Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AD8383

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2000
Datum publicatie
23-01-2002
Zaaknummer
24-000136-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000136-00

Arrest d.d. 20 juli 2000 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Assen d.d. 11 februari 2000 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op 14 juni 1954 te Emmen,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Almere Binnen,

Caissonweg 2 1332 BX Almere

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr F.J.B. de Jong, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep.

De arrondissementsrechtbank te Assen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 23 februari 2000 respectievelijk d.d. 14 februari 2000 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft d.d. 3 juli 2000 het hoger beroep van de zijde van het openbaar ministerie ingetrokken.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 6 juli 2000 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Telastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding.

Bewezenverklaring.

Het hof acht bewezen dat verdachte

feit 1:

op verschillende tijdstippen, in de periode van 21 juli 1999 tot en met 22 juli 1999, in de gemeente Assen, met [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer]), geboren op 16 oktober 1991, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

-zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd,

-zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en

-een van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd;

feit 2 primair:

in de periode van 21 juli 1999 tot en met 22 juli 1999, in de gemeente Assen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een sjaal de keel dichtgedrukt en enige tijd dichtgedrukt gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 3:

op verschillende tijdstippen, in de periode van 31 juli 1999 tot en met 1 augustus 1999, in de gemeente Heerlen, door geweld, door een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte telkens die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte

-zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht of

-zijn penis in de mond van die [slachtoffer] duwde/bracht

en bestaande dat geweld, die andere feitelijkheid en die bedreiging met geweld respectievelijk hierin dat verdachte

-het slipje van die [slachtoffer] kapot heeft getrokken,

-die [slachtoffer] heeft belet te vertrekken,

-die [slachtoffer] op een bed heeft geduwd,

-tegen die [slachtoffer] heeft gezegd, dat, als zij een kik gaf, hij haar mond vol zou proppen, en

-tegen die [slachtoffer] heeft gezegd, dat zij zich niet moest verzetten daar hij anders agressief zou worden;

feit 4:

op verschillende tijdstippen, in de periode van 24 juni 1999 tot en met 25 juni 1999, in de gemeente Assen, door geweld c.q. een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte telkens die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte

-zijn penis in de anus van die [slachtoffer] duwde/bracht of

-zijn penis in de mond van die [slachtoffer] duwde/bracht

en bestaande dat geweld c.q. die andere feitelijkheid hierin dat verdachte

-die [slachtoffer] met geweld heeft vastgepakt,

-die [slachtoffer] heeft gedwongen zich uit te kleden,

-het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

-het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, kruis heeft gebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, onder 2 primair, onder 3 en onder 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het sexueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 2: moord;

feit 3 en feit 4 telkens: verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

Zoals uit de bewezenverklaring blijkt, heeft verdachte zich aan ernstige tot zeer ernstige strafbare feiten schuldig gemaakt. Verdachte heeft niet geschroomd ten koste van de lichamelijke integriteit van zijn echtgenote en een andere vrouw met geweld bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens af te dwingen. Daarbij heeft hij deze vrouwen hevige angst aangejaagd en pijn toegebracht. Vele malen schrijnender is zijn gedrag geweest ten opzichte van de zevenjarige [slachtoffer]. Hij heeft haar - ook nu ter bevrediging van eigen lustgevoelens - urenlang in zijn macht gehouden, haar armen en benen vastgebonden en haar mond dichtgeplakt en vervolgens op de meest afschuwelijke wijze en bij herhaling bij haar seksuele handelingen verricht van de ingrijpendste soort.

Tenslotte heeft hij - teneinde te voorkomen dat zou worden ontdekt dat hij haar had misbruikt - [slachtoffer], die door verdachtes toedoen urenlang in existentiële angst moet hebben verkeerd, van het leven beroofd.

In die omstandigheden kan slechts een - door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde - levenslange vrijheidsstraf leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane strafbare feiten, met name van het leed dat hij de slachtoffers van de bewezenverklaarde feiten, zeer in het bijzonder [slachtoffer] en haar naaste familie, heeft aangedaan, en tot effening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten de rechtsorde heeft toegebracht.

Zoals de deskundige A.A.R. de Kom, psychiater bij het Pieter Baan Centrum, ter 's hofs terechtzitting in zijn toelichting op de door het Pieter Baan Centrum over verdachte uitgebrachte rapporten d.d. 28 november 1996 en 27 december 1999 op overtuigende wijze heeft uiteengezet, kunnen verdachte de bewezenverklaarde feiten wel worden toegerekend, doch in verminderde mate. Verdachte is iemand met een uitgesproken egoïstische/egocentrische persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid moet worden gezien in het licht van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarvan de kern wordt gevormd door verlatingsangst. Het ontstaan van deze verlatingsangst moet worden toegeschreven aan de opvoedingssituatie waarin verdachte in zijn jeugd heeft verkeerd, waarbij seksueel misbruik van verdachte in zijn jonge jaren - zo inderdaad juist is hetgeen verdachte hierover heeft verklaard - de aard van verdachtes reactie op die angst nog heeft geaccentueerd. De delicten en het daaraan voorafgaande of daarmee gepaard gaande omvangrijke alcoholgebruik moeten worden begrepen als voortvloeiend uit de behoefte deze heftige angst te dempen dan wel teniet te doen.

