Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0667

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2002
Datum publicatie
18-11-2002
Zaaknummer
2200359302
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 24
NTM/NJCM-bull. 2003, p. 461 met annotatie van Matthijs de Blois
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200359302

parketnummer 1004007001

datum uitspraak 18 november 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 8 april 2002 in de strafzaak tegen

Khalil EL MOUMNI,

geboren te Beni Mansour (Marokko) op 1 juli 1941.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

2. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde vrijgesproken, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als vermeld in het vonnis. De benadeelde partijen hebben zich niet op de voet van artikel 421 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep gevoegd.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging op de gronden die zijn weergegeven in de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 4 november 2002 gehechte pleitnota.

Het hof verwerpt dit verweer. De enkele omstandigheid dat in vergelijkbare zaken tot in hoogste rechterlijke instantie is geoordeeld, ontneemt het openbaar ministerie niet zijn op grond van het opportuniteitsbeginsel toekomende beleidsvrijheid om tot vervolging van een verdachte over te gaan. Temeer niet in een zaak als deze, waarin blijkens het requisitoir in eerste aanleg de officier van justitie zich als doel van de vervolging heeft gesteld "te voorkomen dat discriminatoire uitlatingen in onze samenleving worden gedaan en duidelijkheid te verkrijgen omtrent de grenzen van het recht." Meer in het bijzonder heeft de officier van justitie daarbij de vraag aan de orde willen stellen of in casu verdachte met zijn uitlatingen (ontoelaatbaar) verder is gegaan dan zijn geloofsovertuiging hem voorschreef. Door de verdachte terzake te vervolgen, heeft het openbaar ministerie niet gehandeld in strijd met wettelijke of verdragsbepalingen dan wel met enig algemeen beginsel van een goede procesorde.

4. Beoordeling van het vonnis

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, zij het met aanvulling en verbetering van gronden.

5. Motivering van de vrijspraak

Ook naar het oordeel van het hof is niet bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- worden vrijgesproken.

De (gewijzigde) tenlastelegging heeft betrekking op fragmenten uit het interview van de verdachte, zoals uitgezonden door het televisieprogramma Nova op 3 mei 2001. Zo al deze fragmenten op zichzelf beschouwd, los van de context, als beledigend zouden zijn aan te merken, dan zou zulks niet tot een veroordeling van de verdachte leiden op grond van het volgende.

Het hof is van oordeel dat vorenbedoelde fragmenten, waarvan genoegzaam is gebleken dat zij door een aantal personen als aanstootgevend zijn ervaren, niet op zichzelf bezien moeten worden doch in samenhang met de overige inhoud van het interview, waarbij met name moet worden gelet op de strekking daarvan. Die context en de daaruit blijkende kennelijke bedoeling ontneemt in elk geval, naar het oordeel van het hof, het mogelijk beledigende karakter aan deze fragmenten. Het hof kent in dit verband in het bijzonder betekenis toe aan het feit dat de gewraakte fragmenten dienden ter aanduiding van de in de islamitische geloofsovertuiging van de verdachte verankerde opvatting omtrent het zondige karakter van de homoseksuele levenswijze, gelijk hierna wordt toegelicht.

De getuige-deskundige prof. dr. mr. R. Peters (o.a. bijzonder hoogleraar islam) heeft op 1 november 2001 een rapport in de onderhavige zaak uitgebracht. Hij heeft geconcludeerd dat verdachte zijn uitlatingen kon baseren op teksten van de Koran en op uitspraken van de profeet, d.w.z. op fundamentele geschriften, waaraan verdachte zijn godsdienstige overtuiging (mede) ontleent. Een tweede deskundige, prof. dr. E. Platti (hoofddocent islam en christendom) heeft in een door hem uitgebracht rapport van 25 oktober 2002 geconcludeerd dat het rapport van voornoemde deskundige Peters "homoseksualiteit benadert vanuit het traditionele standpunt van de islamitische wet en van daaruit een perfecte weergave is van het traditionele standpunt van moslimjuristen."

Mede in het licht van de conclusies van genoemde deskundigen is het hof van oordeel dat de in de tenlastelegging weergegeven uitlatingen zijn aan te merken als een weergave van een in de islamitische godsdienst verankerde geloofsopvatting van verdachte.

Gezien de in de grondwet en internationale verdragen verankerde vrijheid van godsdienst stond het verdachte vrij zijn op zijn geloofsovertuiging stoelende opvattingen omtrent homoseksualiteit uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed valt naar het oordeel van het hof binnen de grenzen van het aanvaardbare. Bij dit oordeel heeft het hof laten meewegen dat het door verdachte in het interview gebezigde woord "marat" in de visie van verdachte niet moet worden vertaald met ziekte (zoals dat in de Nova-uitzendig is gebeurd), maar dat een juiste vertaling is "afwijking" of "opvoedingsziekte". De reeds genoemde getuige-deskundige Peters heeft ter terechtzitting in eerste instantie bevestigd dat het woord "marat" niet moet worden vertaald met ziekte en dat het woord moet worden opgevat in overdrachtelijke zin.

Nu er naar het oordeel van het hof geen sprake is van in strafrechtelijke zin beledigende uitlatingen dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Gelet op het vorenoverwogene, alsmede op de omstandigheid dat de verdachte in een niet uitgezonden gedeelte van het interview onder meer ook te kennen gaf dat de islam verbiedt anderen lastig te vallen en dat de moslim respect moet geven aan iedereen, dient de verdachte tevens te worden vrijgesproken van de tenlastelegging voorzover inhoudende dat de verdachte -kort omschreven- heeft aangezet tot haat en/of discriminatie van homoseksuelen.

6. BESLISSING

Het hof:

Bevestigt met aanvulling en verbetering van gronden het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Verheij, Oosterhof en Reinking,

in bijzijn van de griffier mr. Conté.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 november 2002.