Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4303

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
22001820-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag.

De verdachte heeft zijn echtgenote door verwurging om het leven gebracht.

Het hof verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde, ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging en gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld, onder de in het arrest genoemde voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 1, p. 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001820-12

Parketnummer: 09-757619-10

Datum uitspraak: 15 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1960,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

16 mei 2013, 31 oktober 2013, 1 november 2013 en

8 november 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2010 tot en met 5 april 2010 te Wassenaar, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- de keel en/of hals van die [slachtoffer] (met kracht en/of enige tijd) dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of

- ( fors) ander geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord vrijgesproken en ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

5

jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is ter zake van dat feit de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord zal vrijgesproken en dat hij ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

8

jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling van de verdachte zal worden gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Na wijzing van het vonnis hebben zich ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de persoon van de verdachte waarvan de rechtbank geen kennis kon dragen.

Partiele vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 3 april 2010 tot en met 5 april 2010 te Wassenaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- de keel en hals van die [slachtoffer] met kracht en enige tijd dichtgeknepen en/of dichtgedrukt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Detentieperiode

Na aanhouding is de verdachte – wegens mislukte suïcidepogingen – geplaatst in het Penitentiair Ziekenhuis te Scheveningen. Gezien zijn verergerende psychische toestand is de verdachte enige tijd nadien overgeplaatst naar de FOBA te Amsterdam. Daar verbleef

de verdachte gedurende 7 maanden voor een groot deel van die periode in een isoleercel; in de isoleercel verwondde de verdachte zich ernstig aan zijn hoofd. Op 27 december 2010 is de verdachte vanuit de FOBA overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC) teneinde te worden geobserveerd; ook daar werd hij op enig moment op de separeerafdeling geplaatst. Tijdens zijn verblijf in de vierde week in het PBC kreeg de verdachte een hoge dosering angstremmende middelen en werd een gesprek met hem mogelijk. Evenwel, ook toen ondernam hij een suïcidepoging maar gaf aan niet te kunnen sterven omdat er nano-technologie in zijn lichaam was aangebracht.

In het PBC werd de diagnose ‘psychotische depressie’ overwogen doch uiteindelijk verworpen. Na zijn – verlengd - verblijf in het PBC is de verdachte geplaatst in het Psychiatrisch Penitentiair Centrum (PPC) te Scheveningen. Met instemming van de behandelaren van het PPC is de verdachte toegestaan om – na advies (in februari 2012) van prof. dr. R.S. Kahn – electroconvulsietherapie (ECT) te ondergaan. De verdachte heeft meer dan 30 keer ECT ondergaan.

Strafbaarheid van de verdachte

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde requisitoiraantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte voor wat betreft het bewezen verklaarde als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar aan het hof overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in zijn geheel niet kan worden toegerekend, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Inleiding

Artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat iemand niet strafbaar is indien hij een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Om een oordeel te kunnen vormen over de toerekenbaarheid van de verdachte is het derhalve van belang om na te gaan:

1.

of de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

2.

zo ja, in hoeverre die gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens ten tijde van het bewezen verklaarde van invloed is geweest op het handelen van de verdachte.

In de onderhavige zaak hebben meerdere gedragsdeskundigen zich uitgelaten over deze twee vragen. Er zijn verschillende rapportages uitgebracht en een aantal gedragsdeskundigen is op de zitting in hoger beroep van 31 oktober 2013 gehoord. De deskundigen zijn niet tot een eensluidende conclusie gekomen.

Door GZ-psycholoog C.T.H.M. Salet en psychiater

R.J.P. Rijnders, beiden verbonden aan het PBC, zijn twee gezamenlijke Pro Justitia rapportages opgemaakt (d.d. 20 april 2011 en 25 oktober 2013). Zij komen uiteindelijk tot de conclusie dat de verdachte in de aanloop tot en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan:

1.

een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in

de zin van een waanstoornis van het gemengde type (achtervolgings- en jaloersheidstype) en

2.

een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens,

ten minste een ernstige narcistische dynamiek, mogelijk te classificeren als narcistische persoonlijkheidsstoornis die zijn handelen in grote mate stuurde en bepaalde, met daarnaast afhankelijke persoonlijkheidskenmerken.

De aanwezigheid van een depressieve stoornis in de jaren voor alsmede in de aanloop tot en ten tijde van het bewezen verklaarde kan op basis van het dossier of op basis van het gedragskundig onderzoek volgens Salet en Rijnders niet worden onderbouwd (ten aanzien van de periode na het bewezen verklaarde stellen zij die diagnose wél).

In hun analyse van de doorwerking van verdachtes ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling in het bewezen verklaarde missen Salet en Rijnders een duidelijk delictscenario. Een doorwerking van (elementen van) verdachtes waanstoornis ten tijde van het bewezen verklaarde is daardoor volgens hen moeilijk onderzoekbaar. Datzelfde geldt voor onderzoek naar de doorwerking van de door hun vastgestelde gebrekkige ontwikkeling, die – in combinatie met verdachtes ziekelijke stoornis – een rol in het bewezen verklaarde kan hebben gespeeld. Op basis hiervan wordt door Salet en Rijnders geadviseerd om de verdachte ten minste verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Zij merken daarbij op dat niet valt uit te sluiten dat zij bij kennisneming van een duidelijker delictscenario zouden hebben geadviseerd de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Psycholoog J.M. Oudejans komt in de door hem opgemaakte Pro Justitia rapportage d.d. 25 april 2013 tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een depressie met psychotische kenmerken. Pathologie op het vlak van persoonlijkheid ten tijde van het bewezen verklaarde kan volgens Oudejans niet worden vastgesteld. Volgens Oudejans is het zeker dat verdachtes denken en functioneren ten tijde van het bewezen verklaarde in het teken stonden van depressieve symptomen en paranoïde-psychotische belevingen, op basis waarvan het aantal mensen dat hij vertrouwde steeds geringer werd en de wereld waarin hij zich (relatief) veilig voelde steeds kleiner.

