Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:7363

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
21-000083-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:324, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdenking terzake van moord en het samen met anderen wegvoeren van het lijk van het slachtoffer.

Na terugwijzing Hoge Raad: ‘Sprake van medeplegen van of medeplichtigheid aan moord' ?

Hof verwerpt de verweren ten aanzien van het opzet en voorbedachte raad en veroordeelt verdachte terzake medeplichtigheid aan moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 3 maanden. Bij de oplegging van deze straf is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000083-16

Uitspraak d.d.: 14 september 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 29 september 2015 en herstelarrest van 17 november 2015 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010 met parketnummer 07-620476-08 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Procesgang en omvang van het hoger beroep.

Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010 is verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en voor het onder 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 26 april 2013 de verdachte - met vernietiging van voornoemd vonnis - vrijgesproken ter zake van het onder

1 en 2 tenlastegelegde en ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden en heeft voorts de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] toegewezen.

Tegen dit arrest heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 29 september 2015 het bestreden arrest vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging waaronder begrepen de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] .

Het vorenstaande resulteert hierin dat, naast de strafoplegging en beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , alleen het onder 3 tenlastegelegde door het hof dient te worden beoordeeld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van het onder 3 primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 3 maanden met aftrek van voorarrest alsmede niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. J. Boksem, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover het de beslissing van het onder feit 3 tenlastegelegde betreft - vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover hier van belang en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 17 augustus 2016 - tenlastegelegd dat:

3:
zij op of omstreeks 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


subsidiair, indien het voorgaande niet tot veroordeling en strafoplegging leidt, dat:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in

vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben

beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen kogels op/in het lichaam en/of het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] af te vuren, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk feit zij, verdachte, toen en daar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- met die [slachtoffer 1] in gesprek te gaan en/of

- ( terwijl die [slachtoffer 1] in contact wilde komen met genoemde [medeverdachte 2] ) één of meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat [medeverdachte 2] in de directe omgeving aanwezig was en dat [slachtoffer 1] even moest wachten,

waardoor die [slachtoffer 1] op de plaats, en/of in de directe omgeving daarvan, waar zij, verdachte, [medeverdachte 2] en genoemde [medeverdachte 1] waren op die [medeverdachte 2] is blijven wachten en/of - na even te zijn weggegaan - is teruggekeerd,

waardoor het voor genoemde [medeverdachte 1] mogelijk was om met een vuurwapen kogels op/in het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1] af te vuren’.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

[slachtoffer 1] is op 16 oktober 2008 doodgeschoten bij de toko van [medeverdachte 2] in [gemeente] . Verdachte was toen aanwezig in de toko. Zij was daar eerder die avond naartoe gegaan tezamen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor onder meer de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Aan de orde is de vraag of verdachte in strafrechtelijk relevante mate betrokken is geweest bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] . Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor medeplegen van de moord door verdachte, zodat zij moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 primair tenlastegelegde, maar dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gepleegde moord op [slachtoffer 1] .

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van ook de onder 3 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt met betrekking tot het bewijs het volgende.

Opzet op het gronddelict

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] sprak over de problemen die [medeverdachte 2] met zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] had. Zij wist dat [medeverdachte 2] werd afgeperst, niet alleen door [slachtoffer 1] maar ook door [slachtoffer 2] en dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] in haar bijzijn zijn hulp had aangeboden om een einde te maken aan deze afpersingspraktijken. Verdachte heeft met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gesproken over een vuurwapen en heeft op verzoek van [medeverdachte 1] iemand benaderd om te proberen een wapen voor hem te regelen. Verdachte wist tevens dat [medeverdachte 1] twee dagen voorafgaand aan de levensberoving van [slachtoffer 1] , derhalve op 14 oktober 2008, [slachtoffer 2] in een toko van [medeverdachte 2] in [plaats 1] met een vuurwapen om het leven had gebracht. Zij heeft kort na dat feit, in de avond van 14 oktober 2008, daarover met zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] gesproken. Zij wist op 16 oktober 2008 aldus dat [medeverdachte 1] over een vuurwapen beschikte en waartoe hij in staat was.

In de avond van 16 oktober 2008 is verdachte met die wetenschap tezamen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar de toko in [gemeente] gegaan, in de verwachting dat [slachtoffer 1] daar ook zou komen. Diezelfde avond heeft zij van [medeverdachte 2] een door hem doorgestuurd SMS bericht van [slachtoffer 1] ontvangen waarin [slachtoffer 1] aankondigde dat hij vanaf 19.00 uur op [medeverdachte 2] wacht en dat zijn broer helemaal uit [plaats 2] is gekomen en dat hij wacht op zijn geld. Verdachte heeft dit bericht op verzoek van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] laten lezen. Zij wist dat [slachtoffer 1] in contact wilde komen met [medeverdachte 2] , omdat [medeverdachte 2] in de ogen van [slachtoffer 1] nalatig was met het doen van betalingen. [medeverdachte 2] was aldus verdachte bang en wanhopig en wilde [slachtoffer 1] niet onder ogen komen. Bij aankomst van verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de toko in [gemeente] is in aanwezigheid van verdachte het aanwezige personeel naar achteren gedirigeerd omdat er een probleem zou komen.

