Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2635

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
HD 200.102.579-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, concurrentiebeding, geen appel van beslissing in reconventie, ten overvloede: is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste ex artikel 7:653 lid 1 BW, uitleg van het concurrentiebeding volgens de Haviltex-norm, betekenis van het concurrentiebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653, geldigheid: 2013-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0513

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.102.579/01

arrest van 18 juni 2013

in de zaak van

Coolworld Nederland B.V.,

gevestigd te[vestigingsplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. W.A.A. van Kuijk te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. M. van der Chijs te Zoetermeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 10 november 2011 tussen principaal appellante – Coolworld – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en verweerster in het incident ex artikel 223 Rv en principaal geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en eiseres in het incident ex artikel 223 Rv.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 766991, rolnr. CV EXPL 11-5772)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De vordering en de gronden van het hoger beroep

3.1.

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

3.2.

Coolworld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, voor zover daartegen appel is ingesteld en, opnieuw rechtdoende, tot alsnog toewijzing van de vorderingen van Coolworld, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties.

3.3.

[geïntimeerde] op zijn beurt heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar het hof begrijpt onder wijziging dan wel vermeerdering van eis:

A. primair, zal verklaren voor recht dat tussen partijen geen concurrentiebeding van toepassing is, althans het concurrentiebeding tussen partijen, artikel 17 van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, integraal zal vernietigen, althans in die zin zal vernietigen dat het [geïntimeerde] is toegestaan zijn werkzaamheden in zijn huidige functie bij CoolEnergy voort te zetten, met, zo althans formuleert [geïntimeerde] het, veroordeling van Coolworld in conventie in de kosten van dit incident, een en ander binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest;

B. Coolworld zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ad € 375,--, althans een door het hof vast te stellen bedrag, ter zake de door [geïntimeerde] gemaakte buitengerechtelijke kosten, zulks binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest;

C. Coolworld zal veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties, met uitdrukkelijke bepaling dat Coolworld de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als Coolworld de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen arrest zal hebben betaald.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1.

In de overwegingen 2.1 tot en met 2.4 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

4.1.1.

[geïntimeerde] is op 16 oktober 2006 voor de duur van zes maanden, derhalve eindigend op 16 april 2007, in dienst getreden van Coolworld in de functie van “Account Executive (verkoper binnen-/buitendienst)”. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding.

4.1.2.

In deze arbeidsovereenkomst is de navolgende bepaling opgenomen:

Artikel 17: concurrentiebeding

“Het is de werknemer verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende een tijdvak van drie jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst binnen Nederland een bedrijf te beginnen of te voeren, dat dezelfde zaken en/of diensten levert als het bedrijf van de werkgever. Het is de werknemer verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende een tijdvak van drie jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zaken of diensten gelijk aan of vergelijkbaar met die waarop het bedrijf van de werkgever zich toelegt, te leveren aan diegenen die op enig tijdstip gedurende de laatste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dergelijke zaken of diensten van de werkgever betrokken. Het is de werknemer verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende een tijdvak van drie jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zaken of diensten gelijk aan of vergelijkbaar met die welke in de bedrijfsuitoefening van de werkgever van derden werden betrokken, bedrijfsmatig te betrekken van diegenen die op enig tijdstip gedurende de laatste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dergelijke zaken of diensten aan de werkgever leverden. De verboden als vervat in dit artikel gelden indien de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst met de werkgever:

* optreedt als zelfstandig ondernemer;

* als werknemer in dienst van derden;

* anderszins, direct of indirect, om niet of tegen betaling, werkzaam is bij een onderneming, persoon of

organisatie die de in dit artikel verboden activiteiten verricht; dan wel

* op enigerlei andere wijze betrokken is bij of belang heeft bij de in dit artikel verboden activiteiten.

Bij overtreding van één of meer van de in dit artikel vervatte verboden verbeurt de werknemer aan de werkgever (…) een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 2.500,- (…) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, (…)”.

4.1.3.

Deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is vervolgens per 16 april 2007 schriftelijk met één jaar verlengd en het salaris verhoogd tot € 2.750,= bruto per maand. In de schriftelijke aanvulling, overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding, staat onder meer vermeld:

“Overige Rechten en plichten blijven zoals deze in de arbeidsovereenkomst van 16/10/2006 tot 15/04/2007 zijn overeengekomen.”.

Op 10 april 2008 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 16 april 2008 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij het brutosalaris van [geïntimeerde] is verhoogd naar € 2.900,-- bruto per maand. De bij die gelegenheid door partijen gemaakte afspraken zijn schriftelijk vastgelegd in een “Aanvulling op de arbeidsovereenkomst”, onder meer overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding. Daarin zijn partijen onder meer overeengekomen:

“- De overige bepalingen in de arbeidsovereenkomst blijven onverminderd van kracht”

4.1.4.

[geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2011 opgezegd. Hij is vervolgens in een sales-functie in dienst getreden van CoolEnergy, een bedrijf dat zich bezighoudt met ten opzichte van Coolworld concurrerende activiteiten.

4.2.1.

Coolworld heeft in eerste aanleg bij exploot van 17 juni 2011 [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, [geïntimeerde] te veroordelen:

1. het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding na te komen en tot

1 januari 2014 zijn werkzaamheden voor CoolEnergy, in dienstverband of anderszins, direct of indirect, om niet of tegen betaling, of op welke wijze dan ook verricht, te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,-- per overtreding van het concurrentiebeding voor zover [geïntimeerde] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen;

2. aan Coolworld te voldoen een bedrag van € 34.250,-- ter zake de door hem uit hoofde van het non-concurrentiebeding verbeurde boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2.2.

Daarop heeft [geïntimeerde] een incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, tevens houdende conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie genomen. In het incident ex artikel 223 Rv heeft [geïntimeerde], zakelijk weergegeven, geconcludeerd tot het treffen van een voorlopige voorziening.

In conventie heeft [geïntimeerde] geconcludeerd Coolworld niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar haar vorderingen te ontzeggen.

In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd:

  1. primair, het concurrentiebeding integraal te vernietigen;

  2. subsidiair, het concurrentiebeding tussen partijen in tijd en omvang te matigen tot nihil met ingang van 1 januari 2011 casu quo een en ander nader op een door de kantonrechter te bepalen tijdstip;

  3. in alle gevallen dat het concurrentiebeding geheel dan wel gedeeltelijk in stand blijft, [geïntimeerde] een vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW, althans ten titel van schadevergoeding toe te kennen van € 3.250,00 bruto per maand zolang het concurrentiebeding duurt.

In conventie en reconventie concludeerde [geïntimeerde] voorts tot veroordeling van Coolworld in de proceskosten.

4.2.3.

Bij vonnis waarvan beroep zijn in het incident tot het geven van een voorlopige voorziening de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. De vorderingen in conventie van Coolworld zijn eveneens afgewezen. Wat betreft de vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] is de reikwijdte van het tussen partijen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding gematigd, in die zin dat het als eerste geformuleerde verbod vervalt, zodat het verbod beperkt wordt tot de relaties van Coolworld die gedurende de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2011 zaken of diensten als vermeld in dat artikel betrokken van of leverden aan Coolworld. Voorts heeft de kantonrechter, in reconventie oordelend, de duur waarvoor dit verbod geldt, gematigd tot één jaar, derhalve tot 1 januari 2012, het meer of anders gevorderde afgewezen en Coolworld veroordeeld in de proceskosten in conventie, reconventie en het incident.

4.3.

Coolworld is het met voormeld vonnis niet eens en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen.

Ook [geïntimeerde] kan zich met dat vonnis niet verenigen en heeft in incidenteel appel één grief opgeworpen. De grieven in het principaal en het incidenteel appel betreffen uitsluitend het in conventie gewezen vonnis. Het hof overweegt dat nu [geïntimeerde] met het incidenteel appel geen wijziging van het dictum van het bestreden vonnis beoogt, maar uitsluitend het opnieuw bepleiten van een in eerste aanleg gevoerd verweer, het incidenteel appel nodeloos is ingesteld. Zou immers een grief in het principaal appel slagen dan zou dat verweer op grond van de devolutieve werking opnieuw aan de orde dienen te komen. Het hof komt hierop in rechtsoverweging 4.9 in het kader van de proceskosten terug.

