Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5747

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
21-000406-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2570, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag echtgenoot. Het hof acht voorbedachte raad niet bewezen. Gevangenisstraf 14 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000406-15

Uitspraak d.d.: 14 juli 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 20 januari 2015- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2013 met parketnummer 05-901387-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI Z-O, Evertsoord Ter Peel, gevangenis te Evertsoord.

Het hoger beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2013 ter zake van het primair tenlastegelegde - moord - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 11 april 2014 ter zake van het primair tenlastegelegde - moord - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 20 januari 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 31 augustus 2015, 16 februari 2016, 30 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadslieden, mr. W.J. Ausma en mr. A.W.T. Klappe, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
zij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011 te [plaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na (kort) tevoren genomen besluit, verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp/puntig voorwerp in het lichaam (borststreek) heeft/hebben gestoken en/of gesneden en/of met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

subsidiair:
zij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011 te [plaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp/puntig voorwerp in het lichaam (borststreek) heeft/hebben gestoken en/of met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

De rechtbank heeft in haar vonnis van 26 juni 2013 met betrekking tot de feiten het volgende vastgesteld. Het hof neemt deze overwegingen grotendeels van de rechtbank over.

“Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte sliep in de nacht van 19 op 20 oktober 2011 in de slaapkamer aan de voorzijde van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de slaapkamer van verdachte). Op 20 oktober 2011 om 04.04 uur belt verdachte (vanuit haar woning) naar 112 met de mededeling dat er mensen bij haar in huis zijn, dat ze zich in een andere slaapkamer bevindt dan haar man en dat ze niets meer hoort en niet weet wat er met haar man aan de hand is. Omstreeks 04.08 uur is de politie ter plaatse. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] treffen verdachte aan in de bewuste slaapkamer aan de voorzijde van de woning. Zij draagt op dat moment een slip en een wit T-shirt. In de slaapkamer daarnaast (hierna: de slaapkamer van het slachtoffer) treffen zij liggend op bed een man aan: [slachtoffer] , de echtgenoot van verdachte. Zij zien bloed op het bed en op de man zelf en constateren dat de arm koud en stijf aanvoelt. [verbalisant 2] voelt aan de halsslagader dat er geen hartslag is.

[slachtoffer] is omstreeks 04.34 uur overleden. Het 95% betrouwbaarheidsinterval geeft hierbij aan dat een spreiding van 2,8 uren in acht dient te worden gehouden. Het overlijden heeft dus waarschijnlijk tussen 01.44 en 07.24 uur plaatsgevonden, of mogelijk iets later door versnelde afkoeling. Aangezien het slachtoffer om 04.08 uur door een agent is aangetroffen en hij toen al koud en stijf was, heeft het overlijden plaatsgevonden tussen 01.44 en 04.08 uur. Aan de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] bevinden zich twee ruwrandige letsels van circa drie centimeter die reikten tot op het schedeldak. In het schedeldak zijn stukjes ijzer (staal) aangetroffen. Het is meer waarschijnlijk dat beide letsels tot stand zijn gekomen door één klap met een voorwerp met twee evenwijdige uitstulpingen (zoals klauwhamer of breekijzer) dan door twee klappen met een voorwerp dat geen uitstulpingen heeft. Midden op achterhoofd bevinden zich een huidkneuzing en een bloeduitstorting. Verder is er een ruwrandig letsel links van het borstbeen en een scherprandige snee in de linkerzijde van de borst van circa 17 centimeter met twee steekkanalen. Ter hoogte van het borstbeen is een scherprandige perforatie met steekkanaal tot in de borstholte, met een perforatie van het hart. In de gevonden steekkanalen zijn zowel hart als linkerlong meermalen geraakt, leidend tot massaal bloedverlies waardoor het overlijden is veroorzaakt. De steekletsels zijn het gevolg van steken met een snijdend voorwerp zoals een of meer messen. Alle genoemde letsels zijn bij leven opgelopen.

