Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8649

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
22-001203-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1698, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU6064, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU6064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof heeft in hoger beroep een 39-jarige vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaren. Het hof acht bewezen dat de verdachte op 6 maart 2009 in Den Haag een alleenwonende, hoogbejaarde en hulpbehoevende vrouw met messteken om het leven heeft gebracht. De verdachte had in het verleden jarenlang als thuishulp voor deze vrouw gewerkt.

De verdachte was naar de woning van het slachtoffer gegaan, op zoek naar het bankpasje van de vrouw. Toen zij de verdachte betrapte, raakte de verdachte in paniek en heeft zij het slachtoffer vele malen met een mes gestoken. Als gevolg hiervan is de vrouw overleden. Ook na haar daad heeft de verdachte nog in de woning gezocht.

Bij de strafoplegging heeft het hof in strafverhogende zin rekening gehouden met het feit dat de verdachte een vertrouwensband met het slachtoffer had (gehad) en dat de verdachte haar in haar eigen woning met bruut geweld heeft omgebracht. Ook heeft het hof meegewogen dat de verdachte in haar verklaringen na het instellen van hoger beroep een onschuldig iemand, die een bijzondere band had met het slachtoffer, ten onrechte heeft beschuldigd.

Het openbaar ministerie eiste in hoger beroep een gevangenisstraf van 20 jaren voor moord. De rechtbank in Den Haag veroordeelde de vrouw voor moord, na een eis van 18 jaren, tot een levenslange gevangenisstraf. Het openbaar ministerie ging in hoger beroep, omdat het deze straf te zwaar vond. Ook de verdachte, die ontkent, ging in hoger beroep. Het hof heeft de verdachte nu veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001203-10

Parketnummer: 09-757405-09

Datum uitspraak: 23 maart 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

[adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Nieuwersluis (P.I. Utrecht) te Nieuwersluis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 15 juni 2010, 1 en 12 oktober 2010, 23 november 2010 en de terechtzitting van 25 januari, 1 februari, 11 februari, 8 maart en 9 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (moord) veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 6 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen (tenminste vijftig keer) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlijf en/of de hals en/of de nek en/of het gezicht en/of het (achter)hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 6 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen (tenminste vijftig keer) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlijf en/of de hals en/of de nek en/of het gezicht en/of het (achter)hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal en/of poging diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 6 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen (tenminste vijftig keer) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlijf en/of de hals en/of de nek en/of het gezicht en/of het (achter)hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en een andere straf dan de rechtbank.

Verzoek tot een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek

Door de verdediging is tijdens het pleidooi verzocht een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten, nu de verdachte volgens de verdediging gezien haar persoonlijkheid niet in staat is op adequate wijze uitleg te geven over haar keuzes, handelingen en afwegingen, waardoor zij in sommige gevallen een leugenachtige indruk maakt.

Het hof acht een aanvullend persoonlijkheidsonderzoek niet noodzakelijk, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd, gelet op het feit dat de verdachte reeds tweemaal in het Pieter Baan Centrum is onderzocht en het verzoek bij pleidooi wordt gemotiveerd met opmerkingen van een psychiater die de verdachte niet heeft onderzocht of gesproken. Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Het hof gaat op basis van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden1 en verbindt daaraan zijn conclusies

A. Het delict

1. Op 6 maart 2009 gaat de politie na een melding om omstreeks 13:16 uur naar de [adres slachtoffer] te Den Haag. Op aanbellen wordt niet opengedaan. De politie krijgt de voordeur na een paar klappen open. De verbalisanten zien in de hal van de woning een oudere vrouw liggen in een grote plas bloed. Zij zien ook dat de vrouw op haar rug ligt, met haar hoofd naar rechts gedraaid, en dat zij niet beweegt. Nadat de GGD ter plaatse is gekomen, hoort een van de verbalisanten dat de ggd-broeder tegen hem zegt dat het slachtoffer is overleden.2

2. Uit het bevolkingsregister van de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente 's-Gravenhage is een pasfoto opgehaald van de bewoonster van het pand [adres slachtoffer]. Uit het GBA blijkt dat op genoemd adres staat ingeschreven: [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1930 te Den Haag. Ook de getuigen [getuige 4] en [getuige 1] kenden de bewoonster van het pand als [slachtoffer] (verder te noemen: het slachtoffer).3

3. Op het lichaam van het slachtoffer wordt op 8 maart 2009 sectie verricht. In het rapport worden samenvattend - zakelijk weergegeven - de volgende resultaten, interpretatie en conclusie verwoord: bij het slachtoffer is sprake van circa 51 scherprandige huidletsels en perforaties met het aspect van steek- en snijletsels. De letsels zijn alle bij leven opgelopen, opgeleverd door steken met bijvoorbeeld één of meer scherpe snijdende voorwerpen en passen bij steken en snijden met een of meer messen. Verspreid over de linkerzijde van de hoofdhuid, de linkerzijde van het gezicht en de linkeroorschelp bevinden zich scherprandige huidletsels en huidklievingen. Links aan de hals zijn er ook scherprandige huidletsels. Midden aan het achterhoofd in de hoofdhuid net boven de nek bevindt zich een iets driehoekige huidperforatie en aan de bovenzijde van de rug zijn er scherprandige huidletsels. Ook aan de strek- en buigzijde van de linkerhand en de strek- en buigzijde van de vingers van de linkerhand bevinden zich huidletsels.4 Volgens het tweede relaas forensisch technisch onderzoek met forensische analyse heeft het slachtoffer zich zeer waarschijnlijk met de linkerhand afgeweerd, terwijl zij werd gestoken. In de schedel worden twee metalen deeltjes aangetroffen. Aan deze metalen delen wordt een indicatief souche-onderzoek uitgevoerd, waarbij wordt vastgesteld dat de twee metalen delen oorspronkelijk één geheel hebben gevormd en gezamenlijk één mespunt vormen. Dit is door één steek veroorzaakt.5 [slachtoffer] is volgens het rapport overleden als gevolg van meermalen opgelopen uitwendig inwerkend perforerend en klievend geweld. Het overlijden wordt verklaard door het massale bloedverlies en het functieverlies van de vitale organen hierdoor. Het is op grond van de sectiebevindingen niet mogelijk een volgorde aan te geven in het oplopen van de letsels en evenmin hoe lang het slachtoffer na het oplopen van de letsels nog heeft geleefd.6

Tussenconclusie

4. Uit het bovenstaande blijkt dat meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlichaam en de hals en het gezicht en het hoofd van het slachtoffer is gestoken en/of geprikt, ten gevolge waarvan zij is overleden.

B. Tijdstip overlijden

5. In een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek wordt vermeld dat op basis van een berekening het tijdstip van overlijden ligt op 6 maart 2009 tussen 4:37 uur en 13:37 uur.7

6. [getuige 1], de benedenbuurman van het slachtoffer, verklaart op 7 maart 2009 tegenover de politie dat hij op vrijdagochtend 6 maart2009 nog bij het slachtoffer in de woning is geweest. Hij heeft toen post voor haar gehaald en heeft haar gevraagd wie hij moest bellen voor de portiekdeur van de flat, die defect bleek te zijn. Het slachtoffer heeft hem toen gezegd dat hij het bedrijf Staedion moest bellen en hem het nummer van dit bedrijf gezegd. Dit nummer heeft hij op een krant opgeschreven en na terugkomst in zijn woning gebeld. Volgens [getuige 1] zag het slachtoffer er tijdens het bezoek netjes uit en zei zij dat alles goed was.8

7. In het 'proces-verbaal van bevindingen telefoneren getuige [getuige 1] naar Staedion 6-3-9' wordt vermeld dat de historische gegevens werden opgevraagd van de vaste huisaansluiting van [getuige 1], en dat daaruit is gebleken dat vanaf die vaste aansluiting op 6 maart 2009 te 10:34:37 uur is gebeld met de aansluiting (31)9001424 van de woningcorporatie Staedion.9

8. Het dossier bevat geen verklaringen van andere getuigen die hebben gesteld het slachtoffer nog op 6 maart 2009 in leven te hebben gezien.

Tussenconclusie

9. Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat het bezoek van [getuige 1] aan het slachtoffer op 6 maart 2009 vóór 10:34:37 uur moet hebben plaatsgevonden. Het hof gaat er gelet daarop van uit dat het slachtoffer is overleden op 6 maart 2009, tussen het tijdstip waarop het bezoek van [getuige 1] heeft plaatsgevonden (enige tijd vóór 10:34:37) en 13:37 uur.

C. De laatste jaren vóór het overlijden van het slachtoffer

10. De kapster van het slachtoffer, mevrouw [getuige 5], verklaart op 11 maart 2009 tegenover de politie dat het slachtoffer bang was en daardoor (vrijwel) nooit buiten kwam. Ze zou niet voor een vreemde open doen, omdat ze zo bang was. Ook was ze heel netjes en was ze thuis (vrijwel) alleen bezig met schoonmaken.10 [getuige 1] haalde voor haar de post.11 Verder had het slachtoffer de thuishulp, de kruidenier en een pedicure die aan huis kwamen.12 Voorts kwam er regelmatig iemand van de stomerij langs en maakte het slachtoffer gebruik van verschillende bezorgdiensten, onder andere van de plaatselijke supermarkt (de Troefmarkt).13

11. Het slachtoffer is van 11 maart tot 19 maart 2007 opgenomen geweest in een ziekenhuis, met aansluitend tot (waarschijnlijk) oktober 2007 verblijf in het verpleeghuis De Schildershoek te Den Haag.14

12. De verdachte verklaart dat zij bij het slachtoffer heeft gewerkt vanaf 2004 of 2005 en dat zij na april 2008 niet meer bij haar is ingezet. Nadat zij was gestopt, is zij volgens haar eigen verklaring nog wel een aantal malen bij haar geweest, gewoon om een praatje te maken en voor sociale controle.15 Zij verklaart daarnaast dat zij bij bezoek aan het slachtoffer beneden aanbelde en dat het slachtoffer dan de portiekdeur opendeed. Als de verdachte bij de voordeur van het slachtoffer kwam, deed het slachtoffer zelf open.16

