Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3854

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
200.111.846-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beschrijving Bugatti in het Bugatti-register (replica chassis) niet onrechtmatig. Maatstaf voor beschrijvende mededelingen; bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.111.846/01

Zaak/rolnummer Rb : 420865/KG ZA 12-586

arrest van 28 mei 2013

inzake

[Appellant],

wonende te […], […],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.J.G. Maas te Eindhoven,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te […],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Arends te Surhuisterveen.

Verloop van het geding

Bij exploot van 23 juli 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2012. Bij memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, met producties, heeft [appellant] één grief tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord, met producties, is bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] een tweetal bewijsmiddelen ter griffie van het hof doen deponeren.

Op 18 april 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. E.T. Bergsma, advocaat te Eindhoven, en [geïntimeerde] door zijn voornoemde advocaat, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Vervolgens hebben partijen, [geïntimeerde] onder overlegging van zijn procesdossier, arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep

1. De door de voorzieningenrechter in rov. 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. In dit geding is tussen partijen in geschil de rechtmatigheid van de vermelding in het 'Bugatti Register The Netherlands-Belgium Vol. III' (en mogelijk volgende edities; hierna: "het Register"), bij de beschrijving van een Bugatti aangeduid met type '45'R, chassisnummer '47158' en engine number 4, dat deze is gebouwd op een nagemaakt ('replica') chassis. Deze auto (hierna: "de Bugatti" of "de auto") was tot voor kort eigendom van [appellant]. Deze stelt dat de betreffende vermelding jegens hem, althans degene aan wie hij de auto heeft verkocht, onrechtmatig is, omdat de auto een origineel chassis van het type 45 (T45) heeft, althans daaromtrent onzekerheid bestaat en dat de stelligheid waarmee door [geïntimeerde] in het Register wordt beweerd dat de auto een replica chassis heeft een nadelige invloed heeft op de waarde ervan. In eerste aanleg vorderde [appellant], kort samengevat, een verbod op verdere uitgifte van (delen van) het Register, opgave van diverse gegevens betreffende de productie en verhandeling van het Register, afgifte van de voorraad en diverse rectificaties. [appellant] stelt dat hij door de huidige eigenaar gevolmachtigd is om op eigen naam deze procedure te voeren en dat hij bovendien een eigen belang heeft bij de gevraagde voorzieningen vanwege een dreigende claim van de nieuwe eigenaar.

3. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Volgens de voorzieningenrechter geven de door [geïntimeerde] vermelde bronnen in onderlinge samenhang bezien voldoende steun voor de mededeling dat de Bugatti een door of in opdracht van [A] omstreeks 1978 gefabriceerd (replica) chassis heeft en leggen de door [appellant] in het geding gebrachte documenten daar tegenover onvoldoende gewicht in de schaal om [geïntimeerde] ertoe te verplichten bedoelde mededeling te nuanceren. Voor zover [appellant] de koper van de auto niet zou hebben geïnformeerd omtrent de bij hem, [appellant], bekende informatie betreffende de namaak van het chassis, komt dat voor zijn rekening en risico, aldus de voorzieningenrechter.

4. In hoger beroep vordert [appellant], onder handhaving van zijn stellingen, primair een veroordeling van [geïntimeerde] om zich te onthouden van verdere uitgifte van het Register waarin de gewraakte mededeling voorkomt en subsidiair een veroordeling van [geïntimeerde] om de betreffende mededeling te nuanceren middels verzending van een rectificatiebrief aan de afnemers, alsmede het Register op zodanige wijze te wijzigen dat daaruit onomstotelijk valt op te maken "dat door [appellant] genoegzaam is aangetoond dat de Bugatti T45 mogelijk over een origineel chassis zou beschikken". Zowel primair als subsidiair vordert [appellant] de ook in eerste aanleg gevorderde opgave, alsmede een (ten opzichte van het petitum in de inleidende dagvaarding beperkte), aan de afnemers van het Register te richten rectificatie met de volgende inhoud:

"Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij arrest (...) geoordeeld dat het aan u geleverde Bugatti Register pagina (..) onrechtmatig is jegens [appellant] en opvolgende kopers van de Bugatti T45 door het in strijd met de waarheid [ ] vermelden van [of indien vordering onder 2 wordt toegewezen: althans dat er onvoldoende bewijs bestaat voor,] de stelling dat deze Bugatti T45 over een nagemaakt chassis zou beschikken. Wij verzoeken u derhalve deze rectificatiebrief toe te voegen aan het Register bij de bijbehorende pagina."