Op grond van het bovenstaande staat vast dat de dood van [slachtoffer] tussen 01.44 en 04.08 (het tijdstip waarop hij werd aangetroffen door de politie) is ingetreden en dat dit overlijden gepaard ging met geweld met twee verschillende wapens: 1. een voorwerp met twee evenwijdige uitstulpingen (zoals klauwhamer of breekijzer) en 2. een of meer messen.

Er is bloed aangetroffen in de slaapkamer van het slachtoffer: op de deur van de slaapkamer (nabij de deurklink), op de muur direct naast de deur, op de tapijtvloer tussen de deur en het bed, op het tweepersoonsbed (voornamelijk op het dekbed, hoeslaken en hoofdkussen van de rechter slaapplaats en op de houten rand van het voeteneinde). Verder zijn er nog bloedspatten aangetroffen op de kledingkast, het nachtkastje, de muur en het plafond.

Op het hoeslaken (onderlaken) van de linker bedhelft van het tweepersoonsbed in de slaapkamer van verdachte werden verkleuringen aangetroffen die door middel van tetra base positief werden getest als bloed. Dit betreft een bloedvlek op circa 15 cm onder het hoofdkussen. In de wasmand die op de badkamer stond, werd onder een blauw geruit shirt (het bovenste kledingstuk in de wasmand) een nachthemd (wit, met rode roosachtige motieven) aangetroffen. Op dit nachthemd zijn verkleuringen aangetroffen die door middel van tetra base positief werden getest als bloed (...) Daarnaast zijn aan de onderzijde van het nachthemd, ter plaatse van de stiknaad tussen de achterzijde en de voorzijde, nog twee sporen aangetroffen: een (niet nader te kwalificeren) bloedspoor en een bloedstolsel. Het DNA van de bemonsteringen van het bloed op het hoeslaken en de bloedsporen aan de onderzijde van het nachthemd, matcht met het DNA van [slachtoffer] . Het nachthemd betreft een aan verdachte toebehorend damesnachthemd dat uitsluitend door haar werd gedragen.

Toen de politieagenten ter plaatse kwamen, stond de voordeur van de woning open. In de woonkamer waren diverse lades van kasten opengetrokken. Verder lag er een tas op zijn kant met daarbij in de nabijheid enkele goederen die vermoedelijk uit die tas kwamen. Er waren geen braaksporen en er was ogenschijnlijk geen vluchtweg gecreëerd. Er zijn -met uitzondering van een foto- geen spullen uit de woning weggenomen.”

Het hof overweegt dat in hoger beroep nog een nader rapport van het NFI van 25 november 2015 is uitgebracht over het moment waarop de dood van [slachtoffer] is ingetreden. Uit dit rapport komt naar voren dat het tijdstip van overlijden wellicht later is dan eerder berekend. Dit doet naar het oordeel van het hof echter niet af aan hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld. Het staat immers vast dat [slachtoffer] dood was toen hij door de politie werd aangetroffen en in de geciteerde overwegingen is al benoemd dat door versnelde afkoeling het tijdstip van overlijden mogelijk iets later moet worden gesteld. Anders dan de verdediging stelt, zijn uit deze nieuwe schatting, geen conclusies te trekken over de precieze tijd die verdachte gehad zou hebben om handelingen te verrichten.

Voorts wijst het hof er op dat op pagina 1426 van het dossier melding wordt gemaakt van de omstandigheid dat tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat de radiator in de slaapkamer van het slachtoffer warm werd en op enig moment de radiatorkraan is dichtgedraaid, maar achteraf niet meer kon worden vastgesteld hoe lang de kraan van de radiator had opengestaan. Een opwarming van de slaapkamer had het afkoelen eventueel vertraagd. Omdat er geen duidelijkheid was omtrent de temperatuur van de slaapkamer tussen 6.30 uur en 12.00 uur is dit gegeven uiteindelijk niet mee genomen in de berekening door het NFI.