D. Het bellen van de bezorgdienst door de verdachte

13. [verdachte] kwam als verdachte in beeld omdat zij op 6 maart 2009 de boodschappendienst van het slachtoffer heeft gebeld17. Getuige [getuige 7], medewerkster van de Troefmarkt, verklaart daarover dat zij het slachtoffer kende van de wekelijkse telefonische bestellingen die zij deed. Zij werd op vrijdagochtend, 6 maart 2009, gebeld door een vrouw die zij volgens haar nooit eerder aan de telefoon had gehad en die vertelde dat zij van Thuiszorg was en de hulp van het slachtoffer. Zij informeerde bij [getuige 7] of het slachtoffer vandaag de boodschappen nog kreeg. [getuige 7] heeft toen doorgegeven dat de boodschappen van het slachtoffer al op donderdag waren bezorgd. De vrouw vertelde toen dat zij niet wist of het slachtoffer volgende week thuis zou zijn. Volgens haar moest het slachtoffer vandaag naar het ziekenhuis in verband met haar ogen. Zij wist niet of het slachtoffer in het ziekenhuis zou moeten blijven. [getuige 7] verklaart voorts dat zij het wel vreemd vond dat de vrouw van Thuiszorg op vrijdagochtend belde om te vragen of de boodschappen al waren bezorgd. Deze werden namelijk al vanaf eind oktober 2008 op donderdag bezorgd bij het slachtoffer. Vóór eind oktober werden de boodschappen volgens [getuige 7] wel op vrijdagochtend bezorgd.18 De verdachte bekent op 16 april 2010 tegenover de politie dat zij het desbetreffende telefoongesprek heeft gevoerd.19

E. Forensisch technisch onderzoek en sporenonderzoek door het NFI (Nederlands Forensisch Instituut)

14. Op 6 maart 2009 omstreeks 16:00 uur wordt een eerste forensisch technisch sporenonderzoek ingesteld in en rondom het pand aan de [adres slachtoffer] te Den Haag.20 De betreffende verbalisanten verklaren dat zij zien dat het een zeer schone en geordende woning is, maar dat de slaapkamer, de werkkamer en de woonkamer waren doorzocht.21 Tijdens een forensisch technisch onderzoek op 8 maart 2009 zien de betreffende verbalisanten in de slaapkamer dat enkele lades openstaan. In de werkkamer zien zij dat enkele deuren en lades van de daar aanwezige kastjes openstaan, dat op de vloer diverse papieren bescheiden waaronder bankafschriften op naam van het slachtoffer liggen, dat daar diverse goederen waaronder geldkistjes liggen en dat op diverse goederen bloeddruppels en vegen en op bloed gelijkende druppels/vegen zitten (onder meer op lade bureau, geldkistje en zwart-wit gekleurde handtas).22 In de woonkamer zien zij dat enkele deuren en lades van kastjes open staan en dat op de vloer diverse papieren liggen.23 De verbalisanten concluderen dat tussen papieren en persoonlijke bescheiden van het slachtoffer in de woon- en werkkamer, gericht gezocht was, alsmede dat overdracht van bloed heeft plaatsgevonden op diverse plaatsen en goederen in de woning, die in verband kunnen worden gebracht met het gericht zoeken in de woning.24

15. In de woning van het slachtoffer worden onder andere de volgende sporen veiliggesteld:

* Bloedmonster werkkamer, bovenrand bureaulade (dicht), AAAR8124NL;25

* DNA-bemonstering (bloed TB pos), binnenzijde zwart mapje met pasjes ed. in handtas, AAAT7925NL;26

* DNA-bemonstering (bloed TB pos), handschoenen in handtas, AAAT7931NL;27

* DNA-bemonstering slaapkamer, ritssluiting + rits zwarte toilettas, AAAZ1987NL;28

* DNA-bemonstering (bloed TB pos), binnenzijde roze notitieboekje uit handtas, AAAT7922NL;29

* Zwart/witte handtas werkkamer, 1e rechter linnenkast, bovenzijde liggedeelte, AAAR8111NL;30

* Bloedmonster werkkamer, buitenzijde deur 1e rechter linnenkast, boven slot, AAAR8120NL;31

* Bloedmonster werkkamer, rechter deurknop, 2e rechter linnenkast, AAAZ5278NL.32

16. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft de bovengenoemde bemonsteringen onderzocht en het navolgende geconcludeerd:

AAAR8124NL, AAAT7925NL en AAAT7931NL

Bij deze bemonsteringen is sprake van een DNA-mengprofiel dat van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte] kan zijn. Van het celmateriaal in deze bemonsteringen zijn DNA-mengprofielen verkregen met daarin de DNA-kenmerken van ten minste twee (vrouwelijke) personen. Er zijn in deze DNA-mengprofielen geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van DNA van meer dan twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met deze DNA-mengprofielen. Dit betekent dat het slachtoffer [slachtoffer] één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonsteringen kan zijn. Onder de aanname dat het slachtoffer [slachtoffer] daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonsteringen is, is het DNA-profiel van de tweede celdonor afgeleid. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met dit afgeleide DNA-profiel. Dit betekent dat deze bemonsteringen celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer], en eveneens celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-profiel van de tweede celdonor van het celmateriaal in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met deze afgeleide DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.33

AAAZ1987NL

Bij deze bemonstering (met bloed) is sprake van een LCN DNA-mengprofiel dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte]. Van het DNA in de bemonstering [AAAZ1987NL] van de ritssluiting en de rits is een DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van twee vrouwelijke personen. Er zijn in dit DNA-mengprofiel geen aanwijzingen verkregen op de aanwezigheid van DNA van meer dan twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat het slachtoffer [slachtoffer] één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonstering kan zijn. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht eveneens met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat de verdachte [verdachte] de tweede celdonor van het celmateriaal in deze bemonstering kan zijn. Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match tussen het DNA-mengprofiel van DNA in de bemonstering [AAAZ1987NL] van de ritssluiting en de rits en het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] zijn, onder de aanname dat het slachtoffer [slachtoffer] daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonstering is, de volgende twee hypotheses beschouwd:

Hypothese I: 'Het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte]'

Hypothese II: 'Het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van het slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurig gekozen persoon'.

De verkregen resultaten van het DNA-onderzoek zijn onder hypothese I meer dan één miljard maal waarschijnlijker dan onder hypothese II.34

AAAT7922NL

Het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering [AAAT7922NL#1] (bemonstering met bloed van de binnenzijde van een notitieboekje uit een handtas) is vergeleken met het DNA-profiel van de verdachte. Er is sprake van een match tussen het DNA-profiel van het bloed in deze bemonstering en het DNA-profiel van de verdachte. Het celmateriaal in deze bemonstering kan van de verdachte [verdachte] afkomstig zijn. De berekende frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.35

AAAR8111NL

De binnen- en buitenzijde van de tas zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn meerdere bloedsporen aangetroffen aan de buiten- en binnenzijde. Een selectie van de waargenomen bloedsporen is bemonsterd voor DNA-onderzoek. Een van de bemonsteringen is veiliggesteld als AAAR8111NL#04, een bloedspoor aan de binnenzijde van het grote vak van de tas. Het celmateriaal in deze bemonstering kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] (DNA-hoofdprofiel) en het slachtoffer [slachtoffer] (DNA-nevenkenmerken). De berekende frequentie van het hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Van het DNA in de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van tenminste twee personen. Uit het DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een vrouw wier celmateriaal prominent in de bemonstering aanwezig is. Daarnaast zijn uit het DNA-mengprofiel DNA-kenmerken van de andere persoon afgeleid (wiens celmateriaal minder prominent in de bemonstering aanwezig is). De combinatie van deze afgeleide DNA-kenmerken is het DNA-nevenprofiel. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met het DNA-hoofdprofiel. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met het DNA-nevenprofiel. Dit betekent dat de bemonstering een relatief grote hoeveelheid celmateriaal bevat die afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] en eveneens een relatief kleine hoeveelheid celmateriaal bevat die afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer].36

AAAR8120NL

De bemonstering is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. De bemonstering is veiliggesteld als AAAR8120NL#01, bemonstering 1e rechter linnenkast boven slot. Het celmateriaal in de bemonstering kan van het slachtoffer [slachtoffer] (DNA-hoofdprofiel) en verdachte [verdachte] (DNA-nevenprofiel) afkomstig zijn. De berekende frequentie van de DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard. Van het DNA in de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van ten minste twee personen. Uit het DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een vrouw wier celmateriaal prominent in de bemonstering aanwezig is. Daarnaast zijn uit het DNA-mengprofiel DNA-kenmerken van de andere persoon afgeleid (wiens celmateriaal minder prominent in de bemonstering aanwezig is). De combinatie van deze afgeleide DNA-kenmerken is het DNA-nevenprofiel. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met het DNA-hoofdprofiel. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met het DNA-nevenprofiel. Dit betekent dat de bemonstering een relatief grote hoeveelheid celmateriaal bevat die afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en eveneens een relatief kleine hoeveelheid celmateriaal die afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte].37

AAAZ5278NL

De bemonstering is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. De bemonstering is veiliggesteld als AAAZ5278NL#01, bemonstering rechter deurknop 2e rechter linnenkast. Het celmateriaal in de bemonstering kan afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte]. Van het DNA in de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van twee vrouwelijke personen. Er zijn in dit DNA-mengprofiel geen aanwijzingen verkregen op de aanwezigheid van DNA van meer dan twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat het slachtoffer [slachtoffer] één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonsteringen kan zijn. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht eveneens met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat de verdachte [verdachte] de tweede celdonor van het celmateriaal in deze bemonstering kan zijn. Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match tussen het DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering en het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] zijn, onder de aanname dat het slachtoffer [slachtoffer] daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in deze bemonstering is, de volgende twee hypotheses beschouwd:

Hypothese I: 'Het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte]'

Hypothese II: 'Het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van het slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurig gekozen persoon'. De verkregen resultaten van het DNA-onderzoek zijn onder hypothese I meer dan één miljard maal waarschijnlijker dan onder hypothese II.38

17. De raadsheer-commissaris bij dit hof heeft op 29 november 2010 schriftelijk een bloedspoorpatroon-deskundige van het NFI benoemd en verzocht onder meer de volgende vraag te beantwoorden: "hoe waarschijnlijk is het dat bloed van het slachtoffer terecht is gekomen op de/het kleding/lichaam van de dader(s) en zo ja, op welke plaatsen op het lichaam?" Voorts heeft de raadsheer-commissaris aangegeven dat de deskundige ook uit eigen beweging punten aan de orde kan stellen.

De deskundige van het NFI heeft ten aanzien hiervan onder andere het volgende gerapporteerd: Bij herhaaldelijk steken, zoals in de onderhavige zaak, kunnen ook handen van de dader(s) bebloed raken met bloed van het slachtoffer. Ook kan men zich zelf verwonden tijdens het toebrengen van steekletsel. Opgemerkt dient te worden dat van enkele bemonsteringen bloed uit de werk- en slaapkamer DNA-(meng)profielen zijn verkregen die matchen met de DNA-profielen van het slachtoffer en de verdachte. Bovendien matchen de DNA-(hoofd)profielen van twee bemonsteringen bloed AAAT7922NL#1 (binnenzijde notitieboekje handtas) en AAAR8111NL#04 (zwart wit bebloede tas) met het DNA-profiel van de verdachte. Dit sporenbeeld past in een scenario dat de verdachte zowel gewond was als met bloed van het slachtoffer gecontamineerd was en vervolgens bloedsporen heeft achtergelaten.39

Tussenconclusie

18. Het hof constateert op grond van het bovenstaande dat bij zeven van de acht hierboven vermelde, in de woning van het slachtoffer veiliggestelde sporen, sprake is van een DNA-mengprofiel dat zowel met het DNA-profiel van het slachtoffer als met dat van de verdachte matcht. Voorts is bij één bemonstering (binnenzijde roze notitieboekje uit handtas) sprake van een match tussen het DNA-profiel van het bloed in deze bemonstering en het DNA-profiel van de verdachte. Het hof stelt vast dat alle genoemde DNA-(meng)profielen afkomstig zijn van sporen waarin zich bloed bevindt.

