Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0223

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
200.092.564/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3462, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

waarderingsgrondslag ondernemingsvermogen, de economische waarde;

fiscale claims voor het nominale bedrag meegenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 18 januari 2012

Zaaknummer : 200.092.564/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-1054

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. Ch. L. van den Puttelaar te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M.T. Van Ruitenbeek-de Bekker te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 19 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 mei 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 13 oktober 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 17 november 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 26 augustus 2011 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 29 augustus 2011 een brief van 26 augustus 2011 met bijlagen;

- op 16 november 2011 een brief van 15 november 2011 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 22 november 2011 een faxbericht met bijlage.

De zaak is op 25 november 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 7.450,- aan de vrouw dient te betalen; het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Algemeen

1. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het betreft de beslissingen genoemd onder grieven I tot en met VII van het appelschrift en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

- dat het te verrekenen vermogen van de man uit de onderneming per peildatum dient te worden verminderd met € 22.695,- in verband met de belastingen en overige schulden van de onderneming;

- te bepalen dat de waarde van de onroerende zaken die de man bedrijfsmatig exploiteert (zie onder grief I op pagina 6 van het appelschrift) per peildatum in totaal € 1.342.500,- bedraagt;

- ten aanzien van de boekwinst ter zake van de in de onderneming van de man aanwezige stille reserves:

o primair te bepalen dat een belasting moet worden betaald van 52%, zodat de netto waarde van de panden bedoeld onder II € 477.232,- bedraagt;

o subsidiair over de twee niet verkochte panden een belastingclaim vast te stellen van 43%;

- te bepalen dat de latente belastingclaim over de in de onderneming van de man opgebouwde oudedagsreserve per 1 december 2005 primair 52%, subsidiair 43% bedraagt;

- te bepalen dat de latente belastingclaim over de waarde van de lijfrentepolis van de man primair 52%, subsidiair 43% bedraagt;

- ten aanzien van de waarde van de voormalige echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [straatnaam] [nummer] te [plaats], per peildatum:

o primair te bepalen dat deze € 825.000,- bedraagt;

o subsidiair te bepalen dat deze € 816.000,- bedraagt;

- te bepalen dat het saldo op de aan de vrouw toegescheiden bankrekening ([nummer]) bij de [naam] Bank per peildatum € 21.692,- bedraagt;

- te bepalen dat het aandeel van de vrouw in de maatschap [naam] en de bedrijfsrekening van snackbar [naam] behoort tot het tussen partijen te verrekenen vermogen en een onafhankelijk (financieel) deskundige te benoemen om de maatschap te waarderen;

- te bepalen dat de vrouw het bedrag van € 60.000,- dat zij zich ten onrechte heeft toegeëigend behoort tot het te verrekenen vermogen van de man.

2. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof hetgeen de man in appel verzoekt af te wijzen, en voorts in incidenteel appel om de bestreden beschikking te vernietigen:

- ten aanzien van de gehanteerde peildata aangaande de waardering van de eenvoudige gemeenschappen, en in plaats daarvan te bepalen dat als peildata voor de eenvoudige gemeenschappen de data dienen te gelden van feitelijke verdeling, zoals aangedragen door de vrouw en tevens te bepalen dat als gevolg daarvan de saldi op die data in de verrekening dienen te worden betrokken;

- ten aanzien van de verrekening van de woning aan de [straatnaam], en in plaats daarvan primair te bepalen dat 1/13 van de waarde van de woning aan de [straatnaam] als zijnde privévermogen van de vrouw niet in de afrekening van het te verrekenen vermogen op grond van het verrekenbeding dient te worden meegenomen, subsidiair te bepalen dat de vrouw een vordering heeft op de man van ƒ 25.000,- (€ 11.344,50) nominaal, op grond waarvan hij dit bedrag aan haar dient te voldoen;

- ten aanzien van de gehanteerde latente belastingclaim ter zake de panden van de man op de peildatum, en in plaats daarvan te bepalen dat de latente belastingclaim ter zake de waarde van de panden van de man op de peildatum wordt vastgesteld op 20%;

- ten aanzien van de aan de zijde van de vrouw in aanmerking te nemen schulden, door daaraan toe te voegen de eerder vergeten schuld van de vrouw van € 1.875,- in verband met door haar ontvangen borgen, en te bepalen dat deze in de verrekening dient te worden betrokken, met als gevolg dat de man aan de vrouw extra dient te voldoen een bedrag van € 937,50,

en de beschikking voor het overige te bekrachtigen, kosten rechtens.