Nu geen grieven zijn gericht tegen het in reconventie gewezen vonnis kunnen Coolworld en [geïntimeerde] in zoverre in hun appel niet worden ontvangen. Om dezelfde reden kunnen Coolworld en [geïntimeerde] niet worden ontvangen in het hoger beroep van het in het incident ex artikel 223 Rv gewezen vonnis.

4.4.

Het hof stelt het volgende voorop.

In artikel 17 van de arbeidsovereenkomst zijn drie verboden geformuleerd. Het tweede en het derde verbod bevatten een relatiebeding (verkopen aan respectievelijk afnemen van bestaande relaties van Coolworld). De ten aanzien van die relatiebedingen door de kantonrechter in het bestreden vonnis in reconventie gegeven beslissingen zijn in hoger beroep niet aan de orde.

Het hof stelt voorts vast dat geen grief is gericht tegen het in reconventie door de kantonrechter gegeven oordeel, inhoudende dat de reikwijdte van het tussen partijen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst als eerste geformuleerde verbod wordt gematigd in die zin dat het verbod (geheel) vervalt. In hoger beroep moet daar dan ook van worden uitgegaan,

[geïntimeerde] betoogt in hoger beroep (in de vorm van een incidentele grief) dat de kantonrechter ten onrechte in conventie heeft geoordeeld dat, wat betreft de geldigheid van het concurrentiebeding, in beginsel aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan.

Coolworld komt met de grieven I tot en met IV in het principaal appel op tegen het oordeel van de kantonrechter in conventie dat [geïntimeerde] zich, kort gezegd, niet heeft schuldig gemaakt aan overtreding van het eerste verbod, opgenomen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, zijnde een concurrentiebeding in strikte zin (zie rechtsoverweging 4.1.2).

Nu geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het eerste verbod wordt gematigd in die zin dat het concurrentiebeding vervalt, volgt daaruit dat de stelling van [geïntimeerde] dat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste (en het beding dus als niet geldig dient te worden aangemerkt) bij gebrek aan belang niet behoeft te worden behandeld. Om dezelfde reden behoeven ook de grieven I tot en met IV in het principaal appel (gericht op de gestelde overtreding van dat beding) geen verdere behandeling.

Geheel ten overvloede overweegt het hof echter als volgt:

4.5.1.

[geïntimeerde] bestrijdt de juistheid van het in conventie gegeven oordeel van de kantonrechter dat, wat betreft de geldigheid van het concurrentiebeding, in beginsel aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan.

4.5.2.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat [geïntimeerde] op 16 oktober 2006 ingevolge een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst is getreden van Coolworld. Van deze arbeidsovereenkomst maakt deel uit het in rechtsoverweging 4.1.2 opgenomen concurrentiebeding. Voorts staat vast dat er daarna sprake is geweest van een opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd inclusief voormeld concurrentiebeding. De tekst van de verlenging (zie hiervoor 4.1.3.) is daarvoor voldoende duidelijk. Op 10 april 2008 is de (laatste) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met ingang van

16 april 2008 inclusief het concurrentiebeding, nu daarbij tevens is bepaald dat de overige bepalingen in de arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht blijven (zie eveneens 4.1.3.). Naar het oordeel van het hof is daarmee het concurrentiebeding in beginsel rechtsgeldig overeengekomen. Het enkele feit dat het concurrentiebeding aanvankelijk deel uitmaakte van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, brengt niet mee dat het beding thans niet meer geldig zou zijn.

4.5.3.