Hoe minder mensen de verdachte vertrouwde, hoe belangrijker het slachtoffer, zijn echtgenote [slachtoffer], voor hem werd. [slachtoffer] was tot op het laatst de enige persoon in zijn steeds kleiner wordende wereld die zich niet nadrukkelijk distantieerde van zijn paranoïde-psychotische belevingswereld en die anders dan anderen niet aandrong op een psychiatrische opname. Het is volgens Oudejans aannemelijk dat [slachtoffer] op basis van een verslechtering en escalatie van verdachtes psychiatrische conditie, als het gaat om de optie van een psychiatrische opname, is gekanteld. Op grond van de verklaringen van de verdachte over het ten laste gelegde en op grond van een analyse en beoordeling van de betekenis van die omslag voor de verdachte, gegeven de aard en ernst van zijn ziekte, kan worden aangenomen dat deze omslag van [slachtoffer] door de verdachte psychotisch is geïnterpreteerd. Volgens Oudejans kan aannemelijk worden gemaakt dat [slachtoffer], door in de allerlaatste fase aan te sturen op een psychiatrische opname, in verdachtes paranoïde-psychotische beleving een transformatie onderging: van een onvoorwaardelijke steunpilaar en bron van zekerheid, steun en veiligheid wordt zij een bedreiging, te meer daar de verdachte moet hebben gedacht dat de macht en de invloed van de instanties die tegen hem samenzwoeren zo groot was dat zij zelfs [slachtoffer] zo ver hebben kunnen brengen dat zij de verdachte verraadde en bijdroeg aan zijn ondergang. Oudejans is van mening dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde weliswaar de wederrechtelijkheid van zijn handelen heeft kunnen inzien, doch anders dan de gemiddeld normale mens niet in staat is geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig dit besef – te bepalen. Oudejans concludeert dat verdachtes psychotische depressie rechtstreeks en volledig heeft doorgewerkt in het bewezen verklaarde en dat het bewezen verklaarde de verdachte daarom niet kan worden toegerekend.

Psychiater J.M.J.F. Offermans komt in de door hem opgemaakte Pro Justitia rapportage d.d. 25 april 2013 – voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte – tot dezelfde conclusie als psycholoog Oudejans. Volgens Offermans was er bij de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde sprake van een depressie met psychotische kenmerken. Offermans is van mening dat verdachtes gedrag naar [slachtoffer] volledig is bepaald door zijn psychotische kenmerken (wanen), deel uitmakend van die depressie met psychotische kenmerken, waarbij in verdachtes beleving [slachtoffer] uiteindelijk ook deel ging uitmaken van het wijdverbreide ‘complot’. Offermans is dan ook van mening dat de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Volgens Offermans was er ten tijde van het bewezen verklaarde geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis of zwakbegaafdheid.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2013 persisteerden Salet, Rijnders, Oudejans en Offermans bij de in hun rapportages getrokken conclusies en gegeven adviezen.

Op genoemde terechtzitting is voorts psychiater

prof. dr. R.S. Kahn als deskundige gehoord. Prof. Kahn heeft zich bij wijze van ‘second opinion’ aangaande de behandeling van de verdachte in het PPC schriftelijk uitgelaten over zijn diagnostische bevindingen en advies in brieven van 15 en 29 februari 2012 aan de raadsvrouw. Volgens Kahn kan zonder enige twijfel worden geconcludeerd dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een psychotische depressie, één van de meest ernstige ziektebeelden. Die psychotische depressie is naar de mening van Kahn zodanig ernstig geweest dat de verdachte niet meer in staat was om in zijn handelen enige sturing aan te brengen.

In de door hem geraadpleegde stukken heeft Kahn geen aanwijzingen gevonden voor ernstige persoonlijkheids-problematiek bij de verdachte.

Feiten en omstandigheden

Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of (en zo ja in welke mate) het bewezen verklaarde de verdachte kan worden toegerekend heeft het hof acht geslagen op de navolgende uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.

In 1997 is de verdachte in het huwelijk getreden met [betrokkene 1], de vrouw met wie hij samen één zoon en twee dochters heeft gekregen. Tijdens het huwelijk zijn er (ernstige) spanningen ontstaan in de relatie die uiteindelijk hebben geresulteerd in een echtscheidingsprocedure. De echtscheidingsprocedure heeft lange tijd geduurd en verliep niet zonder grote problemen. De ouders van de verdachte typeren het als een “vreselijke vechtscheiding”. In februari 2005 is [betrokkene 1] met de kinderen vertrokken. Vanaf dat moment waren de verdachte en [betrokkene 1] feitelijk niet meer bij elkaar.

In maart 2005 kreeg de verdachte een relatie met [betrokkene 2]. Eind 2007 is aan die relatie een eind gekomen. Ook deze relatiebreuk verliep niet zonder problemen. [betrokkene 2] deed aangifte van stalking tegen de verdachte en de verdachte was ervan overtuigd dat zij bedrijfsinformatie had doorgespeeld.