Onderneming [naam]

3. In de eerste grief maakt de man bezwaar tegen de wijze waarop de rechtbank de waarde van de eenmanszaak [naam] heeft vastgesteld. In de visie van de man dient bij de bepaling van de waarde van de eenmanszaak/onderneming rekening te worden gehouden met zowel de actiefzijde van de balans als met de passiefzijde van de balans. Bij de waardering heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de passiefzijde van de balans.

4. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man. Zij gaat uit van een schuld (aan borgen) van de man van € 6.726,81. Het meerdere heeft de man niet aangetoond.

5. Het hof begrijpt uit de stukken van de man dat hij zich in beginsel kan verenigen met de waardering van de onderneming op basis van de intrinsieke waarde, met dien verstande dat bij de berekening zowel rekening wordt gehouden met de actiefzijde als de passiefzijde van de balans.

6. Uit de gewisselde stukken blijkt echter dat de waarde van de onroerende zaken is gebaseerd op toekomstige kasstromen die met de goederen van de eenmanszaak kunnen worden gerealiseerd.

7. De door de man ingeschakelde deskundige heeft de waarde van de onroerende zaken vastgesteld op een bedrag van

€ 1.342.500,-, uitgaande van de factor 10 (10 maal de jaarlijkse huurwaarde).

8. De door de vrouw ingeschakelde deskundige heeft de waarde van de onroerende zaken eveneens op basis van kasstromen vastgesteld. Deze deskundige heeft een factor 13,2 gehanteerd, namelijk 13,2 maal de jaarlijkse huurwaarde, hetgeen resulteert in een waarde van € 1.566,495,-.

9. Het hof overweegt als volgt. Ondanks het feit dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft, is het hof van oordeel dat de waarde van een eenmanszaak (onderneming) kan worden vastgesteld. Wat de waarderingsgrondslag dient te zijn, is afhankelijk van het door partijen gevoerde debat. Indien partijen geen overeenstemming weten te vinden over de waarderingsgrondslag van de onderneming is het aan de feitenrechter voorbehouden om de waarderingsgrondslag vast te stellen. In beginsel dient bij de waardering van een onderneming te worden uitgegaan van de economische waarde. Onder een economische waarde verstaat het hof een geldstroombenadering, welke zich richt op toekomstige geldstromen, en welke rekening houdt met de tijdswaarde, verwachting en risico.

10. In het onderhavige geval hebben partijen een mix gemaakt van de economische waarde en de intrinsieke waarde. Het hof zal partijen hierin volgen. De vrouw wenst bij de waardering van de onroerende zaken uit te gaan van de factor 13,2 en de man van de factor 10. Gezien de stellingen van partijen zal het hof de factor in redelijkheid bepalen op 13,2 plus 10, gedeeld door 2, te weten 11,6, wat resulteert in de waarde van de panden van € 1.376.616,70.

11. Voor wat betreft de ondernemingsschulden heeft de man gesteld dat uitgegaan moet worden van een bedrag van

€ 22.695,-. De vrouw heeft zich hieraan ter zitting gerefereerd.

12. Het hof gaat uit voor wat betreft de ondernemingsschulden zoals door de man gesteld, derhalve van een bedrag van

€ 22.695,-.

Belastinglatentie

13. Uit de gewisselde stukken volgt dat er tussen partijen een geschil bestaat met betrekking tot de wijze waarop de belastingclaim met betrekking tot een aantal fiscale kwesties dient te worden vastgesteld. De fiscale kwesties zijn:

de belastingclaim op de stille reserves van de onderneming;

de belastingclaim op de oudedagsreserve;

de belastingclaim op de lijfrentepolis van de man.