[geïntimeerde] heeft in zijn toelichting op de incidentele grief er nog op gewezen dat tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de functie, de taakuitoefening en de beschikking over een lease-auto, meerdere malen zijn veranderd. Daardoor kon, zo betoogt [geïntimeerde], Coolworld voor een toepassing van de arbeidsvoorwaarden niet volstaan met een eenvoudige verwijzing naar de voorwaarden uit de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, zonder die arbeidsovereenkomst als bijlage bij de overeenkomst van 10 april 2008 te voegen. Coolworld had zich ervan moeten overtuigen dat [geïntimeerde] zich bewust was van het van toepassing blijven van een concurrentiebeding, dat een aanzienlijk bezwarend karakter heeft.

4.5.4.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.5.2. reeds is overwogen stelt het hof vast dat voor zover tussen partijen (mondeling) arbeidsvoorwaarden zouden zijn gewijzigd anders dan die in de (aanvullende) schriftelijke overeenkomsten zijn vastgelegd, dat slechts van belang is indien deze nadere afspraken betrekking hebben op hetgeen (reeds) schriftelijk was overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat deze nadere afspraken, zoal gemaakt, betrekking hadden op het tussen partijen schriftelijk vastgelegde concurrentiebeding. Dat ligt ook niet in de stellingen van [geïntimeerde] besloten.

Voor zover het betoog van [geïntimeerde] aldus zou moeten worden opgevat dat de arbeidsverhouding tussen Coolworld en [geïntimeerde] vanaf 16 april 2008 zo ingrijpend is gewijzigd dat daarmee het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder op [geïntimeerde] is gaan drukken en dat het concurrentiebeding bij de overeenkomst van 10 april 2008 niet geldig is overeengekomen, merkt het hof het volgende op. De door [geïntimeerde] in dat verband aangevoerde omstandigheden, vermeld in de voorgaande rechtsoverweging, acht het hof daartoe in elk geval onvoldoende, met name nu [geïntimeerde] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] bij Coolworld is gegroeid van een junior functie naar een senior functie in de buitendienst, doch dat een dergelijk carrièreverloop bij normaal functioneren redelijkerwijs was te voorzien.

Het betoog van [geïntimeerde] gaat niet op.

4.6.1.

Naar aanleiding van de grieven I tot en met IV in het principaal appel overweegt het hof ten overvloede als volgt:

4.6.2.

Blijkens de eerste grief in het principaal appel en de daarop gegeven toelichting voert Coolworld aan dat de kantonrechter bij het vaststellen van de reikwijdte van het concurrentiebeding ten onrechte een grammaticale uitleg heeft toegepast.

4.6.3.

Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van een concurrentiebeding ex artikel

7:653 BW, zoals in casu, de zogenaamde Haviltex-norm als maatstaf heeft te gelden (zie: Hoge Raad 18 november 1983, LJN: AG4691 en Hoge Raad 4 april 2003, LJN: AF2844). Deze houdt in dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.6.4.

Bij het vaststellen van de bedoeling van partijen spelen de bewoordingen van het schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding een belangrijke rol. Gelet op de formulering van het eerste verbod uit artikel 17 van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat dit verbod [geïntimeerde] niet verbiedt om in dienst te treden van een concurrerende onderneming, mits deze geen zaken of diensten levert of afneemt van relaties van Coolworld. Het eerste verbod betreft immers het zelf beginnen of voeren van een bedrijf. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] een bedrijf heeft opgezet of dit voert, noch als zelfstandige, noch in dienst van CoolEnergy. De stelling van Coolworld dat [geïntimeerde] reeds door het in dienst treden bij een bedrijf als werknemer dit bedrijf ‘voert’, heeft de kantonrechter terecht verworpen. Naar het oordeel van het hof kan voorts in de vermelding in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst dat de in die bepaling opgenomen verboden gelden indien de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst (onder meer) als werknemer in dienst treedt van derden, niet worden gelezen dat [geïntimeerde] het eerste verbod van artikel 17 van de arbeidsovereenkomst reeds overtreedt door in dienst te treden van een concurrerend bedrijf, zoals CoolEnergy heeft gesteld. De betreffende vermelding moet namelijk in één adem worden gelezen met het daarvoor in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst geformuleerde eerste verbod (‘bedrijf te beginnen of te voeren”), nu uitdrukkelijk sprake is van “de verboden als vervat in dit artikel”.

