Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4916

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
104.004.577
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2007:BB6956, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing bindend advies door tuchtcommissie ex 7:904 lid 1 BW.

Vordering tot vernietiging van door tuchtcommissie opgelegde straf van royement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.004.577

(zaaknummer rechtbank 81304 / HA ZA 06-1096)

arrest van de eerste civiele kamer van 18 augustus 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. S.F.H. Jellinghaus,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 31 oktober 2007 dat de rechtbank Zutphen tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 7 december 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het hiervoor genoemde vonnis van 31 oktober 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de beslissing tot royement van [appellant] van 25 november 2005 zal vernietigen; voorts [geïntimeerde] zal veroordelen tot publicatie van de vernietiging van het royement in het eerstvolgende Bondsblad, in ieder geval binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen arrest en [geïntimeerde] tenslotte zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, althans dat het hof een zodanige beslissing neemt als het hof juist acht.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van gronden, kosten rechtens.

2.4 Ter zitting van 8 juni 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. D.M. van Geel, advocaat te Tilburg en [geïntimeerde] door mr. J.N. Stamhuis, advocaat te Amsterdam; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Stamhuis heeft voorafgaand aan de zitting aan [appellant] en het hof een productie gezonden, te weten het verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2009 (parketnummer 23-001525-08) in de strafzaak tegen [appellant]. Aan mr. Stamhuis is akte verleend van het in het geding brengen van die productie.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald op heden.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 31 oktober 2007 onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In deze zaak staat centraal de vraag of de aan [appellant] door de tuchtcommissie van [geïntimeerde] opgelegde straf van royement in stand moet blijven. Deze straf van royement als lid van [geïntimeerde] is [appellant] bij uitspraak van 25 november 2005 opgelegd door de tuchtcommissie van [geïntimeerde] wegens overtreding van artikel 7.1.b van de Statuten, alsmede overtreding van artikel 2.2.01 onder c van het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde].

Na een daartegen door [appellant] ingesteld hoger beroep heeft de commissie van beroep van [geïntimeerde] op 9 mei 2006 voormelde uitspraak van 25 november 2005 bekrachtigd. De vordering van [appellant] in het onderhavige geding behelst dat het besluit van de tuchtcommissie van [geïntimeerde] tot oplegging van de straf van royement wordt vernietigd.

4.2 Het hof stelt met betrekking tot de mogelijkheid tot vernietiging van de uitspraak van de tuchtcommissie van [geïntimeerde] voorop dat de gebondenheid aan de beslissing dient te worden beoordeeld op grond van het criterium van artikel 7:904 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW): indien gebondenheid aan de beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar. Gelet op deze maatstaf dient de rechter de tuchtrechtelijke beslissing met terughoudendheid te toetsen.

4.3 In de in de onderhavige zaak toepasselijke artikelen uit de Statuten en het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde] wordt het volgende bepaald:

Artikel 7 lid 1 aanhef en onder b van de Statuten van [geïntimeerde]:

Leden van [geïntimeerde] zijn verplicht zich te onthouden van gedragingen en/of handelingen die de belangen van [geïntimeerde] en/of van de gymnastiek schaden of kunnen schaden.

Artikel 2.2.01 lid 1 onder c van het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde]:

Een overtreding in de zin van het Tuchtreglement is elk handelen of nalaten waardoor de belangen van [geïntimeerde] worden geschaad.

Artikel 2.4.01 lid 7 van het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde]:

Het royement wordt als straf opgelegd indien de betrokkene in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, reglementen en besluiten van organen van [geïntimeerde], dan wel de belangen van [geïntimeerde] of van een lid ernstig schaadt en wel in die mate dat de overtreding een beëindiging van het lidmaatschap rechtvaardigt.

4.4 [appellant] voert in zijn grieven aan dat de uitspraak van de tuchtcommissie van [geïntimeerde] dient te worden vernietigd op grond van artikel 7:904 lid 1 BW omdat de inhoud van deze beslissing van de tuchtcommissie in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de instandhouding van de bewuste besluiten onaanvaardbaar is in de onderhavige omstandigheden. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.5 Bij het onder 2.4 genoemde arrest van het hof Amsterdam van 17 maart 2009, waarin na terugwijzing door de Hoge Raad uitsluitend het onder 1 en 10 tenlastegelegde en de strafoplegging aan de orde was, is [appellant] vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair en het onder 10 primair en subsidiair tenlastegelegde en is het onder 1 subsidiair tenlastegelegde - schuldheling - bewezenverklaard. Voorts is [appellant] bij dit arrest ter zake van zeven feiten, telkens schuldheling, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden, nu daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld zoals [appellant] bij gelegenheid van het pleidooi heeft verklaard.

