Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3273

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2013
Datum publicatie
30-08-2013
Zaaknummer
BK-12-00775
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:19908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3:111 Wet IB 2001. Belanghebbende is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de woning in het onderhavige jaar leeg heeft gestaan en uitsluitend bestemd is om in dat jaar of in een van de twee daarop volgende jaren haar en haar partner als eigen woning ter beschikking te staan. Geen sprake van een eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1475
V-N 2013/55.13 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00775

Uitspraak d.d. 7 augustus 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans rechtbank Den Haag) van 13 september 2012, nummer AWB 12/5114, betreffende na te vermelden aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.994 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 89.333. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen is een bedrag van € 1.054 aan heffingsrente in rekening gebracht en - impliciet - het verlies uit werk en woning voor het jaar 2008 vastgesteld op nihil.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Bij faxbericht en brief van 16 juli 2013 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend, waarvan afschrift is gezonden aan de Inspecteur.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juli 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1.  Eiseres is architect, evenals haar partner [Y] (hierna: partner). De werkzaamheden van eiseres zijn ondergebracht in een aantal vennootschappen waarvan eiseres (middellijk) enig aandeelhouder is, te weten [A] B.V., [B] Holding B.V., [C] B.V. en [D] B.V. (hierna: de vennootschappen). Tot in 2004 heeft eiseres de woning aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: woning 1) in gebruik gehad als woon- en werkpand. Tevens waren de vennootschappen op dat adres gevestigd. In 2003 heeft eiseres samen met haar partner de woning aan de [b-straat 1] te [Q] (hierna: woning 2) gekocht. Volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie is eiseres op 8 december 2004 naar woning 2 verhuisd. Na de verhuizing is eiseres woning 1 blijven huren. Van de betaalde huur heeft zij 50% doorbelast aan de vennootschappen.

2.

Op 16 mei 2007 heeft eiseres, samen met haar partner woning 1 gekocht. In 2008 heeft eiseres woning 2 te koop gezet. In 2009 is woning 1 verbouwd: er is onder meer een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer aangelegd.

3.

Eiseres heeft op 16 februari 2010 aangifte IB/PVV 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.994 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 89.833. Onderdeel van het inkomen uit werk en woning is een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 1.943 ter zake van de terbeschikkingstelling van woning 1 aan de vennootschappen. Naar aanleiding van vragen van verweerder over de aangifte heeft eiseres haar standpunt gewijzigd en een herziene aangifte ingediend. Volgens die aangifte dient woning 1 in 2008 als eigen woning te worden aangemerkt zodat € 11.922 aan hypotheekrente in aftrek komt. In de herziene aangifte is geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden wegens terbeschikkingstelling van woning 1 aangegeven. In haar brief van 27 september 2010 heeft eiseres de volgende toelichting op de herziene aangifte gegeven:

“In de aangifte inkomstenbelasting 2008 (en 2007) is het onroerend goed aan de [a-straat] te [Z] ter beschikking gesteld door [eiseres] als bedrijfspand voor [B] Holding cs. Tijdens de bespreking voor de aangifte inkomstenbelasting 2009 heeft [eiseres] echter aangegeven dat het onroerend goed te allen tijde is aangekocht met als functie (toekomstig) hoofdverblijf.

Om deze reden is in de aangifte inkomstenbelasting 2009 het onroerend goed verwerkt als toekomstig hoofdverblijf in Box 1 met de daarbij behorende renteaftrek. Het onroerend goed en de daarbij behorende schulden zijn uit box 3 verwijderd. Deze wijziging is ook doorgevoerd voor het jaar 2008 (en 2007).”

4.

Verweerder heeft dit nieuwe standpunt van eiseres niet gevolgd en de aanslag IB/PVV conform de oorspronkelijke aangifte van eiseres opgelegd. Het bezwaar van eiseres tegen de aanslag heeft verweerder ongegrond verklaard.

5.

In 2012 heeft eiseres beide woningen in gebruik; woning 2 staat nog te koop. “

Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

3.2.

De herziene aangifte vermeldt een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 985 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 90.003.

3.3.

Het bedrijf van belanghebbende en haar partner, [A], houdt sinds 1989 kantoor in het [E]-gebouw gelegen aan de [c-straat 1] te [Q].

3.4.