Een en ander op straffe van een dwangsom.

5. De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.2 van het vonnis waarvan beroep vooropgesteld dat het antwoord op de vraag of een publicatie onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrije meningsuiting en het recht om gevrijwaard te worden van de negatieve gevolgen van de publicatie. Welk belang de doorslag behoort te geven hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedane beweringen, de juistheid en/of feitelijke grondslag en de inkleding ervan, en de [appellant] van de te verwachten gevolgen. Volgens de voorzieningenrechter dient de publicerende partij de juistheid van de publicatie aannemelijk te maken, desnoods achteraf. Dit geldt volgens de voorzieningenrechter te meer indien, zoals in casu, met de publicatie wordt beoogd om, aan de hand van officiële fabrieksdocumenten en deugdelijke bewijsstukken, de ware, c.q. meest waarschijnlijke informatie te verschaffen over de in het Register beschreven auto's. In rov. 4.3 heeft de voorzieningenrechter nader overwogen dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om aan te tonen dat de mededeling over de herkomst van het chassis van de Bugatti T45 voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal, alsmede dat de mededeling niet lichtvaardig is gedaan.

6. Geen van beide partijen heeft voormelde maatstaf bestreden. Wel heeft [geïntimeerde] bij pleidooi in hoger beroep weersproken dat op hem de bewijslast rust en in het bijzonder dat hij zou moeten bewijzen dat het chassis van de Bugatti is nagemaakt. Aan Janssen kan worden toegegeven dat in een geval als het onderhavige toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling, te weten dat degene die een ander van onrechtmatig handelen beticht (in casu [appellant]) de gestelde onrechtmatigheid dient te bewijzen, in de rede ligt. In dit geding gaat het immers niet om een mededeling met een beschuldigend of diffamerend karakter, voor welk geval in de rechtspraak wordt aangenomen dat de publicist dient te bewijzen dat de beschuldiging voldoende steun vindt in het (ten tijde van de publicatie beschikbare) feitenmateriaal. In dit geval betreft het een objectieve, beschrijvende mededeling. Overeenkomstig de hoofdregel zou [appellant], die stelt dat de gedane mededeling onjuist en daarom onrechtmatig is, naar 's hofs oordeel dan ook de juistheid van die stelling moeten bewijzen. Voor het onderhavige geding is dit echter van minder belang. Het betreft immers een kort geding, waarin de vraag aan de orde is of uit hoofde van onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen. In een kort geding zijn de regels omtrent bewijs niet van toepassing en kan worden volstaan met beantwoording van de vraag of op grond van het ter kennis van de rechter gebrachte bewijsmateriaal de stellingen waarop de gevraagde voorziening wordt gegrond voldoende aannemelijk zijn geworden.

7. Hoewel de door de voorzieningenrechter weergegeven maatstaf vooral ziet op mededelingen met een beschuldigend of diffamerend karakter, kan deze, mede gelet op het feit dat beide partijen daar klaarblijkelijk mee instemmen, ook in het onderhavige geval toepassing vinden. Het gaat hier om de vraag of [geïntimeerde], mede met het oog op de belangen van de eigenaar van de auto, voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de beschrijving van de geschiedenis daarvan. Daarbij is onder meer van belang of de mededeling dat de auto een nagemaakt chassis heeft voldoende grond vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Daarbij gaat het, gelet op het hiervoor in rov. 4 weergegeven petitum, enerzijds (gelet op de gevorderde opgave met betrekking tot die publicatie) om de op het moment van uitgifte van het Register (juni 2012) voor [geïntimeerde] beschikbare materiaal, en anderzijds (met het oog op de gevorderde rectificatie en eventuele toekomstige publicaties) om het materiaal dat thans beschikbaar is.