In diezelfde periode, eind 2007, leerde de verdachte [slachtoffer] kennen. In september 2009 traden zij in het huwelijk. Zij waren samen erg gelukkig. Naar zeggen van de verdachte was [slachtoffer] lief, zacht en volgzaam.

In het begin van hun relatie zag de verdachte zijn dochters nog. Eind 2008 kreeg de verdachte een brief waarin stond dat zijn dochters niet meer bij hem zouden komen. Sinds die tijd heeft hij geen contact meer gehad met hen. Met zijn zoon had de verdachte wel contact; deze verbleef regelmatig bij de verdachte.

Een vriend van [slachtoffer], [betrokkene 3], heeft verklaard dat de verdachte hem vertelde dat hij er mee opstond en mee naar bed ging, dat hij zijn dochters niet meer zag. De verdachte vertelde hem dat het altijd in zijn hoofd zat en dat hij eigenlijk, door wat er was voorgevallen, niet kon genieten van zijn geluk met [slachtoffer]. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] zich zorgen maakte over de verdachte. Zij vertelde [betrokkene 3] dat de verdachte zo zorgelijk was en dat dat zich uitte in lichamelijke klachten. Ook maakte de verdachte wel eens een afwezige indruk. [slachtoffer] zei ook dat het nooit ophield met de ex van de verdachte. Ging het niet over de kinderen, dan ging het wel over de financiën. Er waren altijd treiterijen.

Een vriendin van [slachtoffer], [betrokkene 4], heeft verklaard dat de kinderen van de verdachte bij hem waren weggehaald en dat hij daar nogal depressief van was. [betrokkene 4] heeft verklaard dat er in 2009 nogal wat zorgen en problemen waren. Rondom de verdachte hingen veel problemen, dingen die in het dorp gebeurden. De ex-vrouw van de verdachte zorgde voor veel negatieve ruchtbaarheid in Wassenaar. Het was een soort wespennest in Wassenaar, zei [slachtoffer] tegen [betrokkene 4]. [slachtoffer] was heel begaan met de verdachte en vond het erg dat hij daar zo onder leed.

Onder meer de moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte dacht dat zijn telefoon werd afgeluisterd en dat hij werd achtervolgd. Hij was in de veronderstelling dat hij zou worden opgepakt door de FIOD. Nadat zijn dochters niet meer kwamen werd dit gedrag alsmaar erger, aldus de moeder van de verdachte.

De zoon van de verdachte heeft over de verdachte en [slachtoffer] verklaard dat zij een beetje depressief waren met z’n tweeën. Sinds februari 2010 merkte de zoon dat er wel iets aan de hand was. De verdachte trok zich de laatste tijd heel veel terug. Dan was hij samen met [slachtoffer] en mocht de zoon niet weten wat er was en dat er wat aan de hand was. Op een gegeven moment had de verdachte het over een onhandige investering die hij had gedaan en dan toch weer niet. En dan zei hij dat er allemaal dingen op het kantoor speelden of begon hij over zijn dochters. De verdachte probeerde het probleem alleen maar groter te maken. Hij maakte er gelijk een heel complot van. De verdachte dacht ook dat hij werd afgeluisterd. Het leek alsof de verdachte en [slachtoffer] op dezelfde denklijn zaten. Ze waren allebei behoorlijk depressief. De verdachte heeft aan zijn zoon laten doorschemeren dat [slachtoffer] het leven ook niet meer zag zitten. Dat ze dat allebei hadden. De zoon kwam steeds meer te weten dat er echt iets aan de hand was.

De schoonmaakster, [betrokkene 5], heeft verklaard dat de verdachte in de maanden voorafgaand aan het bewezen verklaarde erg was veranderd. Hij dook weg als zij kwam, alsof hij bang was om contact te maken. De verdachte kwam op haar paranoia en schichtig over.

Een vriend van de verdachte, [betrokkene 6], heeft verklaard dat de verdachte hem op 20 maart 2010 belde. De verdachte wilde bij hem langs komen en wilde niet over de telefoon spreken. De verdachte zei dat hij niet naar huis durfde te gaan en dat het heel erg was. De verdachte is samen met [slachtoffer] naar Brussel gegaan. Daar heeft hij [betrokkene 6] een heel verhaal verteld. De essentie van het verhaal was dat de verdachte dacht dat er een complot tegen hem was en dat hij elk moment kon worden aangehouden door de FIOD. Tot voor kort had hij de directeur van zijn zaak, [betrokkene 7], nog vertrouwd, maar nu zat [betrokkene 7] ook in het complot. De verdachte dacht dat hij elk moment kon worden aangehouden. Hij zou dan naar een kamer worden gebracht waar hij moest tekenen dat hij afstand deed van het bedrijf. Hij zou daarna verdwijnen en niemand zou ooit meer iets van hem vernemen en ze zouden hem nooit meer terugvinden. [betrokkene 6] moest de verdachte beloven dat hij hem zou zoeken als dat gebeurde. In Brussel heeft de verdachte een psychiater geconsulteerd die hem zou hebben geadviseerd psychiatrische hulp te zoeken.

Op 21 maart 2010 is [slachtoffer] bij haar ouders geweest. Zij had de verdachte in Brussel achtergelaten. [slachtoffer] was helemaal over haar toeren en het was helemaal mis. [slachtoffer] had haar ouders verteld dat de verdachte bang was dat hij zou worden opgepakt door de FIOD. De verdachte ging iedere dag tussen 05.00 uur en 06.00 uur de woning uit om een stuk te rijden. Dit deed hij omdat hij wist dat mensen altijd op dat tijdstip door de FIOD worden opgehaald.

