Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1323

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
200.053.290-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging kredietovereenkomst, zorgplicht bank, eisen van propotionaliteit en subsidiariteit, herhaalde sommatie tot aanzuivering, vertrouwensbreuk, nakosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civielrecht

Zaaknummer: 200.053.290/01

Rolnummer rechtbank: 314507 / HA ZA 08-2171

ARREST d.d. 10 juli 2012

inzake

1. [APPELLANT],

2. [APPELLANTE],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J. van Weerden te Rotterdam,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Rabobank,

advocaat: mr. J. van Baaren te Rotterdam.

De verdere loop van het geding

1. Voor de loop van het geding tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 10 augustus 2010 en de daarin genoemde gedingstukken. De daarbij bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 21 september 2010 en het hof verwijst naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal (met bijlagen). [appellant] heeft daarna op 23 november 2010 en 25 oktober 2011 aktes genomen waarbij hij producties heeft overgelegd. Rabobank heeft daarop bij antwoordakte gereageerd. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 opgenomen feiten, nu partijen tegen de vaststelling daarvan niet zijn opgekomen. Met inachtneming van hetgeen overigens uit overgelegde producties als vaststaand blijkt, gaat het in deze zaak om het volgende.

3. Partijen hebben op 3 februari 1994 een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 132.503,82. Tot zekerheid van de nakoming van de daaruit voortvloeiende (terug-)betalingsverplichtingen heeft [appellant] bij aktes van dezelfde datum ten behoeve van Rabobank een recht van eerste hypotheek verleend op een tweetal hem toebehorende appartementsrechten (een woning en een parkeerplaats) te [woonplaats], alsmede de rechten uit een levensverzekeringsovereenkomst bij Interpolis verpand. Op 31 augustus 2005 en op 6 juli 2006 heeft Rabobank nadere kredieten verstrekt aan [appellant] van respectievelijk € 6.500,- en € 26.000,-. Bij brief van 15 mei 2008 heeft Rabobank aangegeven dat [appellant] “reeds geruime tijd” in verzuim is met de nakoming van de financiële verplichtingen jegens de bank en dat [appellant] wordt verzocht binnen tien dagen contact op te nemen voor het vinden van een “acceptabele oplossing”. In de brief wordt [appellant] tevens gesommeerd tot betaling aan Rabobank van € 139.786,05 en wordt de verstrekte financiering met onmiddellijke ingang opgezegd indien [appellant] aan het verzoek van Rabobank geen gehoor geeft of een “acceptabele oplossing” niet mogelijk blijkt te zijn. Een “acceptabele oplossing” is niet tot stand gekomen. Daarop is [appellant] bij brieven van 16 en 26 juni 2008 door de notaris van Rabobank de executieveiling van zijn appartementsrechten aangezegd. Bij kort gedingvonnis van 14 oktober 2008 is de vordering van [appellant] tot schorsing van de aangekondigde executiemaatregelen afgewezen. In het najaar van 2008 zijn de voornoemde appartementsrechten tijdens een executoriale veiling verkocht voor € 182.000,-.

4. In dit geding heeft [appellant], na eiswijziging, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Rabobank jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door de kredietovereenkomsten tussen partijen op te zeggen, alsmede dat Rabobank wordt veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. De aanvankelijk door [appellant] ingediende vordering dat voor recht wordt verklaard dat de tekortkoming van [appellant] de ontbinding van de overeenkomsten niet rechtvaardigt, is door de rechtbank in het bestreden vonnis afgewezen op grond van de overweging dat de kredietovereenkomsten niet zijn ontbonden, maar door Rabobank op grond van de Algemene Bankvoorwaarden zijn opgezegd. Met de tegen dit vonnis voorgedragen grief wordt het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorgelegd.

5. [appellant] heeft niet bestreden dat de door Rabobank in het geding gebrachte Algemene Bankvoorwaarden (prod. 14 conclusie van antwoord) van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomsten en evenmin dat Rabobank op grond van (artikel 30 van) deze voorwaarden bevoegd was de tussen hen bestaande relatie op te zeggen. Ter beantwoording ligt derhalve voor de vraag of Rabobank jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, door van deze opzeggingsbevoegdheid gebruik te maken op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Daarbij stelt het hof voorop dat Rabobank uit hoofde van haar maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht jegens haar cliënten heeft, waarvan de reikwijdte afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Deze bijzondere zorgplicht brengt met zich dat gebruikmaking van de (contractuele) bevoegdheid om een bestaande (krediet)relatie op te zeggen slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkoms(en) leidt, indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat en ten minste is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