8. Vast staat dat [appellant] de auto in 2010 heeft gekocht van de erven van [B], op basis van de door laatstgenoemde aan hem verstrekte verkoopinformatie die door [geïntimeerde] is overgelegd als productie 5 (en die, naar [appellant] onder 31 jo. 30 van de memorie van grieven erkent, als algemene bron kwalificeert). In die informatie wordt de auto aangeduid als Bugatti Type 45, met chassisnummer 47153 en motor nummer 4. In de introductie wordt beschreven dat wordt aangenomen dat motor nummer 4 aanvankelijk is ingebouwd in een origineel chassis-frame genummerd 282570, maar dat dit is verwijderd door [A] (de eigenaar voorafgaand aan [B]) en is vervangen door een nagebouwd chassis. Verder wordt daarin vermeld dat [B] aan [C] van de Bugatti Owners' Club heeft verzocht aan de auto een chassisnummer toe te kennen en dat daaraan bij wijze van uitzondering is voldaan omdat het chassis exact volgens de specificaties was nagebouwd. Het toegekende chassisnummer, 47153, is later bij vergissing geadministreerd als 47157 of 47158, aldus de introductie. Deze informatie is ontleend aan het bijgevoegde historische rapport uit 2006 van [D]. In die rapportage is tevens vermeld dat Bugatti zelf vijf motoren van het onderhavige type (16 cilinder) heeft gebouwd, waarvan er slechts twee zijn ingebouwd in een auto, te weten: motor nr. 1, met een inhoud van 3.8 liter, in een type 45 chassis, dat het nummer 47156 kreeg, en motor nummer 3, met een inhoud van 3.0 liter, in een type 47 chassis, dat het nummer 47155 kreeg. Beide prototypes bevinden zich volgens [D] in het museum te Mulhouse, evenals motor nummer 2. [D] beschrijft verder dat motor nummer 4 (met een inhoud van 3.0 liter) samen met een verzameling type 45-onderdelen en een chassis met - het onverklaarbare - nummer 282570, door de Belgische Bugatti-handelaar [E] is verkregen. Vervolgens heeft [E] "this incomplete car" volgens [D] in de periode tussen 1954 en 1962 verkocht aan […], die hem heeft doorverkocht aan [A]. De laatste had volgens [D] rond 1967 het grootste deel van de voorraad auto's, chassis en motoren van de Bugatti-fabriek gekocht, waaronder motor nummer 5, die hij heeft ingebouwd in een replica type 45 chassis (welke auto thans toebehoort aan North). Volgens [D] wordt aangenomen "by all concerned" dat de auto met motor nummer 4 op eenzelfde replica chassis is gebouwd als motor nummer 5, hetwelk bij inspectie van de auto is bevestigd. In de "summary" schrijft [D]:

"Overall this car is in all respects a wonderfully faithful reproduction of the one and only factory-built Type 45 Bugatti (...)"

Bij de verkoopinformatie horen voorts kopieën van registraties van de auto bij de Fédération Internationale de l'Automobile (FIA) uit 1983 en 1990. Daarin is door [B] aangegeven dat het chassis is nagebouwd volgens originele specificaties. Ook in de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail correspondentie tussen [B] en [C] wordt ervan uitgegaan dat het chassis is nagemaakt.

9. Ten tijde van de publicatie van de huidige editie van het register (medio 2012) was voorts beschikbaar het werk 'Bugantics', Vol. 69, no. 1. Daarin is vermeld:

"No. 4 is another three litre unit now fitted to the ex-[B]'s T45/47 recreation (...)"

Op de website www.bugattibuilder.com is de auto vermeld als #47157 replica met engine #4. Op de websites www.bugatti.com en www.bugatti-trust.co.uk is voorts vermeld dat van de Bugatti Type 45 en 47 slechts twee exemplaren gebouwd zijn.

10. Waar [appellant] in zijn inleidende dagvaarding nog stelde dat de mededeling in het Register dat de auto op een nagemaakt chassis staat uit de lucht kwam vallen, erkent hij bij memorie van grieven dat voorafgaand aan de aankoop van de auto door hem het algemene standpunt van de beperkte kring Bugatti liefhebbers en experts was dat de onderhavige Bugatti mogelijk over een nagemaakt chassis beschikte, respectievelijk dat men er vanaf het moment dat [A] de Bugatti kocht steeds vanuit is gegaan dat de Bugatti over een nagemaakt chassis beschikt, in welk verband wordt gewezen op voormelde bronnen (memorie van grieven 10; in nr. 14 spreekt [appellant] van "de tot dan toe algemeen aanvaarde conclusie").