Ten aanzien van de bemonsteringen waarbij DNA-mengprofielen zijn verkregen, is niet vast te stellen van wie het zich daarin bevindende bloed afkomstig is. Het kan daarbij gaan om bloed + bloed of bloed + celmateriaal, terwijl met de huidige stand van de wetenschap niet is vast te stellen van welke van die twee situaties sprake is.40 Gelet daarop en gezien de sporen waarbij steeds sprake is van een match tussen het betreffende DNA-mengprofiel en het DNA-profiel van de verdachte, concludeert het hof dat het bij deze DNA-mengprofielen in alle gevallen mede gaat om celmateriaal of bloed van de verdachte.

Ten aanzien van de bemonstering van de binnenzijde van het notitieboekje gaat het hof er - nu het niet gaat om een mengprofiel en ook gelet op de door het NFI berekende frequentie van het betreffende DNA-profiel - van uit dat dit het bloed van de verdachte betreft.

Het hof heeft stilgestaan bij de vraag of de genoemde sporen eerder dan op 6 maart 2009 kunnen zijn achtergelaten, bijvoorbeeld bij eerdere schoonmaakactiviteiten door de verdachte in de jaren daarvóór, zoals de verdachte stelt.41 Deze mogelijkheid wordt als niet aannemelijk ter zijde gesteld. Daarbij neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking (in onderling verband en samenhang bezien):

1. De veelheid aangetroffen sporen van de verdachte, op verschillende goederen, waarbij steeds (ook) sprake is van bloed;

2. Het feit dat veel van deze sporen werden aangetroffen op - ook in het kader van reguliere (schoonmaak)werkzaamheden bij het slachtoffer - niet voor de hand liggende plaatsen. Zo bevonden drie van de sporen zich respectievelijk aan de binnenzijde van een roze notitieboekje uit een handtas (bloed verdachte), aan de binnenzijde van een zwart mapje in een handtas en op handschoenen in een handtas. Niet aannemelijk is dat de verdachte dergelijke persoonlijke zaken in het kader van schoonmaakwerkzaamheden, dan wel in het kader van een sociaal bezoek aan het slachtoffer, heeft aangeraakt;

3. Het feit dat op diverse goederen (onder meer op lade bureau, geldkistje en zwart wit gekleurde handtas) zichtbaar bloeddruppels en vegen en op bloed gelijkende druppels/vegen zaten42 in combinatie met de omstandigheid dat de woning van het slachtoffer zeer regelmatig werd schoongemaakt43 en dat de woning een zeer schone en geordende woning was.44 Niet aannemelijk is dat die goederen op 6 maart 2009 niet inmiddels zouden zijn schoongemaakt. Dat de verdachte bij haar bezoek op 5 maart 2009 - zoals zij verklaart - haar sporen zou hebben achtergelaten, is daarbij onaannemelijk, reeds omdat de verdachte verklaart dat zij op 5 maart 2009 naar het slachtoffer ging om te kijken hoe het met haar was45 en niet dat zij toen de voorwerpen waarop haar sporen werden aangetroffen, heeft aangeraakt. Reeds op 24 maart 2009 heeft zij tegenover de politie verklaard dat zij op 5 maart 2009 alleen in de woonkamer, de hal en het toilet is geweest46 en ook dat zij zeker weet dat zij toen niet heeft gebloed.47

4. De door de verdachte genoemde schoonmaakwerk-zaamheden zouden volgens haar hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een verbouwing bij het slachtoffer in februari 2009.48 [getuige 2] heeft echter verklaard dat zij de desbetreffende schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en dat het slachtoffer het haar wel had verteld, als de verdachte daarbij zou hebben geholpen.49

Het hof concludeert gelet op het vorenstaande dat alle genoemde aangetroffen sporen delictgerelateerd zijn en derhalve niet eerder dan op 6 maart 2009 - door directe dan wel indirecte overdracht - zijn achtergelaten. Het hof vindt steun voor dit oordeel in de (in r.o. 17 vermelde) overweging van de bloedspoorpatroondeskundige, waaruit het hof afleidt dat het sporenbeeld past in een scenario dat de verdachte zowel gewond was als met bloed van het slachtoffer gecontamineerd was en vervolgens (bloed)sporen heeft achtergelaten.

F. Heeft de verdachte de tijd en de gelegenheid gehad om het ten laste gelegde te plegen?

19. Zoals reeds in onderdeel B aan de orde is gekomen, gaat het hof er van uit dat het slachtoffer is overleden op 6 maart 2009, tussen het tijdstip waarop het bezoek van [getuige 1] heeft plaatsgevonden (enige tijd vóór 10:34:37 uur) en 13:37 uur.

20. Verbalisant [verbalisant] relateert in zijn proces-verbaal dat hij de op 6 maart 2009 opgenomen bewakings-

camerabeelden in en rondom het portiek aan de [adres verdachte], zijnde de flatwoning van de verdachte, heeft bekeken. Hij verklaart dat hij op de afgespeelde beelden de verdachte herkent en ziet dat zij via de trap de begane grond betreedt op 6 maart 2009 te 8:05:23 uur. Hij ziet ook dat de verdachte de flat via de fietsenberging verlaat te 8:06:02 uur.50

21. De verdachte verklaart tijdens haar eerste verhoor door de politie dat zij op vrijdag 6 maart 2009 's ochtends van huis is weggegaan met de auto en dat zij naar haar eerste klant is gegaan, mevrouw [betrokkene 1]. De verdachte verklaart voorts dat ze van ongeveer 8:30 uur tot ongeveer 8:45 uur daar is geweest. Mevrouw [betrokkene 2] (het hof begrijpt: mevrouw [betrokkene 2], dan wel [betrokkene 2]51) was die vrijdag volgens de verdachte haar tweede klant. Tussen de eerste en de tweede klant was het ongeveer 5 minuten rijden. De verdachte denkt dat ze daar ongeveer 8:50 uur aankwam en er ongeveer te 9:00 uur is weggegaan, naar mevrouw [getuige 8].52 [getuige 8], wonende aan de [adres getuige 8] te Den Haag, verklaart dat de verdachte op 6 maart 2009 eerder rond 9:45 uur bij haar moet zijn weggegaan.53

22. [getuige 9], destijds werkzaam in de planning van thuiszorgstichting Meavita, verklaart dat, als zij ervan uit gaat dat de verdachte om 8:30 uur begonnen is met werken, zij op 6 maart 2009 tussen 10:00 uur en 10:30 uur bij haar op kantoor moet zijn gekomen. Ze herinnert zich dat de verdachte zich niet lekker voelde, dat zij hoofdpijn had en aangaf naar huis te willen. [getuige 9] heeft die mededeling voor kennisgeving aangenomen en verdachtes cliënten gebeld dat zij niet zou komen.54

23. De verdachte verklaart dat zij na het bezoek aan Meavita haar auto parkeerde bij mevrouw [betrokkene 2], in een kleine zijstraat van de Stuwstraat. Dat kan volgens de verdachte de Wiekstraat of de Pompstraat zijn geweest. Vanaf die plaats heeft zij op 6 maart 2009 te 10:19:25 uur de Troefmarkt gebeld.55 De verbalisant [verbalisant 2], belast met de analyse van telecommunicatiegegevens, verklaart in een proces-verbaal van bevindingen56 alsmede als getuige ter zitting in hoger beroep van 1 februari 201157, dat het genoemde gesprek van 10:19:25 uur eindigt via een basisstation in de door hem op het betreffende kaartje58 in zijn proces-verbaal (donker)groen weergegeven straat en dat deze plaatsbepaling overeenkomt met het door de verdachte verklaarde parkeren in de Wiekstraat.

24. De door de verdachte genoemde zijstraten van de Stuwstraat bevinden zich - blijkens onder meer een plattegrond van de wijk59 - in de directe nabijheid van de [adres betrokkene 2] te Den Haag, waar de cliënt van de verdachte, mevrouw [betrokkene 2], woont.60 De verdachte verklaart op 16 april 2010 tegenover de politie dat het vanaf de woning van mevrouw [betrokkene 2] een paar minuten lopen is naar de woning van het slachtoffer.61

25. [getuige 1] verklaart op 25 januari 2011 als getuige ter zitting in hoger beroep dat hij op 6 maart 2009 's ochtends naar het slachtoffer is gegaan om het telefoonnummer van de woningbouwvereniging Staedion aan haar te vragen. Hij heeft van het slachtoffer het telefoonnummer van Staedion gekregen en dat op een krant geschreven. Vervolgens is hij naar beneden gegaan en heeft hij, korte tijd na het bezoek aan het slachtoffer Staedion gebeld.62 Hiervoor is reeds overwogen dat dit gesprek heeft plaatsgevonden om 10:34:37 uur.63

26. In het 'proces-verbaal van bevindingen netwerkmonitoring 2 april 2009' wordt vermeld dat van beide telefoonnummers van de verdachte op 6 maart 2009 tussen 10:19:25 uur en 11:03 uur, geen gebruik wordt gemaakt. Voorts wordt vermeld dat op 6 maart 2009 te 11:03 uur door een telefoonnummer in gebruik bij de verdachte, wordt gebeld met een telefoonnummer in gebruik bij [getuige 10], wonende aan [adres getuige 10] te Den Haag. Tijdens dit gesprek wordt - aldus het proces-verbaal - gebruik gemaakt van de zendmast van KPN, nummer 15427, welke zich bevindt in de Tulpstraat 2 te Rijswijk.64 In een later opgemaakt proces-verbaal wordt gerelateerd dat het telefoongesprek van 11:03 uur heeft plaatsgevonden in een zendmastgebied gelegen tussen de wijk alwaar de plaats delict is gelegen en de woning van de vriendin van de verdachte, [getuige 10]. Voorts wordt in het proces-verbaal vermeld dat de verdachte gelet op de historische verkeersgegevens om 11:03 uur onderweg is naar haar vriendin.65

27. Volgens het proces-verbaal van bevindingen 'tijden gereden route [verdachte] 6 maart 2009' bedraagt de reistijd met de auto van de woning gelegen aan de [adres getuige 10] te Den Haag naar de woning van [getuige 10] aan de [adres getuige 10] te Den Haag, 3 minuten en 10 seconden.66

