Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:4781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
HD 200.111.989-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onderhandse schuldbekentenis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.111.989/01

arrest van 15 oktober 2013

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J. Oerlemans te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.P.G. Verstappen te Weert,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 augustus 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 11 juli 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 111614/HA ZA 11-566)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 7 december 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 augustus 2012;

- de memorie van grieven met twaalf producties;

- de memorie van antwoord met vier producties;

- het op 1 augustus 2013 gehouden pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellant] is enig aandeelhouder en bestuurder van [Beheer] Beheer B.V., welke vennootschap, naar het hof begrijpt, op haar beurt enig aandeelhouder was van Agrarische Productie Rechten APR [plaats] B.V. (hierna: APR). [appellant] was naar het hof begrijpt enig bestuurder van APR.

4.1.2.

Op 22 maart 2011 is APR failliet verklaard.

4.1.3.

[geïntimeerde] drijft een eenmanszaak onder de handelsnaam Pluimveebedrijf [Pluimveebedrijf].

4.1.4.

Bij de stukken bevindt zich een kopie van een handgeschreven schuldbekentenis d.d. 15 april 2007. De tekst luidt

“Ondergetekende [geïntimeerde] wonende te [woonplaats] P. c [postcode]. (…) verklaart hierbij te moeten betalen een bedrag groot 30.000 euro inzake een lening en verrichte werkzaamheden aan [appellant] wonende te [woonplaats] [woonadres]P.c [postcode] (…)

De terug betaling zal geschieden uiterlijk 30 december 2008 of eerder (…)

Bij het niet nakomen van deze overeenkomst zal een boete staan (on Herroepelijke) van 1,5 % per maand.

Aldus overeengekomen te [postcode] 15/4-07”

Onder aan deze schuld bekentenis staan de namen [geïntimeerde] en [appellant].

Onder iedere naam staat een handtekening. De handtekening onder de naam van [appellant] is van [appellant].

De datum 2008 in de tweede alinea is een verbetering van een ander jaartal, met twee parafen. Onder dit jaartal 2008 is het jaartal 2008 nogmaals opgeschreven.

Het jaartal 07 in de vierde alinea betreft een wijziging van het jaartal 08.

4.1.5.

Bij brief van 9 juni 2010 heeft de toenmalig gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van € 39.170,06 (bestaande uit € 30.000,00 uit hoofde van geldlening, te vermeerderen met € 8420,06 zijnde rente uit hoofde van overeenkomst en 750,00 zijnde incassokosten. [geïntimeerde] is tevens in gebreke gesteld.

4.1.6.

Op 22 september 2011 is door [appellant] voor een bedrag van € 50.000 conservatoir beslag gelegd op het woonhuis met ondergrond en erf van [geïntimeerde], staande en gelegen [woonadres] te [woonplaats].

4.2.1.

Bij exploot van 3 oktober 2011 heeft [appellant] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt en - kort gezegd - gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 45.747,00 (bestaande uit hoofdsom € 30.000,00, €14.850,00 contractuele rente tot en met 30 september 2011 en € 897,00 buitengerechtelijke incassokosten) te vermeerderen met de contractuele rente ad 1,5 % per maand over de hoofdsom ad € 30.00,00 met ingang van 1 oktober 2011 tot de dag der algehele voldoening. En voorts gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten waaronder de kosten van beslag, nasalaris en met rente.

4.2.2.

Aan zijn vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat tussen hem en [geïntimeerde] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Bij deze overeenkomst heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 30.000,00 geleend, welk bedrag uiterlijk op 30 december 2008 dient te worden terugbetaald, bij gebreke waarvan 1,5 % rente per maand dient te worden vergoed. De onderhavige overeenkomst is volgens [appellant] vastgelegd in de hiervoor onder 4.1.4. genoemde, onderhandse schuldbekentenis d.d. 15 april 2007.

4.3.1.

Bij vonnis van 7 december 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Van deze comparitie gehouden op 7 maart 2012 is een proces-verbaal opgemaakt.

4.3.2.

