Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:3765

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
200.166.475/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

In het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden de aandelen van de DGA toegedeeld aan de man en de vrouw, waarna de mogelijkheid bestaat om over te gaan tot een ruziesplitsing in het kader van boek 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/48
EB 2016/37
PFR-Updates.nl 2016-0010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 december 2015

Zaaknummers : 200.166.475/01 en 200.178.387/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 14-500 en FA RK 14-5208

Zaaknummers rechtbank : C/09/458768 en C/09/469310

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.N. Sanders te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 december 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 28 april 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 10 juni 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 1 september 2015 een aanvullend incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 5 oktober 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 13 oktober 2015 een faxbrief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 1 september 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 5 oktober 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 16 oktober 2015 een V-formulier van 15 oktober 2015 met bijlage.

De zaak is op 16 oktober 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan mr. N. Scheurs, een kantoorgenote van haar advocaat.

Het hof heeft de pleitnotitie van de advocaat van vrouw niet geaccepteerd vanwege de omvang daarvan en de omstandigheid dat deze een verkapt verweer vormt. De advocaat van de man heeft desgevraagd verklaard bezwaar te maken tegen voormelde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    bepaald dat de man de schuld aan [X] B.V. per 21 januari 2014 geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal dragen, vermeerderd met de rente vanaf 21 januari 2014 tot aan de datum van levering van de aandelen in [X] B.V. aan de man;

  • -

    bepaald dat de man in verband met zijn verzoek een vordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 6.305,34 uit hoofde van verrekening van door de man betaalde bedragen.

Het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man aan de haar te betalen uitkering tot levensonderhoud, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op [inschrijvingsdatum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdeling vast te stellen met inachtname van hetgeen de man in zijn klachten naar voren heeft gebracht, bestaande uit:

  • -

    het tussen partijen verrekenen van de rekening courantverplichting van € 262.877,-, te vermeerderen met 4% rente per peildatum van 21 januari 2014;

  • -

    te bepalen dat de woning van partijen moet worden verkocht en geleverd aan een derde koper met aansluitende betaling van de overwaarde aan de onderneming, zodat hiermee de openstaande verplichtingen van partijen aan de onderneming worden afgelost;

  • -

    na het verkrijgen van de waardering van de aandelen van de onderneming te bepalen of deze onverdeeld dienen te blijven (primair) dan wel door de man kunnen worden overgenomen met inachtname van een betalingsregeling met gespreide betaling en overige redelijke betalingsvoorwaarden (subsidiair);

  • -

    het alsnog in de verdeling betrekken van de (waarde van de) inboedel en de (waarde van de) sieraden;

  • -

    de verrekenverplichtingen tussen partijen opnieuw vast te stellen met inachtname van de te veel betaalde partneralimentatie ten gevolge van de wijziging voorlopige voorzieningen, de substantiële onttrekkingen/afroming van de bankrekeningen door de vrouw voorafgaand aan de peildatum en de overige verrekeningen die eerder ten onrechte nog niet in aanmerking zijn genomen, door het hof nader te beoordelen en te bepalen;

  • -

    dan wel ten aanzien van alle voornoemde onderdelen de verdeling tussen partijen vast te stellen op een wijze als het hof in goede justitie juist oordeelt.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt:

in appel:

- het verzoek van de man, onder 1, om de rekening-courantverplichting tussen partijen te verrekenen af te wijzen en in stand te houden hetgeen hieromtrent is beslist bij de bestreden beschikking, met dien verstande dat primair de rente na 1 januari 2014, subsidiair de rente na 1 maart 2014, uitsluitend voor rekening komt van de man;

- het verzoek van de man met betrekking tot de echtelijke woning, onder 2, af te wijzen en in stand te houden hetgeen hieromtrent is beslist bij de bestreden beschikking;

- het verzoek van de man, onder 3, met betrekking tot de waardering van de aandelen en de wijze van betaling af te wijzen en in stand te houden hetgeen hieromtrent is beslist bij de bestreden beschikking;

