweest.

(pg. 209) A: Ik weet dat [bijnaam 1 verdachte] in juni 2011 een Audi A3 had gekregen van zijn oom uit Zweden. Toen deze auto uit Zweden kwam zaten er Zweedse kentekenplaten op. [bijnaam 1 verdachte] heeft toen een hele tijd rondgereden met deze auto en met deze Zweedse kentekenplaten. De auto is ergens in augustus 2011 op mijn bedrijfsvoorraad gekomen en dezelfde dag, toen we de Nederlandse kentekenplaten kregen, is de auto weer verkocht.4 Dit betrof een zilverkleurige Audi A3, 5 deurs.

Vrijdagavond 5 augustus 2011 heb ik telefonisch contact gehad met [bijnaam 1 verdachte]. Dit was met het telefoonnummer van [bijnaam 1 verdachte], [telefoonnummer 1]. Op de dag erna, zaterdag 6 augustus 2011, omstreeks 11 of 12 uur kwam [bijnaam 1 verdachte] samen met [bijnaam medeverdachte 1]5 aanrijden bij mijn bedrijf. [bijnaam 1 verdachte] bestuurde een BMW. Ik zag dat er geen kentekenplaten op zaten. Hij vertelde dat het een Belgische auto betrof. Hij vertelde dat het een goedkope auto was en dat we deze voor een goede prijs zouden kunnen verkopen. Hij wilde deze via mijn bedrijf verkopen. Hij vertelde mij dat het enige wat er moest gebeuren was, dat we naar een BMW dealer moesten gaan in België om nieuwe kentekenpapieren aan te vragen. Hij had mij beloofd dat ik ook een percentage zou krijgen wanneer hij hem zou verkopen. Hij zou verder alles regelen omtrent die auto. Op de maandag erna kwam [bijnaam 1 verdachte] met een verkoopnota van de BMW. Ik zag dat het een verkoopnota betrof gemaakt op naam van mijn bedrijf. Hij gaf mij die verkoopnota en ik heb vervolgens de nota in mijn administratie gedaan.

V: Wij laten jou spullen zien afkomstig uit de BMW. Ken jij deze spullen?

A: De cd’s herken ik als cd’s van [bijnaam 1 verdachte]. Ik herken zijn handschrift.

E2.

Ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 1] heeft de raadsman aangevoerd dat deze onbetrouwbaar en leugenachtig is. Daartoe is aangevoerd dat [betrokkene 1] degene is die samen met [medeverdachte 1] rechtstreeks in verband kan worden gebracht met de gestolen BMW en derhalve reden heeft om niet naar waarheid te verklaren.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is gesteld geen reden om aan de verklaring van [betrokkene 1], voor zover gebezigd tot bewijs, te twijfelen.

Hetgeen door de verdediging voorts nog is aangevoerd, namelijk dat [betrokkene 1] kennelijk leugenachtig heeft verklaard over de inkoopovereenkomst, berust op de veronderstelling dat de inkoopovereenkomst nog niet was opgesteld op het moment dat [betrokkene 1] naar eigen zeggen er achter kwam dat de auto van diefstal afkomstig was. Dit is echter niet uit het dossier af te leiden.

Het hof verwerpt het verweer.

F.

Ook wordt de verklaring van [medeverdachte 1], inhoudende dat ze door verdachte in Eindhoven zijn afgezet, ondersteund door de volgende bevindingen ten aanzien van de gsm met het telefoonnummer [telefoonnummer 1], uit welke bevindingen het hof zowel afleidt dat dit telefoonnummer aan verdachte toebehoorde als dat de simkaart met dit nummer, omstreeks het tijdstip waarop de proefrit leidende tot de diefstal is aangevangen, in Eindhoven is geweest omdat daarmee toen meerdere zendmasten in Eindhoven zijn aangestraald.

F1.

Het proces-verbaal van bevindingen (pg. 117 t/m 118) voor zover inhoudende:

[medeverdachte 1] verklaarde dat [naam verdachte] een goede vriend van hem is.