Ten tijde van de comparitie heeft [appellant] gesteld dat het in de schuldbekentenis genoemde bedrag van € 30.000,00 een optelsom is van vergoedingen voor verschillende activiteiten die hij door de jaren heen voor [geïntimeerde] heeft verricht en kosten die hij heeft gemaakt bij pogingen om paarden van [geïntimeerde] te verkopen.

4.3.3.

Bij vonnis van 11 juli 2012 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] ter onderbouwing van zijn stelling dat

tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat een onderhandse schuldbekentenis heeft overgelegd, uit de tekst van welke schuldbekentenis valt af te leiden dat [appellant] niet alleen een of meer geldbedragen aan [geïntimeerde] zou hebben geleend, maar ook dat [geïntimeerde] nog een of meer vergoedingen uit hoofde van loon aan [appellant] verschuldigd is. Daar [geïntimeerde] het bestaan van gestelde overeenkomst heeft betwist en [appellant] niet heeft gesteld noch is gebleken op welk tijdstip of welke tijdstippen welk bedrag of welke bedragen aan [geïntimeerde] zijn geleend en evenmin is gesteld of gebleken wanneer welke werkzaamheden zijn verricht, heeft [appellant], zo heeft de rechtbank geoordeeld, evenwel niet aan zijn stel- en substantiëringsplicht voldaan.

4.4.1.

Bij memorie van grieven, houdende drie grieven, heeft [appellant] bewijs aangeboden en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, uitvoerbaar bij voorraad, tot, opnieuw rechtdoende, toewijzing van hetgeen [appellant] in eerste instantie heeft gevorderd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties met nasalaris en rente en tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met rente.

4.4.2.

Met grief 1 en de toelichting stelt [appellant] dat de onderhandse schuldbekentenis, anders dan bij inleidende dagvaarding is gesteld, niet slechts ziet op een overeenkomst van geldlening maar tevens op door [appellant] verrichte werkzaamheden en de daarbij gemaakte kosten.

4.4.3.

Met grief twee betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Onder randnummer 8 tot en met 16 van de memorie van grieven stelt hij welke werkzaamheden hij heeft verricht en welke kosten hij heeft gemaakt. Volgens [appellant] dient, nu [geïntimeerde] ontkent de onderhandse schuldbekentenis te hebben ondertekend, eerst te worden vastgesteld of de handtekening onder de schuldbekentenis, naast die van [appellant], van [geïntimeerde] is. Wanneer komt vast te staan dat [geïntimeerde] de onderhandse schuldbekentenis heeft ondertekend is het, aldus [appellant], aan [geïntimeerde] om, zoals deze betoogt, te bewijzen dat de inhoud van de akte niet juist is.

4.4.4.

Grief drie betreft de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4.5.

[geïntimeerde] betwist aan [appellant] opdracht tot het verrichten van de door [appellant] gestelde werkzaamheden te hebben gegeven, dat de betreffende werkzaamheden door [appellant] zijn verricht, dat [appellant] kosten heeft gemaakt en dat hij enig bedrag van [appellant] heeft geleend en/of heeft ontvangen. Voorts betoogt [geïntimeerde] nooit een rekening voor de door [appellant] gestelde werkzaamheden dan wel gemaakte kosten te hebben ontvangen. [geïntimeerde] ontkent dat hij de onderhandse akte van geldlening heeft ondertekend. Voorts betoogt [geïntimeerde] dat [appellant], voor zover zou blijken dat [geïntimeerde] de onderhavige schuldbekentenis wel heeft ondertekend, niet bevoegd is om de onderhavige vordering in te stellen. [appellant] heeft de schuldbekentenis, aldus [geïntimeerde], ondertekend namens APR B.V.. Subsidiair heeft [geïntimeerde] zich op verjaring beroepen. De verjaring is naar [geïntimeerde] betoogt aangevangen na afloop van de werkzaamheden, hetgeen er toe leidt dat geen betaling meer kan worden gevorderd voor werkzaamheden welke voor 15 april 2002 zijn verricht.

Voor zover zou blijken dat de handtekening op de onderhavige schuldbekentenis van [geïntimeerde] is, betwist [geïntimeerde] tevens dat de boven de handtekening geplaatste tekst door hem dan wel [appellant] is opgemaakt dan wel aanwezig was op het papier toen [geïntimeerde] zijn handtekening zette.

