Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:2372

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.111.788/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Tussenarrest. Een door het UMCG uitgevoerde reconstructie van het oor heeft een teleurstellend resultaat gehad. De inhoud van het medisch dossier biedt geen antwoord op de vraag waarom het resultaat teleurstellend is geweest. Geïntimeerde is vervolgens behandeld in het UMCU. Het UMCG heeft verzocht het medisch dossier van het UMCU op te vragen en in het geding te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2016-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.111.788/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 121386/ HA ZA 10-835)

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

Universitair Medisch Centrum Groningen,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het UMCG,

advocaat: mr. E.J.C. de Jong, kantoorhoudend te Utrecht, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

voor wie heeft gepleit mr. V.C. Dekker.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 oktober 2015 hier over.

1.2

[geïntimeerde] heeft op de roldatum van 3 november 2015 bij akte aangegeven dat hij geen nieuwe mondelinge behandeling van zijn zaak wenst ten overstaan van de combinatie van raadsheren die arrest zal wijzen.

1.3

Het UMCG heeft afgezien van het nemen van een akte.

1.4

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] is vanwege een aangeboren deformerende afwijking aan het linkeroor behandeld in het UMCG. Op 1 december 2000 heeft er voor het eerst door Dr. [Q] lichamelijk onderzoek plaatsgevonden. Hij stelde de diagnose cryptotie II-III met zeer gering gehoor aan de linkerzijde. Zijn verslag vermeldt dat er een goede indicatie voor een oorreconstructie aanwezig is, dat deze reconstructie in diverse stadia zal moeten worden uitgevoerd en zich zal uitstrekken over een periode van 1 à 2 jaar.

2.3

[geïntimeerde] is hierop geopereerd in het UMCG, waarbij de linkeroorschelp moest worden geconstrueerd met lichaamseigen materiaal, te weten kraakbeen en weefsel. De eerste operatie daartoe heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2005 door dr. [X] , de tweede op 15 januari 2007 door dr. [Y] (hierna: de operaties). De operaties hebben een teleurstellend resultaat gehad.

2.4

Op 30 juni 2006 heeft [geïntimeerde] zich gemeld bij zijn huisarts met psychische problemen rondom zijn aangeboren handicap en de manier van behandeling door de artsen van het UMCG.

2.5

Op 22 september 2008 schrijft Prof. Dr. [Z] , plastisch chirurg verbonden aan het UMC Utrecht (hierna: dr. [Z] ) aan dr. [A] , plastisch chirurg bij het UMCG het volgende:
"Bovengenoemde patiënt(e) [hof: [geïntimeerde] ] werd gezien in verband met: status na mislukte oorreconstructie links elders.
Bij onderzoek werd gevonden: gedeformeerde, verlittekende "oorschelp" links. Slechte vorm en onacceptabel uitwendig aspect.
Advies/behandeling: re-reconstructie linkeroorschelp in 3 tempi:
1. inbrengen expander.
2. expander verwijderen en nieuw kraakbeenframe inbrengen.
3. mobiliseren oorschelp."

2.6

[geïntimeerde] is onder meer op 2 februari 2009 opnieuw aan het linkeroor geopereerd in het UMC Utrecht (hierna: het UMCU).

3 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat het UMCG aansprakelijk is voor [geïntimeerde] 's schade die is ontstaan als gevolg van de oorreconstructie links door het UMCG en een veroordeling van het UMCG tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade als nader op te maken bij staat. [geïntimeerde] heeft voorts veroordeling van het UMCG in de nakosten en de proceskosten gevorderd.

3.2

Het UMCG heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis voor recht verklaard dat het UMCG aansprakelijk is voor [geïntimeerde] 's schade die is ontstaan als gevolg van de oorreconstructie links in het UMCG en heeft het UMCG veroordeeld tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade als nader op te maken bij staat. Het UMCG is voorts veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het UMCG heeft in hoger beroep veertien grieven opgeworpen.

4.2

Met de grieven 1, 2 en 3 komt het UMCG op tegen (diverse aspecten van) de feitenvaststelling. Nu het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld, heeft het UMCG geen belang meer bij bespreking van die grieven. Het hof merkt daarbij op dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten een selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

4.3

De overige grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en zullen om die reden niet afzonderlijk worden besproken.

4.4

Het hof stelt voorop dat het in het geschil tussen partijen gaat om de vraag of de chirurgen van het UMCG de oorreconstructie met lichaamseigen materiaal bij [geïntimeerde] op 16 augustus 2005 en 15 januari 2007 hebben uitgevoerd in strijd met de zorgvuldigheid die mag worden verwacht van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vakgenoot onder gelijke omstandigheden.
Volgens vaste rechtspraak rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van het onzorgvuldig handelen van de arts op de patiënt, maar dient de arts zijnerzijds aanknopingspunten te verschaffen aan de patiënt voor de op hem rustende stelplicht en bewijslast. Van het UMCG mag in dat kader gevergd worden dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stelling van [geïntimeerde] . Het UMCG dient op grond van deze ophelderingsplicht niet alleen een zo nauwkeurig mogelijke lezing te geven van de bij [geïntimeerde] in het UMCGverrichte oorreconstructie, maar ook de gegevens te verstrekken waarover hij de beschikking heeft of behoort te hebben (HR 20 november 1987, NJ 1988, 500, ECLI:NL:HR:1987:AD0058, HR 13 januari 1995, NJ 1997, 175, ECLI:NL:HR: 1995:ZC1611 en 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3587).

