Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:3178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
HD 200.123.222/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in verband met verzuim dit ex art. 3:301 lid 2 BW in te schrijven in het rechtsmiddelenregister bedoeld in artikel 433 Rv. Omvang van die niet-ontvankelijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 301
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 433
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.222/01

arrest van 16 juli 2013

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.H.M. Madou te Sint Philipsland,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. O.R.M. Veldhuijzen-Wennekers te Breda,

als vervolg op de door de rolraadsheer gegeven beslissing van 9 april 2013in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer C/02/257494 KG ZA 12-684 gewezen vonnis van 31 januari 2013 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 26 februari 2013 met 19 grieven;
- de conclusie van eis van 12 maart 2013;

  • -

    de rolbeslissing van 9 april 2013;

  • -

    de akte van [appellante] van 23 april 2013;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 21 mei 2013 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. De brief van 5 juni 2013 met H16 formulier en de memorie na antwoordakte-memorie van [appellante], tegen welke stukken [geïntimeerde] bezwaar had gemaakt, beschouwt het hof op het daartoe gedane verzoek van [appellante] als niet ingediend.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij genoemde rolbeslissing is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat het eindvonnis waarvan beroep in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en niet was gebleken dat het hoger beroep conform artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in de registers bedoeld in artikel 433 Rv.


2.2. In haar akte beroept [appellante] zich op jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan niet-ontvankelijkheid ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW is beperkt tot klachten die zich richten tegen het gedeelte van de uitspraak waarin de rechter heeft bepaald dat het vonnis op de voet van artikel 3:301 lid 2 BW in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Nu tegen dat gedeelte van de bestreden uitspraak geen grieven zijn aangevoerd, meent [appellante] dat het aangewende rechtsmiddel geheel ontvankelijk is. Verder wijst zij op de strekking van de wettelijke regeling en betoogt zij dat deze strekking geen geweld is aangedaan omdat het vonnis niet is ingeschreven in de openbare registers van het kadaster, er geen notariële akte is tot overdracht van het onroerend goed, noch de inschrijving daarvan in de openbare registers van het kadaster, en het aangewende rechtsmiddel (inmiddels, naar het hof begrijpt) is ingeschreven in het register ex artikel 433 Rv.

2.3.

Het hof stelt vast dat niet gebleken is dat het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 januari 2013 tijdig is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 433 Rv. De sanctie op niet naleving van het inschrijvingsvereiste is op grond van het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

2.4.

Het hof verwerpt de stelling van [appellante] dat zij niettemin ontvankelijk is omdat de rechtszekerheid niet in het geding is gekomen. Het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De zware sanctie van niet-ontvankelijkheid op het verzuim om het rechtsmiddel in te schrijven is gekozen omdat dit stelsel duidelijk is en minder verzuim van het vormvereiste in de hand werkt, terwijl het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW een eenvoudige formaliteit behelst, zodat naleving daarvan voor de aanlegger niet bezwaarlijk is (vgl. HR 4 mei 2007, LJN AZ7615). Gezien het doel en strekking van gemeld artikel, leiden de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet tot ontvankelijk-verklaring van het hoger beroep.

2.5.

Wel onderschrijft het hof de stelling van [appellante] dat op grond van jurisprudentie het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW niet zonder meer leidt tot integrale niet-ontvankelijkverklaring. Gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 24 december 1999, LJN AA4005 en 4 mei 2007, LJN AZ 7615 moet deze bepaling aldus worden opgevat dat de appellant die het instellen van zijn beroep niet (tijdig) heeft doen aantekenen in het in artikel 433 Rv bedoelde register, uitsluitend niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard voor zover het hoger beroep dat gedeelte van de uitspraak betreft ten aanzien waarvan de rechtbank heeft bepaald dat het op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de akte en overigens voor zover met dat gedeelte een onlosmakelijk verband bestaat. Aan dit laatste aspect – een (eventueel) onlosmakelijk verband – besteedt [appellante] evenwel geen aandacht.

2.6.