28. [getuige 10] verklaart dat zij zich herinnert dat de verdachte haar op 6 maart 2009 heeft opgebeld, dat zij vroeg of zij thuis was en dat de verdachte zei dat ze er aan kwam en naar de wc moest. [getuige 10] denkt dat de verdachte na ongeveer tien minuten voor de deur stond. Nadat ze haar de woning had binnengelaten, ging zij gelijk naar de wc. Daar bleef ze tien minuten à een kwartier. De hele tijd hoorde [getuige 10] de kraan van het fonteintje van de wc lopen. Toen de verdachte de wc af kwam ging zij nog even in de kamer zitten. Ze vertelde dat ze ziek was. Volgens [getuige 10] is de verdachte ergens tussen 11:30 uur en 11:45 uur weggegaan.67

29. In het 'proces-verbaal bevindingen 6 maart 2009' d.d. 14 oktober 2010 van verbalisant [verbalisant 2] wordt vermeld dat de verdachte om 11:28 uur de zendmast gelegen aan de Calandstraat aanstraalt, dat deze is gelegen op de route tussen de woning van [getuige 10] en haar eigen woning en dat de verdachte kennelijk onderweg is van het adres van haar vriendin in de richting van haar eigen woning.68

30. Verbalisant [verbalisant] relateert in een proces-verbaal dat hij de op 6 maart 2009 opgenomen bewakings-

camerabeelden van in en rondom het portiek aan de [adres verdachte], zijnde de woning van de verdachte, heeft bekeken. Hij herkent op de afgespeelde beelden de verdachte en ziet dat zij de flat via de fietsenberging weer betreedt om 11:55:56 uur.69 De verdachte verklaart dat zij 's middags naar winkelcentrum 'De Boogaard' is gegaan, dat zij de auto heeft gewassen op De Binckhorst en vervolgens naar huis is gegaan.70

Tussenconclusie

31. Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdachte zich toen zij op 6 maart 2009 om 10:19:25 uur de Troefmarkt belde, in een van de door de verdachte genoemde zijstraten van de Stuwstraat, althans vlakbij die Stuwstraat te Den Haag heeft bevonden. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte op dit punt. Voorts stelt het hof op grond van het vorenstaande vast dat zij in ieder geval tussen 10:19:25 uur en kort voor 11:03 uur tijd en gelegenheid heeft gehad om bij het slachtoffer aan te bellen, de woning binnen te gaan en het slachtoffer om het leven te brengen. Uitgaande van die tijdspanne heeft de verdachte gelegenheid gehad om - na het bellen van de Troefmarkt, even na 10:19 uur - van een van de zijstraten van de Stuwstraat (de omgeving van de Stuwstraat) naar de woning van het slachtoffer aan de [adres slachtoffer] te lopen en tevens om na het misdrijf naar haar auto in een van de zijstraten van de Stuwstraat terug te keren en vervolgens om 11:03 uur, onderweg naar [getuige 10] aan de [adres getuige 10], deze te bellen. Dat er voldoende tijd is geweest, geldt ook wanneer men uitgaat van het standpunt van de verdediging dat de reistijd vanaf de Wiekstraat naar de [adres getuige 10] 7 minuten is. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de betreffende locaties - de Wiekstraat/Pompstraat, de Stuwstraat en de [adres getuige 10] - alle dicht bij de plaats delict aan de [adres slachtoffer] te Den Haag zijn gelegen en de verdachte heeft verklaard dat het een paar minuten lopen is van de [adres betrokkene 2] naar de woning van het slachtoffer71 en dat zij een normale loopsnelheid heeft.72

G. Uitlatingen van de verdachte die kunnen worden opgevat als een bekentenis

32. Tegenover de justitiële autoriteiten heeft de verdachte altijd ontkend dat zij op enigerlei wijze verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. In een heimelijk afgeluisterd gesprek heeft zij echter wel uitlatingen gedaan die volgens het hof kunnen worden opgevat als een bekentenis. Bovendien heeft de verdachte op 16 april 2010 tegenover de politie verklaard dat zij ook in een vertrouwelijk gesprek met haar advocaat "een beetje hetzelfde heeft gezegd als wat op het heimelijk afgeluisterde gesprek staat".73 Op de desbetreffende uitlatingen wordt hieronder nader ingegaan.

G.1 gesprek OVC op 24 april 2009

33. Op 24 april 2009 is een gesprek opgenomen tussen de verdachte en haar echtgenoot. Dit was het eerste bezoek van haar echtgenoot na haar aanhouding en nadat de beperkingen waren opgeheven. Tijdens dit gesprek is onder meer het volgende gezegd74:

Echtgenoot van de verdachte: Ik moet het weten! [...] he, zweer het op alles wat jou lief is! [voornaam verdachte], ik vraag het je. Zweer je het op alles wat je lief is? [...] Heb jij het gedaan?

[...]

Echtgenoot van de verdachte (herhaaldelijk): Heb jij het gedaan?

[...]

Verdachte: Ik kan het niet zeggen.

Echtgenoot van de verdachte: Waarom heb je (niet te verstaan, zeer fluisterend) mij dat niet gezegd? Weet je hoe lang je hier moet blijven zitten?

Verdachte: Ik kan het niet zeggen.

Echtgenoot van de verdachte: De financiën.

Echtgenoot van de verdachte: Waarom heb je mij dat, waarom heb jij me dat niet gezegd?

Verdachte: Ik kon het niet.

[...]

Verdachte: Ik schaam me gewoon zo.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Waarom heb je dat nooit gezegd? [...] waarom heb je niet gezegd dat jij, ik ken je verhaal, toch?

Verdachte: Omdat ik dacht dat ik het wel op kon lossen, zoals altijd.

[...]

Verdachte: Ik ben alles kwijt nu. [...] Maar, ik doe jullie zoveel aan. Als ik het terug kon, dan had ik het gedaan. [...] Als ik het terug kon draaien.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Wat was er nou met mevrouw [slachtoffer]? [...] Is het op die dag gebeurd?

Verdachte: Ja, het was, ik wilde kijken of eh, ik wilde kijken of ik dat bankpasje kon vinden.

Echtgenoot van de verdachte: Kwam je wel vaker bij die vrouw?

Verdachte: Ja, ik was er al een paar keer geweest. [...] Wat heb ik jullie aangedaan? Wat heb ik iedereen aangedaan?

Echtgenoot van de verdachte: [bijnaam verdachte], [bijnaam verdachte], heb jij het bekend?

Verdachte: Nee.

Echtgenoot van de verdachte: Volhouden.

Verdachte: ik voelde me zeg maar zo, ik kan dat niet uitspreken, ik raakte in paniek toen zij mij betrapte.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Waarom ben je er aan begonnen? Waarom ben je niet gewoon weggegaan bij die vrouw, toen ze jou betrapte?

Verdachte: Ik raakte in paniek.

Echtgenoot van de verdachte: Je had weg moeten lopen!

Verdachte: Ja achteraf had ik er helemaal niet naar toe moeten gaan.

Echtgenoot van de verdachte: Nee, je had het mij moeten zeggen (niet te verstaan). [...] Hebben ze al DNA van je? (niet te verstaan)... je hangt er gewoon aan!

Verdachte: Ja, de advocaat heeft ook gezegd, dat ik beter kan zeggen wat er gebeurd is, toch maar even gaan vertellen, want ze trekken d'r eigen conclusies. Zo zijn ze niet gegaan.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Ik blijf komen zo lang jij hier zit, je bent en blijft mijn vrouw. Ook al praat ik het niet goed. En ooit wil ik het weten, precies, de details, wat jou daar aangezet heeft. Ik snap niet wat jij met dat financiële zo ver hebt moeten gaan. [...] Ik ben je dalijk gewoon tien, vijftien jaar, misschien vijftien jaar, misschien valt het allemaal wel mee, van me leven kwijt.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Maar, je raakte in paniek, en toen? Toen heb je het met een mes gedaan? [...] Heb je een (1) keer gestoken?

Verdachte: oh, daar wil ik het nog geeneens over hebben.

Echtgenoot van de verdachte: Zo ernstig is het dus?

Verdachte: Ja, ik weet het niet meer.

Echtgenoot van de verdachte: Waarom weet je het niet?

Verdachte: Daar wil ik het niet over hebben, alsjeblieft niet.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Daarom snap ik dit ook niet. Maar vroeg of laat ga je het me vertellen, wat jou zover gebracht heeft. Ik snap het echt niet. Had gewoon weggelopen, maar is makkelijk gezegd.

[...]

Verdachte: Ja, ik ben alleen zo bang. [...] Ik moet het bij de rechtbank ook zeggen.

Echtgenoot van de verdachte: Ik hoop dat je een goede advocaat hebt. Maar reken op een jaar of zes, minimaal, he?

[...]

Verdachte: Ik kan het nog niet zeggen.

Echtgenoot van de verdachte: Hoezo?

Verdachte: Omdat ik het nog niet bekend heb, kan ik het niet zeggen. [...] Jaha, maar ik ben gewoon bang dat eh, mag je wel zeggen, bang dat het uit komt, dat het op de een of andere manier gezegd wordt en daar moet je wel zeker van zijn, want het kan mij ook wel schaden als dit naar buiten komt, als ik mijn verhaal nog niet verteld heb, snap je?

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Is nou gezegd, dat er meer geld daar gestolen was? [...]

Verdachte: Bij dinge? Ja klopt, maar dat heb ik niet ge (niet te verstaan), nee.

Echtgenoot van de verdachte: Dat zweer je?

Verdachte: Ja.

Echtgenoot van de verdachte: Dit was jouw eerste keer?

Verdachte: Ja [...] Maar als ik straks bekentenis (fon)75 moet ik het ook nog een plaatsje proberen te geven, het is natuurlijk niet niks.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: En daarom had ik dit nooit verwacht. Nooit niet! Luister nou! Daarom moet ik meer weten vandaag, [voornaam verdachte]!

Verdachte: Nee.

[...]

Echtgenoot van de verdachte: Het komt goed, zoals jij zegt. Hoe lang het duurt, duurt het. We moeten gewoon afwachten, jij moet gewoon dalijk je verhaal vertellen. Misschien wegens omstandigheden. Ik weet het niet, ik hoop het voor je.