4.6 Uit de uitspraak van de tuchtcommissie van 25 november 2005 blijkt dat zij de veroordeling van [appellant] in hoger beroep door het hof Amsterdam op 22 juli 2005 ter zake van schuldheling, acht feiten, waarbij aan [appellant] een gevangenisstraf van 15 maanden is opgelegd, in aanmerking heeft genomen. Anders dan [appellant] stelt, heeft de tuchtcommissie haar sanctie dan ook niet gebaseerd op de veroordeling van [appellant] in eerste aanleg door de rechtbank Alkmaar ter zake van diefstal en brandstichting. Naar het oordeel van het hof wijkt de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] op 17 maart 2009 ter zake van zeven feiten, telkens schuldheling, tot een gevangenisstraf van 13 maanden niet dusdanig af van de eerdere veroordeling door het hof Amsterdam, dat gezegd kan worden dat alleen daarom al sprake is van disproportionaliteit tussen de uiteindelijke strafrechtelijke veroordeling en de door de tuchtcommissie opgelegde sanctie en dat de beslissing van de tuchtcommissie reeds om die reden niet in stand zou kunnen blijven.

4.7 Door de veroordeling op 17 maart 2009 ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is [appellant] bovendien veroordeeld ter zake van schuldheling van onder meer goederen waarvan op grond van de stukken vast staat dat deze aan [geïntimeerde] toebehoren. De stelling van [appellant] in zijn memorie van grieven dat de sanctie van [geïntimeerde] niet meer in verhouding staat tot de strafrechtelijke verwijten die aan hem kunnen worden gemaakt, omdat er geen sprake meer is van jegens [geïntimeerde] gepleegde strafbare feiten gaat reeds om die reden niet op.

4.8 [appellant] stelt zich op het standpunt dat in het tuchtrecht sprake zou moeten zijn van begrenzing van de duur van het opgelegde royement tot maximaal vijf jaren (boven de opgelegde vrijheidsstraf) gelet op de door de strafrechter opgelegde tijdelijke vrijheidsstraf naar analogie van artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht. [appellant] heeft aangevoerd dat daarmee recht kan worden gedaan aan de proportionaliteit van het strafbare feit en het belang van de pleger, die thans ontbreekt.

Naar het oordeel van het hof biedt het sanctiearsenaal binnen het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde] echter al voldoende mogelijkheden om recht te doen aan de ernst van een overtreding en het belang van de pleger bij oplegging van een straf. Naast de zwaarste sanctie van royement is er op grond van artikel 2.4.01 immers onder meer de mogelijkheid tot het opleggen van een schorsing voor maximaal drie jaar. Of de tuchtrechter tot het opleggen van de zwaarst mogelijke sanctie heeft kunnen komen dient ook met terughoudendheid te worden getoetst. Dienaangaande geldt het volgende.

4.9 Het door het tuchtorgaan van [geïntimeerde] opgelegde royement - ontzetting uit het lidmaatschap van [geïntimeerde] - heeft onbetwist grote gevolgen voor [appellant]. Nu de weinige in Nederland niet bij [geïntimeerde] aangesloten verenigingen vooral op recreatief niveau actief zijn, zoals ook door [geïntimeerde] is bevestigd, is begeleiding van topturners in Nederland voor hem niet langer mogelijk. Voor [appellant] resteren daarmee in Nederland alleen werkzaamheden op lager niveau; voor werkzaamheden op topsportniveau kan [appellant] alleen in het buitenland terecht. [appellant] heeft wel aangevoerd dat [geïntimeerde] het hem ook onmogelijk maakt om in het buitenland aan de slag te gaan, maar dat heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet onderbouwd. De conclusie is dat de mogelijkheden van [appellant] voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de turnsport sterk zijn beperkt, maar dat niet is gebleken van een beroepsverbod, zoals [appellant] stelt.