6. Volgens [appellant] heeft Rabobank niet aan deze eisen voldaan. Hij heeft in dit verband aangevoerd (1) dat de brief van 15 mei 2008 niet kan worden beschouwd als een serieuze poging om een acceptabele oplossing te vinden nu in de brief ervan blijk wordt gegeven dat Rabobank hoe dan ook van [appellant] afscheid wilde nemen, (2) dat van een betalingsachterstand in het kader van de hypothecaire lening van 3 februari 1994, gelet op het door hem als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde “Overzicht Betalingsgedrag rente betalingen hypotheek Rabobank” (hierna: Overzicht Betalingsgedrag), geen sprake is geweest en [appellant] terzake dan ook niet in verzuim is geraakt, (3) dat de gevolgen van de executoriale verkoop van de appartementsrechten voor het gezin van [appellant] dispropotioneel zijn ten opzichte van de geringe betalingsachterstand en (4) dat Rabobank verzuimd heeft om te zoeken naar een voor het gezin van [appellant] minder belastende oplossing. [appellant] heeft ter comparitiezitting van het hof en bij akte van 25 oktober 2011 bewijs aangeboden van zijn stellingen met betrekking tot gesprekken die in 2006 en 2007 met Rabobank hebben plaatsgevonden over, onder meer, zijn verzoek omtrent halvering van het periodiek te betalen rentebedrag. Hij begroot de schade die hij door de onterechte opzegging heeft geleden op (in hoofdsom) € 103.000,-, overeenkomende met het verschil tussen de bij de executieveiling verkregen prijs en de marktwaarde van zijn appartementsrechten.

7. Rabobank heeft in haar verweer erop gewezen dat [appellant] vanaf 2006 niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens Rabobank heeft voldaan en overigens heeft verzuimd Rabobank in kennis te stellen van voor de kredietrelatie relevante omstandigheden, waardoor een vertrouwensbreuk is ontstaan. Ten tijde van de “opzeggingsbrief” van 15 mei 2008 was, zo stelt Rabobank, sprake van een betalingsachterstand van € 1.296,30 aan rente ter zake van de hypothecaire lening van 3 februari 1994 en een ongeoorloofde overstand op het op 6 juli 2006 verstrekte krediet. Rabobank heeft ter onderbouwing van de gestelde betalingsachterstand gewaarmerkte rekeningoverzichten in het geding gebracht (prod. 7 bij memorie van antwoord). Uit dat overzicht volgt dat vanaf juli 2007 onregelmatigheden in de maandelijkse rentebetalingen zijn ontstaan. In juli 2007 zijn de betalingen over mei en juni 2007 gestorneerd. Deze termijnen zijn op 20 augustus 2007 betaald. Op 25 september 2007 is de rente over juli 2007 voldaan. Op 4 januari 2008 zijn de termijnen over augustus, september en deels oktober voldaan. Een ander gedeelte over oktober 2007 is op 5 februari 2008 betaald en pas op 19 februari 2008 is het resterende deel over oktober 2007 voldaan, tezamen met de termijnen over november en december 2007. Per 5 maart 2008 is de rente over januari 2008 betaald en op 9 april 2008 over februari 2008. Ultimo april 2008 bedroeg de achterstand volgens het overzicht (€ 5.832,30 - € 4.535,70 =) € 1.296,60. [appellant] heeft daarnaast meerdere malen verzuimd om zijn premies ten behoeve van de aan Rabobank verpande levensverzekering te betalen. Rabobank heeft brieven in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij in december 2006 is overgegaan tot blokkering van de Rabocards van [appellant] vanwege het onregelmatige verloop van de betaalrekening en dat zij [appellant] op 2 juli, 19 juli, 20 juli, 5 september en 21 november 2007 en op 2 en 15 januari 2008 heeft gesommeerd om tot aanzuivering van de betalingsachterstanden over te gaan, bij gebreke waarvan de relatie zou worden opgezegd en tot uitwinning van de gestelde zekerheden zou worden overgegaan. Rabobank bestrijdt de juistheid van het door [appellant] overgelegde en door hem zelf opgestelde Overzicht Betalingsgedrag en wijst erop dat [appellant] tegen de hoogte van de in de diverse aanmaningen van Rabobank genoemde bedragen nooit heeft geprotesteerd. Op grond van de artikelen 12 en 13 van de Algemene Bankvoorwaarden mag dan ook van de juistheid van die bedragen worden uitgegaan, aldus Rabobank. Daarnaast, zo voert Rabobank verder aan, was sprake van een tweetal op de appartementsrechten van [appellant] gelegde beslagen. Volgens Rabobank betrof dit allereerst een op 12 oktober 2004 door de vennootschap Subaru Benelux N.V. (hierna ook: Subaru) voor een totaalbedrag van 29 miljoen euro gelegd (conservatoir) beslag en voorts een op 4 september 2006 door de VvE Flatgebouw [P] ten laste van [appellant] gelegd executoriaal beslag. Zij stelt dat [appellant] heeft verzuimd Rabobank van het beslag van Subaru in kennis te stellen en dat [appellant] zelfs tijdens een gesprek op 21 oktober 2007 in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij op de appartementsrechten ten behoeve van ABN AMRO een recht van tweede hypotheek had doen vestigen, zoals Rabobank uit het kadaster was gebleken. Ten slotte is [appellant] op de in de brief van 15 mei 2008 genoemde “uitnodiging” om in overleg te zoeken naar een “acceptabele oplossing” niet ingegaan. [appellant] heeft geen kenbare pogingen gedaan om tot herfinanciering van de door Rabobank verstrekte kredieten te komen en heeft, ook na de aangezegde executoriale verkoop, geen stappen gezet die tot een onderhandse verkoop van zijn appartementsrechten zouden kunnen leiden. Zelfs de in de brieven van de notaris van Rabobank van 16 en 26 juni 2008 herhaalde aanzegging om de aangekondigde executieveiling in overleg met de beslaglegger(s) en Rabobank te voorkomen is door [appellant] geheel in de wind geslagen, aldus nog steeds Rabobank, die zich tot slot (subsidiair) heeft beroepen op aansprakelijkheidsvermindering wegens eigen schuld aan de zijde van [appellant].

