Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW5688

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
18-05-2012
Zaaknummer
HD 200.089.417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding .Gevolgen van beëindiging van overeenkomst tot levering van producten die zijn vervaardigd met aan partijen gezamenlijk toebehorende matrijzen. . . . .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.089.417

arrest van de vierde kamer van 8 mei 2012

in de zaak van

RETRIEVER PACKAGING COMPANY LLC,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.B. Evenboer,

tegen:

[X.] SPUITGIETTECHNIEK B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.C.A. van Baaren,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 mei 2011 en herstelexploot ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 2 mei 2011 tussen principaal appellante - RPC - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en principaal geïntimeerde - [geintimeerde] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 228104/KG ZA 11-201)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft RPC twee producties in het geding gebracht, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog volledige toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg en tot alsnog afwijzing van de incassovordering van [geintimeerde], met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] 35 producties overgelegd en de grieven bestreden. Voorts heeft [geintimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin zes grieven aangevoerd en geconcludeerd kort gezegd, primair tot alsnog afwijzing van de vordering van RPC, subsidiair, voor het geval het aan [geintimeerde] opgelegde verbod in stand zou blijven, daaraan de opschortende voorwaarde te verbinden dat het verbod pas van kracht wordt als RPC aan haar betalingsverplichting jegens [geintimeerde] uit hoofde van het vonnis van 2 mei 2011 volledig heeft voldaan, dan wel een maatregel te treffen c.q. een voorwaarde te verbinden aan het verbod die het hof passend acht, met veroordeling van RPC in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3. RPC heeft in incidenteel appel geantwoord en daarbij vier producties overgelegd.

2.4. [geintimeerde] heeft een akte houdende reactie op nieuwe producties genomen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven in principaal en incidenteel appel.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1.1.De voorzieningenrechter heeft onder 2 van het vonnis vastgesteld van welke feiten hij is uitgegaan. [geintimeerde] heeft een grief gericht tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter in rov. 2.9. Het hof komt daarop terug in rov. 4.7.5. Voor het overige zijn geen grieven tegen de vaststelling van de feiten gericht. De niet betwiste feiten vormen ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.2.RPC drijft een handelsonderneming in de Verenigde Staten. [geintimeerde]s drijft een onderneming op het gebied van spuitgiettechniek en houdt zich voornamelijk bezig met het fabriceren van plastic producten.

4.1.3.In 2005 zijn partijen een samenwerkingsverband aangegaan. In dat verband heeft [geintimeerde] voor RPC plastic bloemenemmers en vazen geproduceerd, welke door RPC werden verkocht aan klanten in de Verenigde Staten, waaronder supermarktketen Wal-Mart. Voor de productie van die emmers en vazen is gebruik gemaakt van matrijzen. Beide partijen hebben een aanzienlijk bedrag geïnvesteerd voor de ontwikkeling en aanpassing van die matrijzen, RPC heeft voor ongeveer € 238.850,-- geïnvesteerd en [geintimeerde] voor ongeveer € 93.600,--.

4.1.4.Een aantal afspraken tussen partijen is vastgelegd in een “Confirmation of Ownership” aanvankelijk opgemaakt op 27 september 2005, later vervangen door een verklaring van 15 februari 2007.

Volgens het laatstgenoemde stuk verklaart [geintimeerde], voor zover hier van belang, als volgt:

• That the mould for 5/3/8 Ltr. Vase is for 2/3th property of Retriever Packaging Company LLC and for 1/3th property of [geintimeerde] Techniek BV.

• That [geintimeerde] Spuitgiettechniek BV will keep the moulds like a good father and the mould is clearly marked as (…)

• That [geintimeerde] Spuitgiettechniek bv, may not produce, not without a written permission, for others.

• That after all the financial obligations of Retriever Packaging Company LLC, the mould will be returned on the first demand by [geintimeerde] Spuittechniek bv.