14. Het hof overweegt als volgt. Partijen wensen nu te komen tot een financiële afwikkeling van de activa en passiva en niet in de toekomst. Gezien het feit dat er nu tot financiële afwikkeling dient te worden gekomen tussen partijen acht het hof het redelijk en billijk dat de fiscale claim voor het nominale percentage van 52% wordt meegenomen. Het feit dat de fiscale claim thans feitelijk nog niet behoeft te worden betaald, doet daaraan niet af. Voor partijen bestaat te allen tijde het risico dat korte tijd na de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een fiscale claim alsnog wordt gerealiseerd.

15. Het hof is derhalve van oordeel dat de fiscale claims voor een percentage van 52% moeten worden meegenomen.

Maatschap [naam]

16. In grief 7 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aandeel van de vrouw in de maatschap [naam] (exploitatie Snackbar [naam]) niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Naar het oordeel van de man heeft de vrouw niet kunnen aantonen dat de investering is gedaan uit privévermogen. De schenking die de vrouw destijds heeft gekregen van ƒ 100.000,- is gestort op een gemeenschappelijke rekening die tevens gevoed werd door inkomsten van de man. Op basis van kasstromen is niet te achterhalen dat het bedrag van ƒ 100.000,- is geïnvesteerd in:

de maatschap [naam];

de voormalige echtelijke woning aan de [straatnaam].

17. De vrouw is van mening dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de investering in de hiervoor vermelde maatschap en de eigen woning is verricht met privévermogen van de vrouw.

18. Het hof overweegt als volgt. Onbestreden is dat de investeringen in het maatschapvermogen en de voormalige echtelijke woning zijn gedaan van een gemeenschappelijke rekening, althans van een rekening die door meerdere bronnen werd gevoed. Het bedrag van de schenking op deze rekening is vermengd met andere gelden, zodat de geschonken bedragen niet meer behoren tot het privévermogen van de vrouw. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor vermelde vermogensbestanddelen door haar uit privévermogen zijn gefinancierd. Het hof gaat er derhalve van uit dat de goederen behoren tot het te verrekenen vermogen.

19. Op basis van de stukken kan het hof de waarde van het maatschapsaandeel niet vaststellen. Partijen dienen zich hierover en over de mogelijke waarderingsgrondslag uit te laten. Partijen kunnen zich binnen zes weken na heden uitlaten over de waarde. Indien partijen niet tot overeenstemming komen zal het hof een deskundige benoemen. Het hof wijst partijen op de zeer aanzienlijke kosten die daarmee gemoeid zijn.

[naam]bank

20. De zesde grief van de man inzake het saldo op de rekening bij de [naam]bank slaagt, nu de vrouw ter zitting heeft verklaard zich hier niet langer tegen te verzetten.

Waarde voormalige echtelijke woning

21. Hof gaat van de waarde uit van de WOZ-waarde van de voormalige echtelijke woning van € 814.000,- aangezien het hof deze waarde objectief voorkomt.

22. Grief 8 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking.

Incidenteel appel

23. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij zich niet langer verzet tegen de door de rechtbank gehanteerde peildatum met betrekking tot de eenvoudige gemeenschappen, zodat haar eerste grief in incidenteel appel geen verdere bespreking behoeft.

24. Wat betreft het door de vrouw in haar tweede grief gestelde met betrekking tot de inbreng van ƒ 50.000,- uit privévermogen van de vrouw in de voormalige echtelijke woning verwijst het hof naar hetgeen sub 18 overwogen is.

25. Met betrekking tot grief 3 inzake de latente belastingclaim verwijst het hof naar hetgeen hierover overwogen is sub 14 en 15.

26. Ten slotte slaagt de vierde grief van de vrouw in incidenteel appel, nu de man ter zitting verklaard heeft zich hier niet tegen te verzetten. Het hof zal de schuld van de vrouw van € 1.875,- aan haar huurders derhalve in de verrekening betrekken.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat partijen zich binnen zes weken na datum van deze beschikking bij brief kunnen uitlaten omtrent de waarde van het maatschapsaandeel van de vrouw in [naam]. Voorts dienen partijen zich uit te laten of één of drie deskundigen moeten worden benoemd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van de Poll en Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2012.