G.2 Uitlatingen tegenover de advocaat van de verdachte

34. Tijdens haar verhoor door de politie op 16 april 2010 verklaart de verdachte dat zij tegenover haar advocaten een soortgelijke verklaring heeft afgelegd als tijdens het OVC-gesprek. Zij verklaart dan onder meer dat zij aan haar raadsvrouw heeft verteld: "dat ik zeg maar, in paniek raakte, dat ik op zoek was naar een bankpasje en (..) dat ik (..) het mes, wat ik bij mij droeg bij mij in de put had gegooid."76 "Een beetje hetzelfde als wat op het OVC gesprek staat".77

H. Door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario's

H.1. Ten aanzien van het telefoontje naar de Troefmarkt en het OVC-gesprek

35. Op de vraag van de politie of zij tijdens het OVC-gesprek eigenlijk niet aan haar man [echtgenoot verdachte] bekende dat zij het gedaan had, antwoordt de verdachte tijdens haar verhoor op 16 april 2010: "Ja, daar steek ik ook gewoon alle aandacht op mijn trekken. (..)"78 De verdachte stelt verder dat zij onschuldig is. Volgens de verdachte zijn de door haar tijdens het OVC-gesprek gedane uitlatingen namelijk vals en heeft zij de schuld van het misdrijf op zich genomen om haar dochter en de rest van haar gezin te beschermen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2010 verklaart zij hierover:

"Op 16 februari 2009 ben ik slachtoffer geweest van een beroving. Ik bevond mij in mijn auto op de Schimmelweg/Seigneur Semeynsweg te Den Haag, toen twee mensen op een scooter vanaf de passagiersstoel van mijn auto een schoudertas van Mea Vita ontvreemdden. Ik heb daarvan aangifte gedaan. Ik ben (..) de dag vóór het overlijden van het slachtoffer, namelijk op donderdag 5 maart 2009 omstreeks 15.00 uur, nog bij haar op bezoek geweest. Na het bezoek ben ik [getuige 1] tegen gekomen en die gaf mij de opdracht om de boodschappen van het slachtoffer af te bellen. Ik heb de dag erop (op vrijdag) naar de wekelijkse boodschappenbezorgdienst gebeld en gezegd dat die vrijdag de boodschappen niet hoefden te worden bezorgd en dat het ook niet zeker was of de vrijdag erop de boodschappen moesten worden bezorgd. Dit heb ik gedaan omdat [getuige 1] dat vroeg en omdat ik bang was. [getuige 1] liet namelijk doorschemeren dat hij meer van de genoemde beroving wist. Nadat het slachtoffer was omgekomen, ben ik [getuige 1] nog eens tegengekomen. Later heeft hij bovendien indirect mijn dochter [dochter verdachte] bedreigd. In het Huis van Bewaring heb ik inderdaad tegen mijn man [echtgenoot verdachte] gezegd: "Ik wilde kijken of ik dat bankpasje kon vinden. Ja, ik was er al een paar keer geweest. Ik raakte in paniek toen zij mij betrapte." Ik heb een soortgelijk verhaal ook verteld aan mijn raadslieden. Dat verhaal was echter niet waar. Ik wilde de schuld op mij nemen, om mijn dochter en de rest van het gezin tegen [getuige 1] te beschermen. Ik heb gedaan alsof ik de moord had gepleegd. Ik deed dat liever, dan dat mijn dochter altijd over haar schouder zou moeten kijken."

Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011 verklaart zij bovendien:

"Toen ik tijdens mijn beroving een klap kreeg, waren ze met zijn tweeën. In die portiek zei [getuige 1]: 'van wie denk je dat je die klappen hebt gehad?' Ik was bang dat [dochter verdachte] iets zou worden aangedaan, als ik zou zeggen hoe het werkelijk zat. Ik wist namelijk niet wat [echtgenoot verdachte], mijn zwager [naam zwager] of mijn schoonvader [naam schoonvader] zou hebben gedaan als ik mijn verhaal had verteld. Ik weet niet wat ze [getuige 1] hadden aangedaan, als ik mijn verhaal wel aan [echtgenoot verdachte] zou hebben verteld. Dan zouden die twee anderen het ook weten en zou [dochter verdachte] niet veilig zijn".

Ook verklaart zij:

"Ik zal niet zeggen dat [getuige 1] de moord gepleegd heeft, maar hij heeft er wel mee te maken."79

H.2. Ten aanzien van de in de woning van het slachtoffer aangetroffen sporen

36. Ten aanzien van de aangetroffen sporen heeft de verdachte aangevoerd dat zij de laatste jaren vóór het delict regelmatig in de woning van het slachtoffer is geweest en toen ook DNA-materiaal van zichzelf in deze woning kan hebben achtergelaten. Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011 verklaart zij hierover:

"U houdt mij voor welke DNA-profielen er in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen en wat er uit onderzoek daarnaar, voor mij belastend, naar voren is gekomen. Ik heb na de verbouwing bij mevrouw [slachtoffer] in februari 2009 haar woning schoongemaakt. Ik heb toen spullen uit de kast gehaald. Ik heb veel van zijn plek gehaald. Het ging om bijna alles. Ook ben ik met de heer [betrokkene 4] van maatschappelijk werk in de woning van mevrouw [slachtoffer] geweest toen zij in het ziekenhuis lag. Mevrouw [slachtoffer] had niets meegenomen naar het ziekenhuis en dus gingen we dingen voor haar halen. We wisten niet 1, 2, 3 waar alles in haar woning lag. Ik heb niet de handtas van mevrouw [slachtoffer] schoongemaakt, maar wel de spullen uit de kast. Ik kan me niet herinneren dat ik de handtas heb schoongemaakt, ook niet dat ik 'in de handtas ben geweest.' Misschien is dat wel gebeurd toen ik met de heer [betrokkene 4] in de woning van mevrouw [slachtoffer] was. Misschien heb ik toen de tas vastgehad. Toen ik ging schoonmaken, heb ik alles uit de kast gehaald. Ik kan me niet herinneren dat ik de handtas heb schoongemaakt. Ik had tijdens het schoonmaken geen handschoenen aan."

H.3. De tijdlijn van 6 maart 2009

37. Ten aanzien van de tijdlijn van 6 maart 2009 heeft de verdachte aangevoerd dat zij op 6 maart 2009 in het geheel niet bij het slachtoffer is geweest. Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011 verklaart zij hierover onder meer:

"Op 6 maart 2009 heb ik om 10.19 uur de Troefmarkt gebeld. Daarna ben ik naar mevrouw [betrokkene 2] gegaan om 5 euro aan [betrokkene 5] terug te geven. Daar ben ik 20 tot 25 minuten gebleven. Vervolgens ben ik naar [getuige 10] gegaan. Bij [getuige 10] moest ik eerst nog een plekje zoeken voor de auto. Dat kostte even tijd. Na mijn bezoek aan [getuige 10] ben ik gaan tanken bij een tankstation dat wij 'de beestjes' noemen. Vervolgens ben ik naar huis gegaan en daarna naar de Boogaard en de Binckhorst, om de auto te wassen, en tenslotte naar huis."

I.1. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van het bewijs

De raadslieden van de verdachte hebben aan de onder H vermelde alternatieve scenario's een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten gekoppeld. Deze standpunten zijn naar voren gebracht op de zitting in hoger beroep van

8 maart 2011 en opgenomen in vier, aan het proces-verbaal80 gehechte pleitnota's. Deze standpunten, voor zover het hof daarop dient te beslissen, laten zich als volgt samenvatten:

I.1.1.

De onderburen van het slachtoffer, de familie [familienaam onderburen], hebben onbetrouwbare verklaringen afgelegd en er zijn "opmerkelijkheden" rond deze familie waarmee rekening moet worden gehouden.

I.1.2.

Het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario ten aanzien van het bellen met de Troefmarkt en het OVC-gesprek is niet zonder meer ongeloofwaardig, nu:

* het dossier ondersteuning biedt voor verdachtes verklaring dat zij op 5 maart 2009 daadwerkelijk in de woning van het slachtoffer is geweest en de verklaringen van de familie [familienaam onderburen], onbetrouwbaar zijn;

* de verdachte gelet op hetgeen in het Pieter Baan Centrum omtrent haar persoonlijkheid is vastgesteld, niet in staat is op adequate wijze uitleg te geven over haar keuzes, handelingen en afwegingen.

I.1.3.

Er is sprake van contra-indicaties voor het daderschap van de verdachte en van onvolkomenheden in de door de rechtbank gebezigde en door het openbaar ministerie in hoger beroep naar voren gebrachte bewijsconstructie. Immers:

1. het OVC-gesprek is onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs, nu de verdachte daarin niet de waarheid heeft verteld, zij het ten laste gelegde tijdens dat gesprek niet heeft bekend en hetgeen zij daarin zegt, in strijd is met feiten en omstandigheden in het dossier, te weten onder meer de bevindingen op de plaats delict en het verslag van de patholoog. Bovendien kan de informatie die de verdachte tijdens het OVC-gesprek geeft, volgens de verdediging afkomstig zijn uit eerdere politieverhoren, zodat deze niet kan worden gekwalificeerd als 'daderinformatie';

2. de verdachte heeft op 6 maart 2009 tussen 10:34 uur en 11:03 uur geen tijd en gelegenheid gehad het slachtoffer om het leven te brengen;

3. er is gelet op de opmerkelijke en onjuiste verklaringen van de familie [familienaam onderburen] geen betrouwbare basis om het tijdstip van overlijden van het slachtoffer vast te stellen, zodat geen conclusie kan worden getrokken omtrent de vraag of de verdachte op 6 maart 2009 überhaupt tijd en gelegenheid heeft gehad het slachtoffer om het leven te brengen;

4. het dossier bevat aanwijzingen dat sprake is van meerdere (mogelijk mannelijke) daders;

5. ten aanzien van de in de woning van het slachtoffer aangetroffen DNA-sporen van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat deze delictgerelateerd zijn. Die sporen zijn dus niet bruikbaar voor het bewijs;

6. op het lichaam, haar kleding, haar schoeisel, alsmede in de auto van de verdachte zijn geen bloedsporen aangetroffen;

7. de verdachte had geen motief voor het ten laste gelegde;

8. bij de verdachte is geen sprake van factoren die passen bij een persoon die in staat is tot het plegen van het onderhavige

feit.

9. er in ieder geval geen sprake is van gekwalificeerde doodslag aangezien niet kan worden bewezen dat er sprake is van diefstal of van een poging tot diefstal omdat het heel goed zou kunnen dat de dader slechts de indruk heeft willen wekken dat het om diefstal (of een poging daartoe) ging en hij om die reden de woning overhoop heeft gehaald terwijl ook niet het, voor de gekwalificeerde doodslag vereiste, oogmerk kan worden bewezen.

I.2. Reactie hof op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

I.2.1. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen familie [familienaam onderburen]

Ten aanzien van hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de familie [familienaam onderburen], overweegt het hof dat sommige verklaringen weliswaar op ondergeschikte punten verschillen vertonen, maar dat die verklaringen - voor zover deze in dit arrest zijn vermeld - op hoofdlijnen overeenkomen en consistent zijn. [getuige 1] en zijn zus zijn bovendien ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2011 als getuigen gehoord, terwijl zijn moeder op 7 maart 2011 door de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord. Tijdens deze verhoren zijn de getuigen in belangrijke mate gebleven bij de eerder door hen afgelegde verklaringen. De door de verdediging genoemde "opmerkelijkheden rond de familie [familienaam onderburen]" maken de getuigenverklaringen van de familie [familienaam onderburen] ook overigens nog niet onbetrouwbaar of verdacht.