• (…)

4.1.5.Andere afspraken in het kader van de samenwerking hebben partijen niet schriftelijk vastgelegd. Bij de zitting in eerste aanleg is gebleken dat partijen in de loop der tijd zijn overeengekomen dat RPC - in beginsel - een termijn van 60 dagen had om de facturen van [geintimeerde] te voldoen.

4.1.6.Er is een achterstand ontstaan in betaling door RPC. Die achterstand is eerst opgelopen tot $ 750.000,-- in 2008 en daarna door RPC geleidelijk ingelopen tot een bedrag van $ 245.000,-- (circa € 175.000,--) eind 2010.

4.1.7.In 2010 is tussen partijen discussie ontstaan over het inlossen van de betalingsachterstand en het voortgaan met leveren van emmers en vazen door [geintimeerde]. [geintimeerde] heeft aangedrongen op een betalingsregeling en zij heeft in het tweede halfjaar van 2010 minder emmers en vazen dan voorheen aan RPC geleverd. Partijen zijn het niet eens geworden over een oplossing. RPC heeft de samenwerking met [geintimeerde] op 4 december 2010 beëindigd. Sindsdien heeft [geintimeerde] geen emmers en vazen meer geleverd aan RPC.

4..2.1.Bij dagvaarding van 25 maart 2011 heeft RPC een kort geding aanhangig gemaakt tegen [geintimeerde] en gevorderd [geintimeerde] te bevelen ieder gebruik van de in 4.1.3. bedoelde matrijzen te staken en gestaakt te houden zomede zich te onthouden voor nu en de toekomst van directe of middellijke belevering, al dan niet met gebruik van derden, van de litigieuze producten aan de klanten van RPC, bij [geintimeerde] genoegzaam bekend, een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten. Uit rov. 5.3 van het vonnis waarvan beroep blijkt dat de advocaat van RPC haar vordering ter zitting nader heeft toegelicht in die zin dat het [geintimeerde] niet alleen zou moeten worden verboden om de matrijzen die genoemd zijn in de “confirmation of ownership” te gebruiken, maar ook om producten aan klanten van RPC te leveren, ongeacht of die producten zijn vervaardigd met de bewuste matrijzen.

4.2.2.[geintimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd, kort weergegeven,

A. voor het geval de voorzieningenrechter zou oordelen dat het [geintimeerde] is verboden de mallen te gebruiken, RPC te veroordelen te gehengen en te gedogen dat [geintimeerde] de mallen gebruikt te eigen bate, dan wel dit oordeel te geven onder de ontbindende voorwaarde dat RPC aan [geintimeerde] betaalt wat [geintimeerde] toekomt;

B. RPC te veroordelen tot betaling aan [geintimeerde] van € 179.490,73 te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 12 april 2011 tot de dag van voldoening;

C. RPC te veroordelen tot betaling aan [geintimeerde] van € 90.000,-- als voorschot op de aan [geintimeerde] te vergoeden investeringskosten;

D. een en ander met veroordeling van RPC in de proceskosten.

4.2.3.Bij vonnis van 2 mei 2011 heeft de voorzieningenrechter in conventie [geintimeerde] verboden om zonder schriftelijke toestemming van RPC gebruik te maken van de matrijzen genoemd in de door partijen getekende confirmation of ownerschip d.d. 15 februari 2007, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per keer dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 200.000,--, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

In reconventie heeft de voorzieningenrechter RPC veroordeeld om aan [geintimeerde] een bedrag van € 179.490,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 174.385,53 vanaf 12 april 2011 tot de dag van voldoening, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4.3.De voorzieningenrechter heeft in rov. 5.1. vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en in rov. 5.2 dat partijen kennelijk een keuze hebben gemaakt voor toepassing van het Nederlands recht. Tegen deze overwegingen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

4.4.1.De eerste twee grieven van RPC zijn gericht tegen overwegingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst. Haar derde grief betreft de afwijzing door de voorzieningenrechter van haar vordering in conventie om [geintimeerde] te verbieden de klanten van RPC te beleveren. Grief 4 van RPC is gericht tegen de veroordeling van RPC in reconventie tot betaling van € 175.000,--.