Betrokkenheid verdachte

Uit de vastgestelde feiten en ook anderszins uit het strafdossier leidt het hof het volgende af. Verdachte was in de woning ten tijde van het gepleegde delict. Op een nachthemd van verdachte en op het hoeslaken van het bed van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen. Verdachte heeft in de maanden augustus en september 2011, de maanden voorafgaand aan het delict, op de computer in de woning van verdachte en op de computer op haar werkplek op internet gezocht op onder meer de volgende termen: “dodelijke klap tegen zijkant hoofd”, “huis vrijgeven na moord”, “na moord huis weer schoonmaken”, “extreem schoonmaken na delict”, “bewijs”, “alibi”, “perfecte moord”, “perfecte dood”, “klap tegen slaap”, “harde klap op hoofd”, “dodelijke klap”, “noodweerexces”, “ik wil een moord”, “moord met voorbedachte rade”, “moord, doodslag of dood door schuld.”
Verdachte heeft verklaard dat zij op de betreffende termen zocht, onder meer omdat zij vaak naar televisieseries keek als “Bones” en “CSI” en dan geïnteresseerd was in de nasleep van dergelijke moordzaken. Het hof acht die verklaring onaannemelijk. Verdachte heeft gezocht op termen die verband kunnen houden met een te plegen levensdelict. In elk geval één van die termen komt overeen met het delictscenario, namelijk “dodelijke klap tegen zijkant hoofd.” Naar het oordeel van het hof zijn de zoektermen derhalve gerelateerd aan het gepleegde feit. Verdachte geeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep bovendien geen verklaring voor de omstandigheid dat zij al jaren naar genoemde televisieseries keek, maar juist pas in de laatste paar maanden voorafgaand aan het delict op internet heeft gezocht naar de betreffende zoektermen en daarvoor niet.

Het hof heeft zich, evenals de rechtbank, de vraag gesteld of een ander scenario denkbaar is. Verdachte heeft die nacht 112 gebeld met de mededeling dat er mensen in de woning aanwezig waren. Toen de politie ter plaatse kwam, stond de voordeur open en in de woonkamer waren lades van kasten opengetrokken. Ook lag er een tas op de grond met enkele goederen die vermoedelijk uit de tas kwamen. Technisch rechercheurs hadden de indruk dat de inbraak in scène was gezet, aangezien er veel te netjes was gewerkt, hetgeen niet leek te passen bij de wijze waarop [slachtoffer] was gedood. De bureau- en kastladen in de woning stonden open maar leken niet doorzocht. De tassen naast deze laden en kast waren neergelegd en leken niet doorzocht. Er was geen vluchtweg gecreëerd, er was geen braakschade aangetroffen en waardevolle spullen die beneden voor het grijpen lagen, zoals een fotocamera en navigatieapparaat, waren niet klaargezet om mee te nemen.

Verdachte heeft verklaard dat zij gestommel hoorde op de trap en daarna één kreet. Verder had zij niets gehoord, hetgeen niet te rijmen is met de wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht en de omstandigheid dat beide kamers naast elkaar gelegen waren en bij de schouw is vastgesteld dat de bovenverdieping gehorig was. Het slachtoffer heeft immers twee klappen tegen het hoofd en drie steken in de borst gehad, waarbij hij zich nog in en/of bij het bed heeft bewogen. De deur van de slaapkamer van het slachtoffer moet minstens twee keer zijn gesloten, gelet op het bloedpatroon bij de deur en het aantreffen van een gesloten deur door de politie. Verdachte heeft verklaard dat zij, tot het moment dat de politie arriveerde, de slaapkamer niet heeft verlaten. Dit terwijl bloed van het slachtoffer op het hoeslaken van het bed van verdachte is aangetroffen.

De rechtbank heeft voorts nog het volgende overwogen, en het hof neemt deze overwegingen en conclusies over:

“Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] in zijn slaap is overvallen. Het is niet aannemelijk dat [slachtoffer] de inbreker heeft overlopen of dat hij de inbreker heeft gezien waardoor deze bang zou kunnen zijn voor herkenning. Hij vormde aldus geen gevaar voor de inbreker zodat geweld tegen hem niet nodig was. Voor zover een inbreker al reden zag om toch geweld te moeten plegen om te kunnen vluchten, had in dat geval de enkele klap op het hoofd volstaan en had hij geen enkele reden om daarna nog meerdere malen met een mes te steken.
Bij de politie zijn wel zaken bekend waarbij een inbreker of overvaller geweld gebruikt tegen het slachtoffer dat uiteindelijk tot de dood leidde, maar daarbij was in alle gevallen sprake van een confrontatie met het slachtoffer of slachtoffers waarbij het geweld of de bedreiging gericht was op het verkrijgen van enig goed of geld of van een code. Van dat laatste is in de onderhavige zaak niet gebleken.
Dan bestaat nog de mogelijkheid dat de inbreker [slachtoffer] heeft uitgeschakeld zodat hij in alle rust de woning verder zou kunnen doorzoeken en spullen van zijn gading mee zou kunnen nemen. Echter, verdachte, die zegt wakker te zijn geworden doordat iemand de trap naar boven liep - waarbij ze gestommel heeft gehoord- , heeft niet gehoord of gemerkt dat er iemand aan de deur van haar slaapkamer heeft gemorreld. Er zijn evenmin sporen waaruit kan worden afgeleid dat er buiten de woonkamer nog andere ruimtes van de woning zijn doorzocht. Zelfs op de slaapkamer waar [slachtoffer] is aangetroffen zijn geen aanwijzingen gevonden van het doorzoeken van die ruimte. Bovendien zijn er geen goederen uit de woning weggenomen, met uitzondering van een foto.”

Gelet op al deze omstandigheden acht het hof het inbraakscenario niet aannemelijk en gaat het hof ervan uit dat de inbraak door verdachte in scène is gezet. Er zijn bovendien in het dossier geen concrete aanwijzingen die een ander mogelijk scenario aannemelijk maken.

Het hof stelt dan ook vast dat verdachte in de woning was ten tijde van het delict, dat zij in de maanden voorafgaand aan het delict op internet heeft gezocht op termen die aan het feit kunnen worden gerelateerd, dat bloed van het slachtoffer op het nachthemd van verdachte is aangetroffen en op het hoeslaken in de kamer waar alleen verdachte aanwezig was, verdachte geen verklaring heeft voor deze bloedsporen en dat verdachte heeft getracht zichzelf een alibi te verschaffen door een inbraak te ensceneren. Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Bloedsporen

De verdediging heeft aangevoerd dat de bloedsporen op het nachthemd van verdachte pas 55 uur na het delict zijn gefotografeerd. Dit is cruciaal voor de beoordeling van hetgeen de deskundigen ten aanzien van de ouderdom hebben opgemerkt. Dit gegeven leidt tot twijfel en tot de vraag wat de bewijswaarde van deze sporen is. Het is ontoelaatbaar speculatief om aan de drie geringe bloedsporen van het slachtoffer, waarvan de ouderdom niet is komen vast te staan en waaruit geen duidelijke toedracht van de gebeurtenissen is af te leiden, de conclusies te verbinden die de rechtbank daaraan verbindt, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hierover het volgende. Uit het dossier komt naar voren dat het eerste tijdstip waarop de bloedsporen op het nachthemd zijn gefotografeerd (en op basis waarvan de deskundigen hun bevindingen hebben gedaan), 22 oktober 2011 omstreeks 11.04 uur is. Het nachthemd is dus niet direct na het delict gefotografeerd. Dit laat echter onverlet dat het, zo verklaren de deskundigen, een recent spoor betreft, waarbij zij enige marge in acht hebben genomen. Eén van de deskundigen spreekt over maximaal 48 uur. Voor de beoordeling van de betekenis van dit bloedspoor is niet alleen de leeftijd van het spoor van belang. Feit is dat op een nachthemd van verdachte een hoeveelheid, deels gestold bloed van het slachtoffer is aangetroffen nadat in het huis waar verdachte zich bevond een incident heeft plaatsgevonden waarbij veel bloed van het slachtoffer is vrijgekomen, terwijl verdachte geen verklaring kan geven voor het bloed op haar eigen kleding.