Daarbij is ook van belang dat de verklaringen van [getuige 1] - voor zover deze in dit arrest zijn vermeld - steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zo komt de onder B.6. vermelde verklaring van [getuige 1], inhoudende dat hij op 6 maart 2009 's ochtends bij het slachtoffer was en dat hij in verband met de kapotte portiekdeur op een krant het telefoonnummer van Staedion heeft genoteerd, overeen met de getuigenverklaring d.d. 7 maart 2009 van zijn moeder [getuige 3]. Zij verklaart dat de buurvrouw aan haar zoon het nummer van Staedion heeft gegeven en dat dit nummer op een krant is geschreven. Zij heeft aan de verbalisanten het Algemeen Dagblad van vrijdag 6 maart 2009 gegeven waarop de naam 'Stedion' en het nummer 09001424 is geschreven. Een kopie van de betreffende pagina is als bijlage bij genoemd verhoor gevoegd.81 Voorts is de genoemde verklaring van [getuige 1] in overeenstemming met de in r.o. 7 vermelde bevinding dat vanaf zijn huisaansluiting op 6 maart 2009 te 10:34:37 uur is gebeld met de aansluiting (31)9001424 van de woningcorporatie Staedion.82

I.2.2. Het alternatieve scenario ten aanzien van het telefoontje naar de Troefmarkt en het OVC-gesprek

Het hof zal bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het naar voren gebrachte alternatieve scenario de feitelijke grondslag daarvan onderzoeken. Dat betekent dat het hof zal bezien of voor hetgeen de verdachte/de verdediging heeft verklaard, steun kan worden gevonden in uit het dossier blijkende feiten of omstandigheden.

I.2.2.1. Gebeurtenissen op 5 maart 2009 en het Troefmarktgesprek

Hoewel op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden uitgesloten dat de verdachte - zoals zij heeft verklaard - op 5 maart 2009 in de woning van het slachtoffer is geweest, wordt de alternatieve lezing van de verdachte dat zij op die dag [getuige 1] in het portiek van de desbetreffende flat is tegengekomen uitgesloten door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. [getuige 1], de benedenbuurman van het slachtoffer, heeft daarnaast bij herhaling en consistent verklaard dat hij de verdachte - anders dan zij stelt - op 5 maart 2009 niet is tegengekomen (ook niet in het portiek van de woning van het slachtoffer) en dat hij haar (dus) ook geen opdracht heeft gegeven om de boodschappen van het slachtoffer af te bellen.83 Het hof heeft - onder verwijzing naar hetgeen onder I.2.1. reeds is overwogen - geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] te twijfelen. Bovendien heeft de verdachte/de verdediging haar lezing niet met concrete feiten en omstandigheden gestaafd en heeft het hof daarvoor ook geen enkele steun gevonden in het dossier. Gelet op het voorgaande gaat het hof er van uit dat de verdachte op 6 maart 2009 te 10:19:25 uur op eigen initiatief de Troefmarkt heeft gebeld, om te informeren over het tijdstip van de bezorging van de boodschappen van het slachtoffer.

I.2.2.2. Ontmoeting met [getuige 1] na 6 maart 2009

Ook de verklaring van de verdachte dat zij [getuige 1] na het ten laste gelegde is tegengekomen bij de trap bij mevrouw [betrokkene 2] en dat hij toen - onder indirecte bedreiging van haar dochter [dochter verdachte] - heeft gesuggereerd dat de verdachte de schuld van de 'moord' op zich moest nemen, is in strijd met de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. [getuige 1] heeft de verklaring van de verdachte ook op dit punt weersproken.84 Het hof acht het gelet op het voorgaande uitgesloten dat dit daadwerkelijk is gebeurd, waarbij het hof tevens in aanmerking heeft genomen dat de verdachte haar lezing niet met concrete feiten en omstandigheden heeft gestaafd en deze lezing op geen enkele manier in het dossier wordt bevestigd.

Het verweer van de verdediging dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gestelde bedreigingen, wordt verworpen. Ten aanzien hiervan en - in ruimere zin - het gedrag van [getuige 1] zijn door de politie in de fase van het hoger beroep diens zus [getuige 2]85 en hijzelf86, alsmede ook andere getuigen gehoord.87 Ook is er in die fase aanvullend forensisch onderzoek verricht waarbij tevens is gezocht op DNA-kenmerken van [getuige 1], terwijl leden van de familie [familienaam onderburen] tevens ter terechtzitting in hoger beroep, dan wel door de raadsheer-commissaris zijn gehoord.

I.2.2.3. Het OVC-gesprek en de betrouwbaarheid daarvan

Nu op grond van de inhoud van de door het hof gebezigde wettige bewijsmiddelen is uitgesloten dat de gestelde ontmoetingen met [getuige 1] hebben plaatsgevonden, waarbij de verdachte onder druk zou zijn gezet of bedreigd, valt reeds daarom niet in te zien dat de verdachte op enig moment moest vrezen voor de veiligheid van haar dochter (en de rest van haar gezin).

De door de verdachte genoemde vrees komt bovendien op geen enkele manier tot uiting in het opgenomen OVC-gesprek.

Daar komt nog het volgende bij. De verdachte heeft zoals vermeld uitlatingen gedaan die kunnen worden beschouwd als een bekentenis. De verdachte heeft evenwel niet kunnen verklaren hoe dergelijke uitlatingen in de beslotenheid van een gesprek met haar man, van welk gesprek zij bovendien niet (zeker) wist dat dit zou worden opgenomen, zou kunnen bijdragen aan de veiligheid van haar dochter, in het licht van verdachtes ontkennende houding tegenover de justitiële autoriteiten.

Bovendien heeft zij er ook geen verklaring voor kunnen geven waarom zij naar eigen zeggen tevens in een vertrouwelijk gesprek met haar advocate uitlatingen heeft gedaan, conform hetgeen zij heeft verklaard tijdens het OVC-gesprek. De verklaring van de verdachte dat zij haar advocate niet vertrouwde en daarom een bekennende verklaring heeft afgelegd88, komt niet geloofwaardig over.

Het hof gaat er gelet op het bovenstaande van uit dat de verdachte en haar echtgenoot tijdens het OVC-gesprek daadwerkelijk spraken over het ten laste gelegde en dat de verdachte - binnen de door haar veronderstelde beslotenheid van dat gesprek - de waarheid heeft gesproken. Daarbij is van belang dat het hof - anders dan de verdediging - van oordeel is dat hetgeen zij met haar echtgenoot heeft besproken op belangrijke onderdelen past in de bevindingen van het forensisch technische onderzoek. Immers, de mededeling tijdens het OVC-gesprek dat zij wilde kijken of zij dat bankpasje kon vinden, past in de bevinding dat de woning van het slachtoffer was doorzocht. Haar mededelingen dat zij in paniek raakte toen zij (het hof begrijpt: het slachtoffer) haar betrapte, dat ze het niet wil hebben over de vraag of ze toen één keer heeft gestoken en haar bevestigende antwoord op de volgende vraag of het dus zo ernstig was, passen naar 's hofs oordeel bij het in casu toegepaste, excessieve geweld, waarbij het slachtoffer - volgens het sectierapport - meermalen is gestoken.

Anders dan de verdediging ziet het hof - mede gelet op het feit dat de precieze toedracht van het misdrijf niet is vast te stellen - niet in waarom het aantreffen van het slachtoffer in haar hal in strijd zou zijn met de in het OVC-gesprek genoemde zoektocht naar het bankpasje en een daarop volgende betrapping.

Het hof acht het tenslotte - gelet op de inhoud van de processen-verbaal van verhoor van de verdachte - niet aannemelijk dat de in het OVC-gesprek door de verdachte gedane mededelingen slechts afkomstig zijn uit politieverhoren, temeer nu zij tijdens het OVC-gesprek ook informatie geeft die de politie niet kon hebben, namelijk dat zij wilde kijken of zij het bankpasje kon vinden en dat het slachtoffer haar toen betrapte.

I.2.2.4. Conclusie alternatief scenario

Het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario ten aanzien van haar telefoongesprek met de Troefmarkt en het OVC-gesprek wordt uitgesloten door de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de hiervoor vermelde bewijsmiddelen. Daar komt bij dat hetgeen zij stelt op geen enkele manier wordt ondersteund, ondanks het in de onderhavige zaak verrichte omvangrijke (nadere) onderzoek naar aanleiding van de verklaringen die de verdachte na het instellen van hoger beroep hierover heeft afgelegd, zoals onder H.1. vermeld. Het hof stelt het alternatieve scenario als strijdig met de inhoud van de wettige bewijsmiddelen terzijde.

I.2.2.5. Persoonlijkheid verdachte

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheid dat wellicht sprake is van "dissociatie" en haar daaruit wellicht voortvloeiende onvermogen op adequate wijze uitleg te geven over haar keuzes, handelingen en afwegingen, staat niet in de weg aan 's hofs oordeel over de niet-aannemelijkheid van het naar voren gebrachte alternatieve scenario. Immers, het hof heeft bij dat oordeel slechts acht geslagen op de inhoud van de verklaringen van de verdachte en de mogelijke ondersteuning daarvan in het dossier en niet op de verbale vermogens van de verdachte. Bovendien bieden de psychiatrische en psychologische rapporten als na te melden, geen ondersteuning voor de stelling van de verdediging over de persoonlijkheid van de verdachte en de mogelijkheid van dissociatie, die gestoeld is op een advies van een psychiater die de verdachte nooit ontmoet heeft. Daar komt bij dat de verdachte in de verschillende fasen van het strafproces rechtsbijstand heeft genoten en haar raadslieden haar gevoelens en gedachten konden vertolken. Verdachtes verbale vermogens alsmede haar wisselende verklaringen hebben overigens ook geen rol gespeeld bij de na te noemen bewijsbeslissing.

I.2.3. Contra-indicaties voor daderschap en onvolkomenheden in bewijsconstructie

I.2.3.1. Onzekerheid tijdstip overlijden slachtoffer en geen tijd en gelegenheid om het slachtoffer om het leven te brengen

Het hof heeft hiervóór onder B vastgesteld dat het bezoek van [getuige 1] aan het slachtoffer op 6 maart 2009 vóór 10:34:37 uur moet hebben plaatsgevonden en dat het hof er gelet daarop van uit gaat dat het slachtoffer is overleden op 6 maart 2009, tussen het tijdstip waarop het bezoek van [getuige 1] heeft plaatsgevonden (enige tijd vóór 10:34:37 uur) en 13:37 uur. Het hof acht de verklaring van [getuige 1] op dit punt, zoals reeds is vermeld, betrouwbaar.