4.4.2.Grief 1 van [geintimeerde] is gericht tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter dat zij emmers met de bewuste matrijzen heeft geproduceerd en dat zij deze (indirect) aan de klanten van RPC zou hebben geleverd. Grief 2 van [geintimeerde] betreft de weergave door de voorzieningenrechter van haar verweer. De grieven 3 tot en met 5 zijn gericht tegen het jegens [geintimeerde] in reconventie uitgevaardigde verbod om de matrijzen te gebruiken en grief 6 is gericht tegen de compensatie van de proceskosten.

4.4.3.Geen grief is gericht tegen de afwijzing van [geintimeerde]s vordering sub C. Voor het overige is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4.5.1. De eerste grief van RPC en de tweede grief van Lofaar betreffen beide de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomst. Het hof acht het praktisch deze grieven samen te bespreken.

4.5.2.De eerste grief van RPC is gericht tegen rov. 5.4 van het vonnis, voor zover de voorzieningenrechter daarin overweegt dat in de “confirmation of ownership” kennelijk niet is bedoeld dat [geintimeerde] in het algemeen niet mag produceren voor derden en dat die verklaring (weergegeven in rov. 4.1.4. derde bolletje) voorshands moet worden gelezen als een verbod voor [geintimeerde] om de bewuste matrijzen te gebruiken voor anderen dan RPC, tenzij RPC voor dat gebruik toestemming heeft gegeven. Volgens RPC was het beter geweest als de voorzieningenrechter had overwogen dat de bepaling moet worden gelezen als “een verbod om voor anderen (dan RPC) te produceren en al helemaal niet aan anderen, waaronder dus de klanten van RPC, buiten deze om te beleveren”.

4.5.3. Het hof begrijpt deze grief aldus, dat RPC betoogt dat in de “confirmation of ownership” is vastgelegd dat [geintimeerde] in het geheel niet aan anderen dan RPC mag leveren, ook niet met gebruik van andere matrijzen dan de matrijzen die in deze verklaring worden genoemd en dat dit zowel binnen als buiten de contractuele relatie tussen partijen geldt.

4.5.4.Naar het voorlopig oordeel van het hof ligt de uitleg van RPC met betrekking tot de bevoegdheid van [geintimeerde] om voor anderen te produceren niet voor de hand. De “confirmation of ownership” heeft expliciet op de daarin genoemde matrijzen betrekking. Niet is betwist dat [geintimeerde] steeds ook aan andere klanten producten heeft geleverd, echter met gebruikmaking van andere matrijzen. Aangenomen moet worden dat de “confirmation of ownership” over het gebruik door [geintimeerde] van die andere matrijzen voor andere klanten niets bevat. RPC heeft haar stelling dat [geintimeerde] geen producten aan anderen zou mogen leveren ook in hoger beroep niet onderbouwd. Het hof volgt RPC daarom niet en onderschrijft het voorlopig oordeel omtrent de uitleg van de voorzieningenrechter, te weten dat [geintimeerde] zich heeft verbonden de bewuste matrijzen niet te gebruiken om voor anderen dan RPC te produceren, tenzij RPC daartoe toestemming heeft gegeven. Grief 1 van RPC faalt. De voorzieningenrechter heeft in rov. 5.6 overwogen dat het verbod om de matrijzen voor anderen dan RPC te gebruiken naar zijn voorlopig oordeel niet eindigt met de beëindiging van de samenwerking, omdat die beëindiging geen invloed heeft op de eigendomsverhouding tussen partijen. Ook dat oordeel acht het hof juist. In zoverre faalt grief 2 van [geintimeerde], waar zij in de toelichting aanvoert dat de “confirmation” geen nawerking heeft.