[slachtoffer] had haar ouders verteld dat de verdachte van een gewoon mens was veranderd in iemand anders. Tijdens het bezoek aan haar ouders belde [slachtoffer] meerdere malen naar de verdachte. De verdachte vertelde tijdens deze telefoongesprekken dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij niets meer wilde.

In de avond van 23 maart 2010 zei de verdachte meerdere malen tegen [betrokkene 6] dat hij zijn familie wilde bellen omdat hij afscheid van hen wilde nemen. [betrokkene 6] had van de verdachte en [slachtoffer] gehoord dat de verdachte al weken niet meer goed sliep. Ook die nacht was hij wakker. De volgende dag heeft [betrokkene 6] de verdachte met de auto naar huis gebracht. De verdachte wilde met de trein, maar dat vond [betrokkene 6] onverantwoord gezien het feit dat de verdachte speelde met de gedachte een einde aan zijn leven te maken. Onderweg was de verdachte in paniek. Hij was doodsbang om terug naar Nederland te gaan. Diezelfde dag heeft [betrokkene 6], om de verdachte gerust te stellen, een vergadering bijgewoond op het bedrijf van de verdachte. Alle aanwezigen hebben tevergeefs geprobeerd de verdachte ervan te overtuigen dat er geen onoplosbare problemen bestonden. De verdachte kon er niet van worden overtuigd dat zijn angsten ongegrond waren. Hij was nog steeds in de war en hij vertrouwde niemand meer.

De verdachte heeft zijn moeder verteld dat hij slecht tot niet sliep. Op 24 maart 2010 omstreeks 02.00 uur belde hij zijn moeder met de mededeling dat hij naar haar toe wilde komen. Hij is vervolgens naar zijn ouders toegereden. Daar heeft hij met zijn ouders gesproken. Zijn ouders hebben toen gezegd dat het niet goed met hem ging. Hij dacht dat iedereen hem achtervolgde. Zijn ouders raadden hem aan naar de dokter te gaan. Na het gesprek met zijn ouders is de verdachte naar boven gegaan om wat te slapen. ’s Nachts heeft hij de woning onopgemerkt verlaten. Rond 06.00 uur belde [slachtoffer] de moeder van de verdachte met de mededeling dat de verdachte was opgepakt omdat hij bij het spoor was gezien en zelfmoordneigingen bleek te hebben. Zijn moeder heeft de verdachte er toen nogmaals op aangedrongen om hulp te zoeken. [slachtoffer] en de verdachte waren echter beiden van mening dat pillen van de dokter voldoende zouden helpen. Zijn moeder merkte dat de verdachte echt in de war was. Met hem geloofde [slachtoffer] dat de verdachte werd achtervolgd en dat zij werden afgeluisterd.

De verdachte is door politieagenten weggehaald bij het spoor. In het desbetreffende mutatierapport wordt gerelateerd dat zij “net op tijd” waren. Twee van de agenten zijn later als getuige gehoord. Zij verklaarden dat zij de verdachte hadden aangetroffen bij het spoor en dat de verdachte hen daar vroeg hoe ze hem hadden gevonden. De verdachte vertelde hen dat ze zijn mobiele telefoon hadden afgeluisterd en dat ze hem daarom konden peilen en vinden. Op het politiebureau begon de verdachte weer over het afluisteren van zijn telefoon. Het was erg moeilijk om een gesprek met hem aan te gaan. Hij zat er apathisch bij. Hij noemde meerdere malen dat er iets stond te gebeuren. De agenten vonden dat de verdachte warrig en in zichzelf gekeerd overkwam.

Vervolgens heeft de huisarts de verdachte antidepres-siva, angstdempende middelen en slaapmiddelen voorgeschreven.

[slachtoffer] heeft [betrokkene 6] gebeld en hem verteld over het voorval bij het spoor. [betrokkene 6] merkte toen dat [slachtoffer] enigszins meeging in de gedachtegang van de verdachte. [slachtoffer] vertelde dat ze wist dat de verdachte was aangehouden omdat zij op dat moment met de verdachte aan het bellen was, anders had ze het niet geweten en zou men haar niet op de hoogte hebben gebracht. Ook dacht [slachtoffer] dat haar telefoon werd afgeluisterd.

Op 29 maart 2010 was de schoonmaakster bij de verdachte en [slachtoffer] aan het werk. De verdachte zat als een ineengedoken vogeltje naast [slachtoffer] in de auto. In huis reageerde de verdachte heel schichtig. Hij dook echt weg. De schoonmaakster dacht op dat moment: “Die spoort echt niet”.

Op 31 maart 2010 waren de verdachte en [slachtoffer] bij de ouders van de verdachte. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte tijdens dat bezoek heeft gezegd dat hij en [slachtoffer] werden afgeluisterd. [slachtoffer] was daar ook van overtuigd. De vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte de laatste tijd voorafgaand aan het bewezen verklaarde bijzonder in de war was. Tijdens genoemd bezoek heeft hij zijn zoon aangeraden psychiatrische hulp in te roepen. [slachtoffer] vond dat niet nodig. Ze zei dat de verdachte genoeg zou hebben aan wat pilletjes.