Tot slot betwist [geïntimeerde] de verschuldigdheid van de in de schuldbekentenis van 15 april 2007 genoemde contractuele boete.

4.5.1.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant], anders dan [geïntimeerde] meent, in hoger beroep voldaan aan zijn stel- en substantiëringsplicht. Bij memorie van grieven en pleidooi heeft hij aangevoerd dat de overeenkomst tussen partijen als vastgelegd in de schuldbekentenis van 15 april 2007 ziet op een vergoeding van werkzaamheden en gemaakte kosten, bij pleidooi is aangevoerd dat het woord lening in de onderhavige schuldbekentenis ziet op bedoelde kosten die door [appellant] zijn voorgeschoten. [appellant] heeft voorts onder randnummer 8 tot en met 16 van de memorie van grieven concreet gesteld welke werkzaamheden door hem zijn verricht en wanneer en welke kosten hij heeft voorgeschoten.

4.5.2.

[geïntimeerde] heeft stellig ontkend de onderhandse schuldbekentenis te hebben ondertekend. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, mocht hij de schuldbekentenis wel hebben ondertekend, deze ondertekening heeft plaats gevonden in de uitoefening van zijn werkzaamheden waarbij hij vele bonnen van leveranciers ondertekende en niet deugdelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de onderhavige schuldbekentenis.

4.5.3.

Gezien het voorgaande moet het er voor worden gehouden dat, wanneer komt vast te staan dat [geïntimeerde] de onderhandse schuldbekentenis heeft ondertekend, dit in de uitoefening van zijn bedrijf heeft plaatsgevonden (artikel 158 lid 2 Rv) en de onderhandse schuldbekentenis jegens hem dwingend bewijs oplevert ook al heeft hij, zoals hij heeft betoogd de akte niet geschreven en is deze niet voorzien van een goedschrift als bedoeld in artikel 158 lid 1 Rv.

4.5.4.

Nu [geïntimeerde] stellig ontkent de onderhavige schuldbekentenis te hebben ondertekend rust op [appellant], die zich op de onderhavige schuldbekentenis beroept, de bewijslast dat de desbetreffende handtekening van [geïntimeerde] afkomstig is.

4.5.5.

Het hof zal, zoals ook tijdens het pleidooi is besproken, [appellant] in de gelegenheid stellen bewijs te leveren door middel van een deskundigenbericht. Eventueel door [geïntimeerde] te leveren (tegen)bewijs komt eerst daarna aan de orde.

4.5.6.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Het hof geeft partijen in overweging om zich in verband met de te maken kosten te beperken tot één deskundige. Het hof geeft partijen ook in overweging de persoon van de te benoemen deskundige over te laten aan het oordeel van het hof.

4.5.7.

Het hof is voornemens de volgende vragen aan de deskundige te stellen:

1. Kunt u vaststellen of de handtekening onder de akte van 15 april 2007 onder de naam [geïntimeerde] van [geïntimeerde] afkomstig is.

2. Kunt u vaststellen of één van de parafen bij de datum 30 december 2008 met daaronder nogmaals het jaartal 2008 afkomstig is van [geïntimeerde]?

3. Wilt u bij de beantwoording van uw vraag zoveel mogelijk onderbouwen op welke gronden u tot uw beslissing bent gekomen?

4. Heeft u nog iets op te merken dat u voor de beoordeling van deze zaak van belang acht?

4.5.8.

Gelet op de bewijslastverdeling is het hof voornemens het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [appellant] te brengen.

4.5.9.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich (tegelijkertijd) bij akte uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen over de hiervoor geformuleerde vragen. Daarna zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om (eveneens tegelijkertijd) op elkaars akte te reageren bij antwoordakte.

4.5.10.

Na benoeming van de deskundige dient [appellant] er voor zorg te dragen dat de, bij pleidooi aan het hof getoonde originele akte bij de deskundige wordt bezorgd.

4.6.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 29 oktober 2013 voor akte aan de zijde van beide partijen waarna zij op elkaars akte kunnen reageren bij antwoordakte;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.H.Th. Veldman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 oktober 2013.