4.5.5.De tweede grief van [geintimeerde] houdt in, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geintimeerde] als verweer zou hebben gevoerd dat het niet de bedoeling van partijen en ook niet de strekking van de “confirmation of ownership” zou zijn dat [geintimeerde] de matrijzen niet zonder de toestemming van RPC zou mogen gebruiken en dat hij eveneens ten onrechte heeft overwogen dat [geintimeerde] zou hebben betwist dat die “confirmation” een juiste weergave zou zijn van de afspraken tussen partijen. [geintimeerde] heeft slechts betoogd dat de inhoud van de “confirmation” wel juist is, maar dat de afspraken daarin niet uitputtend zijn weergegeven, aldus [geintimeerde].

4.5.6.Het klopt dat [geintimeerde] in eerste aanleg heeft gesteld dat de “confirmation” niet alomvattend was en dat zij heeft gesteld dat [geintimeerde] gedurende de samenwerking niet voor anderen met deze mallen zou produceren. In zoverre is de tweede grief van [geintimeerde] terecht aangevoerd. Deze overweging van de voorzieningenrechter betrof echter slechts zijn weergave van het verweer van [geintimeerde] en is niet van invloed op zijn beslissing. De grief kan dus niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

4.6.1.De tweede grief van RPC is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat men zich kan afvragen of sprake was van een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen of dat slechts sprake is geweest van een groot aantal afzonderlijke overeenkomsten van koop en verkoop. RPC acht deze door haar genoemde “denkoefening” van de voorzieningenrechter onjuist en ongegrond.

4.6.2.De voorzieningenrechter heeft zijn beslissing niet op deze overweging gegrond. RPC heeft daarom geen belang bij deze grief, zodat het hof die niet behoeft te bespreken.

4.7.1.De derde grief van RPC richt zich tegen de afwijzing van haar vordering om [geintimeerde] te verbieden om producten aan klanten van RPC te leveren. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat gesteld noch gebleken is, dat tussen partijen expliciet is overeengekomen dat [geintimeerde] na het beëindigen van de samenwerking geen klanten van RPC zou mogen beleveren en dat onvoldoende aannemelijk is dat [geintimeerde] met het bedienen van die klanten onrechtmatig jegens RPC handelt.

4.7.2.Uitgangspunt bij de beoordeling is dat partijen hun overeenkomst slechts beperkt op schrift hebben gesteld, namelijk alleen in de “confirmation of ownership”. Partijen zijn het erover eens dat buiten hetgeen in die verklaring staat nog andere zaken tussen hen zijn overeengekomen. Zoals in 4.5.5. is overwogen is naar het voorlopig oordeel van het hof niet gebleken dat is overeengekomen dat [geintimeerde] geen met andere mallen gemaakte producten aan anderen mocht leveren tijdens de samenwerking met RPC. Evenmin is gebleken dat tussen hen expliciet is overeengekomen dat [geintimeerde] na het verbreken van die samenwerking geen producten mag leveren aan klanten van RPC.

4.7.3.RPC heeft aangevoerd dat uit de geschetste rechtsverhouding tussen partijen voorvloeit dat [geintimeerde] na het beëindigen van hun overeenkomst geen klanten van RPC mag beleveren, omdat [geintimeerde] volledig op de hoogte was van de klantgegevens en distributiekanalen van RPC. Voor het verzendklaar maken van de emmers en vazen voor RPC beschikte [geintimeerde] over cruciale data uit de cliëntenportefeuille van RPC, zo stelt zij. RPC doet een beroep op artikel 6:2 BW en artikel 6:248 lid 1 BW. Ondanks RPC’s inspanning om de betalingsachterstand in te lopen hield [geintimeerde] steeds meer de boot af met het uitvoeren van orders, met als gevolg dat RPC geen inkomsten meer kon genereren. [geintimeerde] pleegde daardoor volgens RPC wanprestatie en handelde te kwader trouw, omdat achteraf is gebleken dat het [geintimeerde] er om te doen was zich van RPC te ontdoen om zelf de klanten van RPC te beleveren, aldus RPC. Dit is volgens RPC een vorm van oneerlijke concurrentie en dus onrechtmatig.