Zakelijk weergegeven heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg na vermeerdering van eis gevorderd:

a. a) primair hem verlof te verlenen tot het te gelde maken van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [perceel] te [plaatsnaam] en [geïntimeerde] te machtigen tot onderhandse verkoop van dit registergoed door makelaar [makelaar] te [vestigingsplaats], althans door een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen makelaar,

subsidiair [appellante] te bevelen mee te werken aan het te gelde maken van de onroerende zaak, door binnen twee weken na betekening van het vonnis een verkoop-

opdracht te verstrekken aan makelaar [makelaar] te [vestigingsplaats], althans aan een door de voorzieningenrechter te benoemen makelaar;

b) [appellante] te veroordelen om haar onverwijlde en volledige medewerking te verlenen aan alle voor de verkoop noodzakelijke activiteiten;

c) te bepalen dat het vonnis in de plaats komt van de bij de eigendomsoverdracht en levering van onroerende zaken noodzakelijke toestemming en of wilsverklaring en/of handtekening van [appellante];

d) [appellante] te veroordelen om op de datum van levering van de onroerende zaak de woning ontruimd te hebben en te houden;

e) [appellante] te verbieden over te gaan tot juridische levering van haar (economisch eigendoms)aandeel in de woning aan de [perceel] te [plaatsnaam] en [appellante] te gebieden ervoor te zorgen dat het door haar geschonken aandeel in de economische eigendom van de woning aan haar wordt teruggeleverd.
De subsidiaire vordering sub a en de vorderingen sub b, d en e op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

2.7.

De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering sub a toegewezen, alsmede de vorderingen sub b, c en d. De vordering sub e is enkel wat betreft het gevorderde verbod toegewezen; het gevorderde gebod tot teruglevering van het economisch eigendomsaandeel is afgewezen. De gevorderde dwangsomsancties zijn toegewezen, met dien verstande dat aan de dwangsommen een maximum is verbonden.

2.8.

In het petitum van de appeldagvaarding vordert [appellante] dat het hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog integraal afwijst. Aangezien enkel een onderdeel van de vordering sub e is afgewezen, kan daaruit – en uit de 19 grieven – worden afgeleid dat [appellante] beoogt het geschil praktisch in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

2.9.

Zoals uit rechtsoverweging 2.5 volgt, is het hoger beroep op de eerste plaats niet-ontvankelijk wat betreft de beslissing van de voorzieningenrechter dat het vonnis in de plaats komt van de bij eigendomsoverdracht en levering van onroerende zaken noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [appellante] (de toegewezen vordering sub c). Het hof is van oordeel dat tussen alle overige onderdelen van het geschil een zodanig onlosmakelijk verband bestaat met deze beslissing, dat [appellante] op al deze overige onderdelen eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. Voorwaarde voor de verkoop en levering van de onroerende zaak is immers dat opdracht wordt gegeven aan makelaar [makelaar] te [vestigingsplaats] om te bemiddelen bij de verkoop (de primaire vordering sub a), dat [appellante] aan alle verkoopactiviteiten haar medewerking verleent (de vordering sub b) en zij de woning per datum van de overeengekomen levering ontruimt (de vordering sub d). Daar waar de veroordeling tot verkoop en levering onherroepelijk is, kan tegen de beslissing om makelaar [makelaar] te [vestigingsplaats] een bemiddelingsopdracht te geven, de veroordeling om de woning te ontruimen en tegen de daaraan verbonden dwangmiddelen niet meer worden opgekomen. Dit geldt ook voor de vordering sub e om [appellante] te verbieden over te gaan tot juridische levering van haar (economisch eigendoms)aandeel in de woning. Deze vordering kan in hoger beroep niet meer aan de orde komen omdat dat onverenigbaar is met de onherroepelijke beslissing tot verkoop en levering van de onroerende zaak.

2.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellante] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Haar aanbod om een nadere uitsplitsing te maken naar grieven met toelichting waar iedere grief betrekking op heeft, is gezien het voorgaande zonder betekenis, althans kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op € 299,-- aan verschotten en op € 447,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2013.

heer