- het verzoek van de man, onder 4, met betrekking tot de inboedel en de sieraden af te wijzen en in stand te houden hetgeen hieromtrent is beslist bij de bestreden beschikking;

- af te wijzen het verzoek van de man omtrent terugbetaling van de te veel betaalde partneralimentatie en verrekening van substantiële onttrekkingen/afroming van bankrekeningen door de vrouw voorafgaand aan de peildatum en overige verrekeningen die eerder nog niet in aanmerking zijn genomen;

- af te wijzen het verzoek van de man aan het hof om de verdeling vast te stellen op de wijze zoals door de man verzocht;

in incidenteel appel: om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking op een aantal onderdelen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende de verdeling vast te stellen, met in achtneming van hetgeen de vrouw in haar klachten naar voren heeft gebracht, bestaande uit:

  • -

    de vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat nakoming uitblijft, de bankafschriften aan de vrouw te verstrekken binnen twee dagen na de beschikking van het hof en om de man te veroordelen de helft van het aan de vrouw toekomende saldo binnen zeven dagen na de beschikking van het hof aan de vrouw over te maken plus de wettelijke rente van 4% over de periode van 16 december 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    de vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat nakoming uitblijft, om [X] B.V., binnen veertien dagen na dagtekening van de door het hof af te geven beschikking, het daarin opgebouwde pensioen af te laten storten op de bankrekening van een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;

  • -

    de vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen om [X] B.V., op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag nakoming uitblijft, binnen veertien dagen na dagtekening van de door het hof af te geven beschikking, het daarin opgebouwde stamrecht af te laten storten op de bankrekening van een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw, primair met ingang van 2 juni 2014 (datum wijzigingsbeschikking), subsidiair met ingang van 15 maart 2015 (datum indiening beroepschrift), meer subsidiair met ingang van [inschrijvingsdatum] (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) ter hoogte van € 6.261,- bruto per maand;

  • -

    de man te veroordelen nog aan de vrouw te voldoen, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat nakoming uitblijft, binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking, het saldo dat volgt uit de nog openstaande verrekenposten en tot voldoening van een schadevergoeding aan de vrouw ter hoogte van 8% van de vordering van de vrouw op de man, te rekenen vanaf 16 december 2014, dan wel vanaf de datum zoals het hof in goede justitie meent te behoren.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in incidenteel appel dan wel deze af te wijzen dan wel te oordelen als het hof in goede justitie als rechtvaardig beoordeelt.

5. Het hof overweegt vooreerst als volgt. De vrouw heeft een aanvullend incidenteel appelschrift ingediend. In beginsel is een aanvullend incidenteel beroep niet toegestaan in verband met het feit dat het incidenteel appelschrift de gronden van het beroep dient te bevatten en in appel de twee-conclusieregel geldt. Het hof zal derhalve het aanvullend incidenteel appelschrift van de vrouw niet in zijn beschikking betrekken, zoals ter terechtzitting ook aan partijen is meegedeeld.

6. Voorts is op 16 oktober 2015 van de zijde van de vrouw bij het hof ingekomen het rapport van [de accountants] ter zake een bindende waardering van de aandelen van de vennootschap van de man. Hoewel voormeld rapport op de dag van de terechtzitting is ingediend, zal het hof dit in acht nemen nu beide partijen zich aan hieraan hebben gecommitteerd.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rekening-courantschuld

7. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat hij de rekening-courantschuld aan [X] B.V. per peildatum 21 januari 2014 geheel voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te dragen, vermeerderd met rente. Volgens de man dient deze schuld alsmede de rente daarover door partijen gezamenlijk, ieder voor de helft te worden gedragen en dient deze te worden betrokken in de berekening van de over- dan wel onderbedelingsvordering. De man wenst voorts dat de rekening-courantschuld en andere schulden van de B.V. worden voldaan uit de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. Alleen op deze wijze is er volgens de man op langere termijn voldoende kapitaal in de vennootschap aanwezig om aan de pensioenverplichtingen jegens partijen te kunnen voldoen. De rechtbank had de voormalige echtelijke woning dan ook niet aan de vrouw moeten toedelen onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de man te voldoen.

8. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Volgens de vrouw komen de opnames en rentermijnen van na de peildatum voor rekening van de man, aangezien deze opnames alleen hem ten goede zijn gekomen. Zij ziet niet in waarom de rekening-courantschuld in een keer afgelost zou moeten worden met de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. De vrouw stelt dat de aandelen van de B.V. meer waard zijn dan de man doet voorkomen. Er is volgens haar geen sprake van een oninbare schuld op de zoon van partijen, zoals de man stelt. Bovendien is de B.V. niet louter een pensioen B.V. maar geneert zij nog inkomsten aangezien er in de jaarrekening 2013 nog een kleine voorraadpositie is.

9. Het hof overweegt als volgt. De rekening-courantschuld van de directie aan de B.V. is een gemeenschapsschuld. Beide partijen zijn, ieder voor de helft, draagplichtig voor deze schuld per de peildatum 21 januari 2014, aangezien op deze datum de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Uit het verweerschrift van de vrouw (randnummer 9 en verder) begrijpt het hof dat ook de vrouw ervan uitgaat dat in zij in de onderlinge verhouding tussen partijen de helft van deze schuld per 21 januari 2014 dient te dragen.

10. Ten aanzien van de rente over de rekening-courantschuld overweegt het hof dat de rentetermijnen die na 21 januari 2014 verschuldigd zijn over voormelde hoofdsom, betrekking hebben op deze gemeenschapsschuld zodat ook de desbetreffende rente door beide partijen, ieder voor de helft, moet worden gedragen. De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen het door de man gemelde percentage van de rente van 4%, zodat het hof van dit percentage uit zal gaan.

11. Indien de man na 21 januari 2014 gelden in rekening-courant heeft opgenomen is dit een privéschuld van de man die niet in de verdeling wordt betrokken. Dit geldt ook voor de daarover verschuldigde rentetermijnen. De vennootschap heeft dan een vordering op de man in privé.

12. De man heeft de door hem gestelde opnames in rekening-courant over de periode van 31 december 2013 tot de peildatum van € 2.900,- in het geheel niet onderbouwd. Het hof houdt daarmee derhalve geen rekening en stelt de rekening-courantschuld per peildatum op
€ 249.867,-.

13. Gelet op het vorenstaande zal het hof bepalen dat partijen beiden, ieder voor de helft, draagplichtig zijn voor de rekening-courantschuld van € 249.867,- en voor de na 21 januari 2014 verschenen rentetermijnen daarover. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd. Het door de man meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Aandelen

14. De man is het niet eens met de toedeling van de aandelen in [X] B.V. aan hem onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden. Hij voert daartoe onder meer het volgende aan:

- gelet op zijn pensioengerechtigde leeftijd zal de man de onderneming niet actief voortzetten als ondernemer;

- de forse lening aan de zoon van partijen, welke lening waarschijnlijk niet zal worden terugbetaald, drukt de waarde van de aandelen;

- de onderneming is in feite een toegelaten uitvoerder van de opgebouwde pensioenverplichtingen die partijen, ieder voor de helft, toekomen. Met deze forse pensioenverplichtingen heeft de rechtbank geen rekening gehouden;

- om de pensioenverplichtingen te kunnen blijven voldoen, moet de overwaarde van de voormalige echtelijke woning worden aangewend om de rekening-courantschuld en de bijbehorende renteverplichtingen (en overige openstaande verplichtingen) te betalen;

- alvorens verder te beslissen, dient de waarde van de aandelen te worden bepaald;

- de man verwacht financieel niet in staat te zijn de vrouw uit te kopen. Het kan zijn dat de aandelen gedwongen onverdeeld moeten blijven.

