Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1470

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
BK-14-00279 tot en met BK-14-00314
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2629, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het principaal ingestelde hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1273
V-N 2015/38.15.29
FutD 2015-1459
FutD 2015-1460
NTFR 2015/2825 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00279 tot en met BK-14/00314

Uitspraak d.d. 3 juni 2015

in het geding tussen:

[X] B.V. gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Dordrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2014, nummers SGR 13/4151 tot en met SGR 13/4186, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de maandtijdvakken januari 2009 tot en met december 2011 de navolgende naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens zijn bij afzonderlijk genomen beschikkingen vergrijpboetes opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

Tijdvak

Dagtekening

Loonheffingen

Vergrijpboete

Heffingsrente

Januari 2009

26 09 2012

€ 652

€ 163

€ 46

Februari 2009

14 09 2012

€ 652

€ 163

€ 45

Maart 2009

28 09 2012

€ 652

€ 163

€ 46

April 2009

19 09 2012

€ 652

€ 163

€ 45

Mei 2009

01 10 2012

€ 652

€ 163

€ 46

Juni 2009

21 09 2012

€ 652

€ 163

€ 45

Juli 2009

20 09 2012

€ 653

€ 163

€ 45

Augustus 2009

25 09 2012

€ 652

€ 163

€ 46

September 2009

18 09 2012

€ 652

€ 163

€ 45

Oktober 2009

24 09 2012

€ 652

€ 163

€ 46

November 2009

17 09 2012

€ 652

€ 163

€ 45

December 2009

27 09 2012

€ 590

€ 147

€ 41

Januari 2010

01 10 2012

€ 655

€ 163

€ 30

Februari 2010

27 09 2012

€ 656

€ 164

€ 30

Maart 2010

17 09 2012

€ 656

€ 164

€ 29

April 2010

26 09 2012

€ 656

€ 164

€ 29

Mei 2010

25 09 2012

€ 655

€ 163

€ 29

Juni 2010

18 09 2012

€ 656

€ 164

€ 29

Juli 2010

19 09 2012

€ 656

€ 656

€ 29

Augustus 2010

28 09 2012

€ 656

€ 656

€ 30

September 2010

21 09 2012

€ 655

€ 655

€ 29

Oktober 2010

20 09 2012

€ 656

€ 656

€ 29

November 2010

24 09 2012

€ 656

€ 656

€ 29

December 2010

14 09 2012

€ 594

€ 594

€ 26

Januari 2011

18 09 2012

€ 647

€ 647

€ 11

Februari 2011

17 09 2012

€ 648

€ 648

€ 11

Maart 2011

20 09 2012

€ 647

€ 647

€ 11

April 2011

21 09 2012

€ 647

€ 647

€ 11

Mei 2011

26 09 2012

€ 648

€ 648

€ 12

Juni 2011

14 09 2012

€ 648

€ 648

€ 11

Juli 2011

25 09 2012

€ 648

€ 648

€ 12

Augustus 2011

24 09 2012

€ 648

€ 648

€ 12

September 2011

01 10 2012

€ 648

€ 648

€ 12

Oktober 2011

28 09 2012

€ 648

€ 648

€ 12

November 2011

19 09 2012

€ 648

€ 648

€ 11

December 2011

27 09 2012

€ 589

€ 589

€ 11

Totaal

€ 23.284

€ 14.509

€ 1.026

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 318 griffierecht geheven.

1.4.

De rechtbank heeft de beroepen gericht tegen de naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen heffingsrenten ongegrond verklaard, de beroepen gericht tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboeten vernietigd, de boetebeschikkingen vernietigd en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten, alsmede de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.460, te betalen aan belanghebbende en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 318 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 493. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

"1. Eiseres exploiteert middels een dochtervennootschap een groothandel in dranken.

Zij heeft aan haar directeur grootaandeelhouder, de heer [Y] (werknemer) voor

de uitoefening van zijn werkzaamheden een personenauto (de auto) ter beschikking gesteld.

2. In 2012 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld betreffende het

privé gebruik van aan de werknemers van eiseres ter beschikking gestelde auto's. De

uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een tot de gedingstukken behorend

controlerapport van 15 juni 2012 (het controlerapport). Naar aanleiding van het

boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres ter zake van het privé gebruik

auto ten onrechte de inhouding van loonheffing achterwege heeft gelaten. Daarom heeft

verweerder een zogenoemde correctieverplichting als bedoeld in artikel 28a van de Wet op

de loonbelasting 1964 (de Wet) voor de maandtijdvakken januari 2009 tot en met december

2012 opgelegd.

3. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan de haar opgelegde correctieverplichting heeft

verweerder over genoemde tijdvakken naheffingsaanslagen loonbelasting en premies

volksverzekeringen opgelegd naar bedragen van € 7.763 (totaal 2009), € 7.807 (totaal 2010)

en € 7.714 (totaal 2011). Daarbij heeft verweerder heffingsrente in rekening gebracht en op

grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vergrijpboetes

opgelegd. Over de tijdvakken januari 2009 tot en met 30 juni 2010 bedragen de boetes 25%

van de nageheven belasting. Over de tijdvakken juli 2010 tot en met 31 december 2011

bedragen de boetes 100% van de nageheven belasting,

4. Bij de uitsprank op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslagen en daarbij

gegeven beschikkingen gehandhaafd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld."

