Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3790

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
20-004110-11
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nog te bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004110-11 OWV

Uitspraak : 7 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 oktober 2011 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04/610117-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1966,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij uitspraak waarvan beroep heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op EUR 452.683,00 en heeft aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen.

Uitspraak waarvan beroep

De uitspraak zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Veroordeling wegens een strafbaar feit

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 29 mei 2009 onder parketnummer 20-003315-08 veroordeeld tot straf ter zake van:

  • -

    de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 primair telkens: “oplichting, meermalen gepleegd”; en

  • -

    feit 6: “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”; en

  • -

    feit 7: “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”; en

  • -

    feit 8: gewoontewitwassen.

Feitomschrijving

Veroordeelde heeft zich gedurende een lange periode op grote schaal bezig gehouden met het oplichten van time-share-eigenaren. Hierbij werden schriftelijke bescheiden valselijk opgemaakt en gebruikt en werden sommen geld verkregen en witgewassen.

Naast de hiervoor genoemde oplichtingen werden door veroordeelde valse documenten opgemaakt zoals salarisstroken, werkgeversverklaringen en arbeidsovereenkomsten. Deze valse bescheiden werden vervolgens door veroordeelde gebruikt bij de verkrijging van hypothecaire geldleningen bij een hypotheekverstrekker.

Standpunten openbaar ministerie en verdediging

Met betrekking tot de benadeelden van veroordeelde zijn er in het dossier – kort gezegd – drie groepen te onderscheiden.

De eerste groep betreft de benadeelden die aangifte hebben gedaan en waarvoor veroordeelde is vervolgd en veroordeeld.

De tweede groep betreft benadeelden die wel aangifte hebben gedaan maar waarvoor de veroordeelde niet is vervolgd en veroordeeld.

De derde groep bestaat uit betrokkenen waarvan geen aangifte in het dossier is opgenomen.

Tussen de verdediging en het openbaar ministerie is geen twistpunt dat veroordeelde door de benadelingen van de eerste twee groepen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e eerste lid Wetboek van Strafrecht (groep 1) respectievelijk artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht (groep 2).

De advocaat-generaal en de verdediging verschillen van inzicht over de vraag of de derde groep voor veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgeleverd voor veroordeelde.

De advocaat-generaal heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard en zich op het standpunt gesteld dat ook deze groep wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde heeft opgeleverd en op de voet van artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht bij de voordeelschatting dient te worden betrokken.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze derde groep niet bij de voordeelsberekening kan worden betrokken.

Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de personen uit deze groep daadwerkelijk zijn benadeeld nu sommigen hebben aangegeven zich niet benadeeld te hebben gevoeld en anderen hebben geweigerd aangifte tegen veroordeelde te doen.

Oordeel van het hof1.

Het hof neemt voor de beoordeling van de vraag of de in geschil zijnde derde groep in de voordeelsberekening dient te worden betrokken tot uitgangspunt hetgeen omtrent de voordeelsberekening is gerelateerd in het proces-verbaal bevindingen zoals dat op 24 juni 2009 door verbalisanten[naam] en [naam] van de regiopolitie Limburg-Noord, bureau financiële ondersteuning is opgemaakt.

Uit dat proces-verbaal van bevindingen blijkt ondermeer van het navolgende.

Veroordeelde heeft in de onderzoeksperiode 23 augustus 2002 tot en met 20 november 2007, 7 verschillende bankrekeningen op zijn naam gehad en op die rekeningen is in de genoemde periode een totaalbedrag van EUR 548.088,29 gestort.2 Deze stortingen zijn gedaan door benadeelden uit de hiervoor genoemde groepen 1 en 2 maar ook door personen uit groep 3.

Voormeld totaalbedrag is exclusief de gestorte bedragen waaraan een legale status kon worden toegekend zoals salaris uit de tijd dat veroordeelde in Tenerife werkte en gelden die afkomstig waren uit de verkoop van een auto.3

Als een geldbedrag door een benadeelde werd gestort, werd dit na bijschrijving onmiddellijk door veroordeelde contant van de betreffende bankrekeningen opgenomen. Dit gebeurde meestal nog dezelfde dag als welke het betreffende geldbedrag op de bankrekening was bijgeschreven.4

In de onderzoeksperiode waarin veroordeelde de bedragen op zijn bankrekeningen bijgeschreven heeft gekregen, had hij in het geheel geen legaal inkomen waardoor dit geen bron voor de bijgeschreven gelden kan zijn geweest.5

Over de herkomst van de gestorte bedragen heeft veroordeelde verklaard dat hij alle personen die uit het dossier naar voren komen en verklaren dat zij op een valse manier door hem om de tuin zijn geleid, inderdaad heeft opgelicht (hof: proces-verbaal ter terechtzitting in strafzaak in hoger beroep op 15 mei 2009).