De volgende dag, 1 april 2010, belde de verdachte zijn zoon. De verdachte zei toen tegen hem dat hij even afscheid van hem wilde nemen. De zoon schrok daar ontzettend van en zei dat hij normaal moest doen. Vervolgens gaf de verdachte aan dat het een goede dag was om een gruwelijke grap uit te halen op 1 april. Toen de verdachte snel daarna weer belde, zei hij tegen zijn zoon dat hij voorbarig was geweest met wat hij had gezegd. Op dat moment realiseerde de zoon zich dat er echt iets aan de hand was. Hij is vervolgens langs gegaan bij de verdachte en [slachtoffer]. De verdachte vertelde iets over een investering, maar daar wilde hij zijn zoon niet mee lastigvallen. De zoon heeft toen met [slachtoffer] afgesproken dat ze zou bellen als er wat was. De verdachte en [slachtoffer] stonden er samen heel verdwaasd bij. [slachtoffer] stond met haar hand op zijn schouder toen de verdachte sprak. De verdachte zei dat hij de gevangenis in kon gaan. Hij had het steeds over een hele groep die aan het samenzweren was tegen hem. [slachtoffer] steunde hem in alles wat hij zei.

De ouders van [slachtoffer] hebben verklaard dat [slachtoffer] hen op 2 april 2010 belde met de mededeling dat ze er direct aan kwam met de verdachte omdat het helemaal mis was. Na aankomst vertelde de verdachte dat [betrokkene 7] én de zaak én het huis én [slachtoffer] nu had. Volgens de verdachte was er een complot en [betrokkene 7] zou het bewijs hiervoor hebben verwijderd uit de computer. De verdachte vertelde dat het dossier van de FIOD nu klaar was en dat hij de maandag erop zou worden opgepakt. Hij vertelde dat hij heel veel advocaten had versleten en dat iedereen in het complot zat. Hij vertelde dat hij de gevangenis in zou gaan, dat hij tijdens een vergadering op de zaak op de donderdag ervoor iets ongelezen heeft moeten tekenen en dat er geen uitweg meer was. Tijdens het bezoek kreeg de verdachte diverse malen een soort paniekaanval. Hij begon dan met zijn hele lichaam te schudden en heel erg te stotteren. Dit terwijl hij heel rustig uit de auto was gestapt toen hij met [slachtoffer] arriveerde. Na het bezoek zijn de verdachte en [slachtoffer] weer naar huis gereden.

Tijdens de autorit die zelfde avond naar huis heeft [slachtoffer] [betrokkene 3] gebeld. [slachtoffer] was helemaal in paniek en vroeg [betrokkene 3] of hij naar haar toe kon komen. Ze vertelde dat de verdachte in de war was en dat ze voor de volgende dag wilde afspreken (3 april, 12:00 uur). Ze vroeg ook of ze bij [betrokkene 3] terecht kon.

De volgende ochtend, 3 april 2010, heeft de moeder van [slachtoffer] naar [slachtoffer] gebeld om te vragen of zij goed waren aangekomen. [slachtoffer] vertelde tijdens dit telefoongesprek dat de verdachte onderweg naar huis nog drie keer een aanval had gehad.

Conclusie

Op grond van bovenomschreven feiten en omstandigheden neemt het hof aan dat de verdachte reeds in de periode voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een depressie met psychotische kenmerken. Naar het oordeel van het hof vormen genoemde feiten en omstandigheden daar significante aanwijzingen voor. De eerste tekenen van een psychotisch beeld manifesteerden zich niet lang na de scheidingsperikelen met [betrokkene 1]. Daarna is het toestandsbeeld van de verdachte alsmaar verergerd. De verdachte was depressief en er was sprake van ernstige psychotische belevingen, waaronder paranoïde en (later) bizarre wanen. Het hof sluit zich ten aanzien van de periode voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde derhalve aan bij de door Kahn, Oudejans en Offermans gestelde diagnose en maakt die tot de zijne.

De advocaat-generaal heeft bestreden dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een (psychotische) depressie en hij heeft daarvoor onder meer verwezen naar een passage uit de aan de raadsvrouw van de verdachte gerichte brief van Kahn d.d. 15 februari 2013, waarin staat vermeld dat slapen voor de verdachte nooit een probleem is geweest en dat zijn eetlust altijd goed is geweest.

Het hof merkt op dat genoemde informatie is verkregen tijdens een gesprek met de verdachte in de penitentiaire inrichting. Dit gesprek vond plaats vóórdat de verdachte genoemde elektroconvulsietherapie onderging. Ten tijde van het gesprek had hij nog last van eerder genoemde psychotische wanen. Gelet op het feit dat de verdachte zich bij eerdere gelegenheden beter voordeed dan dat hij was, gaat het hof er van uit dat de verdachte ook tijdens genoemd gesprek, in het licht van zijn angst om te worden opgesloten op een plaats waar niemand hem ooit zou kunnen terugvinden, heeft geprobeerd zijn depressiviteit te bagatelliseren en zijn psychotische gedachtegang te verhullen. Kahn heeft verklaard dat mensen die lijden aan een depressie met psychotische kenmerken daartoe zeer wel in staat zijn. Dat de diagnose van een depressie met psychotische kenmerken door meerdere deskundigen niet is gesteld kan hierdoor mede worden verklaard.

Waanstoornis

Het hof volgt niet de conclusie van Salet en Rijnders dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een waanstoornis.