15. De vrouw voert verweer als volgt:

- de man heeft zelf ingestemd met de toedeling van de aandelen aan hem en heeft daarom verzocht;

- gelet op de huidige levensstijl van de man is er van lagere inkomsten aan zijn zijde niets te merken;

- de man beweert slechts met zijn ondernemersactiviteiten te stoppen om een lagere waardering van de aandelen te bewerkstelligen;

- de kans is groot dat de zoon van partijen zijn schuld aan de B.V. uiteindelijk zal aflossen;

- er is sprake van een onderneming in bloei met volop ondernemingsactiviteiten;

- verkoop en levering aan derden van de voormalige echtelijke woning in verband met de aflossing op de rekening-courantschuld is niet nodig. De man gunt de vrouw de woning waarschijnlijk niet;

- de onderneming dient niet onverdeeld te blijven. De man onderbouwt zijn stellingen niet.

16. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk aan de man gevraagd of zijn petitum zo dient te worden gelezen dat verzocht wordt om de verdeling vast te stellen. De advocaat van de man heeft daarop bevestigend geantwoord. De advocaat van de vrouw heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Nu de aandelen in de pensioen/stamrecht B.V. een onderdeel vormen van de te verdelen huwelijksgemeenschap en hieromtrent complexe vraagstukken spelen, zoals de mogelijkheid tot afstorten van de pensioen/stamrechten en het geschil omtrent de waarde van de aandelen, kan de man naar het oordeel van het hof niet gehouden worden aan de overeenkomst die partijen in eerste aanleg hebben gesloten omtrent toedeling van de aandelen aan de man. Er is pas sprake van een volledige verdeling indien partijen ook overeenstemming hebben over alle financiële gevolgen met betrekking tot dat goed. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben bereikt omtrent alle financiële gevolgen met betrekking tot dit goed, zijnde de aandelen, heeft er geen verdeling plaatsgevonden.

17. De aandelen in de vennootschap behoren tot het te verdelen vermogen. Partijen hebben in privé een vordering op de B.V. uit hoofde van de door de B.V. aan partijen gedane pensioen/stamrechttoezeggingen. Als gevolg van het pensioen in eigen beheer/stamrecht rust er op de vennootschap een aanzienlijke claim. Daarnaast heeft het hof ernstige twijfel of de vennootschap haar vordering op de zoon van partijen ook daadwerkelijk kan incasseren. Voorts is het hof ervan overtuigd dat de vennootschap haar ondernemingsactiviteiten heeft gestaakt en dat de vennootschap een pensioen/stamrecht B.V. is geworden. Vanuit de vennootschap bezien, is het voor de vennootschap van belang dat zij over voldoende financiële middelen kan beschikken om aan haar pensioen/stamrechtverplichtingen te kunnen voldoen. Gezien de aard van de vennootschap (pensioen/stamrecht B.V.) acht het hof het redelijk en billijk om de aandelen tussen partijen gelijkelijk te verdelen. Gezien het feit dat de man heeft verzocht om de verdeling vast stellen en de vrouw daar geen bezwaar tegen heeft, maakt het hof gebruik van haar discretionaire bevoegdheid. In het kader van een ruziesplitsing kunnen partijen nadien nog overgaan tot splitsing van de vennootschap, dan kan ieder der partijen zijn eigen beleid formuleren met betrekking tot de onderneming.

18. Het bindend advies van de accountant brengt mee dat de waarde van de aandelen op
€ 300.000,- moet worden gesteld, zodat aan ieder van partijen een pakket aandelen wordt toegedeeld voor een waarde van € 150.000,-. Bij deze bindende waardebepaling is rekening gehouden met de vordering van de B.V. op de zoon van partijen.

Verkoop voormalige echtelijke woning

19. Anders dan de vrouw, is het hof voorts van oordeel dat de voormalige echtelijke woning aan derden moet worden verkocht en geleverd teneinde met de netto opbrengst de rekening-courantschuld van partijen bij de B.V. af te lossen. Partijen hebben hierbij een gemeenschappelijk belang nu hiermee hun pensioen- en stamrechten, ook voor in de toekomst, worden veiliggesteld. Het hof acht hierbij van belang dat de schuld in een keer wordt afgelost, temeer nu de rekening-courantschuld rentedragend is tegen een hoger percentage dan thans op een normale spaarrekening wordt verkregen. Het hof zal overeenkomstig bepalen.