Hij noemt hem [bijnaam 1 verdachte]. In de gsm van [medeverdachte 1] staat onder de naam

[bijnaam 1 verdachte] het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

In de gsm van [medeverdachte 2] staat onder de naam [bijnaam 2 verdachte] Nieuw

het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

Aan [betrokkene 1] werd een foto van [naam verdachte] getoond. Hij

verklaarde dat dit [bijnaam 1 verdachte] was. Het telefoonnummer van [naam verdachte] is

[telefoonnummer 1].

Uit opgevraagde historische mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 1]

blijkt dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met dit telefoonnummer contacten hebben onderhouden.

F2.

Het hoofdambtelijk verslag (pg. 21) voor zover inhoudende:

In het weggenomen voertuig is een inschrijvingsformulier van [naam verdachte] aangetroffen. Het inschrijvingsformulier is op 18 augustus 2011 aangegaan tussen [naam sportschool] en [naam verdachte] – [geboortedatum] 1990 – mobiel telefoonnummer [telefoonnummer 1] – woonachtig op de [adres verdachte].

F3.

Het hoofdambtelijk verslag (pg. 20) voor zover inhoudende:

Uit de verkregen mastgegevens blijkt dat de telefoon van [naam verdachte] op vrijdag 5 augustus 2011 in Eindhoven is geweest.

Mastgegevens [telefoonnummer 1] [naam verdachte] / vrijdag 5 augustus 2011:

- Rietvinkstraat te Eindhoven om 16.05 uur

- Kanaaldijk Noord te Eindhoven om 15.39 uur, 16.34 uur en 16.35 uur

- kruising Eisenhowerlaan - Koudenhovenseweg Zuid te Eindhoven om 16.35 uur.

F4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 30 november 2011 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] en ik waren bevriend. We hadden ons die dag (het hof begrijpt: 18 augustus 2011) ingeschreven bij de sportschool. Ik heb het telefoonnummer op het inschrijfformulier ingevuld.

F5.

De verklaring van verdachte dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet van hem is en nooit van hem is geweest acht het hof ongeloofwaardig, nu dit nummer zowel bij [medeverdachte 1] als bij [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] bekend was als het nummer van verdachte en dit nummer bovendien is genoteerd op het inschrijfformulier van verdachte bij [naam sportschool] d.d. 18 augustus 2011 (pg. 249). Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit nummer zelf op zijn inschrijfformulier heeft geschreven. Het hof acht het, mede gelet op de aard van het formulier, zeer onwaarschijnlijk dat verdachte, al dan niet na [medeverdachte 1] te hebben gevraagd wat zijn telefoonnummer ook alweer was, hier een telefoonnummer heeft opgegeven dat niet van hem was.

G.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

G1.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 30 januari 2013, voor zover inhoudende:

In juli en augustus 2011 heb ik bij het bedrijf van [betrokkene 1] gewerkt. Mijn werkzaamheden bestonden onder andere uit het opzoeken van auto’s op internet. [betrokkene 1] was een goede vriend van mij. We noemden [betrokkene 1] ook [voornaam betrokkene 1]. Ik heet [voornaam verdachte]. Met [bijnaam medeverdachte 1] of dikke [bijnaam medeverdachte 1] bedoel ik [medeverdachte 1]. [betrokkene 1] en [bijnaam medeverdachte 1] noemden mij vroeger weleens [bijnaam 2 verdachte].

G2.

Het proces-verbaal verhoor (pg. 181 t/m 186) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

O = opmerking verbalisant

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

(pg. 184) V: Wie is [medeverdachte 1] of te wel [bijnaam medeverdachte 1]?

A: Hij is [bijnaam medeverdachte 1], hij is een vriend.

V: Wie is [medeverdachte 2]?

A: Ja die ken ik. Dat is een oud klasgenoot van mij toen ik nog in Tiel woonde.

V: Wanneer is de laatste keer geweest dat je hem heb gezien?

A: Dat was bij een vriend van mij in Mijdrecht. Hij heeft een autobedrijf. Die vriend van mij heet [betrokkene 1].

V: Kom je wel eens in Mijdrecht?

A: Ja wel eens.

G3.

Het proces-verbaal van bevindingen (pg. 117-118) voor zover inhoudende:

Uit onderzoek in politiesystemen staat [naam verdachte] in HKS met

de bijnaam [bijnaam 2 verdachte].

