Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8451

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
HV 200.110.261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 29b Wjz. Beperking van de duur van een machtiging voor gesloten plaatsing. Geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 37 aanhef en sub b IVRK en artikel 25 IVRK.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 25
Verdrag inzake de rechten van het kind 37
Wet op de jeugdzorg 29b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2012-0072 met annotatie van R.E. Bakker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 19 september 2012

Zaaknummer: HV 200.110.261/01

Zaaknummer eerste aanleg: 246471 JE RK 12-385

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verger-Maas,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West-Brabant, locatie Breda,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

[Y.],

thans verblijvende te [verblijfplaats],

hierna te noemen: [minderjarige dochter],

advocaat: mr. J. Nederlof,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Maastricht,

gevestigd en mede kantoorhoudende te Breda,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juni 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2012, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot 2 maart 2013 en de machtiging tot plaatsing in gesloten plaatsing alsnog te beperken tot de duur van maximaal zes maanden.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2012, heeft [minderjarige dochter] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende een machtiging te verstrekken om [minderjarige dochter] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie van gesloten jeugdzorg, met ingang van 2 juni 2012 tot uiterlijk 2 december 2012.

2.3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 augustus 2012, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Verger-Maas;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer mr. H. Werger;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer C. Mol en de heer P.L. Dekkers;

- mr. Nederlof.

2.4.1. [minderjarige dochter] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting gehoord, buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden, doch in aanwezigheid van haar advocaat. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 mei 2012;

- de brief van de raad d.d. 25 juli 2012 met bijlagen, waaronder het raadsrapport d.d. 21 mei 2012;

- het plan van aanpak voorlopige ondertoezichtstelling van de stichting d.d. 17 april 2012 en de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, waaruit blijkt dat deze [minderjarige dochter] op 30 mei 2012 in Paljas te [vestigingsplaats], Krabbebossen, veertien min groep, heeft onderzocht, overgelegd door de stichting bij begeleidend schrijven van 24 juli 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit de moeder en een voor het hof onbekende vader is op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] geboren [Y.] (hierna: [minderjarige dochter]).

De vader heeft [minderjarige dochter] niet erkend.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige dochter].

3.2. [minderjarige dochter] staat sinds 5 maart 2012, aanvankelijk voorlopig, onder toezicht van de stichting. [minderjarige dochter] verblijft, tevens aanvankelijk op grond van een daartoe strekkende voorlopige machtiging sedert 23 maart 2012 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

3.3. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige dochter] met ingang van 2 juni 2012 tot 2 maart 2013 onder toezicht gesteld van de stichting. Voorts heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [minderjarige dochter] met ingang van 2 juni 2012 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 2 maart 2013 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Thans verblijft [minderjarige dochter], naar het hof van de advocaat van [minderjarige dochter] heeft begrepen, op de behandelgroep Orcus van ICARUS, onderdeel van Stichting Jeugdzorg St. Joseph (SJSJ), gelegen in Cadier en Keer.

3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de duur van de verleende machtiging tot gesloten plaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

3.5.1. Gelet op het feit dat de gesloten plaatsing van [minderjarige dochter] een vrijheidsontnemende maatregel is, alsmede de zeer jonge leeftijd van [minderjarige dochter] en het feit dat conform internationale verdragen de vrijheidsontneming van kinderen van zo beperkt mogelijke duur dient te zijn (artikel 37 IVRK), heeft de rechtbank volgens de moeder ten onrechte de machtiging tot gesloten plaatsing niet beperkt in duur. Bovendien heeft een uit huis geplaatst kind volgens de moeder recht op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling (artikel 25 IVRK).

De moeder is van mening dat de argumenten van de raad voor de langere duur van de gesloten plaatsing, namelijk dat een beperking tot enkele maanden onduidelijkheid voor [minderjarige dochter] zou scheppen, niet slagen, nu alle kinderen een vrijheidsontnemende maatregel minstens als onprettig zullen ervaren en zullen uitkijken naar het moment waarop de maatregel wordt beëindigd en zij naar hun ouder(s) kunnen terugkeren. De stichting kan haars inziens om een verlenging van de machtiging verzoeken bij een naderende afloop daarvan, zodat niet gesteld kan worden dat er bij een kortere duur van de machtiging geen tijd zou zijn voor de behandeling van [minderjarige dochter]. Volgens de moeder kan [minderjarige dochter] door de stichting en haar begeleiders voldoende worden voorbereid op de verlenging van de plaatsing als haar behandeling nog niet klaar is en zal [minderjarige dochter] in staat zijn dat te begrijpen.