De verdediging heeft met betrekking tot het bloedspoor op het hoeslaken aangevoerd dat dit bloedspoor mogelijk is veroorzaakt door contaminatie. De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen, en het hof neemt deze overwegingen en conclusies over:

“Ten aanzien van het bloedspoor op het hoeslaken is door de verdediging aangevoerd dat het mogelijk is veroorzaakt door contaminatie. Dit zou kunnen zijn gebeurd als verbalisant [verbalisant 2] bloed van [slachtoffer] op zijn lichaam of kleding heeft gekregen en vervolgens in de kamer van verdachte heeft plaatsgenomen op het bed aan het hoofdeinde.

Echter, zoals de rechtbank heeft waargenomen tijdens de reconstructie, heeft verbalisant [verbalisant 2] toen verklaard dat hij zeker niet rechts van verdachte, aan het hoofdeinde van het bed, heeft gezeten. Als hij al op het bed heeft gezeten, dan was dat aan de andere kant. Hij weet dit zeker, omdat verdachte al vrij ver aan de kant van het hoofdeinde zat. Verder is hij heel stellig in zijn verklaring dat hij geen bloed heeft aangeraakt, omdat hij toen nog geen handschoenen aan had en het dan heel vies vindt.”

“De rechtbank heeft voorts tijdens de reconstructie waargenomen dat de locatie waar het bloed zich bevond op de muur en de deur van de slaapkamer waar het slachtoffer lag, aanzienlijk hoger was dan de hoogte tot waar de broek van verbalisant [verbalisant 2] in staande positie reikt, zodat niet aannemelijk is dat hij bij die gelegenheid bloed op zijn broek zou hebben gekregen. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft tijdens de reconstructie duidelijk gemaakt dat hij verdachte nabij het hoofdeinde van het bed heeft zien zitten en dat zijn collega [verbalisant 2] , als hij al op het bed zat, zeker niet “rechts” van verdachte heeft gezeten, waarmee hij bedoelde aan de kant van het hoofdeinde.

De rechtbank verwerpt daarom de stelling van verdachte dat [verbalisant 2] rechts van haar heeft gezeten, nabij het kussen/hoofdeinde. De rechtbank merkt op dat het IFS in dit verband ten onrechte is uitgegaan van de stelling van verdachte over de plek waar [verbalisant 2] zou hebben gezeten (foto 23 in het rapport van 7 juni 2013).

De schoenen, jas en twee broeken van verbalisant [verbalisant 2] zijn (zowel met het blote oog, microscopisch als met Luminol) onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. De twee hierbij aangetroffen bloedvlekjes op de buitenkant van de jas en op de rechter broekspijp van één van de twee broeken zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Van het spoor op de broek zijn geen of geen voor een vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen. Het DNA van het bloed op de jas matcht met het DNA van verbalisant [verbalisant 2] zelf. Er is aldus geen bloed van [slachtoffer] op de kleding van [verbalisant 2] aangetroffen. Om die reden verwerpt de rechtbank de mogelijkheid dat overdracht van het bloed van het slachtoffer op het hoeslaken via de kleding van [verbalisant 2] heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft verdachte nog opgemerkt dat [verbalisant 2] , toen hij op zijn hurken tegenover haar zat, mogelijk uit evenwicht is geraakt en daarbij mogelijk met zijn hand naar het bed heeft gegrepen om zich in balans te houden en daarbij het hoeslaken heeft aangeraakt op de plek waar de bloedvlek is aangetroffen. Als er op dat moment een geringe hoeveelheid bloed aan zijn hand heeft gezeten, dan kan hij dat op dat moment hebben overgedragen op het hoeslaken.

De rechtbank overweegt dat verbalisant [verbalisant 2] heel stellig heeft verklaard dat hij geen bloed heeft aangeraakt. Verder heeft hij verklaard dat hij, nadat hij bij [slachtoffer] naar een hartslag heeft gevoeld, op enig moment, tijdens het gesprek met verdachte, wegwerphandschoenen heeft aangetrokken. Hij had geen bloed van [slachtoffer] op zijn handen of handschoenen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat hij geen bloed aan zijn handen heeft gehad.