G4.

Het hoofdambtelijk verslag (pg. 21) voor zover inhoudende:

In het weggenomen voertuig zijn diverse cd’s met de naam [bijnaam 1 verdachte] erop vermeld in het voertuig aangetroffen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweren verdediging

I.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de voor de verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 1] te toetsen, zodat bewijsuitsluiting moet volgen, en deze verklaringen bovendien niet betrouwbaar zijn en niet, althans in onvoldoende mate, worden ondersteund door ander bewijs.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] waarin hij de verdachte belast niet behoeven te worden uitgesloten voor het bewijs, aangezien het enkele feit dat [medeverdachte 1], hoewel meerdere keren opgeroepen al dan niet met bevel tot medebrenging, niet als getuige in de zaak tegen verdachte is verschenen, niet impliceert dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om de bedoelde verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen.

Het hof heeft daarbij gelet op het volgende. Na aanvankelijk te hebben ontkend iets met de diefstal van de BMW op 5 augustus 2011 te maken te hebben gehad, heeft [medeverdachte 1] - nadat hij door de politie wordt geconfronteerd met videobeelden bij een tankstation waarop te zien is dat hij met de bewuste BMW heeft getankt (pg. 8 en 11) - bekend betrokken te zijn geweest bij die diefstal. Op 20 augustus 2011 en 15 september 2011 heeft [medeverdachte 1] tegenover de politie gedetailleerd over de diefstal gesproken en verklaard dat hij die in opdracht van verdachte heeft gepleegd. De bekennende verklaringen van [medeverdachte 1] stroken voor wat betreft het verloop van de diefstal op belangrijke punten met de aangifte van [slachtoffer]. Voorts vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven.

Ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde argumenten ter ondersteuning van diens stelling dat de verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 juni 2014, overweegt het hof nog als volgt.

Dat [medeverdachte 1] niet uit zichzelf heeft verklaard, maar eerst toen hij geconfronteerd werd met de camerabeelden bij het tankstation, en dat hij in zijn verklaring tracht de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag bij anderen neer te leggen, doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet af en wil niet zeggen dat hetgeen hij heeft verklaard over de betrokkenheid van die anderen niet waar zou zijn.

De enkele ontkenning van [medeverdachte 2] dat hij bij de diefstal betrokken is en de omstandigheid dat de zaak tegen [medeverdachte 2] is geseponeerd, maakt niet dat de verklaring van [medeverdachte 1] daaromtrent ongeloofwaardig wordt. Dat aangever [slachtoffer] [medeverdachte 2] niet heeft herkend als tweede dader maakt dat niet anders, gelet ook op diens verklaring dat hij zich heeft geconcentreerd op de bestuurder van de auto6 en gelet op diens aangifte (pg. 80 t/m 86) waaruit blijkt dat [slachtoffer] voornamelijk contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] achter [slachtoffer] in de auto is gaan zitten, zodat [slachtoffer] geen zicht op hem had. Dat de broer van aangever, [naam broer slachtoffer], [medeverdachte 2] niet heeft herkend is naar het oordeel van het hof evenmin reden om de verklaring van [medeverdachte 1] ongeloofwaardig te achten, aangezien deze getuige in zijn verklaring (pg. 87-88) al aangeeft niet helemaal zeker te weten of hij de tweede persoon, die als bijrijder achterin is gaan zitten, zou herkennen.

Dat [medeverdachte 1] in zijn laatste verklaring heeft gezegd dat, naast verdachte en hijzelf, ook ene [betrokkene 2] is meegereden toen de BMW werd opgehaald en naar het bedrijf van [betrokkene 1] werd vervoerd en dat [betrokkene 1] anders heeft verklaard over welke personen in de BMW zaten toen die kwam aanrijden bij zijn bedrijf, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende belang om de verklaring van [medeverdachte 1], voor zover inhoudende dat hij samen met verdachte de BMW heeft opgehaald en naar het bedrijf van [betrokkene 1] heeft gereden, onbetrouwbaar te achten. Beide verklaringen houden immers in dat [medeverdachte 1] samen met verdachte de gestolen BMW op het bedrijf van [betrokkene 1] heeft afgeleverd.