Het hof is van oordeel dat verdachte in deze omstandigheden minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] die avond tijdens de ontmoeting in of bij de toko op gewelddadige wijze, namelijk door vuurwapengeweld, van het leven zou worden beroofd.

Gedurende het gesprek in de aanloop van de rit en de rit naar [gemeente] , de aanwezigheid in de toko, het wachten op de komst van [slachtoffer 1] en ook na diens aankomst aldaar, bestond er voor verdachte op verschillende momenten ruimschoots tijd en gelegenheid voor beraad over de confrontatie met [slachtoffer 1] en het te verwachten verloop van gebeurtenissen. Zij heeft ruimschoots kunnen nadenken over en bezinnen op de gevolgen van het handelen ten aanzien van [slachtoffer 1] en de betekenis om zich daarvan rekenschap te geven. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof ook dat het opzet van verdachte tevens de voor moord vereiste voorbedachte raad bestrijkt.

Opzet op de eigen gedraging

Naast de bovenstaande omstandigheden heeft het hof met betrekking tot haar eigen handelen nog het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is in het kantoortje van de toko gaan zitten, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich elders in of bij de toko ophielden. Zij is naar buiten gegaan toen zij [slachtoffer 1] aan zag komen en heeft met hem gesproken. [slachtoffer 1] heeft aan verdachte naar [medeverdachte 2] gevraagd, waarop verdachte heeft geantwoord dat hij maar even moest wachten, dat [medeverdachte 2] ergens in de buurt was, ergens in de Toko liep maar dat zij niet wist waar. Dat hij zo wel zou komen. Een kwartier later kwam [slachtoffer 1] terug en vroeg nogmaals aan verdachte waar [medeverdachte 2] was. Ook toen heeft verdachte hem geantwoord dat zij dat niet wist en dat hij toch even moest wachten. In de tussentijd heeft verdachte een door [medeverdachte 2] aan haar doorgestuurd sms'je van [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 2] ontvangen, met als inhoud: “Het duurt me te lang, als je nu niet komt gaan er ongelukken gebeuren.” Kort na terugkomst van [slachtoffer 1] , heeft [medeverdachte 1] hem buiten voor de toko met een vuurwapen neergeschoten. Na dit schot is verdachte geroepen door [medeverdachte 1] , zij zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en hoorde hem gorgelende geluiden maken. Verdachte heeft over de knal die zij hoorde verklaard dat het haar duidelijk was wat voor knal het was. Zij moest van [medeverdachte 1] een vuilniszak halen. Terwijl ze wegliep om die zak te halen hoorde ze een tweede schot. Ze heeft het vuurwapen van [medeverdachte 1] overgenomen en in haar tas gedaan en heeft met [medeverdachte 1] de auto van [slachtoffer 1] doorzocht en spullen uit de auto in een plastic zak gedaan. Vervolgens heeft zij de auto van [slachtoffer 1] , met diens lijk in de kofferbak, vervoerd van [gemeente] naar [plaats 1] .

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat zij [slachtoffer 1] niet kende en dus ook niet wist dat het [slachtoffer 1] was die naar [medeverdachte 2] vroeg. Het hof overweegt dat uit het dossier kan blijken dat zij [slachtoffer 1] wel degelijk kende, vanwege zijn activiteiten als beveiliger bij festivals die zij bezocht. Verdachte heeft zulks zelf anders dan haar verklaring ter zitting van het hof tegenover de politie tijdens haar verhoren meermalen verklaard. Los daarvan moet verdachte op zijn minst het vermoeden hebben gehad dat het [slachtoffer 1] was die zich op dit late uur bij de toko meldde, hij had zijn komst immers aangekondigd, terwijl het volstrekt ongeloofwaardig is dat zij hem dan niet naar zijn naam heeft gevraagd, maar wel voor hem op zoek zijn gegaan naar [medeverdachte 2] , zoals zij ter terechtzitting heeft aangevoerd. Overigens heeft verdachte niet eerder verklaard dat zij actief op zoek is geweest naar [medeverdachte 2] toen [slachtoffer 1] zich aandiende en naar hem vroeg. Haar bewering dat zij [medeverdachte 2] daartoe ook zou hebben gebeld, maar dat zijn mobiele telefoon kennelijk niet aan stond was in die zin ook nieuw, en is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig ook in het licht van het feit dat het [slachtoffer 1] direct erna wel lukte om [medeverdachte 2] een sms-bericht te sturen, welk bericht [medeverdachte 2] toen vervolgens aan verdachte heeft doorgestuurd. Het hof houdt verdachte derhalve aan haar verklaring zoals zij die tegenover de politie heeft afgelegd dat zij [slachtoffer 1] kende.