Hetgeen door de verdediging ten aanzien van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer is aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Dat geldt ook voor de naar voren gebrachte verklaringen van [getuige 2] over de door haar op 6 maart 2009 's ochtends gehoorde zoemer betreffende de ontgrendeling van de portiekdeur alsmede een vrouwenstem, waaruit de verdediging afleidt dat het slachtoffer mogelijk op 6 maart 2009 na 11:18 uur nog in leven was, hetgeen gevolgen zou hebben voor de vraag of de verdachte het slachtoffer om het leven heeft kunnen brengen. Het hof is van oordeel dat op grond van de desbetreffende verklaringen van [getuige 2] geen betrouwbare conclusies over het tijdstip van overlijden van het slachtoffer kunnen worden getrokken, nu onduidelijk is gebleven hoe laat zij die zoemer heeft gehoord en of die zoemer daadwerkelijk volgde op aanbellen bij de woning van het slachtoffer.

Ten aanzien van de door de verdediging betrokken stelling dat de verdachte het slachtoffer op 6 maart 2009 tussen 10:34 uur en 11:03 uur niet om het leven heeft kunnen brengen vanwege een bezoek - volgens de verdediging van een kwartier - aan [betrokkene 3], nadat zij om 10:19:25 uur de Troefmarkt had gebeld, overweegt het hof het volgende.

Hoewel op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden uitgesloten dat de verdachte de desbetreffende ochtend (zeer kort) bij [betrokkene 3] is langsgegaan, acht het hof niet aannemelijk geworden dat dat eventuele bezoek aan [betrokkene 3] zo lang heeft geduurd als de verdachte stelt. Daarvoor biedt het dossier geen enkele ondersteuning.

Ook indien de verdachte na het bellen van de Troefmarkt bij [betrokkene 3] is langs geweest, om - zoals zij verklaart - 5 euro terug te geven aan [betrokkene 5], had de verdachte naar 's hofs oordeel voldoende tijd en gelegenheid om het slachtoffer om het leven te brengen. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen in r.o. 31 aan de orde is gekomen betreffende de afstanden tussen de locaties en de loopsnelheid van de verdachte.

Aan 's hofs oordeel dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om het slachtoffer om het leven te brengen, kan ook niet afdoen dat - zoals de verdediging heeft aangevoerd - de verdachte zich blijkens de zendmastgegevens op 6 maart 2009 tussen 10:16 uur en 10:18 uur weg van de plaats delict verplaatste, in de richting van de Wiekstraat. Het gaat er immers om dat zij - blijkens hetgeen het hof onder F heeft vastgesteld - op die tijdstippen hoe dan ook in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer was en dat zij na het bellen van de Troefmarkt om 10:19:25 uur in een van de zijstraten van de Stuwstraat, tijd en gelegenheid heeft gehad om naar de woning van het slachtoffer te gaan en haar van het leven te beroven.

Ten slotte overweegt het hof nog het volgende betreffende het verweer van de verdachte dat zij nog enige tijd nodig had om haar auto te parkeren, vóór haar bezoek aan haar vriendin [getuige 10]. Uit de in r.o. 28 genoemde verklaring van [getuige 10] blijkt dat de verdachte tijdens het telefoongesprek van 11:03 uur zei dat zij eraan kwam en dat de verdachte na ongeveer tien minuten vóór de deur van [getuige 10] stond. Het parkeren kan in deze tijdspanne hebben plaatsgevonden.

I.2.3.2. Aanwijzingen meerdere (mogelijk mannelijke) daders

Het hof constateert met de verdediging dat sprake is van aan aantal onderzochte sporen uit de woning van het slachtoffer, waarin - zeer geringe dan wel net te detecteren hoeveelheden - mannelijk DNA-materiaal is aangetroffen. Het hof stelt echter tevens met de verdediging vast dat niet zonder meer kan worden gezegd dat dit dadersporen betreft, ook al zijn die sporen deels op het lichaam en de kleding van het slachtoffer aangetroffen. Dit kan - zoals hierboven in r.o. 18 reeds uitvoerig is overwogen - naar 's hofs oordeel juist wel worden gezegd van de vele DNA-sporen van de verdachte die op de plaats delict zijn aangetroffen. Gelet daarop en mede in het licht van de overige, de verdachte belastende, feiten en omstandigheden zoals hiervóór vermeld, is het hof van oordeel dat hetgeen op dit punt is aangevoerd, niet kan leiden tot de door de verdediging getrokken conclusie. Het hof merkt nog op dat (onder meer door middel van DNA-onderzoek) is onderzocht of er sporen waren die zijn terug te voeren op [getuige 1]. Dat is niet het geval gebleken. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Dit geldt ook voor de overige, door de verdediging aangedragen omstandigheden die volgens haar zouden wijzen op meerdere (mogelijk mannelijke) daders, te weten dat de aard en de omvang van het letsel niet zouden wijzen op een vrouwelijke dader en dat mogelijk meerdere messen zouden zijn gebruikt.

Ten aanzien van de suggestie dat de verdachte niet in staat zou zijn het ten laste gelegde te plegen, merkt het hof tenslotte nog op dat in het rapport d.d. 17 januari 2011 van het NFI (bloedspoorpatroononderzoek) het volgende is vermeld (blz. 8): "De bij de sectie gemeten steekkanalen (...) variëren van 1 cm tot 15 cm. Onder de aanname dat een mes is gebruikt, is de verwachting dat het lemmet niet steeds geheel in het lichaam is gestoken, hetgeen inhoudt dat relatief weinig kracht is uitgeoefend op een eventueel reeds bebloede ondergrond (...)".

I.2.3.3. Overige contra-indicaties

Dat - zoals de verdediging heeft aangevoerd - geen bloedsporen zijn aangetroffen bij de verdachte, leidt het hof ook niet tot een ander oordeel. In het rapport d.d. 17 januari 2011 van het NFI (bloedspoorpatroononderzoek) wordt immers vermeld (blz. 8): "Gezien beide aspecten (beperkt en eenzijdig bloedspattenbeeld) ligt het niet in de lijn der verwachting om noodzakelijkerwijs een groot aantal bloedspatten aan te treffen op (de kleding van) de dader(s) direct na het feit. Indien bloedspatten op de kleding van de dader(s) zijn ontstaan kan dit zowel de voor- als achterzijde van de kleding betreffen". Uit laatstgenoemde zin leidt het hof af dat de betreffende deskundige het ook voor mogelijk houdt dat in het onderhavige geval in het geheel geen bloedspatten op de kleding van de dader(s) zijn ontstaan. Voor zover er al bloedsporen waren en deze zichtbaar waren, heeft de verdachte de gelegenheid gehad deze te verwijderen tijdens haar toiletbezoek bij [getuige 10].

De omstandigheden die overigens als contra-indicatie voor het daderschap van de verdachte zijn aangevoerd - de verdachte zou geen motief hebben en niet in staat zijn tot het ten laste gelegde - vinden hun weerlegging in hetgeen het hof onder A t/m C, eerste alinea, en D t/m G heeft vastgesteld. Ook het feit dat er geen dactyloscopische sporen van de verdachte zijn aangetroffen, ziet het hof in dat licht niet zonder meer als een contra-indicatie.

Dat geldt tevens voor de suggestie van de verdediging dat het slachtoffer door haar slechte zicht niet in staat zou zijn geweest de verdachte te betrappen. Immers volgt uit een mededeling van de verdachte tijdens het OVC-gesprek dat dit wel het geval is geweest.

Conclusie ten aanzien van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

Gezien het voorgaande worden alle uitdrukkelijk onderbouwde standpunten verworpen.

J. Eindconclusie

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het de verdachte is geweest die op 6 maart 2009 het slachtoffer om het leven heeft gebracht, een en ander zoals hierna zal worden bewezen verklaard.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Het hof is op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Omstandigheden vóór het ten laste gelegde

Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd is het hof van oordeel dat uit het door de verdachte in de ochtend van 6 maart 2009 gevoerde telefoongesprek met de Troefmarkt - waarin feitelijk slechts wordt geïnformeerd naar het tijdstip van de bezorging van de boodschappen van het slachtoffer en wordt gezegd dat de verdachte niet weet of het slachtoffer volgende week thuis zal zijn - niet zonder meer voorbedachte raad ten aanzien van het doden van het slachtoffer kan worden afgeleid. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de verdachte zich in die ochtend op kantoor heeft gemeld met de mededeling dat zij zich niet lekker voelde, waarna zij door haar leidinggevende is uitgeroosterd.

Omstandigheden tijdens het ten laste gelegde

Het slachtoffer is (zoals zal worden bewezen verklaard) meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp gestoken en/of geprikt in meerdere lichaamsdelen, ten gevolge waarvan zij is overleden. De advocaat-generaal heeft betoogd (kort gezegd) dat de verdachte zoveel handelingen heeft verricht met het oog op het verwonden en doden van het slachtoffer dat zij de gelegenheid moet hebben gehad om zich te bezinnen op hetgeen zij aan het doen was. Het hof is evenwel van oordeel dat het aanzienlijke aantal steekwonden en de aard van het ontstane letsel in casu op zichzelf niet hoeven te duiden op voorbedachte raad. Immers, op grond van de sectiebevindingen is het niet mogelijk een volgorde aan te geven in het oplopen van de letsels,89 zodat het eerst toegebrachte letsel mogelijk potentieel dodelijk was en voorts niets vaststaat omtrent de tijdspanne waarbinnen de letsels zijn toegebracht.

Omstandigheden na het ten laste gelegde

De door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden na het ten laste gelegde (doorzoeking woning slachtoffer, handen wassen bij [getuige 10] en 's middags winkelen met verdachtes man), kunnen naar 's hofs oordeel in het onderhavige geval - waarin zoals overwogen niet ook sprake is van omstandigheden voorafgaand aan het delict die wijzen op voorbedachte raad - niet bijdragen tot het bewijs daarvan.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Uit het feit dat de verdachte tijdens het OVC-gesprek heeft gezegd dat zij wilde kijken of zij dat bankpasje kon vinden, dat zij in paniek raakte toen zij (het hof begrijpt: het slachtoffer) haar betrapte, dat ze het niet wil hebben over de vraag of ze toen één keer heeft gestoken en haar bevestigende antwoord op de volgende vraag of het dus zo ernstig was, leidt het hof af dat de verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling. Dat kan ook passen bij het excessieve geweld dat op het slachtoffer is toegepast. Het hof is van oordeel dat in casu sprake is van doodslag.