4.7.4.Het hof verwerpt dit betoog van RPC. Tussen partijen staat vast dat RPC een aanzienlijke betalingsachterstand had. Het enkele feit dat die achterstand in het verleden nog veel groter was en dat [geintimeerde] dat enige tijd heeft geduld, betekent niet dat [geintimeerde] niet in haar recht stond om in 2010 van RPC te verlangen die achterstand aan te zuiveren. Zij heeft RPC herhaaldelijk aangemaand. Nu RPC desondanks in gebreke bleef mocht [geintimeerde] haar leveringen aan RPC opschorten. De stelling dat [geintimeerde] het daarmee aan zichzelf te wijten had dat RPC niet kon betalen gaat niet op, omdat RPC immers de door [geintimeerde] geleverde producten al had verkocht en naar mag worden aangenomen daarvoor betaald had gekregen. [geintimeerde] heeft dus naar het voorlopig oordeel van het hof geen wanprestatie gepleegd. Het is voorts RPC die de samenwerking tussen partijen heeft verbroken. Niet valt in te zien waarom de eisen van redelijkheid en billijkheid zouden meebrengen dat [geintimeerde] in die situatie na beëindiging van de samenwerking niet zou mogen leveren aan klanten van RPC, al dan niet indirect. Concurrentie in het economisch verkeer staat immers eenieder vrij, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat zich hier dergelijke omstandigheden hebben voorgedaan is naar het voorlopig oordeel van het hof niet gebleken. Een relatie- of concurrentiebeding is tussen partijen niet overeengekomen. [geintimeerde] betwist dat zij op ongeoorloofde wijze gebruik heeft gemaakt van vertrouwelijke gegevens van RPC. Dat daarvan wel sprake is geweest is voorshands niet aannemelijk geworden. Dat betekent dat grief 3 van RPC faalt.

4.7.5.Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat grief 1 van [geintimeerde], waarin [geintimeerde] aanvoert dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft vermeld dat [geintimeerde] emmers met de bewuste matrijzen heeft geproduceerd en dat zij ook (indirect) afnemers van RPC beleverd zou hebben, niet behoeft te worden besproken, aangezien niet relevant is of [geintimeerde] afnemers van RPC direct of indirect heeft beleverd.

4.8.1.De grieven 3 tot en met 5 van [geintimeerde] zijn gericht tegen het aan haar opgelegde verbod om zonder schriftelijke toestemming van RPC gebruik te maken van de matrijzen genoemd in de “confirmation of ownership”.

4.8.2.Niet in geschil is dat partijen hebben afgesproken wat in de “confirmation of ownership” staat, waaronder de afspraak dat de matrijzen voor 2/3 eigendom zijn van RPC en voor 1/3 van [geintimeerde] en dat [geintimeerde] de mallen niet mag gebruiken zonder schriftelijke toestemming van RPC. Zoals het hof in rov. 4.5.4. heeft overwogen is het hof het eens met het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het verbod om de matrijzen voor anderen dan RPC te gebruiken niet eindigt met de beëindiging van de samenwerking, omdat die beëindiging geen invloed heeft op de eigendomsverhouding tussen partijen met betrekking tot de matrijzen. Het hof is evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om thans in kort geding te beslissen dat [geintimeerde] dit verbod naast zich neer mag leggen. Partijen dienen eerst een regeling te treffen over overname van de matrijzen door een van hen of over de verkoop daarvan, dan wel het geschil daarover in een bodemprocedure aan de rechter voor te leggen. De door [geintimeerde] genoemde omstandigheden in randnummer 54 van haar pleitnota in eerste aanleg, waarnaar [geintimeerde] verwijst, brengen niet mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat RPC [geintimeerde] aan het verbod houdt. Het enkele feit dat RPC de samenwerkingsovereenkomst heeft opgezegd brengt dat niet mee, zelfs niet indien zou moeten worden aangenomen dat RPC tot opzegging is overgegaan om een relatie te kunnen aangaan met een andere leverancier of wellicht reeds met een andere leverancier in overleg was getreden. Er is geen aanleiding om [geintimeerde] toe te staan de matrijzen te gebruiken zolang RPC haar schuld aan [geintimeerde] niet heeft voldaan, omdat tussen het verbod om de matrijzen zonder toestemming van RPC te gebruiken en de schuld van RPC geen rechtstreeks verband bestaat. Er is nog minder aanleiding voor zo’n voorwaarde indien [geintimeerde] beschikt over een titel om haar vordering op RPC te executeren. Het hof verwijst naar de bespreking van de vierde grief van RPC.