Uit bovenomschreven feiten en omstandigheden valt af te

leiden dat het toestandsbeeld van de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde verergerde, in het bijzonder ten aanzien van de inhoud van de psychose: de achtervolgings- en opsluitingswanen werden steeds grotesker; de verdachte ontwikkelde (later) steeds verdergaande bizarre, onmogelijke wanen. Zo had de verdachte de gedachte dat hij na eeuwige opsluiting nooit dood zou gaan en dat er bij zijn aanhouding en insluiting elektronica in zijn lichaam en hersenen zouden zijn aangebracht waardoor hij vreemde lichamelijke waarnemingen zou hebben, zoals het zien rijden van de TGV/treinen op een plaats waar dat niet mogelijk was en dat anderen gedachten in zijn hoofd konden plaatsen en zijn gedachten konden lezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2013 verklaarde Kahn dat dergelijke bizarre wanen (naar het hof begrijpt ook retrospectief) het bestaan van een waanstoornis per definitie uitsluiten. Rijnders heeft dit niet bestreden.

Daarnaast heeft de verdachte inmiddels ECT ondergaan. Deze therapie staat bekend als de meest effectieve behandeling voor een depressie (met psychotische kenmerken). Niet is aangetoond dat met ECT een waanstoornis effectief kan worden behandeld. Na het ondergaan van de therapie is er door geen van genoemde deskundigen nog enige ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte vastgesteld. Ook door Salet en Rijnders wordt bij de verdachte thans geen waanstoornis meer gezien. In deze omstandigheid ziet het hof retrospectief bevestiging in het feit dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een depressie met psychotische kenmerken en niet aan een waanstoornis.

Voor zover Salet en Rijnders in hun rapportage nog wijzen op een enkel in de literatuur beschreven geval van een opgeklaarde waanstoornis na ECT, gaat het hof daaraan voorbij. Wat er ook zij van de in die beschreven zaken gestelde diagnose, een enkel beschreven - uitzonderlijk –geval is een niet gevalideerde methode om de kennelijk bestaande wetenschappelijke consensus omtrent de onmogelijkheid een waanstoornis te doen verdwijnen door middel van ECT terzijde te schuiven.

Persoonlijkheidsproblematiek

Zoals eerder omschreven hebben Salet en Rijnders geconcludeerd dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde tevens lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Volgens hen was er bij de verdachte ten minste sprake van een ernstige narcistische dynamiek, mogelijk te classificeren als narcistische persoonlijkheidsstoornis, die zijn handelen in grote mate stuurde en bepaalde.

In navolging van de in deze zaak rapporterende en ter zitting in hoger beroep gehoorde deskundigen stelt het hof voorop dat in zijn algemeenheid geldt dat uiterste terughoudendheid moet worden betracht bij het diagnosticeren van een persoonlijkheidsstoornis bij iemand bij die op dat moment lijdende is aan een zogenaamde AS-I stoornis (depressie, psychose). De reden hiervoor is dat een ernstige psychiatrische stoornis doorgaans zo bepalend is voor het psychisch functioneren dat de onderliggende persoonlijkheid niet goed kan worden beoordeeld. Nu het hof er van uit gaat dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een depressie met psychotische kenmerken, kan reeds daarom niet worden gekomen tot enig gefundeerd zicht op de eventuele aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis destijds.

Voor wat betreft de door Salet en Rijnders gestelde narcistische persoonlijkheidsdynamiek overweegt het hof dat dit door meerdere onderzoekers en behandelaars van de verdachte gemotiveerd is betwist. Wat er ook zij van de term dynamiek, het hof gaat er gelet op de inhoud van die betwistingen van uit dat die dynamiek niet van zodanige aard is geweest dat het handelen van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde daardoor mede is bepaald.

Doorwerking van de ziekelijke stoornis in het bewezen verklaarde handelen

Nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een depressie met psychotische kenmerken, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of en in hoeverre die stoornis van invloed is geweest op het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

Uit bovenomschreven feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat [slachtoffer] tot kort voor het bewezen verklaarde meeging in de waanwereld van de verdachte. [slachtoffer] was er bijvoorbeeld net als de verdachte van overtuigd dat zij werden afgeluisterd. Zij was tegen opname van de verdachte, hetgeen door de verdachte ongetwijfeld als geruststellend is ervaren gezien de uit zijn wanen voortvloeiende angst om van zijn vrijheid te worden beroofd.

Op een gegeven moment is bij de verdachte de gedachte ontstaan dat ook [slachtoffer] deel uitmaakte van het tegen hem gesmede - zijn hele leven omvattende - complot. Tijdens het bezoek aan de ouders van [slachtoffer] op 2 april 2010 vertelde de verdachte dat [betrokkene 7] niet alleen de zaak en het huis maar nu óók [slachtoffer] had. Na dat bezoek belde [slachtoffer] in het bijzijn van de verdachte naar [betrokkene 3] met de mededeling dat de verdachte in de war was, dat hij gek geworden was. De verdachte zou hebben geschreeuwd dát hij niet gek was. En over de dag van het bewezen verklaarde heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat [slachtoffer] aan gaf dat zij wilde dat de verdachte hulp zou gaan zoeken en dat hij moest worden opgenomen. “[slachtoffer] was daar heel resoluut en pinnig in.” De verdachte heeft daarover voorts verklaard: “Ineens was er een flits.. dat ze anders in de relatie stond, dan ik altijd begreep. Dat ze.. hoe moet ik dat zeggen.. dat ze me bedroog. Bedroog.. op het gebied van.. dat ze zei dat het om mij ging, maar ineens dacht ik.. oh het gaat om het geld, maar dat is weer die angst met al die andere factoren in combinatie met al die andere factoren waarbij ik problemen zie (..) Ineens slaan alle stoppen door. Omdat ik mij zo bedreigd voelde, denk ik”. Als [slachtoffer] na die ‘flits’ bij de verdachte heel boos wordt, wordt hij ook boos, springt op haar en wurgt [slachtoffer].