Een en ander leidt tot de door de deskundige getrokken en door het hof onderschreven conclusie, dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten het ongeoorloofde hiervan wel heeft kunnen inzien, doch dat hij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid overeenkomstig dat inzicht te bepalen.

De aard van de beschreven gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens brengt mee, dat - aldus het door het hof onderschreven oordeel van de deskundige - het gevaar voor herhaling groot is. Verdachtes verlatingsangst brengt hem er toe in relaties zulke hoge eisen te stellen aan de ander, dat die ander niet aan die eisen kan voldoen, dat vervolgens die relatie wordt verbroken, hetgeen de verlatingsangst versterkt, waarna verdachte, zoals steeds, ter demping van die angst zijn toevlucht zal nemen tot onmatig alcoholgebruik, hetgeen leidt tot ontremming, tot verheviging van de behoefte tot bevrediging van zijn seksuele gevoelens en tegelijkertijd - vanuit door verbreking van een relatie opgeroepen gevoelens van onmacht een relatie in stand te houden - tot agressie, ook in de vorm zoals deze tot uiting komt in de bewezenverklaarde feiten.

Hoewel de deskundige aanknopingspunten ziet voor een behandeling van verdachte in het kader van de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging en verdachte met nadruk heeft verzocht hem die maatregel - (eventueel) naast een zo kort mogelijke vrijheidsstraf- op te leggen, zijn er onvoldoende gronden over te gaan tot oplegging van een combinatie van een tijdelijke vrijheidsstraf en de maatregel als vorenbedoeld. Enerzijds staat hieraan in de weg dat de door verdachte - thans - breed uitgemeten behoefte aan behandeling niet overtuigend overkomt en er gerede twijfel bestaat of gezien verdachtes neiging tot schijnaanpassing ooit een betrouwbaar oordeel over substantiële vermindering van gevaar voor recidive valt te geven, anderzijds dat verdachte ondanks diens verminderde toerekenbaarheid in hiervoor beschreven zin een ernstig verwijt treft.

In verband met dat laatste is het volgende van belang. Verdachte heeft op 21 juli 1999 in afwijking van hetgeen hij in de weken daarvoor had gedaan, ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens niet een escort-service gebeld, doch - misbruik makend van het feit, dat [slachtoffer] hem vertrouwde als vader van een speelkameraadje - er voor gekozen [slachtoffer] zijn huis in te lokken. Anders dan de deskundige oordeelt is niet aannemelijk geworden dat verdachte zo was bevangen door alcohol en/of verlatingsangst dat hij in het geheel niet meer in staat was te kiezen voor een andere, hem bekende vorm van bevrediging van bedoelde gevoelens.

Voorts heeft verdachte zich zelfs binnen het raam van de door hem nagestreefde bevrediging van zijn lustgevoelens tegenover met name het slachtoffer [slachtoffer] onnodig kwellend gedragen. Zo heeft hij haar in een kast opgesloten teneinde in de periode van het bewezenverklaarde seksuele misbruik eten te kunnen bestellen en dit tot zich te kunnen nemen zonder het gevaar te lopen dat zij zou vluchten.

Tenslotte is niet aannemelijk geworden, dat verdachte, toen hij na het langdurige seksuele misbruik van [slachtoffer] enkele uren had geslapen, in het licht van zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet of nauwelijks de mogelijkheid had, om hoewel hij - zoals hij tegenover de politie heeft verklaard - besefte dat het vermoorden van [slachtoffer] ongeoorloofd was, ervan af te zien om haar van het leven te beroven.

Zoals hiervoor is overwogen, kan slechts levenslange vrijheidsstraf leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane strafbare feiten en tot effening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht. Hetgeen hiervoor met betrekking tot de persoon van verdachte is overwogen staat aan oplegging van een levenslange vrijheidsstraf niet in de weg. Weliswaar kunnen de door verdachte begane strafbare feiten aan hem niet geheel worden toegerekend, maar daar staat tegenover dat verdachte - zoals hiervoor is beschreven - desondanks een ernstig verwijt treft. Dit verwijt wordt nog versterkt door het feit, dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd nog geen jaar nadat de tenuitvoerlegging was voltooid van een langdurige gevangenisstraf, aan verdachte opgelegd wegens het plegen van zedendelicten met een minderjarige, waaronder verkrachting, en van daarmee gepaard gaande wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Verdachte dient derhalve te worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 242, 244 en 289 van het Wetboek van Stafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1, onder 2 primair, onder 3 en onder 4 telastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot levenslange gevangenisstraf;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, onder 2 primair, onder 3 en onder 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

- Dit arrest -

Dit arrest is aldus gewezen door mrs Vellinga, vice-president, voorzitter, Poelman en Wedzinga, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Bakker als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2000 door de vice-president mr Vellinga voornoemd.