De stelling van de raadsman dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] rond zes uur bij een tankstation in Eindhoven is geweest, berust naar het oordeel van het hof op een verkeerde lezing van het dossier. Uit het hoofdambtelijk verslag (pg. 8) blijkt immers dat de beelden die van het tankstation zijn gevorderd beelden betreft van 5 augustus 2011 omstreeks 16.55 uur.

Dat uit het dossier niet is gebleken dat [medeverdachte 1] direct na de overval met de opdrachtgever heeft gebeld, houdt naar het oordeel van het hof nog niet in dat [medeverdachte 1] hierover liegt.

II.

Voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de diefstal van de auto, heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet kan leiden tot medeplegen, maar hooguit tot uitlokking of medeplichtigheid. Er is immers geen bewijs voor 1) (stilzwijgende) planvorming, 2) bewuste en nauwe samenwerking en 3) uitvoeringshandelingen door verdachte.

Uit de bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan:

  • -

    dat verdachte aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft gevraagd om de in de tenlastelegging genoemde BMW weg te nemen;

  • -

    dat verdachte het stroomstootwapen heeft geleverd;

  • -

    dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Eindhoven heeft gebracht;

  • -

    dat verdachte in Eindhoven is gebleven tot 16.35 uur, omstreeks welk tijdstip de bezichtiging van de BMW een aanvang nam;

  • -

    dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft opgehaald op de plek waar de BMW werd “koud gezet”;

  • -

    dat verdachte de dag erna met [medeverdachte 1] de BMW is gaan ophalen en naar het bedrijf van [betrokkene 1] heeft vervoerd;

  • -

    dat verdachte voor de benodigde papieren voor die BMW zou zorgen;

  • -

    dat verdachte degene was die besliste over wat er met die BMW ging gebeuren;

  • -

    dat er privé-spullen van verdachte in de BMW zijn aangetroffen.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte bij de diefstal van de BMW. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er voorafgaande aan de diefstal afspraken zijn gemaakt om die BMW weg te nemen, dat er een taakverdeling is gemaakt waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de auto zouden wegnemen en dat verdachte het vervoer zowel voor als na de wegnemingshandeling zou verzorgen. Voorts heeft verdachte daags na die diefstal de BMW vanaf de plek waar die was “koud gezet” naar de garage van [betrokkene 1] vervoerd en was hij degene die daarna bepaalde wat er met die auto ging gebeuren.

Een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband met hetgeen ook overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt is het hof van oordeel dat hiermee wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte medepleger is geweest van de diefstal met geweld.

Het hof verwerpt het verweer.

III.

Er zijn uit het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is het hof van oordeel dat in de straf als door de advocaat-generaal gevorderd de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt, zodat het hof tot een hogere straf komt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    verdachte heeft doelbewust afspraken gemaakt met zijn mededaders om de in de bewezenverklaring genoemde auto tijdens een proefrit weg te nemen en heeft daartoe een stroomstootwapen verschaft;

  • -

    verdachte heeft zijn mededaders het vuile werk laten opknappen;

  • -

    verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de eigenaar van de auto en ook niet van de bezitter van de auto, die meedogenloos aan de kant van de snelweg de auto is uitgezet, nadat hij door het stroomstootwapen was bewerkt.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. H. Eijsenga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 19 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Frielink en mr. Eijsenga zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het voor fotokopie conform het origineel getekende doorgenummerde dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Woensel Zuid, registratienummer PL2208 2011116119, sluitingsdatum 10 oktober 2011, p. 1-254, houdende ambtsedige en door daartoe bevoegde verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Zie herstel in hoofdambtelijk verslag op pg. 9.

3 zie bewijsmiddel F1: dit betreft een foto van [naam verdachte]

4 Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 119 blijkt dat dit voertuig op 23 augustus 2011 is verkocht.

5 Zie verklaring verdachte ter terechtzitting hof d.d. 30 januari 2013: [bijnaam medeverdachte 1] is [medeverdachte 1].

6 zie afzonderlijk proces-verbaal fotoconfrontatie