Op basis van het bovenstaande neemt het hof aan dat de omslag in de houding van [slachtoffer] ervoor heeft gezorgd dat de verdachte in een alles omvattende heftige paniek is geraakt, die een totale ontreddering met zich bracht. Het hof gaat er van uit dat de omslag in de houding van [slachtoffer] door de verdachte psychotisch is geïnterpreteerd en dat het bewezen verklaarde handelen volledig is bepaald door de wanen, deel uitmakend van de depressie met psychotische kenmerken waaraan de verdachte lijdende was, waarbij in de beleving van de verdachte het slachtoffer uiteindelijk ook deel was gaan uitmaken van het complot tegen zijn leven.

Met Oudejans en Offermans is het hof van oordeel dat het delictscenario voldoende duidelijk is. Bij afwezigheid van ernstige persoonlijkheidsproblematiek zijn er naar het oordeel van het hof geen gronden om te denken dat andere, niet-psychotische belevingen, het bewezen verklaarde mede hebben bepaald.

Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd is het feit dat de verdachte boos is geworden op [slachtoffer] daartoe onvoldoende aanknopingspunt. Temeer niet omdat prof. Kahn ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat beide bevindingen niet in tegenspraak met elkaar behoeven te zijn.

Het hof stelt vast dat de verdachte op het moment van de verwurging van [slachtoffer] niet meer in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen.

Alles overwegende acht het hof de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar, en daarmee niet strafbaar. Het hof zal de verdachte daarom te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof stelt voorop dat de verdachte zijn echtgenote [slachtoffer] door verwurging om het leven heeft gebracht en dat daardoor onherstelbaar en onbeschrijflijk leed is toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer]. In het bijzonder de ouders en broer van [slachtoffer] zullen moeten leven met het onbevattelijke feit dat hun leven zal voortduren zonder hun dochter, zonder zijn zus.

De wijze waarop [slachtoffer] haar leven heeft verloren en door wiens handen zal de nagedachtenis aan [slachtoffer] vermoedelijk nog lang zwaar belasten.

Zoals reeds uitvoerig overwogen acht het hof de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde evenwel volledig ontoerekeningsvatbaar; het hof gaat er van uit dat de verdachte volledig onder invloed van de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens heeft gehandeld.

Dientengevolge kan aan de verdachte geen straf worden opgelegd. Wel is het nog steeds mogelijk om de maatregel van terbeschikkingstelling (met dwangverpleging dan wel met voorwaarden) aan de verdachte op te leggen. Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of die maatregel aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft het hof acht geslagen op de eerder genoemde

Pro Justitia rapportages, het reclasseringsadvies van

28 oktober 2013 en de door de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen.

Recidiverisisco

Door het ondergaan van ECT is de depressie met psychotische kenmerken thans volledig in remissie. Dit wordt door alle genoemde deskundigen bevestigd. Zij stellen echter ook allen dat er sprake is van recidivegevaar, zij het in verschillende mate.

Offermans geeft in zijn rapportage van 25 april 2013 aan dat er rekening mee moet worden gehouden dat de thans volledig in remissie verkerende depressie met psychotische kenmerken zich in de toekomst opnieuw kan manifesteren, zij het wellicht in minder ernstige vorm. In dat geval zou een nieuwe partner weer enig risico kunnen lopen en niet valt uit te sluiten dat verdachtes mogelijke toekomstige paranoïde gedachten zich ook op andere personen zouden kunnen gaan richten. Dit maakt dat Offermans toezicht op de verdachte in de toekomst wenselijk en noodzakelijk acht. Thans houdt de verdachte zich goed aan de medicatievoorschriften en er zijn volgens Offermans ook geen redenen om te twijfelen dat hier op korte of middellange termijn verandering in zal komen. Volgens Offermans bestaat echter wel het risico dat de verdachte op de langere termijn het psychiatrisch contact en/of de medicatie niet meer noodzakelijk kan achten omdat hij zich goed voelt. Gelet hierop adviseert Offermans om het toezicht te laten plaatsvinden in een verplicht kader, te weten in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, waarbij de voorwaarden nadrukkelijk geen klinische behandeling, maar een ambulante behandeling met reclasseringstoezicht omvatten.

Oordeel hof

Het hof sluit zich aan bij de bevindingen omtrent het recidiverisico zoals verwoord in het rapport van Offermans en acht het – met Offermans – passend en geboden om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Ook Salet en Rijnders zijn deze mening toegedaan.

Gelet op de huidige psychische conditie van de verdachte acht het hof het niet aangewezen om de terbeschikking-stelling van de verdachte te gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege, zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Door geen van de rapporterende deskundigen is dit geadviseerd. De fase van een noodzakelijk geachte klinische behandeling heeft reeds plaatsgevonden. Na het ondergaan van de ECT is de depressie met psychotische kenmerken volledig in remissie en de verdachte is al geruime tijd ingesteld op medicatie. Naar het oordeel van het hof kan met het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden het risico op herhaling met voldoende zekerheid tot een aanvaardbaar risico worden teruggebracht.

Aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van de maatregel is voldaan, immers:

  • -

    bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

  • -

    het door de verdachte begane misdrijf betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

  • -

    de veiligheid van anderen eist het opleggen van die maatregel;

  • -

    de verdachte is door ten minste twee gedragsdeskun-digen van verschillende disciplines – waaronder een

psychiater – onderzocht, en door die deskundigen zijn met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende rapportages uitgebracht.

