Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BC5100

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
0700856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof vindt de afwijzing van het gevraagde verlof tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] geen steun in het recht. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 1:95, eerste lid, en 1:96, eerste lid, BW kunnen gemeenschapsschulden respectievelijk privé-schulden van een van de echtgenoten worden verhaald op de goederen van de gemeenschap. Dat [geïntimeerde] zelf geen schuldenaar is met betrekking tot de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, staat niet eraan in de weg dat beslag wordt gelegd te haren laste op tot de gemeenschap behorende goederen die mede op haar naam staan. Dit brengt mee dat het verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de van de huwelijksgemeenschap van [de echtgenoot] en [geïntimeerde] deeluitmakende woning (mede) ten laste van [geïntimeerde] kan worden verleend. Zie verder de herstelbeschikking in deze zaak die gepubliceerd is onder LJN: BV9824.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 februari 2008

Rekestnummer 0700856

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[het bouwbedrijf],

gevestigd en kantoorhoudende te Emmeloord,

appellante,

hierna te noemen: [het bouwbedrijf],

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. M. Ynzonides en M. Mak,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding in eerste aanleg

Op 31 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, -voor zover hier van belang- afgewezen het verzoek van [het bouwbedrijf] om aan haar verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] op de aan haar toebehorende onverdeelde helft in de woning met erf en tuin staande en gelegen te [woonplaats geïntimeerde], plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend gemeente [woongemeente geïntimeerde], sectie B nummer 2385, groot 13 are en 11 centiare (hierna: de woning).

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 december 2007, heeft [het bouwbedrijf] verzocht de beschikking van 31 oktober 2007 te vernietigen voor zover daarbij het verzochte verlof is afgewezen en opnieuw beslissende (i) alsnog verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] op de aan haar toebehorende onverdeelde helft in de woning (ii) de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd te begroten op € 940.000,- (iii) te bepalen dat de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld binnen 21 dagen na het beslag en (iv) de beschikking houdende het verlof op alle dagen en uren uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 20 februari 2008 is de zaak behandeld. Mr. Mak heeft de zaak toegelicht. [geïntimeerde] is niet verschenen.

De beoordeling

1. [geïntimeerde] en [de echtgenoot] (hierna: [de echtgenoot]) zijn in algemene gemeenschap van goederen gehuwd en tot deze huwelijksgemeenschap behoort de woning.

2. [het bouwbedrijf] heeft zich op 31 oktober 2007 gewend tot de voorzieningenrechter met het verzoek verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van -onder meer- [de echtgenoot] en [geïntimeerde] op de onverdeelde helft van de aan ieder van hen toekomende woning. Bij de beroepen beschikking is, kort gezegd en voor zover hier van belang, het verlof tot het leggen van beslag ten laste van [de echtgenoot] verleend en ten laste van [geïntimeerde] geweigerd. In hoger beroep verzoekt [het bouwbedrijf], kort gezegd, alsnog verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde].

3. Uit het beroepschrift en de behandeling ter zitting is gebleken dat door [het bouwbedrijf] inmiddels conservatoir beslag is gelegd op het onverdeeld aandeel van [de echtgenoot] in de woning en dat tegen [de echtgenoot] inmiddels ook de eis in de hoofdzaak is ingediend.

4. Naar het oordeel van het hof vindt de afwijzing van het gevraagde verlof tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde] geen steun in het recht. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 1:95, eerste lid, en 1:96, eerste lid, BW kunnen gemeenschapsschulden respectievelijk privé-schulden van een van de echtgenoten worden verhaald op de goederen van de gemeenschap. Dat [geïntimeerde] zelf geen schuldenaar is met betrekking tot de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, staat niet eraan in de weg dat beslag wordt gelegd te haren laste op tot de gemeenschap behorende goederen die mede op haar naam staan. Dit brengt mee dat het verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de van de huwelijksgemeenschap van [de echtgenoot] en [geïntimeerde] deeluitmakende woning (mede) ten laste van [geïntimeerde] kan worden verleend.

5. De tweede grief is ter zitting in hoger beroep ingetrokken en deze behoeft daarom geen nadere bespreking.

6. Het hof zal -om redenen van doelmatigheid- beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voorzover daarbij is aangetekend dat het verlof niet geldt voor het beslag ten laste van [geïntimeerde];

en in zoverre opnieuw beslissende:

verleent verlof tot het leggen van conservatoir beslag (mede) ten laste van [geïntimeerde] op de aan haar toebehorende onverdeelde helft in de woning met erf en tuin staande en gelegen te [woonplaats geïntimeerde], plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend gemeente [woongemeente geïntimeerde], sectie B nummer 2385, groot 13 are en 11 centiare;

stelt het bedrag waarvoor het verlof wordt verleend (met inbegrip van rente en kosten) op € 940.000,- (viermiljoennegenhonderdveertig duidend euro);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, voorzitter, Van der Meer en Peper, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 22 februari 2008 in bijzijn van de griffier.