Dat verdachte louter aanwezig was om een bemiddelende rol te kunnen spelen, is een bewering die niet wordt gestaafd door haar handelen. Uit niets is immers gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte op de daartoe geschikte en aangewezen momenten daadwerkelijk invulling heeft gegeven of heeft willen geven aan die rol. Het hof acht verdachte in haar verklaring op dit punt evenmin geloofwaardig.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat verdachte doelbewust [slachtoffer 1] aan het lijntje heeft gehouden door met hem in gesprek te gaan en te suggereren dat [medeverdachte 2] zo wel zou komen en dat hij maar even moest wachten. Zij heeft eraan bijgedragen dat [slachtoffer 1] in de buurt bleef van de toko en terugkwam, waardoor het voor [medeverdachte 1] mogelijk werd om [slachtoffer 1] neer te schieten. Het opzet van verdachte kan worden afgeleid uit haar wijze handelen voorafgaand, tijdens en ook direct na de levensberoving, zoals hiervoor beschreven. Het handelen van verdachte nadien, te weten, het wegmaken van sporen van het misdrijf, het doorzoeken van de auto van [slachtoffer 1] en het wegvoeren van diens lijk levert geen contra indicatie op maar ondersteunt verdachtes eerdere handelen.

Aldus acht het hof de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid van verdachte aan de moord op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3 subsidiair:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in

vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben

beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen kogels op het lichaam en/of het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] af te vuren, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk feit zij, verdachte, toen en daar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- met die [slachtoffer 1] in gesprek te gaan en

- ( terwijl die [slachtoffer 1] in contact wilde komen met genoemde [medeverdachte 2] ) meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat [medeverdachte 2] in de directe omgeving aanwezig was en dat [slachtoffer 1] even moest wachten,

waardoor die [slachtoffer 1] op de plaats, en/of in de directe omgeving daarvan, waar zij, verdachte, [medeverdachte 2] en genoemde [medeverdachte 1] waren op die [medeverdachte 2] is blijven wachten en/of - na even te zijn weggegaan - is teruggekeerd,

waardoor het voor genoemde [medeverdachte 1] mogelijk was om met een vuurwapen kogels op het

lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1] af te vuren’.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan moord

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de verdachte is op 5 maart 2010 gerapporteerd door D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog. Dit rapport houdt met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, met enige (lichte) borderline en ontwijkende trekken, maar met name van afhankelijke trekken in de afweer. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde, in die zin dat zij niet goed in staat is zich te verweren tegen de verkeerde intenties en het grensoverschrijdend gedrag van anderen. Daarnaast heeft zij ook een beperkt zicht op het eigen gedrag en het gedrag van anderen, waardoor ze kwetsbaar en gemakkelijk beïnvloedbaar is, aldus Breukers. Breukers – die haar rapportage ter zitting van het hof in 2013 heeft toegelicht - adviseert justitie de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof is op grond van de inhoud van dit rapport van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde delicten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof acht de verdachte strafbaar, met inachtneming van het vorenstaande. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf en/of maatregel ten aanzien van het aan verdachte onder 3 subsidiair en het bij arrest van dit hof d.d. 26 april 2013 onder 4 bewezenverklaarde

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

[slachtoffer 1] is op 16 oktober 2008 door vuurwapengeweld om het leven gebracht. Bij deze moord heeft verdachte als medeplichtige een rol gespeeld zoals hierboven uiteen is gezet. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1] . Pas op 14 november 2008 is het lijk van [slachtoffer 1] in een rioolput te [gemeente] aangetroffen.

Dergelijke delicten schokken de rechtsorde in ernstige mate en dragen bij aan algemene gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Door het wegvoeren van het lijk heeft verdachte niet alleen respectloos gehandeld jegens het lichaam van [slachtoffer 1] maar er ook aan bijgedragen dat de nabestaanden gedurende een maand in onzekerheid hebben verkeerd en hen daarmee extra leed toegebracht.

Moord is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan dit ernstige delict. Het hof acht enkel oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom passend en geboden.

Uit het meest recente uittreksel uit de justitiële documentatie met betrekking tot de verdachte, waarover het hof beschikt, blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft kunnen blijken.

Gezien de bovenstaande overwegingen en uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren in beginsel passend en noodzakelijk.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak, zowel in de fase van het hoger beroep als in de daarop volgende cassatiefase, niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal ruim 30 maanden. Het hof ziet hierin aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf van 9 jaren te matigen tot 8 jaren en 3 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.065,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot feit 3, is er causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover één of meer van de mededaders het bedrag reeds heeft of hebben voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 47 en 151, 48 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het de beslissing van het onder feit 3 tenlastegelegde betreft en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde alsmede het in het arrest van dit hof d.d. 26 april 2014 onder 4 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , een bedrag te betalen van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 14 september 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.