20. Ten aanzien van de door de vrouw gestelde inkomsten en levensstijl van de man, waaruit volgens haar blijkt dat de B.V. nog volop in bedrijf is, overweegt het hof dat de man de activa van de B.V. dient te beheren. Het resultaat van zijn beleggingen komt ten goede aan de vennootschap en kan in het kader van dividend aan partijen worden uitgekeerd.

Sieraden en inboedel

21. De man heeft ter terechtzitting zijn grieven ter zake de sieraden en inboedel ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

Inzage bankrekeningen/afgifte bankafschriften

22. De man wenst inzage in de administratie van de bankrekeningen van de vrouw en de bankrekening die eindigt op - [123] . Volgens de man heeft de vrouw vóór de peildatum forse bedragen overgeschreven naar haar schoonzoon en vervolgens naar de bankrekening eindigend op - [123] . Deze bedragen moeten worden verrekend.

23. De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Volgens de vrouw had zij de opgenomen bedragen nodig om van te kunnen leven. De man heeft hetzelfde gedaan via de rekening-courant. Daaraan betaalt de vrouw weer mee. De vrouw heeft al een bankafschrift overgelegd. Indien zij nog meer bankafschriften dient over te leggen, dient de man afschriften van het verloop van de rekening-courantverhouding met de B.V. over te leggen, aldus de vrouw.

24. Het hof overweegt dat in het kader van de verdeling het verloop van de bankrekeningen niet relevant is. Bepalend is het saldo per de peildatum. Daarnaast geldt weliswaar dat echtgenoten op grond van artikel 1:83 BW elkaar desgevraagd inlichtingen verschaffen over het door hen gevoerde bestuur, alsmede over de stand van hun goederen, maar naar het oordeel van het hof zijn echtgenoten op basis van deze wettelijke verplichting niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het afleggen van rekening en verantwoording past niet binnen het instituut van het huwelijk, aangezien het huwelijk de bezegeling is van de lotsverbondenheid. Indien de man nog heeft beoogd een beroep te doen op artikel 1:164 BW, heeft hij daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Zijn grief treft derhalve geen doel. Het verzoek van de man aangaande inzage in de bankafschriften zal worden afgewezen.

25. De vrouw vordert in incidenteel appel onder verbeurte van een dwangsom afgifte van de bankafschriften van een zevental bankrekeningen gedateerd 21 januari 2014. Volgens de vrouw heeft de man zulks verzuimd dan wel heeft hij niet relevante stukken overgelegd. De vrouw loopt hierdoor rente mis die zij over het uitgekeerde saldo had kunnen ontvangen.

26. De man legt in hoger beroep bankafschriften over voor zover deze in zijn bezit zijn (productie 12), welke reeds eerder naar de advocaat van de vrouw waren gezonden. Volgens de man heeft de vrouw derhalve geen belang bij haar incidentele grief.

27. Nu het hof voldoende inzicht heeft in de omvang van de voormalige huwelijkse gemeenschap heeft de vrouw geen belang bij haar vordering. Het hof zal deze vordering dan ook afwijzen.

Afstorting pensioen- en stamrechten

28. De vrouw is van mening dat de rechtbank de man had moeten veroordelen tot afstorting van het haar toekomende deel aan stamrecht- en pensioenaanspraken bij een door de vrouw aan te wijzen externe pensioenverzekeraar. Volgens de vrouw komt zij geld tekort en loopt zij een aanzienlijk risico indien haar deel van de aanspraken in de vennootschap blijft, waarover de man zeggenschap heeft. De vrouw voert aan dat haar accountant heeft berekend dat afstorting mogelijk gezien de liquide middelen van de vennootschap goed mogelijk.