Daarbij komt dat op foto 3 op pagina 1523 van het dossier (dat is foto 24 in het rapport van het IFS d.d. 7 juni 2013) te zien is dat de locatie van de bloedvlek op het hoeslaken zich op enige afstand van de bedrand bevindt. Er van uitgaande dat [verbalisant 2] voor verdachte gehurkt zat en hij zich dus op enige afstand van het bed bevond, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de bloedvlek op deze wijze is ontstaan.”

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verweer van de verdediging, dat het bloedspoor mogelijk door contaminatie op het hoeslaken terecht is gekomen, moet worden verworpen.

De verdediging heeft in hoger beroep gewezen op een begin van aannemelijkheid van de aanwezigheid van een onbekende derde en daartoe gewezen op de volgende omstandigheden:

Schoensporen

De verdediging heeft aangevoerd dat er schoensporen van een onbekende derde zijn aangetroffen in de woning, op posities die in verband kunnen worden gebracht met het delict. Dit ondersteunt het scenario dat een onbekende derde in de woning was ten tijde van het delict, die mogelijk een inbraak heeft geënsceneerd.

Het hof verwerpt dit verweer. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat een onbekende derde met deze schoenen in de woning is geweest ten tijde van het delict. Niet is bekend wanneer de schoensporen in de woning terecht zijn gekomen en voor het overige is er niets dat leidt tot betrokkenheid van de persoon die deze schoenen droeg, bij het gepleegde feit.

DNA van onbekende(n)


De verdediging heeft tijdens haar pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een tweede aanwijzing voor de aanwezigheid van een onbekende derde is gelegen in de onbekende DNA-sporen die gevonden zijn. Er zijn onbekende DNA-kenmerken aangetroffen op plaatsen die wellicht het sterkst verband houden met het delict. De verdediging heeft de ruwe resultaten volledig laten analyseren, waarbij ook de sporen onderling zijn vergeleken om mogelijke verbanden vast te stellen. Uit die analyse blijkt volgens de verdediging dat de diverse sporen aan elkaar kunnen worden gekoppeld, zodat gesteld kan worden dat dit DNA is achtergelaten door één en dezelfde persoon. Nu deze DNA-kenmerken niet matchen met bekende betrokkenen moet hiervoor een alternatieve verklaring worden gegeven. In combinatie met de reeds uiteengezette bevindingen rondom de schoensporen van de onbekende derde, bestaat er volgens de verdediging een begin van aannemelijkheid voor de aanname van de betrokkenheid van een onbekende derde.

Het hof overweegt hierover het volgende. Ten aanzien van de aangetroffen DNA-sporen waar het verweer van de verdediging op ziet, is geen sprake van een volledig DNA-profiel. Niet is bekend of ten aanzien van al die sporen sprake is van hetzelfde DNA, nu dit onvoldoende statistisch is onderbouwd. De conclusie wordt gebaseerd op een zeer gering aantal afwijkende DNA-kenmerken, waarvan niet zonder meer duidelijk is of dit technische artefacten of DNA-kenmerken betreft. Uit de opgenomen tabel valt op te maken dat slechts 1 afwijkend DNA- kenmerk, aangeduid als 31.2, in alle bemonsteringen is waargenomen. Het betreft bovendien een rapport opgesteld door een persoon van wie de deskundigheid niet vaststaat. Bovendien valt op te merken dat de veronderstelling dat het een spoor van een onbekende derde als dader zou kunnen zijn voor zover het gaat om het hoeslaken van verdachte, niet strookt met de verklaring van verdachte zelf nu volgens de eigen verklaring van verdachte behalve zijzelf niemand in de slaapkamer is geweest. Verdachte heeft immers verklaard dat zij in haar slaapkamer is gebleven en de deur op slot heeft gedraaid. Het verweer van de verdediging wordt ook op dit punt verworpen.

Voorbedachte raad

Nu, zoals hiervoor is overwogen, naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, dient de vraag te worden beantwoord of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld ter zake van het primair tenlastegelegde, moord.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad in het bijzonder gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, waarin is overwogen dat “voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.”