[appellant] erkent thans dus dat de (voorgenomen) publicatie betreffende de Bugatti in het Register berust op een in de relevante kring algemeen aanvaarde conclusie dat het chassis was nagemaakt.

11. De vraag is dan of [geïntimeerde] zijn vermelding in het Register had moeten, respectievelijk moet aanpassen naar aanleiding van de door [appellant] aangedragen informatie. Door [geïntimeerde] is onweersproken gesteld dat [appellant], bijna een jaar nadat [geïntimeerde] hem de concept-publicatie had toegezonden, heeft volstaan met toezending van de verklaring van [A] van 25 september 2011 en het noemen (maar niet toezenden) van de rapporten van Matti en GL. Het wel aan [geïntimeerde] ter beschikking gestelde document betreft een ten overstaan van een notaris door [A] afgelegde verklaring met de volgende inhoud:

"I, […], have been collecting and restoring vintage cars for over 50 years. During those years I became involved with over 60 Bugattis.

I purchased a T45 Bugatti from […] in about 1970 when I lived in Michigan. The car was mostly complete. The frame was original Bugatti (...).

To the best of my recollection, in about 1978, I sold the Bugatti T45 to [B] (...). The car was basically in the same condition as when I purchased it, although I may have changed the radiator that came with the car for another original one. I do not recall making any other major changes to the car before I sold it."

Nu tevens aan de orde is of [geïntimeerde] het Register in de toekomst dient aan te passen of te nuanceren, zal het hof thans ook de overige, in deze procedure overgelegde documenten (ofschoon ten tijde van de publicatie niet of mogelijk niet alle aan [geïntimeerde] beschikbaar) in zijn beoordeling betrekken.

Door [geïntimeerde] is overgelegd e-mail correspondentie tussen [A] en [F]. In een e-mail van 2 januari 2011 aan [F] schrijft [A]:

"Note: The [B]’s car has one of my frames. It would pass for original."

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] bovendien een nieuwe verklaring van [A] overgelegd (waarvan het origineel ter griffie is gedeponeerd), gedateerd 14 januari 2013. Deze verklaring is afgelegd ten overstaan van een notaris. [A] verklaart daarin onder meer:

"It has been over thirty five years since I bought and sold the Bugatti in question. I have had email and phone conversations about this Bugatti with the Registrar of the American Bugatti Club, [F], who I know less formally as "[…]" [F]. For many years [F] and I have had ongoing discussions about dozens of Bugatti automobiles I have owned or had direct involvement with. Unfortunately, I have no written records of the work that I did, or had done, to this particular car. I can only add to the conversation from what I can remember after so many years.

(...)

The visit from Mr. [appellant] came during a time of great medical challenges for myself, and my wife […] as well. (...). I remember that Mr. [appellant] was close to convinced that he had a real Bugatti Type 45 chassis on the car I once owned. He seemed to be quite interested in finding out if he was right, or if the chassis was one that I had made by my friend [G]. [G] was a master craftsman, and his work could easily be mistaken for original Bugatti parts. Mr. [appellant] asked me to write a letter about all that I was certain that I had done with this car. He asked that I leave out anything that I was not 100% sure about, so that he could add the letter to his records for the car. (...) I left out any reference to the chassis because I was not 100% sure of what had been done so long ago, or what might have been done by others over so many years since. Perhaps I should have given more thought to the letter I wrote for Mr. [appellant], but I can see now that the letter was incomplete at best. I was mistaken to write "I do not recall making any other major changes to the car before I sold it". I hereby withdraw this statement.

When I acquired the sixteen cylinder Bugatti Type 45 with engine no.4 from Dr. […] in the mid to late 1960's, (...), the engine was in a Type 35-37 chassis. Because the engine did not fit the chassis properly, I acquired original drawings for the proper Type 45 chassis (...) from the Bugatti trader, […]. I then had [G] build a new chassis (...) from the original drawings. I used the left over Type 35-37 chassis for another car project. In about 1978 I sold the Type 45 project to Mr.[B] (...)"