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In het principaal ingestelde hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

4.2.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de kilometeradministraties in combinatie met de door haar overgelegde notitieboekjes en toelichtingen van de werknemer voldoende bewijs vormen dat niet meer dan 500 kilometer per jaar privé door de werknemer met de auto is gereden.

4.3.

De Inspecteur betwist dat belanghebbende het bewijs heeft geleverd dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt omdat er voor de onderhavige jaren geen sluitende kilometerregistraties zijn die aan de wettelijke vereisten voldoen en ook anderszins daarvan niet is gebleken.

4.4.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep is in geschil of de boetes terecht zijn opgelegd, hetgeen de Inspecteur bepleit en belanghebbende betwist.

4.5.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof verder naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar alsmede vernietiging van de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep concludeert belanghebbende primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de boetebeschikkingen betreft.

5.2.

De Inspecteur concludeert in het principaal ingestelde hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en in het incidenteel hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

"Beoordeling van het geschil

8. Ingevolge artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet)

wordt de auto geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt

dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden

wordt gebruikt. Dit laatste kan ingevolge artikel 13bis, vierde lid, van de Wet, blijken uit een rittenregistratie of anderszins. Het woord 'blijken' betekent dat volledig bewijs moet worden geleverd, dat wil zeggen dat eiseres haar stellingen overtuigend moet aantonen.

9. Ingevolge artikel 13bis, zevende lid, van de Wet, in samenhang bezien met artikel

21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (voor de tijdvakken in 2009 en 2010) en

artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (voor de tijdvakken in 2011),

moet een rittenregistratie ten minste de volgende gegevens bevatten:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.

10. Eiseres heeft tijdens het boekenonderzoek rittenregistraties aan verweerder overgelegd. In de bezwaarprocedure heeft eiseres opnieuw rittenregistraties overgelegd en voorts een drietal notitieboekjes met aantekeningen van ritten van de werknemer.

11. Verweerder heeft de rittenregistraties beoordeeld en geconstateerd dat:

- niet alle ritten zijn verantwoord;

- opvolgende begin- en eindstanden van de gereden kilometers op verschillende dagen niet

aansluiten;

- relatief grote afwijkingen bestaan in gereden kilometers bij woon-werkverkeer;

- indien wordt afgeweken van de gebruikelijke route is de gevolgde route (omrijkilometers

en gemiste afslagen) niet is opgenomen;

- met de ter beschikking gestelde auto een verkeersovertreding is begaan, terwijl blijkens

een van de rittenregistraties op die dag niet met die auto zou zijn gereden.

12. Naar aanleiding van de onjuistheden en onvolkomenheden die door verweerder in

het controlerapport en in de uitspraak op bezwaar zijn vermeld, heeft eiseres op 24 april 2012 en 30 oktober 2012 schriftelijke toelichtingen verstrekt.

13. Nadat eiseres in beroep was gegaan heeft zij verbeterde rittenregistraties in geding

gebracht.

14. In de bijlage bij zijn pleitnota heeft verweerder een lijst overgelegd met bestemmingen uit de rittenregistratie van 2011 waarvan de adressen ontbreken. In reactie hierop heeft eiseres bij brief van 21 oktober 2013 schriftelijke toelichtingen verstrekt.

15. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de rittenregistraties niet aan de onder 9.

genoemde eisen, nu onder meer in veel gevallen de adressen van de bestemmingen ontbreken. Met de rittenregistraties en de toelichtingen die daarop door de werknemer zijn gegeven, heeft eiseres niet doen blijken dat de auto voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Eiseres heeft geen sluitende (kantoor)agenda van de werknemer overgelegd aan de hand waarvan de zakelijkheid van de aangegeven ritten en bestemmingen voldoende nauwkeurig kunnen worden bepaald. Uit de rittenregistraties zelf kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet het zakelijke karakter van de ritten worden opgemaakt, nu daarin enkel de adressen of namen van de bestemmingen zijn vermeld. De door de werknemer verstrekte toelichtingen geven voorts ook niet afdoende bewijs voor de zakelijkheid van de ritten. De stelling van eiseres dat sprake is van kleine onjuistheden en overnamefoutjes die niet af doen aan de betrouwbaarheid van registraties wordt door de rechtbank verworpen, gelet op het aanzienlijk aantal onjuistheden dat door verweerder is geconstateerd. Voorts sluit de verklaring ter zitting van de werknemer dat hij bij privé ritten gebruik[t] maakt van de auto van zijn broer die bij hem in de buurt woont niet uit dat hij de auto die door zijn werkgever ter beschikking is gesteld, ook voor privé-doeleinden heeft gebruikt.

16. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet aan de op haar rustende (zware) bewijslast heeft voldaan. De naheffingsaanslagen wegens privégebruik van de auto zijn derhalve terecht opgelegd.

17. Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken januari 2009 tot en met juni 2010

vergrijpboetes opgelegd ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), in samenhang met paragraaf 25, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) (tekst tot 1 juni 2010) van 25% omdat het aan grove schuld is te wijten dat eiseres een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Over de tijdvakken juli 2010 tot en met december 2011 heeft verweerder ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Awr, in samenhang met paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB (tekst vanaf l juli 2010) vergrijpboetes opgelegd van 100% van de nageheven belasting wegens het overleggen van een onjuiste of onvolledige rittenregistratie.

18. Grove schuld is eerst dan aanwezig indien sprake is van een in laakbaarheid aan

opzet grenzende onachtzaamheid. Met inachtneming van de vaststaande feiten en omstandigheden en hetgeen overigens door partijen over en weer naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat in dit geval van grove schuld niet kan worden gesproken. De omstandigheid dat eiseres er niet in is geslaagd bewijs te leveren dat voldoet aan de eisen die de wet stelt, is op zich genomen geen omstandigheid die grove schuld impliceert (zie ook hof ’s-Gravenhage, 12 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:35). Voorts acht de rechtbank de omstandigheid dat het verlangde bewijs niet kan worden geleverd met de overgelegde rittenregistraties, gegeven de aard van de onvolkomenheden onvoldoende grond voor het opleggen van vergrijpboeten. De boeten dienen derhalve te komen vervallen.

19. Gelet op het oordeel onder 18 worden de beroepen voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Met betrekking tot het incidenteel ingestelde hoger beroep van de Inspecteur overweegt het Hof het volgende.

7.1.1.

Ingevolge artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient het incidenteel hoger beroep te worden ingesteld binnen zes weken nadat het Hof de gronden van het door belanghebbende principaal ingestelde hoger beroep aan de Inspecteur heeft verzonden. De gronden van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep zijn op 3 juni 2014 aan de Inspecteur verzonden. Het incidenteel hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 september 2014, hetgeen ruimschoots is gelegen na 15 juli 2014, de datum waarop de zes-weekstermijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep is verstreken. Een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat het incidenteel ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is.

7.2.

Met betrekking tot het principaal door belanghebbende ingestelde hoger beroep is het Hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof maakt die beslissing en de gronden waarop het steunt tot de zijne. Ter aanvulling overweegt het Hof het volgende.

7.3.

Ingevolge artikel 13bis, eerste lid, laatste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), wordt een door de werkgever aan zijn werknemer ter beschikking gestelde auto in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé doeleinden wordt gebruikt. Artikel 13bis, vierde lid (thans derde lid), van de Wet LB bepaalt dat het voordeel wegens privégebruik auto op nihil wordt gesteld indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 13bis, zevende lid (thans zesde lid), van de Wet LB juncto artikel 3.13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 dient een kwalificerende rittenregistratie over ten minste de navolgende gegevens te beschikken:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.

7.4.

Het door belanghebbende in de kilometerregistratie verantwoorde woon-werkverkeer (van zijn woonhuis [A] te [B] naar zijn kantoor [C] te [Z] en vice versa) varieert wat betreft het aantal verreden kilometers van 15 kilometer tot 30 kilometer:

2009

15km

16

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

3x

17x

45x

97x

68x

105x

19x

16x

13x

8x

2x

2x

1x

2010

15km

16

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

30

1x

6x

12x

46x

51x

281x

23x

18x

9x

6x

2x

2x

1x

2011 (1 januari t/m 30 mei)

16km

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

6x

14x

21x

26x

75x

8x

9x

3x

5x

-

-

1x

De kilometerregistratie vermeldt geen nadere specificatie van de gereden route. Aldus voldoet de registratie niet aan het daaraan door de wet gestelde vereiste en laat alle ruimte voor de mogelijkheid dat de aldus verantwoorde kilometers mede voor privédoeleinden zijn verreden. Dit klemt te meer nu de ANWB-routeplanner voor het desbetreffende traject als lengte van de snelste route 13 kilometer, als lengte van de kortste route 11,8 kilometer en als lengte van de route zonder snelwegen 13,2 kilometer vermeldt.

7.5.

Gelet op het aantal ritten woon-werkverkeer, het niet-inzichtelijk zijn van de verreden route gevoegd bij het feit dat de rittenregistratie overigens aan privé verreden kilometers 359 kilometer (2009), 490 kilometer (2010) en 450 kilometer (2011) vermeldt, acht het Hof belanghebbende met de door hem overgelegde rittenregistratie en de daarop gegeven toelichting niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat hij de auto voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt.

7.6.

Het vorenoverwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het principaal hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het incidenteel ingestelde hoger beroep van de Inspecteur niet-ontvankelijk. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

8. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten opgeroepen door het incidenteel ingestelde hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 490 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt à € 490 x 1 (gewicht van de zaak)).

Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het incidenteel ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 490.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en J.E.H.M. Pinckaers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 3 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak door het oudste lid van de belastingkamer ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.