Naar het oordeel van het hof kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte in de maanden voorafgaand aan het delict heeft nagedacht over de mogelijkheid haar echtgenoot om het leven te brengen, onder meer door op internet te zoeken naar informatie over hoe zij dit kon doen. Niet is echter komen vast te staan dat verdachte op dat moment al het besluit had genomen haar echtgenoot te doden. Evenmin is voldoende vast komen te staan wat er zich die nacht concreet heeft afgespeeld, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte zich in die betreffende nacht gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven.

Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair telastegelegde, moord.

Voorwaardelijk verzoek

Door de verdediging is verzocht om, indien het hof niet tot vrijspraak komt, alsnog de verzoeken toe te wijzen, gedaan voorafgaand aan de regiezittingen van 31 augustus 2015 en 16 februari 2016.

Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt. Bij tussenarresten van 14 september 2015 en 1 maart 2016 zijn de verzoeken van de verdediging afgewezen. De verzoeken zijn thans herhaald, zonder nadere onderbouwing. Nu de verdediging niets nieuws naar voren heeft gebracht wat tot een ander oordeel zou moeten leiden, wijst het hof de verzoeken af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
zij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011 te [plaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp/puntig voorwerp in het lichaam (borststreek) heeft/hebben gestoken en/of met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte haar echtgenoot [slachtoffer] heeft gedood. Verdachte heeft het slachtoffer in zijn eigen huis ’s nachts in zijn slaap, het moment waarop je als persoon het meest kwetsbaar bent, overvallen. Ze heeft het slachtoffer met een hard voorwerp op zijn hoofd geslagen en hem meerdere malen gestoken. Het slachtoffer is gedood in zijn eigen woning, een plaats waar je je veilig zou moeten voelen. Uit de plaats waar het slachtoffer is aangetroffen, dwars op het bed aan het voeteneinde, kan worden afgeleid dat hij nog heeft bewogen tijdens de aanval en dus nog enige tijd in doodsangst heeft verkeerd. Misschien heeft hij zich nog kunnen realiseren wat hem overkwam.

Bij de hoogte van de op te leggen straf weegt het hof zwaar mee dat het gaat om zeer koelbloedig en berekenend handelen door verdachte. Verdachte heeft in de maanden voorafgaand aan het delict op internet gezocht naar informatie over hoe zij haar echtgenoot om het leven kon brengen. Verdachte heeft, om ontdekking te voorkomen, een inbraak in scène gezet en 112 gebeld met de mededeling dat er mensen binnen waren. Voorts weegt bij de hoogte van de strafoplegging mee dat verdachte door haar ontkenning geen blijk heeft gegeven inzicht te hebben in de ernst van het door haar gepleegde feit.

Verdachte heeft haar echtgenoot en de vader van haar kinderen gedood. Zij heeft zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden, waaronder haar eigen kinderen die door toedoen van verdachte hun vader zijn verloren. De ter zitting afgelegde slachtofferverklaring van de broer van [slachtoffer] heeft nogmaals duidelijk gemaakt hoezeer het slachtoffer gemist wordt en hoe het leven van degenen die van hem hielden onherstelbaar is veranderd. Dit leed wordt verergerd doordat verdachte weigert opening van zaken te geven en de schuld afschuift op een onbekende persoon, die het slachtoffer zou hebben omgebracht. De nabestaanden zullen daardoor moeten leven met het feit dat veel vragen over het hoe en waarom onbeantwoord zullen blijven.

Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde ernstig en brengt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog. Op basis van hun bevindingen en conclusies stelt het hof vast dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict. Het hiervoor overwogene komt er samengevat op neer dat er verschillende strafverzwarende omstandigheden zijn, maar geen enkele strafverlichtende, behalve dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Hoewel het hof, anders dan de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring komt van moord, maar van doodslag, ziet het hof in de bovengenoemde omstandigheden reden om een langdurige gevangenisstraf op te leggen die niet veel lager is dan de straf van de rechtbank.

Het hof is dan ook van oordeel - alles afwegend - dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar de passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de voorwaardelijk gedane verzoeken.

Aldus gewezen door

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. M. Keppels en mr. M.E. van Wees, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.I.D. Leene, griffier,

en op 14 juli 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.