Het hof zal de maatregel dan ook opleggen. Het hof overweegt voorts nog dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Voorwaarden

In het advies van de Reclassering van 28 oktober 2013, opgemaakt en ondertekend door mevrouw A. Rein, reclasseringswerker, en C. v.d. Berg, leidinggevende, wordt aangegeven dat de reclassering bereid en in staat is om de verdachte in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te begeleiden, mits de verdachte zich zal conformeren aan de in het advies geformuleerde voorwaarden.

Voor zover die voorwaarden zijn toegespitst op de diagnose ‘depressie met psychotische kenmerken’ neemt het hof die voorwaarden in grote lijnen over.

De door de reclassering opgestelde voorwaarden, die in de beslissing van het hof zijn opgenomen, zijn met de verdachte besproken. Hij is bereid en gemotiveerd om in het opgestelde kader met de reclassering en behandelaren samen te werken en hij gaat akkoord met de opgestelde voorwaarden, aldus de reclassering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte dit bevestigd.

Met de reclassering ziet het hof in dat het veel van de verdachte zal vergen om zich door de jaren heen aan de door het hof te stellen voorwaarden te houden. Tegelijkertijd heeft de verdachte er blijk van gegeven doordrongen te zijn van het feit welk een zeer ernstig en dramatisch gevolg zijn ziekelijke stoornis heeft gehad: de dood van [slachtoffer]. Een herhaling van het ontstaan van een psychotische depressie met levensbedreigende gevolgen moet voor en door de verdachte te allen tijde worden voorkomen.

De verdachte is op de hoogte van de consequenties mocht hij zich onttrekken aan de voorwaarden.

Redelijke termijn

Volledigheidshalve overweegt het hof dat het heeft geconstateerd dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, zowel de redelijke termijn van de berechting in eerste aanleg als de inzendingstermijn van het dossier aan het hof is overschreden. Aan dit verzuim zal het hof echter geen consequenties verbinden, nu de maatregel van terbeschikkingstelling naar zijn aard geen ruimte biedt voor compensatoire korting.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a, 38e en

287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de

Algemene voorwaarde:

1.

De verdachte verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Bijzondere voorwaarden:

2.

De verdachte pleegt geen strafbare feiten.

3.

De verdachte houdt zich aan de afspraken van De Waag en/of een soortgelijke behandelinstelling en aan de afspraken en aanwijzingen hem te geven door Reclassering Nederland.

4.

De verdachte houdt zich aan alle afspraken met zijn behandela(a)r(en). De verdachte werkt mee aan de behandeling door drs. H. Veerbeek, GZ-psycholoog bij de forensisch-psychiatrische kliniek De Waag of – in overleg met Veerbeek voornoemd - een andere te benoemen instelling en (eventueel) een nog verder voor de psychiatrische behandeling te benoemen deskundige/psychiater, ook als dat inhoudt het (op de juiste wijze) innemen van de door de behandelaren voorgeschreven medicatie en het ondergaan van ECT-behandelingen. Hij stelt zich hierin controleerbaar op. Het controlemiddel wordt door de behandelinstelling en/of reclassering bepaald.

5.

De verdachte werkt, in overleg met zijn behandelaren en de reclassering, actief mee aan het vinden en opbouwen van een gezonde dagbesteding, afhankelijk van zijn draagkracht.

6.

De verdachte zal zijn medewerking verlenen aan het naleven van een signaleringsplan ten aanzien van recidiverisico’s. De verdachte toont hierin een open houding en bespreekt het met de reclassering.

7.

De verdachte onderhoudt geen contact met de nabestaanden van het slachtoffer, tenzij dit aantoonbaar hun wens is.

8.

De verdachte stelt zich controleerbaar op ten opzichte van zijn behandelaren en/of begeleiders en werkt mee aan het samenwerkingsconvenant van de reclassering en de politie, dat onder meer inhoudt dat hij onaangekondigd door de wijkagent gecontroleerd kan worden in zijn huis of omgeving. De verdachte overhandigt een pasfoto.

9.

De reclassering beslist of er naast de behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en een mogelijk verder te benoemen instelling voor psychiatrische behandeling nog een verder begeleidingstraject nodig is, waarnaar de verdachte zich zal schikken.

10.

De verdachte geeft openheid over het aangaan en onderhouden van relaties. Hij verleent toestemming tot contactopname met een nieuwe relatie.

11.

De verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen, zonder dit eerst te overleggen met de reclassering. Zijn adres zal zijn het adres van zijn ouders: [adres 2].

12.

De verdachte zal zich, in het geval van crisis, in een psychiatrische inrichting, nader door behandelaren of de reclassering te bepalen, op laten nemen.

13.

De verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding en toezicht.

14.

Vanuit de reclassering zal Reclassering Nederland contactpersoon en toezichthouder zijn.

15.

De verdachte geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn behandelaren, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt.

16.

Reclassering Nederland is verantwoordelijk voor het uitbrengen van advies aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie (voortgang van de TBS met voorwaarden).

17.

De verdachte is een verblijf in het buitenland tijdens de maatregel niet toegestaan en vakanties in het binnenland stemt hij goed af met de betrokken partijen en stelt zich daarin controleerbaar op.

18.

De verdachte geeft openheid van zaken over zijn sociale contacten, c.q. zijn sociaal netwerk en stelt zich controleerbaar op.

19.

De verdachte maakt, indien de reclassering dat nodig acht, financiën en zakelijke aspecten inzichtelijk.

Verstrekt aan de Stichting Reclassering Nederland de opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. J.M. van de Poll en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2013.