4.8.3.Terecht heeft de voorzieningenrechter artikel 6:60 BW niet van toepassing geacht, zij het dat hij daarvoor naar het oordeel van het hof niet het juiste argument heeft gehanteerd. Genoemd artikel mist toepassing omdat hier geen sprake is van schuldeisersverzuim. Hier was sprake van verzuim van RPC in haar verplichting als schuldenaar tot voldoening van de overeengekomen koopprijs.

4.8.4.Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat terecht aan [geintimeerde] is verboden zonder schriftelijke toestemming gebruik te maken van de in de “confirmation of ownership” genoemde matrijzen. De grieven 3 tot en met 5 van [geintimeerde] falen dus.

4.9.1.Grief 4 van RPC is gericht tegen haar veroordeling in reconventie om aan [geintimeerde] het nog openstaande bedrag van € 179.490,73 met rente over € 174.385,53 te voldoen. RPC betwist het spoedeisend belang en voert aan dat in een specifieke rechtsverhouding als de onderhavige grote terughoudendheid moet worden toegepast ter zake van een incassovordering. RPC beroept zich voorts op schade die zij zou ondervinden doordat [geintimeerde] haar klanten belevert.

4.9.2.De voorzieningenrechter heeft in zijn beoordeling van deze vordering van [geintimeerde] de juiste maatstaf toegepast. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent heeft overwogen. Weliswaar merkt RPC terecht op dat zij in de loop der jaren haar betalingsachterstand heeft verkleind, maar dat neemt niet weg dat in eerste aanleg terecht bedenkingen zijn geuit omtrent de betalingsmoraal van RPC, omdat de achterstand in 2008 buitengewoon hoog was en voortdurend een achterstand is blijven bestaan. Ook het hof gaat uit van spoedeisendbelang van [geintimeerde] bij betaling, nu het nog steeds om een substantieel bedrag gaat. Het enkele feit dat [geintimeerde] lang geduld met RPC heeft gehad maakt dat niet anders.

4.9.3.Grief 4 van RPC faalt dus.

4.10.Nu het vonnis waarvan beroep in stand blijft, is ook de compensatie van de proceskosten terecht. Grief 6 van [geintimeerde] faalt dus ook.

4.11. [geintimeerde] heeft bewijs aangeboden. Reeds omdat een kort geding zich daartoe niet leent zal het hof dat aanbod passeren.

4.12.De slotsom is dat het hof het vonnis zal bekrachtigen. Omdat alle grieven van RPC falen wordt zij veroordeeld in de kosten in principaal appel. [geintimeerde] wordt in het incidenteel appel in het ongelijk gesteld, zodat zij zal worden veroordeeld in de kosten daarvan.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt RPC in de kosten in het principaal appel, welke aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op € 649,-- aan verschotten en € 2.632,-- aan salaris van de advocaat;

[geintimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel, welke aan de zijde van RPC worden begroot op € 447,-- aan salaris van de advocaat

verklaart het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.Th. Gründemann en P.M. Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 mei 2012.