Het hof leidt uit de genoemde bewoordingen van de verdachte voorts af dat zij voordat zij heeft gestoken, heeft gezocht naar het bankpasje van het slachtoffer. Dat wordt ook afgeleid uit het feit dat de woning van het slachtoffer was doorzocht waarbij niet steeds sporen werden achtergelaten. Dat op diverse plaatsen delictgerelateerde sporen van de verdachte zijn veiliggesteld waarin (ook) bloed is aangetroffen, duidt er bovendien op dat de verdachte ook na het steken van het slachtoffer in haar woning heeft gezocht naar het bankpasje.

Nu niet is gebleken dat het bankpasje van het slachtoffer daadwerkelijk is weggenomen, is - naast de doodslag - sprake van een poging tot diefstal. Gezien de inhoud van het OVC-gesprek acht het hof, anders dan de verdediging, niet aannemelijk geworden dat de dader slechts de indruk heeft willen wekken dat het om een poging tot diefstal ging en dat deze om die reden de woning overhoop heeft gehaald. Naar 's hofs oordeel had de verdachte dus wel het oogmerk om te stelen.

Het hof merkt nog het volgende op ten aanzien van het bellen van de bezorgdienst door de verdachte (onderdeel D). Zoals hiervoor aan de orde is gekomen heeft de verdachte geen goede verklaring kunnen geven voor dit telefoontje, dat ook uitgaande van het door de verdachte geschetste scenario buiten medeweten van het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Hoewel onduidelijk is gebleven wat de verdachte precies beoogde met dit telefoontje, houdt dit naar 's hofs oordeel hoogstwaarschijnlijk verband met een door de verdachte voorgenomen bezoek aan de woning van het slachtoffer, alwaar zij kort na het telefoontje om het leven is gebracht. Dit biedt derhalve steun voor het bewijs van het daderschap van de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 6 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlichaam en de hals en het gezicht en het hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die onder A t/m C, eerste alinea, en D t/m G in de - in voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, gevolgd en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof (onder meer) acht geslagen op de rapportage pro justitia d.d. 31 december 2010 van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, opgemaakt en ondertekend door A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog en P.K.J. Ronhaar, psychiater.

De deskundigen hebben onder meer geconcludeerd dat bij de verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Zij adviseren de verdachte voor het haar ten laste gelegde, indien bewezen, volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Met inachtneming van deze conclusie van de deskundigen acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Zij is dus strafbaar.

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zij nooit eerder is veroordeeld.

De verdachte heeft op 6 maart 2009 opzettelijk mevrouw [slachtoffer] om het leven gebracht. De verdachte is naar haar woning gegaan om te kijken of zij haar bankpasje kon vinden. Toen het slachtoffer haar betrapte, raakte de verdachte in paniek en heeft zij het slachtoffer vele malen gestoken, als gevolg waarvan zij is overleden. Na haar daad heeft de verdachte de woning doorzocht. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag en aan het slachtoffer haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Een feit als dit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter.

Het hof is - mede vanuit een oogpunt van vergelding - van oordeel dat als reactie op een dergelijk feit een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Daarbij merkt het hof op dat de wetgever op gekwalificeerde doodslag hetzelfde strafmaximum heeft gesteld als op moord.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten (moord of gekwalificeerde doodslag) die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof voor de gekwalificeerde doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar als uitgangspunt genomen.

Als bijzondere omstandigheden die in dit geval strafverhogend werken heeft het hof de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, een en ander in onderling verband en samenhang bezien.

- het slachtoffer was een hoogbejaarde en mede door haar slechte zicht en beperkte mobiliteit weerloze vrouw aan wie de verdachte in het verleden jarenlang thuishulp had verleend en met wie zij een bepaalde vertrouwensband had of had gehad;

- de verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning op zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Er was daarbij sprake van bruut geweld, gelet onder meer op het zeer grote aantal steken in diverse lichaamsdelen (waaronder haar gezicht en haar hoofd) alsmede de bevinding van de patholoog dat tot diep in de luchtwegen bloed was ingeademd;

- de verdachte heeft het slachtoffer na het toebrengen van het genoemde letsel laten sterven;

- de verdachte heeft in haar verklaringen na het instellen van hoger beroep, een onschuldig iemand, die een bijzondere band had met het slachtoffer, betrokken bij deze zaak en hem ten onrechte belast. Hij en zijn familieleden moeten het slachtoffer door verdachtes toedoen bovendien missen en haar gewelddadige dood verwerken. Dat is blijkens hun getuigenverhoren moeilijk;

- de verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven ten aanzien van de vraag hoe zij tot het onderhavige delict is gekomen.

Ondanks deze strafverhogende factoren acht het hof anders dan de rechtbank een levenslange gevangenisstraf in dit geval niet passend en geboden. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat 'de verdachte in staat moet worden geacht nogmaals een dergelijk feit jegens een ander of anderen te plegen, ook na ommekomst van een langdurige tijdelijke gevangenisstraf' niet. Gelet op de inhoud van de rapportages pro justitia van het Pieter Baan Centrum d.d. respectievelijk

23 november 2009 en 31 december 2010, heeft het hof - anders dan de rechtbank - geen aanwijzingen gevonden voor dergelijk (ernstig) recidivegevaar. Daarenboven is het hof van oordeel dat het opleggen van levenslange gevangenisstraf moet worden gezien als een uiterst middel aangezien daardoor voor de verdachte - in beginsel - geen uitzicht meer bestaat op terugkeer in de maatschappij.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt

Beslag

Het hof zal overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal gelasten dat de op de - in kopie aan dit arrest gehechte - beslaglijst vermelde goederen (een telefoonklapper en een telefoontoestel Samsung) zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- 1 stk telefoonklapper;

- 1 stk telefoontoestel Samsung.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. B.A. Stoker-Klein en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2011.

Voetnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft dit - tenzij anders vermeld - ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm, door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, binnen het onderzoek 15TGO 09040 "Floret".

De geschriften worden in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.

2 Proces-verbaal van bevindingen, O/OPV/AH/06-07.

3 Algemeen proces-verbaal, blz. 4.

4 Deskundigenrapport NFI d.d. 6 mei 2009, blz. 420, 421, 423 en 424 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

5 Proces-verbaal d.d. 23 oktober 2009, blz. 436 en 437 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

6 Deskundigenrapport NFI d.d. 6 mei 2009, blz. 421 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

7 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 36 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 0/OPV/G/21-22.

9 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/363.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], 0/OPV/G/68-71.

11 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], 0/OPV/G/10

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], 0/OPV/G/68-71.

13 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 6](stomerij), 0/OPV/G/78-87; proces-verbaal van verhoor [getuige 7], 0/OPV/G/55; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], 0/OPV/G/40.

14 Proces-verbaal van bevindingen, 0/OPV/AH/96-97.

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2011.

16 Proces-verbaal van studioverhoor verdachte, 0/OPV/V/02.

17 Algemeen proces-verbaal, blz. 17-18.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] 0/OPV/G/56.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/110-111.

20 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 30 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

21 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 32 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

22 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 95-96 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

23 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 97 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

24 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 100 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

25 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 98 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

26 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 132 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

27 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 132 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

28 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 97 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

29 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 131 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

30 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 98 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

31 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 98 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

32 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 99 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

33 Deskundigenrapport NFI d.d. 4 augustus 2009, blz. 481, 484-485 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

34 Deskundigenrapport NFI d.d. 4 augustus 2009, blz. 483-485 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

35 Deskundigenrapport NFI d.d. 27 maart 2009, blz. 375-377 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

36 Deskundigenrapport NFI d.d. 17 januari 2011, blz. 20, 21, 27 en 29.

37 Deskundigenrapport NFI d.d. 17 januari 2011, blz. 24, 28 en 29.

38 Deskundigenrapport NFI d.d. 17 januari 2011, blz. 24, 28 en 29.

39 Bloedspoorpatroononderzoek NFI d.d. 17 januari 2011, blz. 6, 8, 9 en 10.

40 Verklaring van de DNA-deskundige H. Janssen ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2010, blz. 9 van het betreffende proces-verbaal.

41 Zie H.2.

42 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 96 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

43 Zie hetgeen hierboven in r.o. 10 is vermeld.

44 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, blz. 32 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.

45 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011.

46 Proces-verbaal verslag studioverhoor, 0/OPV/V/16.

47 Proces-verbaal verslag studioverhoor, 0/OPV/V/28.

48 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van

1 februari 2011.

49 Verklaring getuige [getuige 2] ter zitting van 25 januari 2011.

50 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/88-89.

51 O.m. proces-verbaal 0/OPV/AH/99.

52 Proces-verbaal, 0/OPV/V/04-05.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8], 0/OPV/AH/318-320.

54 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9], 0/OPV/G/146-148.

55 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 02/OPV/V/111 en 174.

56 Proces-verbaal, 4/OPV/AH/635.

57 Getuigenverklaring [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011.

58 Proces-verbaal, 4/OPV/AH/635.

59 Proces-verbaal, 4/OPV/AH/635.

60 Mevrouw [betrokkene 2] (ofwel [betrokkene 2]) woont in de [adres betrokkene 2] te Den Haag. Zie onder meer proces-verbaal 0/OPV/G/147.

61 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/163.

62 Getuigenverklaring [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2011.

63 Zie r.o. 7.

64 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/326.

65 Proces-verbaal, 4/OPV/AH/637.

66 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/161.

67 Proces-verbaal van verhoor [getuige 10], 0/OPV/G/302-303.

68 Proces-verbaal, 4/OPV/AH/637.

69 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/88-89.

70 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van

25 januari 2011.

71 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 02/OPV/V/163.

72 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011.

73 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/187.

74 Proces-verbaal uitwerking OVC-opname, O/OPV/AH/231-245.

75 Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2011 is door de leden van het hof, de raadslieden en de advocaat-generaal tijdens het beluisteren van delen van het OVC-gesprek geconstateerd dat op dit punt is te horen: 'maar als ik straks... bekend en zo'.

76 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/125.

77 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/187.

78 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/157 en 158.

79 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 2/OPV/V/108.

80 Proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 25 januari, 1 februari, 11 februari, 8 en 9 maart 2011.

81 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], 0/OPV/G/31 en 33.

82 Proces-verbaal, 0/OPV/AH/363.

83 Proces-verbaal van verhoor 3/OPV/G/382 en getuigenverklaring [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2011.

84 Proces-verbaal van verhoor 3/OPV/G/382.

85 Proces-verbaal van verhoor 3/OPV/G/421.

86 Proces-verbaal van verhoor 3/OPV/G/382.

87 Processen-verbaal van verhoor 3/OPV/G/441 en 03/OPV/G452-457.

88 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van

1 februari 2011.

89 Deskundigenrapport NFI d.d. 6 mei 2009, opgemaakt door dr. A. Maes, arts en patholoog, blz. 421 van de bijlagenlijst TGO 1509-2009-905 / 09-040.