Uit vorenstaande omstandigheden volgt dat er in de onderzoeksperiode op verschillende buitenlandse rekeningen op naam van veroordeelde een groot geldbedrag is bijgeschreven. Verdachte’s handelen kende ten aanzien van elke storting eenzelfde patroon doordat hij de bedragen na bijstorting direct contant opnam. Een legale herkomst van de gestorte gelden was evenmin aan te wijzen.

Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof het met de bevindingen in opgemeld proces-verbaal en met de advocaat-generaal eens dat het totale in de onderzoeksperiode gestorte geldbedrag als door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel dient te worden aangemerkt.

Daarbij is niet relevant uit welke van de drie groepen van benadeelden de afzonderlijke geldstortingen werden gedaan nu veroordeelde bij de opnamen daarin ook geen onderscheid heeft gemaakt en evenmin in zijn hiervoor weergegeven verklaring dit onderscheid heeft aangebracht.

Anders dan de raadsman is het hof derhalve van oordeel dat ook de stortingen door de derde groep personen als soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, in de voordeelsberekening dienen te worden betrokken.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Geschat voordeel

Opbrengsten

Gelet op het vorenstaande ontleent het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten en soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan een voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e derde lid Wetboek van Strafrecht.

Voor de vaststelling van het geschatte voordeel neemt het hof met de rechtbank over hetgeen daaromtrent is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen.6

Dit leidt tot de navolgende voordeelschatting:

Stortingen:

Bank en rekeningnummer

BBVA [rekeningnummer] EUR 160.252,44

Fortis [rekeningnummer] EUR 108.418,06

Kreissparkasse Heinsberg[rekeningnummer] EUR 64.474,64

KBC [rekeningnummer] EUR 52.196,02

Postbank [rekeningnummer] EUR 149.714,96

Fortis [rekeningnummer] EUR 12.732,17

ING (Belgie) [rekeningnummer] EUR 300,--

TOTAAL EUR 548.088,29

Kosten

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten.

Voor de vaststelling van de kosten die in mindering dienen te strekken op voormeld voordeel neemt het hof met de rechtbank over hetgeen daaromtrent is neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen.7

Dit leidt tot het navolgende kostenoverzicht:

  • -

    zakelijke telefoonkosten EUR 8.000,-

  • -

    opname- en bankkosten EUR 2.518,95

  • -

    porto- en administratiekosten EUR 12.800,-

_____________ +

Totaal: EUR 23.318,95

Met de advocaat-generaal en de rechtbank stelt het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vast op (EUR 548.088,29 – EUR 23.318,95=) EUR 524.769,34.

Vordering benadeelde derde [naam].

Op voormeld vastgesteld wederrechtelijk verkregen voordeel strekt op de voet van artikel 36e, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht in mindering een in rechte toegekende vordering van de benadeelde derde Van Vliet ten bedrage van EUR 72.086,-.

Vaststelling hoogte wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit het vorengaande volgt dat het hof als wederrechtelijk verkregen vermogen vaststelt een bedrag van (EUR 524.769,34 – EUR 72.086,- =) EUR 452.683,34 welk bedrag door het hof wordt afgerond op EUR 452.683,-.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft betoogd dat de betalingsverplichting op nihil dient te worden vastgesteld vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van veroordeelde. De raadsman heeft ter onderbouwing daarvan belastingaanslagen overgelegd die veroordeelde ter zake de onderhavige kwestie heeft ontvangen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting op voorhand niet aannemelijk geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Het hof betrekt daarbij dat niet is gebleken dat de overgelegde belastingaanslagen onherroepelijk zijn en dat veroordeelde daarop enige betaling heeft verricht.

Ook voor het overige is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot matiging van de op te leggen betalingsverplichting aanleiding geven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 452.683,00 (vierhonderdtweeënvijftigduizend zeshonderddrieëntachtig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 452.683,00 (vierhonderdtweeënvijftigduizend zeshonderddrieëntachtig euro).

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 7 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Algemeen: de hierna opgenomen verwijzingen zijn allemaal afkomstig uit het proces-verbaal van bevindingen SFO van het Bureau Financiële Ondersteuning op 24 juni 2009 op ambtseed opgemaakt door [naam], inspecteur-rechercheur van politie, doorgenummerde dossierpagina’s, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 81

2 doorgenummerde dossierpagina 40.

3 doorgenummerde dossierpagina 22.

4 doorgenummerde dossierpagina 22.

5 doorgenummerde dossierpagina’s 29/30.

6 Doorgenummerde dossierpagina 40.

7 Doorgenummerde dossierpagina 40.