Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6733

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
200.070.685
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook een mobiele telefoon zonder simkaart die alleen gebruikt wordt als navigatiesysteem is een mobiele telefoon in de zin van artikel 61a RVV 1990. Sanctie voor het als bestuurder tijdens het rijden vasthouden van een mobiele telefoon is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.070.685

11 januari 2011

CJIB 133220047

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Middelburg

van 8 juni 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Middelburg genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 oktober 2010. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. S.M. Meijer. Ter zitting heeft de voorzitter de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en de advocaat-generaal verzocht nadere informatie te verstrekken. Voorts heeft de voorzitter tijdens voornoemde zitting aan de betrokkene meegedeeld dat hij - in reactie op de ontvangst van de verzochte aanvullende informatie - dient aan te geven of hij wenst dat de verdere behandeling van zijn zaak wederom op een zitting zal plaatsvinden. Indien de betrokkene geen zitting wenst, zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan.

De advocaat-generaal heeft nadere informatie verstrekt.

Na ontvangst van de aanvullende informatie, is de betrokkene in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De betrokkene heeft een reactie gegeven op de aanvullende informatie.

Nu de betrokkene in de reactie op de aanvullende informatie niet heeft aangegeven dat hij verdere behandeling van zijn zaak op een zitting wenst, heeft het hof afgezien van een nadere behandeling ter zitting.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden” (feitcode: R545), welke gedraging zou zijn verricht op 15 juli 2009 om 13.40 uur op de A58 te Goes.

2. De bij feitcode R545 behorende gedraging is een overtreding van artikel 61a Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling houdt – zakelijk weergegeven – in dat het degene die een motorvoertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

3. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert hij het volgende aan. Ten tijde van de gedraging maakte de betrokkene gebruik van een navigatiesysteem op zijn mobiele telefoon. Omdat dit toestel uit de carkit dreigde te vallen, heeft de betrokkene het toestel met zijn rechterhand teruggeduwd. Van vasthouden van een mobiele telefoon is in het geheel geen sprake geweest. Daarbij heeft de betrokkene opgemerkt dat hij ten tijde van de gedraging wel kipnuggets aan het eten was. De waarneming van de verbalisant wordt door de betrokkene sterk in twijfel getrokken. Voorts heeft de betrokkene nog aangevoerd dat met het toestel niet gebeld kon worden, omdat er geen simkaart in het toestel zat en het toestel speciaal voor navigatie was ontwikkeld. De betrokkene meent dan ook dat het toestel niet als mobiele telefoon aangemerkt kan worden. De betrokkene krijgt sterk het vermoeden dat de omstandigheid dat een verbalisant op ambtseed verklaart, meebrengt dat de verbalisant te allen tijde wordt geloofd. Het bevreemdt de betrokkene namelijk dat de verbalisant na ongeveer 16 maanden na de gedraging zich nog kan herinneren wat hij destijds heeft waargenomen. Nu de verbalisant zich echter niet meer kan herinneren of hij bestuurder of bijrijder was ten tijde van de gedraging, acht de betrokkene zijn aanvullende verklaring in het geheel niet betrouwbaar. Gelet op voorgaande argumenten stelt de betrokkene zich op het standpunt dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden.

4. Het hof stelt allereerst voorop dat, anders dan de betrokkene meent, het niet zo is dat de verbalisant altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verbalisant wordt geloofd, is de verklaring van de verbalisant een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verbalisant wordt geloofd is ervan afhankelijk of de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt - naast de in de beschikking vermelde datum, tijd en plaats van de gedraging- onder meer het volgende in:

"Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Nokia N95. (…)

Verklaring betrokkene: 'het is een GPS navigatietelefoon. Ik zette mijn navigatie aan'."

6. Voorts heeft de verbalisant in een op 9 november 2010 opgemaakt proces-verbaal onder meer nog het volgende verklaard:

"Op 15 juli 2009, omstreeks 13.40 uur, bevond ik mij samen met collega [agent 2], in een onherkenbaar dienstvoertuig op A58 binnen de gemeente Goes. Ter hoogte van hectometeraanduiding 153.9 links zag ik verbalisant [verbalisant], de bestuurder van een personenauto van het merk BMW voorzien van het Nederlandse kenteken [00-AB-AB], een mobiele telefoon in zijn rechterhand had. Ik weet nog dat ik dit gezien heb op het moment dat wij het voertuig passeerden. Ik weet niet meer of ik bestuurder of bijrijder was van het onherkenbare dienstvoertuig. Ik zag dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn rechterhand had en vervolgens een beweging maakte richting het dashboard. Bij het aanspreken van de bestuurder na zijn staande houding verklaarde de bestuurder dat hij niet aan het bellen was geweest maar slechts zijn navigatie aangezet had. Ik heb een proces verbaal aangezegd voor het in de hand houden van een mobiele telefoon omdat ik hiervan zeker was."

7. Voor zover de betrokkene meent dat het door hem gebruikte toestel (Nokia N95) niet als een mobiele telefoon kan worden aangemerkt, overweegt het hof als volgt.

8. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67 (hierna: de toelichting) wordt onder mobiele telefoon verstaan "een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten". Nu uit openbaar te raadplegen bronnen blijkt dat de Nokia N95 eveneens gebruikt kan worden voor communicatie en dit niet door de betrokkene is ontkend, stelt het hof vast dat het door de verbalisant waargenomen apparaat is bestemd voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten. De omstandigheid dat met het toestel niet gebeld kon worden, omdat er geen simkaart in het apparaat was geplaatst, doet niet af aan de bestemming van het apparaat. Naar het oordeel van het hof is er in onderhavige zaak sprake van een mobiele telefoon in de zin van artikel 61a RVV 1990.

9. De verklaring van de betrokkene met betrekking tot hetgeen is voorgevallen is in feite niet meer dan een ontkenning van de gedraging en is in strijd met de duidelijke ambtsedige verklaringen van de verbalisant. Het hof ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB en het aanvullend proces-verbaal van 9 november 2010 heeft verklaard. Het aanvullend proces-verbaal is weliswaar bijna 16 maanden na het doen van de waarneming door de verbalisant opgemaakt, maar dit tijdsverloop brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de verbalisant zich de gebeurtenis van 15 juli 2009 niet meer zou kunnen herinneren, zoals de betrokkene suggereert. Er zijn geen aanwijzingen die erop duiden dat de verklaring in het aanvullend proces-verbaal niet de door de verbalisant gedane waarneming zou weergeven. Dat de verbalisant zich niet meer kan herinneren of hij destijds bestuurder of bijrijder van het onherkenbare dienstvoertuig was, betekent naar het oordeel van het hof niet dat de betrokkene gevolgd moet worden in zijn stelling dat de verbalisant de gedraging niet juist heeft waargenomen. Nu de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij de hem verweten gedraging heeft verricht, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Dat met het toestel niet gebeld is, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de Nota van Toelichting (Stb. 2002, 67) bij de invoering van artikel 61a RVV1990 blijkt immers dat niet van belang is of de betrokkene daadwerkelijk heeft getelefoneerd toen hij zijn mobiele telefoon vasthield.

10. Nu de gedraging is verricht en er geen redenen zijn de sanctie te matigen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.