4.10 Zoals bij onherroepelijke veroordeling is komen vast te staan, heeft [appellant] zich schuldig gemaakt aan schuldheling van turntoestellen en andere zaken, onder meer toebehorend aan [geïntimeerde] en aan leden van [geïntimeerde]. Daarvoor is hij veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden. Dat hij de betrokkenen aanzienlijke schade heeft berokkend en hij daarmee in strijd met de belangen van [geïntimeerde] heeft gehandeld, zoals de tuchtcommissie heeft geoordeeld - en in navolging daarvan de commissie van beroep-, wordt door [appellant] niet betwist. Zoals de tuchtcommissie in haar uitspraak heeft overwogen en door [appellant] evenmin wordt betwist heeft het gegeven dat een bekende turncoach als [appellant] is aangehouden, berecht en veroordeeld grote impact gehad binnen de turnwereld. Gelet daarop kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat de tuchtcommissie niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat [appellant] de belangen van [geïntimeerde] in zodanig ernstige mate heeft geschaad dat deze overtreding in de zin van het Tuchtreglement (zijnde hoofdstuk 2 van het Huishoudelijk Reglement) een beëindiging van het lidmaatschap rechtvaardigt, waarmee is voldaan aan de voorwaarde ex artikel 2.4.01 lid 7 van het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde] voor het opleggen van de sanctie van royement.

4.11 [appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat de tuchtcommissie bij het opleggen van de straf onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke belangen - met name het belang van [appellant] om in zijn onderhoud te kunnen voorzien en zijn beroep te kunnen uitoefenen - en dat de straf van royement gelet op zijn persoonlijke belangen disproportioneel is. Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvoor [appellant] is veroordeeld en de impact die deze veroordeling heeft gehad kan naar het oordeel van het hof echter niet gezegd worden dat de oplegging van de straf van royement onmiskenbaar disproportioneel is. Zoals hierboven reeds is overwogen, houdt het royement voor [appellant] een vergaande beperking in voor het verrichten van werkzaamheden binnen de turnsport, maar is er geen sprake van een beroepsverbod, met name gelet op de buiten Nederland bestaande mogelijkheden en is er dus ook geen sprake van een onmogelijkheid van [appellant] om in zijn onderhoud te voorzien. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het opleggen van de straf van royement gelet op de persoonlijke omstandigheden van [appellant] onaanvaardbaar is. Dat in de beslissing van de tuchtcommissie en die van de commissie van beroep niet uitgebreid is stilgestaan bij de persoonlijke omstandigheden van [appellant] en met de gevolgen van de sanctie voor [appellant], wil niet zeggen dat daarmee geen rekening is gehouden of dat - mede gelet op de beperkte aandacht die [appellant] zelf daarvoor bij de tuchtorganen heeft gevraagd - de beslissing onvoldoende is gemotiveerd. De straf weegt weliswaar zwaar, maar de feiten die daaraan ten grondslag liggen doen dat eveneens.

4.12 Evenmin kan gezegd worden dat [geïntimeerde] misbruik maakt van haar machtspositie. Daarvan is alleen sprake wanneer geoordeeld wordt dat de tuchtcommissie van [geïntimeerde] bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen en dat is naar het oordeel van het hof gelet op het bovenoverwogene niet het geval. Dat [geïntimeerde] - overeenkomstig artikel 2.6.01 van het Huishoudelijk Reglement van [geïntimeerde] - erop toeziet dat een opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd en dat haar leden hun medewerking verlenen aan de tenuitvoerlegging van de straf door onder meer geen diensten in te huren van geroyeerde leden zoals [appellant] levert evenmin machtsmisbruik op.

4.13 [appellant] heeft zich er ten slotte op beroepen dat de hem opgelegde straf onbillijk en disproportioneel is in vergelijking met andere meer ernstige zaken die aan de tuchtcommissie zijn voorgelegd. [appellant] heeft zich daarbij met name beroepen op een zaak van 31 augustus 2005 waarbij de commissie van beroep een geheel voorwaardelijke straf heeft opgelegd aan een turnleraar ter zake van het onzedelijk betasten van een leerlinge.

Daargelaten dat er sprake is van feiten van geheel andere aard, is, mede gelet op de vrijspraak in hoger beroep door het hof Den Bosch ter zake van deze feiten, niet gebleken van een vergelijkbare ernst van de feiten. Ook overigens is onvoldoende gesteld om, met inachtneming van de marginale toetsing die het hof dient toe te passen, tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van inconsistent beleid bij de tuchtorganen van [geïntimeerde], waardoor de aan [appellant] opgelegde straf niet in stand kan blijven.

4.14 De conclusie luidt dat gebondenheid van [appellant] aan de uitspraak van de tuchtcommissie van [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 31 oktober 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 300,- voor griffierecht.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.C. Groen, D.J. van Dijk en A. Smeeïng-van Hees en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2009.