12. [appellant] heeft de authenticiteit van deze verklaring niet betwist. Wel heeft hij doen stellen dat, aangezien deze verklaring diametraal tegenover de op 25 september 2011 afgelegde verklaring staat, [A] niet langer kwalificeert als een betrouwbare getuige. [appellant] wijst in dit verband op het feit dat [A] enerzijds verklaart eerder niet 100% zeker te zijn geweest over het chassis en zich thans tot in detail kan herinneren hoe een en ander gegaan is. Gelet op de verklaring die [A] hiervoor geeft, verwerpt het hof het standpunt dat aan deze nieuwe verklaring geen enkele bewijskracht kan worden ontleend. Maar ook als het hof daarin zou meegaan, baat dat [appellant] niet. Alsdan ontvalt immers ook de bewijskracht aan de verklaring van [A] van 25 september 2011. Om die reden komt dan ook aan het bericht van de zoon van [A], dat zijn vader tegen hem heeft gezegd niet met [F] te hebben gesproken over de Bugatti, geen betekenis toe.

13. De overige, door [appellant] aangedragen documenten bieden naar 's hofs oordeel onvoldoende grond voor het oordeel dat de vermelding in het Register onvoldoende steun vindt in de feiten, respectievelijk aanpassing behoeft. Daartoe overweegt het hof als volgt.

[appellant] beroept zich in de eerste plaats op het rapport van Matti van 15 mei 2011. [geïntimeerde] trekt in twijfel of dat rapport betrekking heeft op de onderhavige Bugatti, omdat Matti schrijft over een auto met chassisnummer 54'206. Echter, ook in het Register wordt dit nummer in verband met de Bugatti in geschil genoemd (onder de onderste foto), zodat het hof ervan uitgaat dat het rapport op die auto betrekking heeft. In het rapport schrijft Matti onder meer dat de auto met motor nummer 4, tot tenminste 1965, absoluut origineel was. Verder schrijft hij dat hij de auto in februari 1978 heeft gezien, dat [A] diverse wijzigingen heeft aangebracht, maar dat "as a whole, the car was kept original (engine, chassis)." Afgezien van het door [geïntimeerde] gestelde en door [appellant] niet weersproken feit dat de auto pas 10 maanden daarna door [A] is verkocht aan [B], zodat niet valt uit te sluiten dat het chassis na het bezoek van Matti is vervangen, acht het hof het rapport in dit opzicht niet voldoende overtuigend. Matti vermeldt immers niet waarop hij zijn waarneming baseert. Nu partijen het erover eens zijn dat, wanneer het chassis is nagemaakt, dit exact volgens de specificaties is geschied, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe Matti heeft kunnen vaststellen dat het origineel was.

[appellant] beroept zich daarnaast op het metallurgisch onderzoek van GL Werkstoffe und Schadeanalyse (hierna: "GL"). De vaststelling van GL dat de staalsoort waarvan het chassis van de auto is gemaakt "in westeuropäischer Produktion schon seit mehrere Jahrzehnten nicht mehr hergestellt" wordt, sluit niet uit dat die staalsoort eind zeventiger jaren in Amerika nog wel gebruikt werd, althans verkrijgbaar was, zoals [geïntimeerde] stelt. Bovendien kwalificeert GL deze vaststelling slechts als indicatie voor de originaliteit van het chassis.

In hoger beroep doet [appellant] een beroep op een fax van [D] van 19 juli 2012 aan [appellant]. Daarin refereert [D] aan het verzoek van [appellant] aan hem in december 2010, kort voor de aankoop van de Bugatti door [appellant], om de geschiedenis van de auto wat verder te onderzoeken dan hij in 2006 had gedaan. Hij maakt melding van de vondst van een foto van de Bugatti in een aflevering van het blad "Pur Sang" uit 1963. Daarover schrijft hij:

"I therefore acknowledge that at the time of your purchase you realised that, to quote your own words, "there was a possibility" that the car had an original Bugatti chassis frame".

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord een fax overgelegd van gelijke datum, van [D] aan [appellant], waarin staat:

"Please find appended herewith the letter I agreed to write along the lines you suggested (...). Indeed, in my opinion the [E] documentation and photographs provide convincing proof that your car has a replica chassis frame (...)."