29. De man weerspreekt de stellingen van de vrouw als volgt:

- de vrouw ontvangt haar deel van het pensioen al uit de B.V. sinds de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Zij heeft derhalve geen belang bij haar verzoek;

- de lening aan de zoon van partijen dient te worden afgewaardeerd. De zoon kan niet meer aflossen;

- de verzochte afstorting is gelet op de vermogensrechtelijke positie van de B.V. niet mogelijk en niet redelijk en billijk in het licht van een gelijkwaardige positie die echtgenoten dienen te hebben. De pensioenvoorziening bevindt zich in de uitkeringsfase en wordt aan partijen gelijkelijk uitbetaald. Bovendien is er een fikse rekening-courantschuld en zou door de lage rentestand een onevenredig hoge afstorting moeten plaatsvinden. Afstorting brengt de continuïteit van de onderneming in gevaar en de man kan hiervoor überhaupt geen financiering krijgen.

30. Nu de man geen bezwaar heeft gemaakt tegen voormeld verzoek van de vrouw om afstorting, zal het hof dit verzoek opvatten als een nevenverzoek in de zin van artikel 827 Rv dat ook in appel nog kan worden gedaan.

31. Het hof is van oordeel dat de pensioen- en stamrechten van de vrouw op dit moment niet kunnen worden afgestort aangezien binnen de vennootschap onvoldoende liquiditeiten aanwezig zijn om pensioen- en stamrechten voor beide partijen uit te kunnen keren. Ook beschikt de man overigens over onvoldoende vermogensbestanddelen om aan dit verzoek van de vrouw te kunnen voldoen. Voorts heeft de vrouw geen belang meer bij haar vordering nu de helft van de aandelen aan haar worden toegedeeld. Indien de vrouw het wenselijk vindt, kan zij overgaan tot een ruziesplitsing van de B.V. Zij kan dan haar eigen pensioen/stamrechten gaan beheren. Voorts is het hof van oordeel dat de postrelationele solidariteit meebrengt dat, indien tot afstorting wordt overgegaan, ook de man zijn aanspraken op pensioen- en stamrechten in gelijke mate geldend moet kunnen maken. Het verzoek van de vrouw tot afstorting zal derhalve worden afgewezen.

Partneralimentatie

32. De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat partijen - indien rekening wordt gehouden met de noodzakelijke uitgaven voor hun levensonderhoud - allebei evenveel vrije ruimte overhouden en hetzelfde inkomen hebben. De vrouw wijst op haar aanzienlijke aanvullende behoefte die zij berekent op € 6.261,- bruto per maand. Volgens de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om in deze aanvullende behoefte te kunnen voorzien, aangezien hij naast AOW en pensioen nog andere inkomensbronnen heeft (salaris uit onderneming, mogelijkheid tot een dividenduitkering van ten minste € 12.000,- per jaar, inkomen uit vermogen, speculatie van aandelen in privé die op jaarbasis gemiddeld € 100.000,- opbrengt).

33. De man weerspreekt de stellingen van de vrouw ter zake zijn inkomen en is van mening dat zij deze niet heeft onderbouwd.

34. Het hof is van oordeel dat de rechtbank inzake de partneralimentatie terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over, met uitzondering van de overweging ten overvloede dat de man nog rente over de rekening-courantschuld moet betalen en moet aflossen op deze schuld, nu het hof daarover anders oordeelt. Het hof neemt de overige gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud is afgewezen.

35. Uit proceseconomische overwegingen verzoekt de man het hof voorts alsnog te bepalen dat de vrouw de partneralimentatie, die zij gelet op de wijzigingsprocedure in voorlopige voorzieningen te veel heeft ontvangen, aan hem dient terug te betalen. Het betreft een bedrag van € 9.376,- over de periode van januari 2014 tot en met juni 2014. De man wenst dit bedrag dan bij de eindafwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap te verrekenen.

36. De vrouw erkent voormelde vordering van de man, maar stelt dat het geld is verbruikt. Zij had destijds enkel een AOW-uitkering, zodat zij de achteraf te hoog gebleken bijdrage van de man hard nodig had. Volgens de vrouw is de voorzieningenrechter onvoldoende behoedzaam omgegaan met de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie. De vrouw verzoekt te bepalen dat hetgeen door de man is betaald, niet door haar terugbetaald hoeft te worden.