8. [appellant] heeft tegenover het gemotiveerde verweer van Rabobank geen nadere feiten gesteld of gegevens verstrekt waarop zijn standpunt dat voor de opzegging van de kredietrelatie geen voldoende zwaarwegende grond bestond kan worden geschraagd. Meer in het bijzonder geldt dat [appellant] tegenover de betwisting door Rabobank van de juistheid van het Overzicht Betalingsgedrag geen feiten heeft gesteld die erop wijzen dat ten tijde van de opzeggingsbrief van 15 mei 2008 geen sprake was van een betalingsachterstand op de hypothecaire lening van 3 februari 1994. Dat op dat moment sprake was van een ongeoorloofde overstand op het op 6 juli 2006 verstrekte krediet heeft [appellant] overigens erkend. [appellant] heeft voorts niet betwist de door Rabobank genoemde sommatiebrieven te hebben ontvangen, zodat hij al vanaf (ten minste) 2 juli 2007 op de hoogte was van het voornemen van Rabobank om de relatie met hem op te zeggen als de betalingsachterstand niet zou worden ingelopen. Daarnaast heeft [appellant] niet (deugdelijk gemotiveerd) bestreden dat hij meerdere met Rabobank getroffen betalingsregelingen niet is nagekomen, dat hij buiten medeweten van Rabobank op de appartementsrechten ten behoeve van een andere bank een tweede hypotheek had gevestigd en dat op de appartementsrechten beslagen waren gelegd, waaronder één tot zekerheid van een vordering van 29 miljoen euro, zonder dat hij Rabobank daarvan destijds in kennis had gesteld. Het is het hof dan ook niet kunnen blijken dat de conclusie van Rabobank dat in de loop van 2008 sprake was van een substantieel gebleken toename van het krediet- en verhaalsrisico is gestoeld op onjuiste feiten, zodat Rabobank naar het oordeel van het hof op goede gronden gebruik heeft kunnen maken van haar (contractuele) bevoegdheid om de kredietrelatie met [appellant] op te zeggen.

9. Ook met de wijze waarop Rabobank aan die bevoegdheid uitvoering heeft gegeven zijn naar het oordeel van het hof geen rechtsregels geschonden. Rabobank heeft onbestreden gesteld dat het pandrecht op de rechten uit de levensverzekering van [appellant] geen reëel alternatief kon bieden, nu de uitwinning daarvan onvoldoende zou hebben opgeleverd voor een integrale aflossing van de schuld en Rabobank bovendien de oudedagsvoorziening van [appellant] wenste te respecteren. Na de beëindigingsbrief van 15 mei 2008 heeft Rabobank [appellant] voorts nog enkele maanden de gelegenheid geboden om al dan niet in overleg te komen tot een andere oplossing dan die die de executoriale verkoop van de appartementsrechten inhield. De omstandigheid dat [appellant] die gelegenheid om hem moverende redenen onbenut heeft gelaten is het gevolg van zijn eigen keuze en kan Rabobank dan ook niet op wanprestatie komen te staan. De door [appellant] te bewijzen aangeboden gesprekken kunnen in het voorgaande geen verandering brengen, zodat het hof aan zijn bewijsaanbod ten slotte voorbij gaat.

10. De grief kan [appellant] derhalve niet baten en zijn (gewijzigde) vordering zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2009;

- wijst het anders of meer gevorderde af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Rabobank begroot op totaal € 2.101,-, zijnde € 313,- aan griffierecht en € 1.788,- aan kosten van de advocaat, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan daarover de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd zal zijn, te berekenen vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.J. van der Ven en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2012 in aanwezigheid van de griffier.