Indien de duur van de machtiging zou worden beperkt, zal een kinderrechter tussentijds de zaak van de (zeer jonge) [minderjarige dochter] kunnen bekijken, zodat beoordeeld kan worden of nog steeds aan de voorwaarden voor gesloten plaatsing wordt voldaan en of voortvarend genoeg wordt gehandeld door de hulpverlening. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat een breed persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige dochter] zal moeten worden verricht en dat (aan de hand daarvan) een passend behandelplan dient te worden opgesteld. De moeder stelt dat dergelijk onderzoek nog altijd niet heeft plaatsgevonden en dat tevens nog geen behandelplan is opgesteld.

Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de omgeving waarin [minderjarige dochter] zich bevindt, de regels die aan haar gesteld worden en de momenten waarop [minderjarige dochter] in de time-out ruimte wordt geplaatst. [minderjarige dochter] is een kind tussen de puberende jongeren in de ‘14 min’-groep en de huisregels die daar gelden zijn voor [minderjarige dochter] niet leeftijdsconform.

3.5.2. Ter zitting heeft de moeder voorts verklaard dat een dag voor de zitting van het hof een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de stichting, Juzt en de moeder. De moeder heeft altijd aangegeven dat de problemen van [minderjarige dochter] voortkomen uit angst. Nu lijkt het erop dat ook Juzt en de stichting dit gaan inzien.

De moeder heeft ter zitting aangegeven niet mee te (kunnen) werken aan de door de stichting gewenste contactregeling,omdat een regeling waarbij vier keer per week contact plaatsvindt, niet te combineren is met de zorg voor haar jongste dochter. Voorts had de moeder tijd voor zichzelf nodig, onder meer om haar ziekte te verwerken en was zij niet in staat emotionele toestemming te geven voor de gesloten plaatsing, hetgeen [minderjarige dochter] zou hebben gemerkt. De moeder heeft aangegeven de gesloten plaatsing inmiddels te accepteren en meer contact met [minderjarige dochter] te willen. [minderjarige dochter] gaat thans één keer in de week op woensdagmiddag gedurende vier uur naar de moeder en [minderjarige dochter] heeft ook omgang met de ouders van de moeder.

De moeder heeft voorts aangevoerd dat zij hulp voor zichzelf heeft geregeld. Ze staat nu op de wachtlijst bij PsyQ. Haars inziens zou na de gesloten plaatsing een gezinsopname bij Yulius de volgende stap kunnen zijn, doch niet op korte termijn.

3.6. [minderjarige dochter] voert in haar verweerschrift – kort samengevat – aan dat zij het hoger beroep van de moeder, alsmede de door de moeder geformuleerde grieven ondersteunt. [minderjarige dochter] geeft aan dat het nu beter met haar gaat: zij begint langzaam haar draai te vinden op de huidige behandelgroep. Ondanks de vooruitgang en de wens van [minderjarige dochter] om niet langer gesloten geplaatst te zijn, begrijpt [minderjarige dochter] dat er op dit moment geen andere mogelijkheid is dan de gesloten plaatsing. Haars inziens is evenwel het belang bij de duidelijkheid over de plaatsing en de duur daarvan voor de verdere behandeling, ondergeschikt aan haar belang bij een tussentijds toetsmoment. Volgens [minderjarige dochter] dient derhalve de duur van de gesloten plaatsing te worden beperkt tot 2 december 2012. De onderzoeken kunnen in deze periode gewoon worden opgestart en het behandelplan kan worden opgemaakt, aldus [minderjarige dochter].

3.7. De stichting voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat de bestreden beschikking op de juiste gronden is gegeven. De moeder heeft, door ervaringen met de stichting en andere instanties, weinig vertrouwen in de hulpverlening. Verder is de stichting van mening dat, gelet op de problematiek van [minderjarige dochter], er intensief moet worden ingezet op herstel van de (gezags)relatie tussen de moeder en [minderjarige dochter], hetgeen betekent dat er vier keer per week, begeleid contact moet plaatsvinden. De moeder wil dit niet. Moeder en [minderjarige dochter] hebben nu een keer in de week contact.