Tot na de aankoop van woning 1 is de huur voor deze woning voor vijftig percent doorberekend aan de vennootschappen.

3.5.

Gedurende het jaar 2009 is woning 1 gerenoveerd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of woning 1 in 2008 als eigen woning dient te worden aangemerkt, welke vraag belanghebbende bevestigend beantwoordt en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, wijziging van de verliesbeschikking in die zin dat het verlies uit werk en woning wordt vastgesteld op - naar het Hof begrijpt - € 985 en dienovereenkomstige wijziging van de beschikking heffingsrente.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij zij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“8.  Ingevolge artikel 3:111, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt verstaan onder eigen woning een gebouw of een gedeelte daarvan met de daartoe behorende aangehorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom of een recht van vruchtgebruik. Krachtens het derde lid van dat artikel wordt een woning mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend is bestemd om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan.

9.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres tegenover de betwisting door verweerder aannemelijk dient te maken dat de onroerende zaak in 2008 leegstond en uitsluitend was bestemd om haar (en de partner) in de nabije toekomst als hoofdverblijf te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres met al hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in geslaagd het van haar verlangde bewijs te leveren voor haar stelling. Uit haar verklaring ter zitting blijkt ook eerder het tegendeel. Zo heeft eiseres verklaard dat zij in 2008 in verband met files regelmatig ’s-ochtends voor de vennootschappen werkzaamheden aan de tekentafel in woning 1 heeft verricht en dat de garage van woning 1 in gebruik was als opslag van antieke bouwmaterialen voor de vennootschappen.

10.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat woning 1 in 2008 deels ter beschikking stond aan de vennootschappen, zoals eiseres aanvankelijk ook in haar aangifte had vermeld. Woning 1 stond niet leeg en was niet uitsluitend bestemd voor woondoeleinden. Derhalve was geen sprake van een eigen woning zoals bedoeld in artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001. De omstandigheid dat in 2009 verbouwings-werkzaamheden aan woning 1 hebben plaatsgevonden zodat deze daarna door eiseres voor woondoeleinden zou kunnen worden betrokken, maakt dit niet anders.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 3.111, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) wordt een woning mede als eigen woning aangemerkt indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daarop volgende twee jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel ter beschikking te staan.

7.2. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de woning in het onderhavige jaar leeg heeft gestaan en uitsluitend bestemd is om in dat jaar of in een van de twee daarop volgende jaren haar en haar partner als eigen woning ter beschikking te staan. Uit het geheel van feiten, bezien in onderling verband, leidt het Hof af dat woning 1 na de verhuizing van belanghebbende naar woning 2 in gebruik is gebleven als werk- annex opslagruimte ten behoeve van haar in vennootschapsverband gedreven onderneming(en) en dat hierin met de aankoop van woning 1 geen wijziging is gekomen eerder dan in 2009 toen de renovatiewerkzaamheden een aanvang hebben genomen. Het Hof kent daarbij met name betekenis toe aan het feit dat de huur van woning 1 ook na de verhuizing van belanghebbende naar woning 2 is gecontinueerd, de huur voor vijftig percent is doorbelast aan de vennootschappen, de verklaring van belanghebbende ter zitting van de rechtbank dat zij in 2008 in verband met files regelmatig ’s-ochtends voor de vennootschappen werkzaamheden aan de tekentafel in woning 1 heeft verricht, de garage van woning 1 in gebruik was voor opslag van antieke bouwmaterialen van de vennootschappen alsmede dat blijkens de overgelegde facturen de renovatiewerkzaamheden in 2009 hebben plaatsgevonden.

7.3. Subsidiair heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van woning 1 ten nutte van de vennootschappen in het onderhavige jaar dusdanig beperkt is geweest dat dit slechts een vergoeding rechtvaardigt van € 1.200. Wat daar verder van zij, deze stelling kan belanghebbende niet baten. Immers indien de woning slechts voor een beperkt deel ter beschikking is gesteld aan de vennootschappen, zal ook het daaraan toe te rekenen deel van de hypotheekrente naar evenredigheid bepaald moeten worden en niet - zoals belanghebbende stelt - het volle bedrag aan hypotheekrente omvatten.

7.4. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, B. van Walderveen en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 7 augustus 2013 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de griffier is de uitspraak alleen ondertekend door de voorzitter.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.