4.5

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de operaties bij het UMCG geen resultaat hebben opgeleverd en dat de operaties (dientengevolge) mislukt zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling beroept [geïntimeerde] zich met name op de brief van dr. [Z] van het UMCU d.d. 22 september 2008, waarvan de inhoud hiervoor onder rechtsoverweging 2.5 is weergegeven.
[geïntimeerde] stelt voorts dat het UMCG heeft verzuimd om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van zijn betwisting van de stelling van [geïntimeerde] en hem aldus onvoldoende aanknopingspunten verschaft voor zijn eventuele bewijslevering. Naar de mening van [geïntimeerde] had uit het medisch dossier van het UMCG tenminste moeten blijken welke verwachtingen er bij [geïntimeerde] redelijkerwijs mochten bestaan over de resultaten van de operaties, wat de exacte status van het bereikte resultaat na twee operaties was en welke keuzes door de behandelaars bij de operaties zijn gemaakt. Nu het medisch dossier deze gegevens niet bevat, heeft het UMCG niet voldaan aan de op hem rustende verzwaarde stelplicht, aldus [geïntimeerde] .

4.6

Het UMCG heeft betwist dat hij onzorgvuldig jegens [geïntimeerde] gehandeld heeft. Hij is van mening dat het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om na bestudering van het medisch dossier (dat het UMCG bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht) naar voren te brengen waaruit het onzorgvuldig handelen van het UMCG heeft bestaan. Nu [geïntimeerde] dit heeft nagelaten heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan, aldus het UMCG.

4.7

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de door het UMCG uitgevoerde operaties niet het beoogde resultaat hebben gehad. [geïntimeerde] spreekt in dit kader onder verwijzing naar de genoemde brief van dr. [Z] - van een 'mislukte operatie'. Het UMCG kwalificeert het resultaat van de operaties als 'teleurstellend'. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft dr. [B] , huidig hoofd van de afdeling plastische chirurgie, namens het UMCG verklaard dat er in het geval van een oorreconstructie naar gestreefd wordt een oor te maken dat zoveel mogelijk lijkt op het andere oor. Wanneer het geopereerde oor daar uiteindelijk niet op lijkt, is er sprake van een teleurstellend resultaat. De exacte oorzaak hiervan is volgens dr. [B] moeilijk vast te stellen; denkbaar is dat het littekenweefsel hier (mede) voor heeft gezorgd. Omdat de behandelend chirurgen dr. [X] en dr. [Y] inmiddels met pensioen zijn gegaan kan de precieze gang van zaken niet (langer) op eenvoudige wijze bij hen achterhaald worden.

4.8

Het UMCG heeft in eerste aanleg het medisch dossier van [geïntimeerde] , dat onder andere de operatieverslagen van 16 augustus 2005 en 15 januari 2007 bevat, in het geding gebracht. De inhoud van dit dossier biedt (eveneens) geen antwoord op de vraag waarom het resultaat van de operaties in het onderhavige geval teleurstellend is geweest. De door dr. [B] genoemde mogelijke oorzaken van het teleurstellende resultaat worden in het medisch dossier niet genoemd en de operatieverslagen maken geen melding van opgetreden complicaties, noch zijn de door de chirurgen gemaakte keuzes toegelicht. Aldus constateert het hof dat op basis van het medisch dossier zoals dat door het UMCG is overgelegd niet kan worden vastgesteld waarom de bij [geïntimeerde] uitgevoerde oorreconstructie niet het door partijen gewenste resultaat heeft gehad.

4.9

Partijen twisten over de vraag of het medisch dossier zoals dat door het UMCG in het geding is gebracht, voldoet aan de eisen die daaraan gesteld kunnen worden. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is aan de orde gekomen dat het UMCU eveneens over een medisch dossier van [geïntimeerde] beschikt. Het UMCG heeft naar aanleiding daarvan verzocht dit medisch dossier bij het UMCU op te vragen en in het geding te brengen. Voorts heeft het UMCG aangegeven dat het dienstig kan zijn een verklaring van dr. [A] in het geding te brengen, nu dr. [A] [geïntimeerde] na de laatste operatie in het UMCG heeft gezien en hem vervolgens heeft doorverwezen naar het UMCU voor een second opinion.
Bij de beoordeling van het handelen van het UMCG acht het hof het medisch dossier van het UMCU, alsmede een nadere verklaring van dr. [A] relevant. Alvorens verder te beslissen zal het hof daarom het UMCG in de gelegenheid stellen deze gegevens in het geding te brengen en daarop desgewenst een toelichting te geven. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van het UMCG. [geïntimeerde] zal daarop mogen reageren.

4.10

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing
Het gerechtshof:

stelt het UMCG in de gelegenheid om bij akte het medisch dossier van [geïntimeerde] dat zich thans bij het UMCU bevindt, alsmede een verklaring van dr. [A] , in het geding te brengen en om deze gegevens desgewenst van een toelichting te voorzien;

verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor akte aan de zijde van het UMCG, als bedoeld in rechtsoverweging 4.9, waarna [geïntimeerde] bij antwoordakte hierop zal kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. R.A. Zuidema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

22 maart 2016.