4.6.5.

Er zijn ook overigens geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat partijen hebben beoogd overeen te komen dat het [geïntimeerde], na beëindiging van zijn dienstverband met Coolworld, verboden was om in dienst te treden bij een concurrerend bedrijf.

Coolworld heeft in haar toelichting op de derde grief in het principaal appel nog gesteld dat [geïntimeerde] in 2010 - nog voor zijn opzegging - heel goed op de hoogte was van de reikwijdte van het concurrentiebeding. Zijn ex-collega, de heer [ex-collega], zijn huidige werkgever, had een zelfde concurrentiebeding. Door Coolworld is een procedure tegen [ex-collega] aanhangig gemaakt en [geïntimeerde] is in die periode door Coolworld betrokken bij deze rechtszaak, door gegevens te verzamelen en informatie vanuit de markt aan te leveren.

Naar het oordeel van het hof heeft Coolworld daarmee de door haar gestelde inhoud van het concurrentiebeding met [geïntimeerde] echter niet onderbouwd, nu zij zich beroept op een omstandigheid die dateert uit het jaar 2010, dus van na de totstandkoming van het concurrentiebeding, opgenomen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst.

4.6.6.

Het hof overweegt in dit verband nog dat [geïntimeerde] het concurrentiebeding in elk geval niet heeft begrepen in de door Coolworld gestelde zin. Zijn nieuwe functie bij CoolEnergy is namelijk, zo heeft hij betoogd, aangepast op dit concurrentiebeding zoals hij dat heeft begrepen. Er worden door hem geen zaken afgenomen of geleverd aan relaties van Coolworld. [geïntimeerde] heeft ook expliciet in zijn nieuwe arbeidsovereenkomst bij CoolEnergy laten opnemen dat niet van hem kan worden verlangd dat hij het beding met Coolworld overtreedt.

4.6.7.

Uit het voorgaande volgt dat (ook) een inhoudelijke beoordeling van de grieven I tot en met IV in het principaal appel tot de slotsom leidt dat die grieven falen.

4.6.8.

Uit al het voorgaande volgt dat de vijfde grief in het principaal appel, die de proceskosten betreft, eveneens faalt.

4.7.1.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn vorderingen gewijzigd, zoals in rechtsoverweging 3.3 onder A weergegeven. Hij vordert thans primair een verklaring voor recht dat tussen partijen geen concurrentiebeding van toepassing is en meer subsidiair de vernietiging van het concurrentiebeding zodat het hem is toegestaan zijn werkzaamheden in zijn huidige functie bij CoolEnergy voort te zetten. Nu geen grieven zijn gericht tegen het in reconventie door de kantonrechter gegeven oordeel onder meer inhoudende dat de reikwijdte van het tussen partijen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst als eerste geformuleerde verbod vervalt, dienen deze gewijzigde vorderingen te worden afgewezen bij gebrek aan belang.

4.7.2.

In hoger beroep vordert Coolworld voorts betaling door [geïntimeerde] van een bedrag ad € 375,-- ter zake buitengerechtelijke kosten (zie rechtsoverweging 3.3 onder B). Coolworld heeft deze vordering, zoals [geïntimeerde] ook heeft aangevoerd, niet onderbouwd, zodat deze vordering eveneens wordt afgewezen.

4.8.

Aan het door ieder van partijen gedane bewijsaanbod wordt als niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend voorbijgegaan.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Coolworld veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel. In het incidenteel appel komt het hof niet tot een proceskostenveroordeling, nu dat nodeloos is ingesteld.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart Coolworld en [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het in reconventie gewezen vonnis van 10 november 2011;

verklaart Coolworld en [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het in het incident ex artikel 223 Rv gewezen vonnis van 10 november 2011;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 10 november 2011 voor zover dat in conventie is gewezen;

wijst af het in hoger beroep door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde;

veroordeelt Coolworld in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 666,-- aan verschotten en op

€ 1.158,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juni 2013.