Het zelfbepalende gedrag van [minderjarige dochter] is erg sterk. In vergelijking met eerdere opnames is zij wel eerder gekalmeerd na een escalatie. Langzaamaan wordt vooruitgang gezien, wellicht doordat [minderjarige dochter] rust ervaart door de duur van de plaatsing. Voor een open groep is [minderjarige dochter] echter nog lang niet klaar, aldus de stichting. Medicatie zou het gedrag van [minderjarige dochter] beter kunnen reguleren, waardoor ze mogelijk beter functioneert en meer positieve aandacht krijgt. Moeder wil daar toestemming voor geven als ze de garantie krijgt dat [minderjarige dochter] binnen een half jaar thuis woont met intensieve ondersteuning.

De moeder heeft aangegeven geen ruimte te voelen voor eigen individuele ondersteuning zolang de rechterlijke procedures niet achter de rug zijn. De stichting heeft eerst ter zitting van het hof vernomen dat de moeder op een wachtlijst staat voor individuele hulpverlening. De moeder lijkt ook meer open te staan voor het voorgestelde traject.

Op de vragen van het hof waarom er na vijf maanden gesloten plaatsing, nog geen behandelplan ligt, heeft de stichting geantwoord dat een behandeling nog niet mogelijk is, zolang de moeder daar niet voor openstaat. De vraag of de stichting nagedacht heeft over een alternatieve aanpak in geval de moeder haar medewerking blijft weigeren, heeft de stichting ontkennend beantwoord.

Wel is volgens de stichting thans een opening ontstaan bij de moeder voor contact met [minderjarige dochter] en zij heeft toestemming gegeven voor een consult met een psychiater, zodat op korte termijn ook tot medicatie van [minderjarige dochter] kan worden overgegaan.

De stichting voert aan dat zij wel een plan van aanpak heeft, maar dat dit niet op papier staat. De procedure is dat voortdurend wordt geëvalueerd en bekeken wat de mogelijkheden zijn en of [minderjarige dochter] nog op de juiste plek zit. De stichting meent dat met een schriftelijke aanwijzing aan de moeder om het contact met [minderjarige dochter] te intensiveren, niet meer vooruitgang zou zijn geboekt.

3.8. Mr. Nederlof heeft ter zitting namens [minderjarige dochter] aangevoerd dat het hem verbaast dat, nu het gaat om een negenjarig meisje, de begeleiding, het onderzoek en de behandeling volledig stil liggen. Mr. Nederlof kijkt daarbij niet naar het aandeel van de moeder. Er is sprake van kindeigen problematiek, terwijl niet duidelijk is waar deze vandaan komt. Mr. Nederlof mist in deze zaak een meer actief handelen van de hulpverlening, terwijl nu de basis voor een betere toekomst voor [minderjarige dochter] moet worden gelegd.

3.9. De raad heeft ter zitting aangevoerd dat om een langere termijn is verzocht omdat dat nodig werd (en wordt) geacht. De rechtbank heeft volgens de raad terecht ingezien dat een korte plaatsing niet voldoende zou zijn, zodat meteen een machtiging voor een langere termijn is afgegeven. De raad zou het ongewenst vinden indien mede door het hoger beroep van de moeder, veel zittingen in korte tijd plaatsvinden. De raad heeft moeite met de redenen die de moeder aandraagt voor een kortere termijn – het tussentijds toetsingsmoment – en de weinig coöperatieve houding die zij daartegenover stelt.

Volgens de raad is er bij de hulpverlening wel sprake van een visie, maar ontbreekt het bij de stichting aan de juiste sturing. De stichting kan op dit moment niet zoveel doen door de houding van de moeder, maar de stichting moet zich volgens de raad wel realiseren dat zij de touwtjes in handen heeft.

3.10. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1. Gelet op artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) staat ter beoordeling de vraag of er bij [minderjarige dochter] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige dochter] zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

3.10.2. Ingevolge artikel 29b lid 4 Wjz kan een machtiging bovendien slechts worden verleend indien de betrokken stichting een indicatiebesluit heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat sprake is van de hiervoor bedoelde ernstige opgroei- of opvoedproblemen. De verklaring behoeft op grond van artikel 29b lid 5 Wjz de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.10.2.1. Het hof heeft geconstateerd dat het indicatiebesluit (d.d. 23 mei 2012) en de vorenbedoelde verklaring van de gedragswetenschapper waaruit blijkt dat deze [minderjarige dochter] op. 30 mei 2011 heeft onderzocht, zijn overgelegd, zodat in zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten.