Bij pleidooi heeft [appellant] ontkend dat hij deze fax heeft ontvangen. Wat daarvan ook zij, de inhoud van de door [appellant] overgelegde fax van [D] is niet overtuigend. Daarin wordt immers niet meer gezegd dan dat [appellant] zelf heeft gezegd dat de auto mogelijk een origineel Bugatti chassis heeft. Desgevraagd heeft de advocaat van [appellant] ter zitting bovendien verklaard dat aan de foto uit 1963, waaraan in de door hem overgelegde verklaring van [D] wordt gerefereerd, niet is af te leiden dat het chassis origineel is. Voorts gaat ook [appellant] ervan uit dat, indien het chassis is vervangen door een replica, dit in de zeventiger jaren is gebeurd.

Verder beroept [appellant] zich in hoger beroep op een recent onderzoek van Torelli, een Italiaanse expert op het gebied van Bugatti's die de onderhavige Bugatti eind 2010/begin 2011 in opdracht van [appellant] heeft gerestaureerd en op verzoek van [appellant] recent opnieuw aan een onderzoek heeft onderworpen. Hij concludeert volgens de Duitse vertaling:

"Die vorliegende Metallanalyse entspricht den Werten aus den 30iger Jahren. (...)

Fazit ist, dass der Bugatti Typ 45 zum heutigen Zeitpunkt ein Fahrzeug mit einem unstreitig originalen Fahrgestell ist."

Torelli geeft niet aan hoe hij het onderzoek heeft uitgevoerd. Indien zijn bevinding dat de gebruikte metaalsoort overeenkomt met die welke in de jaren '30 werd gebruikt juist is, volgt daaruit bovendien nog niet dat het chassis niet overeenkomstig de originele specificaties nagebouwd kan zijn. Voorts doet Torelli een suggestie voor nader onderzoek door vergelijking met originele Bugatti-chassis, van welke suggestie kennelijk geen gebruik is gemaakt.

Tot slot doet [appellant] een beroep op de vorm van het chassis en het feit dat er in het chassis van de Bugatti geen lasnaden en hamerslagen te zien zijn, maar wel 'spanningsstrepen', hetgeen er volgens hem op duidt dat het chassis origineel is. Ter vergelijking verwijst hij naar het chassis van de auto waarin motor nummer 5 is ingebouwd (de auto van North) en naar de uiteenlopende wijze waarop de constructie voor bevestiging van de stuurkolom met het chassis is verbonden in de Bugatti en in de auto van North. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat bedoelde verschillen aanwezig zijn, of dat daaraan de betekenis kan worden toegekend die [appellant] eraan geeft. Gelet daarop is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat de gestelde verschillen aanwezig zijn en derhalve evenmin dat deze kunnen afdoen aan de algemeen aanvaarde conclusie dat het chassis is nagemaakt.

14. Tijdens het pleidooi is het hof namens [appellant] verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen, teneinde voor eens en voor al te doen vaststellen of het chassis van de Bugatti origineel is of niet. Mede gelet op het verzet daartegen van [geïntimeerde], ziet het hof daartoe geen aanleiding. Het betreft immers een kort geding. Bovendien gaat het daarin niet om de vraag of het chassis origineel is. De (voorshands) te beantwoorden vraag is of [geïntimeerde] voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de vermelding in het Register dat het chassis van de Bugatti is nagemaakt, respectievelijk of het thans voorhanden materiaal aanleiding geeft van hem te verlangen de betreffende vermelding aan te passen, c.q. te nuanceren. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend, de tweede ontkennend.

Bij die stand van zaken kan het belang van [appellant] bij de gevraagde voorzieningen niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. Overigens dient het door [appellant] gestelde belang te worden gerelativeerd. In de eerste plaats gaat het, naar is komen vast te staan, niet om een dreigende waardevermindering, maar om een mogelijk te derven waardevermeerdering. [appellant] wist, op basis van de door [B] verstrekte verkoopinformatie, dat hij een Bugatti kocht waarvan wordt aangenomen dat deze op een replica chassis staat.

In de tweede plaats zijn er, zoals in het voorgaande is overwogen, vele andere bronnen waarin is vermeld dat de Bugatti op een replica-chassis rust. De bij pleidooi betrokken stelling dat het Register van [geïntimeerde] daarin stelliger is dan bedoelde andere bronnen kan het hof, gelet op de inhoud daarvan, niet volgen.

15. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden begroot op

€ 666,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, M.Y. Bonneur en A.W.H. Meij, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.