37. Het hof acht in dit specifieke geval voormeld verzoek van de man voor toewijzing gereed nu dit de procedure niet onnodig ophoudt en de vrouw naar het oordeel van het hof thans over voldoende financiële middelen beschikt om de te veel betaalde partneralimentatie terug te kunnen betalen. Bovendien heeft de man te kennen gegeven het bedrag te willen verrekenen. Het hof gaat ervan uit dat de man zijn verzoek in zoverre heeft verminderd. Het hof zal de vrouw derhalve veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen een bedrag van € 9.376,- ter zake te veel betaalde partneralimentatie.

Overige verrekenposten en schadevergoeding

38. De man wenst nog diverse bedragen van de vrouw vergoed te krijgen en te verrekenen. De vrouw op haar beurt wenst eveneens bedragen van de man vergoed te krijgen en te verrekenen. Daarnaast verzoekt zij om een schadevergoeding van 8% omdat zij - naar het hof begrijpt - per maand een aanzienlijk bedrag aan rente misloopt en de kans aanwezig is dat het geld waar zij recht op heeft, straks niet meer beschikbaar is.

39 Het hof overweegt dat voor zover de gestelde verrekenposten door de vennootschap zijn betaald, dit een vordering van de vennootschap betreft en niet van partijen. Voor zover dit niet het geval is en de verrekenposten zien op schulden ontstaan vóór de peildatum, zijn partijen hiervoor, ieder voor de helft, draagplichtig. Indien een partij meer dan de helft van deze schulden heeft betaald, heeft deze regres voor het meerdere op de wederpartij. Het hof is voorts niet in staat te berekenen wie welk bedrag aan wie is verschuldigd nu het deels doorlopende posten betreft. De desbetreffende verzoeken van partijen zullen dan ook worden afgewezen. Overigens heeft de vrouw haar verzoek in het geheel niet met stukken onderbouwd.

40. Het verzoek van de vrouw om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen, nu de vrouw daarvoor geen enkele valide rechtsgrond heeft aangevoerd.

41. De rechtbank heeft aan verrekenposten ten gunste van de man vastgesteld een bedrag van € 6.305,34. Nu de grieven van de man tegen deze verrekenposten geen doel treffen, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

42. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover

  • -

    deze de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft;

  • -

    daarin het verzoek van de man de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van over de periode van januari 2014 tot en met juni 2014 te veel ontvangen partneralimentatie is afgewezen

en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de verdeling van de tussen de partijen bestaande ontbonden gemeenschap van goederen vast als volgt:

aan de man worden toegedeeld:

- de helft van de saldi per 21 januari 2014 op de bankrekeningen op naam van beide partijen of een van partijen;

- de auto [A] , onder de verplichting ter zake een bedrag van
€ 12.500,- aan de vrouw te voldoen;

- de helft van de aandelen in [X] B.V. tegen een waarde van € 150.000,-;

aan de vrouw worden toegedeeld:

- de helft van de saldi per 21 januari 2014 op de bankrekeningen op naam van beide partijen of een van partijen,

- de auto [B] , onder de verplichting ter zake een bedrag van
€ 4.000,- aan de man te voldoen;

- de helft van de aandelen in [X] B.V. tegen een waarde van € 150.000,-;

stelt vast dat de rekening-courantschuld per 21 januari 2014 € 249.867,- bedraagt en bepaalt dat partijen beiden, ieder voor de helft, draagplichtig zijn voor deze schuld, alsmede voor de na 21 januari 2014 verschenen rentetermijnen van 4% per jaar daarover;

bepaalt dat de voormalige echtelijke woning te [adres] , zal worden verkocht en geleverd aan derden, waarna - na aflossing van de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning alsmede voldoening van de aan de verkoop verbonden kosten - de overwaarde zal worden aangewend om de rekening-courantschuld van de directie aan [X] B.V. en eventuele overige gemeenschapsschulden van partijen aan de B.V. af te lossen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen een bedrag van € 9.376,- ter zake te veel ontvangen partneralimentatie;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, E.A. Sutorius-van Hees en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2015.