3.10.3. In hoger beroep is niet in geschil dat aan de wettelijke criteria voor de uithuisplaatsing van [minderjarige dochter] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is voldaan. In geschil is voor welke duur een machtiging voor de gesloten plaatsing dient te worden gegeven.

3.10.4. Het hof stelt vooreerst vast dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de machtiging voor een gesloten plaatsing slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur (artikel 37 aanhef en sub b IVRK), met name in het geval van een meisje met de leeftijd van [minderjarige dochter].

3.10.5. De moeder heeft naar het oordeel van het hof terecht aangevoerd dat een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, recht heeft op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing (artikel 25 IVRK).

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat in de periode na de bestreden beschikking een breed persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige dochter] diende te worden afgenomen, waarbij zowel aandacht bestaat voor de verhouding tussen [minderjarige dochter] en haar moeder als voor de kindeigen problematiek van [minderjarige dochter], zoals haar cognitieve vermogens en eventuele psychiatrische problematiek. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek diende volgens de rechtbank een passend behandelplan te worden opgesteld.

Het hof constateert echter dat thans, bijna 6 maanden na de aanvang van de gesloten plaatsing, 23 maart 2012 ’s nachts, een persoonlijkheidsonderzoek als hiervoor bedoeld nog altijd niet heeft plaatsgevonden en dat evenmin enig behandelplan is opgesteld.

Voorts is nog weinig vooruitgang geboekt in de samenwerking met de moeder. Wel is het hof gebleken dat de moeder inmiddels - ook emotionele - toestemming heeft kunnen geven aan de gesloten plaatsing en dat zij hulp voor zichzelf heeft gezocht. De stichting heeft ter zitting toegezegd contact op te zullen nemen met de hulpverlener van de moeder ten einde voor haar de wachtlijst te doen bekorten. [minderjarige dochter] verblijft nog altijd op een ‘14 min’-groep, terwijl zij eigenlijk in een groep met leeftijdsgenoten behoort te verblijven. Het hof beschikt niet over een evaluatie van de behandeling, hetzij door de stichting hetzij door de behandelende instelling. Het is ook niet duidelijk wat de stichting in de afgelopen periode heeft ondernomen om toe te werken naar een thuisplaatsing, althans een beëindiging van de gesloten plaatsing.

3.10.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat er thans geen zicht is op de effectiviteit van de huidige hulpverlening en dat - in ieder geval op papier - niet duidelijk is geworden welk (behandel)plan de stichting heeft voor de komende tijd. Het hof is van oordeel dat, zoals ook ter zitting is benadrukt, in deze situatie, nu het hier om een negenjarig meisje gaat, ten spoedigste verandering dient te komen.

Ten einde erop te kunnen toezien dat met de benodigde voortvarendheid een persoonlijkheidsonderzoek en een behandelplan tot stand komt alsook een evaluatie van de behandeling in het afgelopen half jaar, acht het hof het, anders dan de rechtbank, van belang dat de machtiging voor gesloten plaatsing van [minderjarige dochter] in duur wordt beperkt.

3.10.7. [minderjarige dochter] dient zich evenwel te realiseren dat de beslissing van het hof als na te melden, niet zonder meer betekent dat zij in december naar huis mag: het verkorten van de duur van de machtiging om de redenen als hiervoor genoemd strekt vooral tot het creëren van een tussentijds toetsmoment. In november zal opnieuw moeten worden bezien of nog aan de voorwaarden voor een gesloten plaatsing is voldaan. Het hof vertrouwt er evenwel op dat [minderjarige dochter], ondanks de kortere termijn van de huidige machtiging, de rust zal blijven ervaren die nodig is om de door haar ingezette positieve lijn vast te houden en door te zetten.

3.11. Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk dient te worden vernietigd, namelijk voor zover het de periode vanaf 2 december 2012 betreft en het verzoek van de raad met ingang van die datum alsnog dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 2 december 2012 de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juni 2012;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 2 december 2012 alsnog af het inleidend verzoek van de raad;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de periode van 2 juni 2012 tot 2 december 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, P.A.J.Th. van Teeffelen en W.Th.M. Raab en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.