Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:5303

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
000895-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 591a Sv.

Nu ook het hof van oordeel is dat de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak nog door verzoekster zullen moeten worden voldaan brengt de behandeling van het hoger beroep het hof – mede gelet op het voorgaande- niet tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechtbank.

Dit brengt mee dat het hoger beroep moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

datum uitspraak 25 juli 2013

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 februari 2012 op een verzoekschrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:

verzoekster,

in deze zaak domicilie kiezende aan het kantooradres

van haar advocaat mr. M. Baijens aan de Oude Willemsweg 5, 8439 SM Oude Willem.

Procesgang

Bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 29 november 2011 is verzoeker vrijgesproken van het aan haar in haar strafzaak tenlastegelegde.

Verzoekster heeft vervolgens bij een op 1 maart 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam binnengekomen verzoekschrift verzocht haar op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 2.129,25 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, een bedrag van € 5,40 als vergoeding voor de door verzoekster in verband met zittingen gemaakte reiskosten, alsmede de forfaitaire vergoeding van € 540,- voor kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige verzoekschrift, derhalve in totaal een bedrag van € 2.674,55.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 19 februari 2013 het verzoek integraal toegewezen en aan verzoekster de verzochte vergoeding van € 2.674,55 toegekend.

De officier van justitie heeft op 26 februari 2013 hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.

Het hof heeft dit hoger beroep op 13 juni 2013 in raad-kamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat van verzoekster, mr. Bayens, en de advocaat-generaal mr. Wösten.

Verzoekster is –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal heeft –anders dan het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal van 30 mei 2013- geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep van de officier van justitie.

Beoordeling van de beschikking waarvan beroep

De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd met een beslissing, die haar op grond van artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte reiskosten en kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof dient derhalve vast te stellen of er daadwerke-lijk sprake is van kosten voor rechtsbijstand en zo ja, of deze kosten ook ten laste van verzoeker zijn gekomen of nog zullen komen.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat –nu de advocaat van verzoekster heeft verklaard dat de declaratie voor de verleende rechtsbijstand nog niet nog door verzoekster is voldaan- verzoekster geen kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering heeft gemaakt en dat het verzoek voor wat betreft de verzochte vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak dient te worden afgewezen.

De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen: “De rechtbank verwerpt evenwel de stelling van de officier van justitie dat de kosten voor rechtsbijstand niet daadwerkelijk ten laste van verzoekster zijn gekomen zolang zij de factuur van haar advocaat nog niet heeft voldaan. Gebleken is immers dat de verzoekster een schuld aan haar advocaat heeft in de vorm van een betalingsverplichting. Een dergelijke schuld tast naar haar aard het vermogen van de cliënt van een advocaat in negatieve zin aan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontstaan van een betalingsverplichting krachtens een vooraf gemaakte afspraak tussen een advocaat en zijn cliënt reeds meebrengt dat de kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste van betrokken cliënt zijn gekomen. Naast een urenstaat, de declaratie(s) en een opgave van het uurtarief van de advocaat – zulks teneinde de betalingsverplichting te kunnen beoordelen – acht de rechtbank het in beginsel niet noodzakelijk dat dienaangaande nog andere informatie wordt verstrekt. Uitgaande van een reële betalingsverplichting behoeven de door de officier van justitie in openbare raadkamer opgeworpen vragen of de verzoekster ten tijde van de beoordeling van haar verzoek al aan haar betalings-verplichting had voldaan en welke afspraken omtrent de (termijnen van de) daadwerkelijke betaling zijn gemaakt dan ook geen beantwoording.

De rechtbank heeft vervolgens, bezien in het licht van voorgaande, gronden van billijkheid aanwezig geacht om alle opgevoerde kosten voor de noodzakelijk verdediging van de tegen verzoekster geëntameerde strafzaak tot het verzochte bedrag van € 2.129,16 voor vergoeding in aanmerking te brengen. Daarboven heeft de rechtbank een bedrag toegekend van € 5,40 als vergoeding voor gemaakte reiskosten en een (forfaitair) bedrag van € 540,- als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met onderhavige verzoekschriftprocedure.

In zijn appelmemorie van 26 maart 2013 heeft de officier van justitie mr. R.P. Schoute zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald. Door de officier van justitie is in zijn appelmemorie niet weersproken dat –zoals de rechtbank heeft vastgesteld- voor verzoekster in verband met de aan haar in haar strafzaak verleende rechtsbijstand een betalingsverplichting aan haar advocaat is bestaat.

Het hof stelt derhalve –gelijk de rechtbank – vast dat verzoekster gehouden is de declaratie van haar advocaat te voldoen.

Voor zover de officier van justitie in zijn appelmemorie verwijst naar jurisprudentie van dit hof (LJN:BY9032), waarin ook sprake zou zijn geweest van een nog niet voldane declaratie en waarin het hof het verzoek heeft afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat verzoekster de kosten zou hebben voldaan, overweegt het hof dat in die casus sprake was van een andere situatie. Immers, het hof heeft toen de vraag of van de zijde van verzoekster sprake was van een (op basis van de declaratie ontstane) betalingsverplichting ontkennend beantwoord op grond van de volgende omstandigheden:

– verzoekster heeft in 2005 en 2006 een bijstands-uitkering genoten;

– de gespecificeerde declaratie ziet op werkzaamheden uitgevoerd in 2005 en 2006;

– daarna is er verder geprocedeerd op basis van een toevoeging;

– voornoemde declaratie met betrekking tot in 2005 en 2006 verrichte werkzaamheden dateert van 21 januari 2011, drie dagen vóór de ondertekening van het verzoekschrift;

– verzoekster “stemt in” met de declaratie; de declaratie omvat een aanmerkelijk openstaand bedrag dat nog “resteert te voldoen”.

Nu ook het hof van oordeel is dat de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak nog door verzoekster zullen moeten worden voldaan brengt de behandeling van het hoger beroep het hof – mede gelet op het voorgaande- niet tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechtbank.

Dit brengt mee dat het hoger beroep moet worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Wijst het hoger beroep af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Duindam, voorzitter, mrs. Van Walderveen en Grootveld, leden, in bijzijn van mr. Mulder, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2013.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.